noodwoningen die
men van oud materiaal aaneen tuifelt (132;al.2;2-3):
- aaneen tuifelen:
bij elkaar sprokkelen en bijeen timmeren;
abat-jour
(48;al.1;10):
alaamzakken
(64;al.1;20):
- alaam = gereedschap,
werktuigen;
de allée
(67;al.1;21 - 71;al.1;35; e.a.):
- gangpad, overloop,
ruimte van een bovenhuis waarop de trap uitkomt;
batiment
(29;al.2;3-4 -51;al.1;7; e.a.):
- > fr.
bâtiment : een gebouw;
bebeirt
(243;al.1;22):
beir
(147;al.3;2 - 163;al.1;36):
- menselijke
uitwerpselen, drek, faecaliën;
beeweg
(24;al.1;4/5):
- processie,
bedevaart; hier: ter boete-doening, een lijdensweg;
beglariet
(260;al.2;3):
de bijgang
(7;al.2;4 - 10;al.2;14-15; e.a.), bijgangsken (26;al.1;2):
- doorloop
tussen huizen of muren, nauw armoedig steegje;
boterhammen met
bijval (119;al.3;12-13 - 175;al.2;6):
bijzen
(79;al.3;3):
- bengelen; biezen
= onrustig zijn, ijveren;
bijzende
vingers (49;al.3;8):
- onrustige,
ijverige vingers;
een bougie
(14;al.1;22; e.a.), een bougieken (36;al.2;24; e.a.):
geen enkel spierken
bougeert (19;1;17):
- > fr.
bouger: (zich) bewegen;
het blok
van voor het gat slepen (288;al.1;19):
buiten broebelen
(99;al.4;18 - 110;al.1;15):
- naar buiten
drummen, dringen;
hij broebelt
een taal (285;al.3;15):
- brabbelen, onverstaanbaar
spreken;
broebelkens
(12;al.3;16):
een busselkind
(63;al.2;22-23):
- bussel:
luiers (ook zwachtel); hier: een kind in luiers;
een calotjen
(11;al.2;24):
- > fr.
calot: politiemuts, kardinaals- of priestermutsje; hoofddeksel; Ndl.
kalot: klein mutsje of kapje;
de carré
(73;al.16 - 75;al.1;9-11; e.a.):
de cirage
(76;al.2;6):
- > fr.
le cirage: het inwrijven, het boenen;
corniche
(222;al.2;16):
- > fr. corniche:
daklijst, hoek van een omlijsting;
cornichen
(193;al.2;82 - 251;al.2;13):
- meervoud
van corniche is in feite corniches, Boon schrijft cornichen;
een gezicht lijk
een doghond (143;al.2;14/16):
- dog = hondenras,
grote kortharige honden met brede kop en staande oren; een dog van een vent:
een grote zware vent;
op dompel
en op sukkel zijn (248;al.1;15):
- dompelen = sukkelen,
dwalen, in moeilijke omstandigheden verkeren;
drij
weken (17;al.2;8):
iemand de duivel
aan doen (64;al.1;17 - 122;al.2;10-11 - 237;al.2;2):
- treiteren, kwellen,
plagen;
frak
(120;al.1;18/23; e.a.):
- > fr. frac;
langpandige herenjas, jas van een kostuum, jas in het algemeen;
graveel
en cement (200;al.2;11):
- > Oudfr.
gravelle: gruis; zie ook Ndl. gravel: gruis van gemalen rode dakpannen;
de gremel
(10;al.2;19 - 12;al.3;6; e.a.), gremelen (33;al.1;1-2
- 58;al.2;4; e.a.), gremellachen (120;al.1;34-35 - 222;al.1;1;
e.a.):
- de grimlach,
een bittere of valse lach; minachtend grimlachen, grinniken;
van krommen haas
gebaren (89;al.2;4 - 106;al.1;23):
- van niets gebaren,
doen alsof men van niets weet, doen alsof je neus bloedt;
een huil
ophalen (169;al.1;15-16):
- een schreeuw,
een kort gehuil dat van diep komt, een diepe snik;
een heimelijke
Judas (12;al.3;18):
- een valsaard,
een verraderlijk mens (zie bijbelse figuur Judas: verrader van Jezus); pestkop,
treiteraar;
iemand judassen
(121;al.2;11 - 237;al.2;1-2):
- treiteren, plagen,
kwellen (zie ook judassen: iemand de duivel aandoen);
judasserig
(64;al.1;16):
ieverans
(13;al.3;8), ievers (15;al.2;1 - 17;al.2;4; e.a.):
nievers
(73;al.1;13 - 117;al.2;3; e.a.):
kabas
(243;al.1;11 - 285;al.1;8; e.a.):
- boodschappenmand
of -tas;
- Maar binst de
speeltijd hebben ze op Mieleken gekabast in het pissijn tot
hij er blauw van zag (120;al.1;29): kabassen = alg. arm in
arm gaan, syn. insteken; hier: een pak rammel geven, in elkaar slaan.
