Hoofdstuk  I
___________________________
legenda/ [ I ][ II ] [ III ] [ IV ] [ V ] /woordenlijst]            <HOME> >

 

 

7;al.1;3

  • M1b: <de>>den> zot
  • M2a: de<-n> zot
  • M2b: de<+n> zot

7;al.1;4-5

  • M1b: en met hunne rug tegen de vlakte, tegen den openen wind van de<+n> stroom ginder achter en de braakliggende gronden.
  • M2b: <-en> met hun<-ne> rug tegen de vlakte, tegen den open<-en> wind van den stroom <-ginder achter> en de braakliggende gronden.

7;al.2;1

  • M1b: <En ne>>Enne> man
  • M2a: <Enne>>Een> man

7;al.2;2-3

  • M1b: zoodat niemand <hem>>zich> dat eigenlijk aantrekt.
  • M2a:<+,> zoodat niemand zich dat eigenlijk aantrekt.

7;al.2;4-5

  • M1a: en ne jonge [x]notneus die niets te doen heeft als op den bijgang te zitten met zijnen rug tegen den muur,
  • M1b: en <ne>>een> <[x]>>s>notneus die niets te doen heeft <als>>dan> op den bijgang te zitten met zijnen rug tegen den muur,
  • M2b: en een jonge snotneus die niets te doen heeft dan op den bijgang te zitten met zijn<-en> rug tegen den muur,
  • D: en een jonge snotneus die niets te doen heeft dan op de<-n> bijgang te zitten met zijn rug tegen den muur,

7;al.2;5-6

  • M1b: kijkt van de-werk weg met <ne>>een> grimlach op zijn gezicht.
  • M2a: kijkt van <de->>de> werk weg met een grimlach op zijn gezicht.
  • D: kijkt van <de>>het>werk weg met een grimlach op zijn gezicht.

7;al.2;7

  • M2a: met een klein<+e> aa<n>>[x]> hare rok.
  • M2b: met een kleine aa<[x]>>n> <hare>>haar> rok.

7;al.2;7-8

  • M2a: <+"> En staat toch stil, Elieken <+"> , zegt ze,
  • M2b: <-"> <-En> <s>>S>taat toch stil, Elieken <-"> , zegt ze,
  • D: <+ -> Staat toch stil, Elieken, zegt ze,
  • W: [- -] Staat toch stil, Elieken, zegt ze,

7;al.3;1

  • M1b: <-En> <a>>A>an een poortjen

7;al.3;2-3

  • M2b: waarover een balleken <-rond>wipt.

7;al.3;3

  • M1b: , <ne>>een> snotter
  • M2b: <,>>.> <e>>E>en snotter

7;al.3;7-8

  • M1b: <- En> <i>>I>n de root vliegt er een deurken open <,>>:> aai, ons Bernardeken, een vrouw vliegt buiten
  • M2b: In de root vliegt <- er> een deurken open <-:> <a>>A>ai, ons Bernardeken, een vrouw <vliegt>>stormt> buiten
  • D: In de root vliegt een deurken open <+:> Aai <,>>!> ons Bernardeken, een vrouw stormt buiten

7;al.3;9-10

  • M1b: , ze schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in hare<+n> mond wringen.
  • M2a: <,>>.> <z>>Z>e schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in haren mond wringen.
  • M2b: . Ze schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in <haren>>haar> mond wringen.

7;al.3;10

  • M1b: {Ne/Een} kasseilegger
  • M2a: <{Ne/Een}>>Een> kasseilegger

7;al.5;1-2

  • M1a: in die de hemelweetwat uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan <vas[?] zittenzitten>.
  • M2a: in <+,> die de <hemelweetwat>>hemel-weet, wat> uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan zitten.
  • M2b: in, die de <hemel-weet, wat>>hemel-weet wat> <+,> uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg <- geweest> zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan zitten.
  • D: in, die de <hemel-weet wat>>hemel-weet-wat>, uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg <+ geweest> zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan zitten.

