Woordenlijst
___________________________
legenda/ [ I ][ II ] [ III ] [ IV ] [ V ] /woordenlijst]            <HOME> >

 



noodwoningen die men van oud materiaal aaneen tuifelt (132;al.2;2-3):

  • aaneen tuifelen: bij elkaar sprokkelen en bijeen timmeren;

abat-jour (48;al.1;10):

  • lampekap;

alaamzakken (64;al.1;20):

  • alaam = gereedschap, werktuigen;

de allée (67;al.1;21 - 71;al.1;35; e.a.):

  • gangpad, overloop, ruimte van een bovenhuis waarop de trap uitkomt;

batiment (29;al.2;3-4 -51;al.1;7; e.a.):

  • > fr. bâtiment : een gebouw;

bebeirt (243;al.1;22):

  • met beer bewerkt;

beir (147;al.3;2 - 163;al.1;36):

  • menselijke uitwerpselen, drek, faecaliën;

beeweg (24;al.1;4/5):

  • processie, bedevaart; hier: ter boete-doening, een lijdensweg;

beglariet (260;al.2;3):

  • stiekem begluren;

de bijgang (7;al.2;4 - 10;al.2;14-15; e.a.), bijgangsken (26;al.1;2):

  • doorloop tussen huizen of muren, nauw armoedig steegje;

boterhammen met bijval (119;al.3;12-13 - 175;al.2;6):

  • broodbeleg;

bijzen (79;al.3;3):

  • bengelen; biezen = onrustig zijn, ijveren;

bijzende vingers (49;al.3;8):

  • onrustige, ijverige vingers;

een bougie (14;al.1;22; e.a.), een bougieken (36;al.2;24; e.a.):

  • een kaars;

geen enkel spierken bougeert (19;1;17):

  • > fr. bouger: (zich) bewegen;

het blok van voor het gat slepen (288;al.1;19):

  • alle werk alleen doen;

buiten broebelen (99;al.4;18 - 110;al.1;15):

  • naar buiten drummen, dringen;

hij broebelt een taal (285;al.3;15):

  • brabbelen, onverstaanbaar spreken;

broebelkens (12;al.3;16):

  • bubbels, luchtbelletjes;

een busselkind (63;al.2;22-23):

  • bussel: luiers (ook zwachtel); hier: een kind in luiers;

een calotjen (11;al.2;24):

  • > fr. calot: politiemuts, kardinaals- of priestermutsje; hoofddeksel; Ndl. kalot: klein mutsje of kapje;

de carré (73;al.16 - 75;al.1;9-11; e.a.):

  • blok woningen;

de cirage (76;al.2;6):

  • > fr. le cirage: het inwrijven, het boenen;

corniche (222;al.2;16):

  • > fr. corniche: daklijst, hoek van een omlijsting;

cornichen (193;al.2;82 - 251;al.2;13):

  • meervoud van corniche is in feite corniches, Boon schrijft cornichen;

een gezicht lijk een doghond (143;al.2;14/16):

  • dog = hondenras, grote kortharige honden met brede kop en staande oren; een dog van een vent: een grote zware vent;

op dompel en op sukkel zijn (248;al.1;15):

  • dompelen = sukkelen, dwalen, in moeilijke omstandigheden verkeren;

drij weken (17;al.2;8):

  • drie weken;

iemand de duivel aan doen (64;al.1;17 - 122;al.2;10-11 - 237;al.2;2):

  • treiteren, kwellen, plagen;

frak (120;al.1;18/23; e.a.):

  • > fr. frac; langpandige herenjas, jas van een kostuum, jas in het algemeen;

graveel en cement (200;al.2;11):

  • > Oudfr. gravelle: gruis; zie ook Ndl. gravel: gruis van gemalen rode dakpannen;

de gremel (10;al.2;19 - 12;al.3;6; e.a.), gremelen (33;al.1;1-2 - 58;al.2;4; e.a.), gremellachen (120;al.1;34-35 - 222;al.1;1; e.a.):