een kadee
(169;al.1;15):
- groot in zijn
soort, flink uit de kluiten gewassen, een vent, een kerel, een snaak, een
kluchtig persoon;
kapotgetorte
(206;al.1;21):
- getorte >
fr. torturer: verdraaien, martelen (zie terten: stappen), hier: kapotgetrapte;
iemand een kartats
geven (120;al.1;32):
- iemand een pak
rammel geven;
een koddeken
(sigaret) (31;al.2;3 - 67;al.1;13-14):
- een kodde: het
laatste stukje of eindje; koddeken: dialectisch verkleinwoord; een sigarettenpeukje,
een eindje sigaret;
de koningin
der weide (11;al.2;18-19):
- weide = made,
dus: het madeliefje;
een kerthoedjen
(142;al.1;3/6 - 192;al.1;7/10; e.a.):
- kert = keep,
kerf, insnijding; hier: een hoed met een kerf, een gleufhoed;
sleuren en krochen
(76;al.1;4):
lanterfanten
(106;al.1;3):
- zijn tijd verbeuzelen,
leeglopen, straatslijpen;
de latrine
(9;al.1;10 - 143;al.1;6; e.a.):
- w.c., toiletgelegenheid,
in bivak of kampement, meestal enigszins geïmproviseerd, of zo dat men
zich enigszins moet behelpen;
de(n) loekenbeer
(115;al.1;2/17):
- loeken = kijken;
hier: een schertsende, dreigende figuur; ook lieve loekenbeer (115;al.1;19);
een malheur
(43;al.1;12/22; e.a.), malheuren (27;al.2;6 - 44;al.1;1; e.a.):
- ongeluk, narigheid,
gebreken;
malheureus
(28;al.1;28):
mansarde
(91;al.1;11/15 - 98;al.3;1; e.a.), mansardeken (192;al.1;16):
marbels
(10;al.2;5/6 - 16;al.1;4/8):
marteléglas
(170;al.3;8 - 178;al.1;25; e.a.):
- > fr. martelé:
gehamerd; hier: gehamerd glas;
roode menie
(55;al,2;14):
- oranjerode verfstof,
vermiljoen;
paletot
(101;al.2;5 - 202;al.4;16), paltoken (30;al.2;2 -
290;al.3;11):
- paletot: korte
overjas, korte mantel; paletootje (verkl.);
een pardessus
(64;al.1;3-4 - 67;al.1;35):
- > fr. pardessus:
(let.) een overgooier, een overjas;
pateetjes
(108;al.1;5), pateeken (82;al.3;6 - 107;al.3;3; e.a.):
iemand een
pater bewerken (233;al.1;4-5):
- iemand een loer
draaien, zie ook: iemand een pater schilderen;
pertang
(51;al.1;23 - 73;al.2;10; e.a.):
- nochtans, toch,
echter, evenwel;
een piepenhol
(55;al.2;20 - 246;al.1;36):
- piepen: stil
weggaan, vluchten, piepklein: heel klein; hier: een klein plekje om in weg
te vluchten;
een ander piepenhol
zoeken om in te wonen en te slapen (101;al.1;3-4):
- piepen: slapen
(volkstaal), hier: een kleine plek om stilletjes in weg te kruipen en te slapen;
pisbloemen
(11;al.2;19-20):
- pissebloemen,
paardebloemen;
een pitslichteken
(289;al.2;7):
- een 'knijpkat'
= een handdynamo, zaklantaarn met een door de hand in beweging gebrachte dynamo;
hier: een zaklamp;
zoo zwart als een
poerduivelken (115;al.1;10):
- schertsend;
poer = poeder, hij heeft het poer niet uitgevonden: het buskruit (poer geven
= driftig te keer gaan, iemand van katoen geven);
op haar poot
spelen (278;al.2;2):
- heftig tekeer
gaan, van zich laten horen;
een poulie
(142;al.1;1):
- > fr. poulie:
een katrol, een riemschijf, een snaarschijf, idem Ndl. 'poelie';
rammeiden
(79;al,3;24-25):
een root
(7;al.1;4 - 7;al.2;7; e.a.):
een slets
(17;al.2;5):
speekelen
(59;al.4;9 - 61;al.3;5; e.a.):
speldebeziën
(40;al.2;3):
- 'beziën'
dialectisch meervoud van 'bes'; hier: een bessensoort;
staminee
(24;al.1;7 - 100;al.1;6-7) stamineetafel(ken) (85;al.4;6 -
100;al.1;13 - 232;al.1;30):
- staminee >
fr. estaminet = kroeg, café, bierhuis;
de tempeesten
(95;al.2;18); tempeesten (ww.) (209;al.1;9):
- (veroudouderd)
stormweer; de begeerte tempeest lijk een hel: stormen, razen, tieren;
(de) teppen
(15;al.1;7 - 101;al.2;11-12):
- scheldwoord,
schertsend, de zot (synoniem);
terten
(14;al.2;4 - 95;al.2;12; e.a.):
tikkeneiken
(167;al.3;20):
toekken
(35;al.2;4):
- slaan (volkstaal:
iemand toekken geven);
een toile-cirré
doeksken (140;al.2;1):
- > fr. toile-cirée:
wasdoek; fr. toile: katoen, linnen; hier: een katoenen of linnen wasdoek;
ook een toile-ciré kabas (267;al.3;7-8): een katoenen
tas; verschillende spelling!
troebelen
(95;al.2;4-5 - 154;al.1;11; e.a.), troebels (113;al.2;5):
- moeilijkheden,
problemen, beroering;
uffra
(45;al.3;1 - 53;al.1;11; e.a.):
lijk een musch
bij haar vijg (193;al.2;1-2):
- vijg = koeienvla;
er niet bij weg te slaan;
van wijmen
en fijne koordekens (11;al.3;2):
- wilgetenen,
dunne en taaie lootjes van wilgebomen;
een wijmen
zetel (271;al.1;7 - 274;al.1;19 - 278;al.2;1):
- een tenen zetel:
van tenen, van dun rijshout gemaakt;
zerpe
reuken (206;al.1;15):
- zure, scherpe,
wrange reuken;
een zijp
(44;al,1;16):
- wetering, waterweg,
sloot, goot;
|