7;al.5;3-4

  • M1b: <ne >>een> koer

7;al.5;5

  • M1b: Ze staan in <ne>>een> lange<+n> witte<+n> gang
  • D: Ze staan in een lange<-n> witte<-n> gang

7;al.5;6

  • M2a: <uunaiskens # punaiskens>

7;al.5;6-8;al.1;1

  • M1b: <Ne >>Een> man in een uniform
  • D: Een man in <- een> uniform

8;al.1;1-2

  • M2a: , <e>>[x]>n twee ander geuniformden op hun hielen, duwen hen onverschillig voort.
  • M2b: , <[x]>>e>n twee ander geuniformden <- op hun hielen>, duwen hen onverschillig voort.
  • D: , en twee ander<+e> geuniformden <-,> duwen hen onverschillig voort.

8;al.1;3-4

  • M2a: is het laatste dat <ze>>of> van de wereld hooren.
  • M2b: is het laatste dat <of >>ze> van de wereld hooren.

8;al.1;4-5

  • M2a: , <z>>Z>e krijgen <ne>>een> num<-m>ero en nu zijn we dood <+,> peinzen ze.
  • M2b: , Ze krijgen een <numero>>nummer> <+.> <e >>E>n nu zijn we dood, peinzen ze.
  • D: <,>>.> Ze krijgen een nummer. En nu zijn we dood, peinzen ze.

8;al.1;9

  • M2b: vallen <+,> en een ijzeren deurken achter hen toeslaat.

8;al.2

  • D: [-X] Al wat ze nu te doen hebben
  • W: [+X] Al wat ze nu te doen hebben

8;al.3;1

  • M1a: een komme/kanne [?] water
  • M2a: een <komme/kanne [?]>>komma> water
  • M2b: een kom<-ma> water

8;al.3;3

  • M1b: hunne<+n> mond
  • M2b: hun<-nen> mond

8;al.3;4

  • M1b: hunne<+n> eenderen angst
  • M2b: hun<-nen> eenderen angst

8;al.3;6

  • M1b: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

8;al.3;7-8.

  • M1a: dat daar iemand naar gewacht heeft, dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd of <dat er # dat> een verborgen machien de minste hunner gedachten opschrijft, want
  • M1b: dat daar iemand naar gewacht heeft, dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd of dat een verborgen machien de minste hunner gedachten <opschrijft>>opgeschreven heeft>, want
  • M2b: dat daar iemand naar gewacht heeft, <- dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd of dat een verborgen machien de minste hunner gedachten opgeschreven heeft>, want
  • D: dat daar iemand <naar>>op> gewacht heeft, want

8;al.3;8-9

  • M2b: eene met een karabijn aan zijn<-e> schouder
  • D: <eene>>iemand> met een karabijn aan zijn schouder

8;al.3;9-10

  • M1b: Ze staan weer in die<-n> lange<+n>gewitte<+n> gang
  • M2a: Ze staan <- weer in>die<+n> langen gewitten gang
  • M2b: Ze staan <+ weer in> dien langen gewitten gang
  • D: Ze staan weer in die<-n> <- langen> gewitte<-n> gang

8;al.4;1-2

  • M1b: Ze snijden hun haar af, rats tegen hunne<+n> kop, ze passen hen een kostumeken rood en wit gestreept <+,> en <ne>>een> man
  • M2b: <Ze>>Men> <snijden>>snijdt> hun haar af, rats tegen hun<-nen> kop, <ze>>men> <passen>>past> hen een kostumeken rood en wit gestreept, en een man
  • D: Men snijdt hun haar af, rats tegen hun kop < , >> . > <m>>M>en past <hen>> hun> een kostumeken rood en wit gestreept, en een man

8;al.4;4

  • M1b: <ne>>een> stamp

8;al.4;5-6

  • D: omdat hij zijn handen <wil in zijn broekzakken>>in zijn broekzakken wil> steken.

8;al.4;9

  • M1b: <presies>>precies>

8;al.4;11-12

  • M2a: met een galerij boven <+,> waarover uniformen op hun doô gemakken rondstappen.
  • D: met een galerij boven, waarover uniformen op hun doô gemak<-ken> rondstappen.