  • de grimlach, een bittere of valse lach; minachtend grimlachen, grinniken;

van krommen haas gebaren (89;al.2;4 - 106;al.1;23):

  • van niets gebaren, doen alsof men van niets weet, doen alsof je neus bloedt;

een huil ophalen (169;al.1;15-16):

  • een schreeuw, een kort gehuil dat van diep komt, een diepe snik;

een heimelijke Judas (12;al.3;18):

  • een valsaard, een verraderlijk mens (zie bijbelse figuur Judas: verrader van Jezus); pestkop, treiteraar;

iemand judassen (121;al.2;11 - 237;al.2;1-2):

  • treiteren, plagen, kwellen (zie ook judassen: iemand de duivel aandoen);

judasserig (64;al.1;16):

  • treiterachtig;

ieverans (13;al.3;8), ievers (15;al.2;1 - 17;al.2;4; e.a.):

  • ergens;

nievers (73;al.1;13 - 117;al.2;3; e.a.):

  • nergens

kabas (243;al.1;11 - 285;al.1;8; e.a.):

  • boodschappenmand of -tas;
  • Maar binst de speeltijd hebben ze op Mieleken gekabast in het pissijn tot hij er blauw van zag (120;al.1;29): kabassen = alg. arm in arm gaan, syn. insteken; hier: een pak rammel geven, in elkaar slaan.

een kadee (169;al.1;15):

  • groot in zijn soort, flink uit de kluiten gewassen, een vent, een kerel, een snaak, een kluchtig persoon;

kapotgetorte (206;al.1;21):

  • getorte > fr. torturer: verdraaien, martelen (zie terten: stappen), hier: kapotgetrapte;

iemand een kartats geven (120;al.1;32):

  • iemand een pak rammel geven;

een koddeken (sigaret) (31;al.2;3 - 67;al.1;13-14):

  • een kodde: het laatste stukje of eindje; koddeken: dialectisch verkleinwoord; een sigarettenpeukje, een eindje sigaret;

de koningin der weide (11;al.2;18-19):

  • weide = made, dus: het madeliefje;

een kerthoedjen (142;al.1;3/6 - 192;al.1;7/10; e.a.):

  • kert = keep, kerf, insnijding; hier: een hoed met een kerf, een gleufhoed;

sleuren en krochen (76;al.1;4):

  • kreunen;

lanterfanten (106;al.1;3):

  • zijn tijd verbeuzelen, leeglopen, straatslijpen;

de latrine (9;al.1;10 - 143;al.1;6; e.a.):

  • w.c., toiletgelegenheid, in bivak of kampement, meestal enigszins geïmproviseerd, of zo dat men zich enigszins moet behelpen;

de(n) loekenbeer (115;al.1;2/17):

  • loeken = kijken; hier: een schertsende, dreigende figuur; ook lieve loekenbeer (115;al.1;19);

een malheur (43;al.1;12/22; e.a.), malheuren (27;al.2;6 - 44;al.1;1; e.a.):

  • ongeluk, narigheid, gebreken;

malheureus (28;al.1;28):

  • ongelukkig;

mansarde (91;al.1;11/15 - 98;al.3;1; e.a.), mansardeken (192;al.1;16):

  • zolderkamertje;

marbels (10;al.2;5/6 - 16;al.1;4/8):

  • knikkers;

marteléglas (170;al.3;8 - 178;al.1;25; e.a.):

  • > fr. martelé: gehamerd; hier: gehamerd glas;

roode menie (55;al,2;14):

  • oranjerode verfstof, vermiljoen;

paletot (101;al.2;5 - 202;al.4;16), paltoken (30;al.2;2 - 290;al.3;11):

  • paletot: korte overjas, korte mantel; paletootje (verkl.);

een pardessus (64;al.1;3-4 - 67;al.1;35):