8;al.4;13

  • M1b: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

8;al.4;14

  • M1b: hunne<+n> vinger
  • M2b: hun<-nen> vinger

8;al.4;14-15

  • M1b: aan dat trekkerken <- nekeer> komen om ikweetniet hoeveel dooden te hebben daar beneden in de zaal, waar
  • M2a: aan dat trekkerken komen om ikweetniet hoeveel dooden te hebben daar beneden in de zaal <,>>.> < w>>W>aar
  • D: aan dat trekkerken komen om ik<+ ->weet<+ ->niet<+ ->hoeveel dooden te hebben daar beneden in de zaal <.>>,> <W>>w>aar

9;al.1;2-3

  • D: en geen een<-e>

9;al.1;4-5

  • M2b: op <nen>>een> dag van tien uren werken
  • D: op een dag van tien <uren>>uur> werken

9;al.1;6

  • M1b: eene zijne<+n> vinger
  • M2b: eene zijn<-en> vinger
  • D: een<-e> zijn vinger

9;al.1;7

  • M1b: zijnen num<-m>ero
  • M2b: zijn<-en> numero
  • D: zijn <numero>>nummer>

9;al.1;7-8

  • M1b: <Ne>>Een> luidspreker galmt eentonig zijn bevelen en roept: nummer honderdveertien
  • M2b: Een luidspreker galmt eentonig zijn bevelen <-en roept>: <n>>N>ummer honderdveertien

9;al.1;8-9

  • M1b: en spoedt hem naar latrine waar ze altijd met vijven moeten zitten en <nen>>een> bewaker achter hen die naziet of het wel serieus is.
  • M2b: <+,> en spoedt hem naar de latrine <- waar ze altijd met vijven moeten zitten en een bewaker achter hen die naziet of het wel serieus is>.
  • D: , en spoedt <hem>> zich> naar de latrine.

9;al.2

  • M2b: [X] De drie nie<+u>we
  • D: [-X] De drie nieuwe
  • W: [+X] De drie nieuwe

9;al.2;6

  • M2b: de hal<-le>

9;al.2;6-7

  • M1b: Marche en avant. Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal, op twee rijen de een achter de andere allemaal met hun gezicht naar de<+n> grond.
  • M2a: Marche en avant. Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal, op twee rijen <+,> de een achter de andere <+,> allemaal met hun gezicht naar den grond.
  • M1b: <- Marche en avant.> Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal, op twee rijen, de een achter de andere, allemaal met hun gezicht naar den grond.
  • D: Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander<+e> zaal, <op>>in> twee rijen, de een achter de<+n> andere, allemaal met hun gezicht naar den grond.

9;al.2;7-8

  • M2b: <- maar> met houten kommen op.
  • D: met houten kommen <+ er> op.

9;al.2;8

  • M1b: En ieder krijgt <ne>>een> pollepel
  • M2b: <- En> <i>>I>eder krijgt een pollepel

9;al.3;1

  • M2a: [+X] En aai <+,> er is er een te vroeg stille gevallen met zijn voeten.
  • M2b: [X] En aai, er is er een te vroeg stil<-le> gevallen met zijn voeten.
  • D: [X] En aai, er is er een te vroeg stil gevallen <- met zijn voeten>.

9;al.3;2

  • M2b: zijn<-e> mond

9;al.3;2-3

  • M1b: hij geeft me dien<-e> sukkelaar <ne>>een> slag van zijne<+n> geweerkolf in het gezicht,
  • M2b: hij geeft <- me> dien sukkelaar een slag van zijn<-en> geweerkolf in het gezicht,

9;al.3;4

  • D: <achter over>>achterover>

9;al.3;4-5

  • M1b: Met een straalken bloed dat uit zijne<+n> mond loopt over zijn magere kin<-ne>.
  • M2b: <- Met> <e>>E>en straalken bloed <- dat> <+ loopt> uit zijn<-en> mond <- loopt><+,> over zijn magere kin.

9;al.4;2

  • M1b: zetten ze <hen>>zich> neer

9;al.4;3

  • M1b: de<+n> mond

9;al.5;1

  • M1b: he<+e>lemaal de laatste
  • D: heelemaal de laatste<+n>

9;al.5;2-3

  • M2b: <- de> terdoodveroordeelden

9;al.5;4

  • M2b: <.>>,> Ook hun<-ne> lepel
  • D: <,>>.> Ook hun lepel

9;al.5;5

  • M1b: <ne>>een> mensch

10;al.1;1

  • M1b: <de>>het> wippend<-e> balleken

10;al.1;2

  • M2a: <.>>,> De schijf is van Mark, kleine Mark
  • D: <,>>.> De schijf is van Mark, kleine<+n> Mark

10;al.1;4

  • M2b: <- en> nooit uit zijn lood

10;al.1;8

  • M2b: <,>>:> als ge

10;al.1;8

  • D: <M>>m>ama

10;al.1;8-9

  • D: Ze <hebben>>zijn> in Nice geweest,

10;al.1;11

  • M1a: en rondwippend balleken <! # . >
  • M2b: en <+ een> rondwippend balleken.

10;al.2;1-2

  • M1b: [-X] Hij gaat er mee den hof in over <nen>>een> ouden koer met plaveien waar mos op groeit en waar in perken met denneboomen staan.
  • M2a: [+X] Hij gaat er mee den hof in over een ouden koer met plaveien waar mos op groeit en waar in perken <- met> denneboomen staan.
  • M2b: [X] Hij er mee den hof in <+,> over een ouden koer met plaveien waar mos <- op> groeit <- en waar in perken denneboomen staan>.
  • D: [X] Hij gaat er mee den hof in, over een oude<-n> koer met plaveien waar mos groeit.

10;al.2;3

  • M1b: <- En> <v>>V>uil kinderen
  • D: Vuil<+e> kinderen

10;al.2;7

  • M2b: dat hij <hun>>hen> afgezet heeft

10;al.2;8-9

  • M1b: het <poorteken>>poortje>

10;al.2;9

  • D: en <,>>:> stommeriken, roept hij.

10;al.2;10

  • M1b: En Jean die <hem>>zich>
  • M2b: <-En> Jean die zich

10;al.2;11

  • M2a: Smeerlap <+,> roept hij

10;al.2;12

  • M2a: <.>>:> Jean heeft gevloekt

10;al.2;14

  • D: de<- n> bijgang

10;al.2;14-16

  • M1b: Hij gaat <hem>>zich> neven dien anderen zetten op den bijgang, dezen die van dewerk weg ziet met <nen>>een> heimelijken grimlach rond zijne<+n> mond
  • M2a: Hij gaat zich neven dien anderen zetten op den bijgang, dezen die van <dewerk>>de werk> weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijnen mond
  • M2b: Hij gaat zich neven dien andere<-n> zetten op den bijgang, deze<-n> die van de werk weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijn<-en> mond
  • D: Hij gaat zich neven dien andere zetten op de<-n> bijgang, deze<+n> die van <de>>het> werk weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijn mond

10;al.2;17

  • M1b: <nen>>een> heelen tijd

10;al.2;20

  • M1b: <nen>>een> dief

10;al.2;22

  • M2b: den andere<-n>
  • D: den ander<-e>

10;al.2;23-24

  • M1b: <ne>>een> rijke<-n> besteelt altijd <nen>>een> arme<-n>, hoe zouden ze anders rijk worden, jong?
  • M2b: een rijke besteelt altijd een arme, hoe zouden ze anders rijk worden <-, jong>?

10;al.2;24

  • D: <hen>>hun>

10;al.2;26

  • M1b: en stapt <- bij hem> binnen

11;al.1;3-4

  • M2b: ligt daar nu <-,> te wachten

11;al.1;5

  • M2b: <nen>>een> hoop

11;al.1;5-6

  • M2a: bestemd is <+,> blijven liggen.

11;al.1;6

  • D: de ander<+e> snotters

11;al.1;7

  • D: Kwestie van <+ er>weer een<-en> te moeten minken.

11;al.1;8

  • M2b: de<-n> doktoor

11;al.1;9-10

  • M2a: liggen <+.> <a>>A>ls ze het maar niet in hare kop
  • D: liggen. Als ze het maar niet in <hare>>haar> kop

11;al.2;1-2

  • M1b: Elieken haar moeder, - de weef, zeggen ze, maar niemand weet of ze eigenlijk wel getrouwd geweest is <,>> - > die
  • M2a: , - de weef <,>> - > zeggen ze, maar niemand weet of ze eigenlijk wel getrouwd geweest is < - >>,> die

11;al.2;5-6

  • M2a: Let een beetje op de deur <+,> zegt ze, maar Elieken vaagt er aan, ze zit <nen>> een> tijd stille te zien, kan die deur nu niet op haar zelven letten? [-X] Ze trippelt
  • M2b: Let een beetje op de deur, zegt ze, maar Elieken vaagt er aan, ze zit een tijd <- stille> te zien <-, kan die deur nu niet op haar zelven letten?><+ .><+ En> <Z>>z>e trippelt
  • D: Let een beetje op de deur, zegt ze <,>>.> <m>>M>aar Elieken vaagt er aan <. >>,> <E>>e>n <- ze> trippelt

11;al.2;9-10

  • M1b: Maar het gauw weten zult ge niet, want als er iemand passeert, zwijgen ze <- gauw>.
  • M2a: Maar <het gauw weten zult ge niet>>ge zult het niet gauw weten>, want als er iemand passeert, zwijgen ze.