  • > fr. pardessus: (let.) een overgooier, een overjas;

pateetjes (108;al.1;5), pateeken (82;al.3;6 - 107;al.3;3; e.a.):

  • gebakje, taartje;

iemand een pater bewerken (233;al.1;4-5):

  • iemand een loer draaien, zie ook: iemand een pater schilderen;

pertang (51;al.1;23 - 73;al.2;10; e.a.):

  • nochtans, toch, echter, evenwel;

een piepenhol (55;al.2;20 - 246;al.1;36):

  • piepen: stil weggaan, vluchten, piepklein: heel klein; hier: een klein plekje om in weg te vluchten;

een ander piepenhol zoeken om in te wonen en te slapen (101;al.1;3-4):

  • piepen: slapen (volkstaal), hier: een kleine plek om stilletjes in weg te kruipen en te slapen;

pisbloemen (11;al.2;19-20):

  • pissebloemen, paardebloemen;

een pitslichteken (289;al.2;7):

  • een 'knijpkat' = een handdynamo, zaklantaarn met een door de hand in beweging gebrachte dynamo; hier: een zaklamp;

zoo zwart als een poerduivelken (115;al.1;10):

  • schertsend; poer = poeder, hij heeft het poer niet uitgevonden: het buskruit (poer geven = driftig te keer gaan, iemand van katoen geven);

op haar poot spelen (278;al.2;2):

  • heftig tekeer gaan, van zich laten horen;

een poulie (142;al.1;1):

  • > fr. poulie: een katrol, een riemschijf, een snaarschijf, idem Ndl. 'poelie';

rammeiden (79;al,3;24-25):

  • rammeien: beuken;

een root (7;al.1;4 - 7;al.2;7; e.a.):

  • een rij;

een slets (17;al.2;5):

  • slof, pantoffel;

speekelen (59;al.4;9 - 61;al.3;5; e.a.):

  • spuwen, speken;

speldebeziën (40;al.2;3):

  • 'beziën' dialectisch meervoud van 'bes'; hier: een bessensoort;

staminee (24;al.1;7 - 100;al.1;6-7) stamineetafel(ken) (85;al.4;6 - 100;al.1;13 - 232;al.1;30):

  • staminee > fr. estaminet = kroeg, café, bierhuis;

de tempeesten (95;al.2;18); tempeesten (ww.) (209;al.1;9):

  • (veroudouderd) stormweer; de begeerte tempeest lijk een hel: stormen, razen, tieren;

(de) teppen (15;al.1;7 - 101;al.2;11-12):

  • scheldwoord, schertsend, de zot (synoniem);

terten (14;al.2;4 - 95;al.2;12; e.a.):

  • stappen;

tikkeneiken (167;al.3;20):

  • (volkstaal) een eitje;

toekken (35;al.2;4):

  • slaan (volkstaal: iemand toekken geven);

een toile-cirré doeksken (140;al.2;1):

  • > fr. toile-cirée: wasdoek; fr. toile: katoen, linnen; hier: een katoenen of linnen wasdoek; ook een toile-ciré kabas (267;al.3;7-8): een katoenen tas; verschillende spelling!

troebelen (95;al.2;4-5 - 154;al.1;11; e.a.), troebels (113;al.2;5):

  • moeilijkheden, problemen, beroering;

uffra (45;al.3;1 - 53;al.1;11; e.a.):

  • (volkstaal) juffrouw;

lijk een musch bij haar vijg (193;al.2;1-2):

  • vijg = koeienvla; er niet bij weg te slaan;

van wijmen en fijne koordekens (11;al.3;2):

  • wilgetenen, dunne en taaie lootjes van wilgebomen;

een wijmen zetel (271;al.1;7 - 274;al.1;19 - 278;al.2;1):

  • een tenen zetel: van tenen, van dun rijshout gemaakt;

zerpe reuken (206;al.1;15):

  • zure, scherpe, wrange reuken;

een zijp (44;al,1;16):

  • wetering, waterweg, sloot, goot;