11;al.2;10

  • M1b: <- En> <m>>M>et hun

11;al.2;14-15

  • M1b: waar <ne>>een> vijver rondkronkelt met veel onkruid in.
  • D: waar een vijver rondkronkelt met veel onkruid <+ er> in.

11;al.2;16

  • M1b: <nen>>een> inham van de<+n> stroom

11;al.2;17

  • M1b: geen<-e> mensch

11;al.2;17-18

  • M1b: als misschien <nekeer>>eens> <ne>>een> lijnvisscher.
  • D: <als>>dan> misschien eens een lijnvisscher.

11;al.2;18

  • M1b: <nen>>een> heelen boukee

11;al.2;19-20

  • <pisblommen>>pisbloemen>

11;al.2;20-21

  • M1b: Elie zegt: die <moogde>>moogt ge> voor geenen heiligen zetten.
  • M2b: Elie zegt: die moogt ge voor geen<-en> heiligen zetten.

11;al.2;21

  • M2a: Mar<ia>>ai>ken <+,> die
  • M2b: Mar<ai>>ia>ken, die

11;al.2;22-23

  • M1b: Ze zetten <hen>>zich> neer op den barm
  • M2a: Ze zetten zich neer op den <barm>>berm>

11;al.2;23-25

  • M1b: Elieken met haar zwart haar op een calotjen en Mariaken met haar geel haar op twee vlechtekens over hare<+n> rug.
  • M2b: Elieken met haar zwart haar op een caltotjen <+,> en Mariaken met haar geel haar op twee vlechtekens over <haren>>haar> rug.
  • Elieken met haar zwart haar <op>>in> een calotjen, en Mariaken met haar geel haar <op>>in> twee vlechtekens over haar rug.

11;al.3

  • M1b: [+X] En ginder beneden

11;al.3;1

  • M2b: in <'t>>het> water < -,> spelen

11;al.3;2

  • M1b: Ze hebben <hen>>zich>

12;al.1;1

  • M1b: en in <nen>>een> be<-r>roeste<+n> pot gaan gaan ze <hun>>de> vischkens doen.

12;al.1;2

  • M1b: aan de<+n> kant

12;al.1;3

  • M1b: met <hun>>de> handen

12;al.1;5

  • M1b: Jaja een stil water<+ken> heeft <nen>>een> diepen grond.
  • M2a: Jaja <+,> een stil waterken heeft een diepen grond.
  • M2b: Ja<-ja>, een stil waterken heeft een diepen grond.
  • D: Ja<+ja>, een stil waterken heeft een diepen grond.

12;al.2;2

  • M2b: <het>>hun> laatste jaar

12;al.3;1-2

  • M2a: dicht <tegen een>>tegeneen>,

12;al.3;2-3

  • M1b: <- En> <e>>E>r komt iemand op handen en voeten in de lommer
  • M2b: Er komt iemand op handen en voeten in de<+n> lommer
  • D: Er komt iemand op handen en voeten in <den>>het> lommer

12;al.3;5

  • M1b: <ne>>een> struik

12;al.3;6

  • M1b: diene valsche gremel hangt weer rond zijne<+n> mond.
  • M2b: die<-ne> valsche gremel hangt weer rond zijn<-en> mond.

12;al.3;9

  • M1b: <lawijd>>lawijt> want
  • D: lawijt <+,> want

12;al.3;11-12

  • M1b: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

12;al.3;12

  • M2b: beziet hij niet <,>>.> <h>>H>ij

12;al.3;13

  • M2a: <- En> <n>>N>u

12;al.3;15

  • M1b: en van vreemde <dingens>>dingen>
  • M2b: <+,> en van vreemde dingen

12;al.3;16

  • M2b: onder het water <- die rondekens vormen al maar wijder en wijder>.

12;al.3;17-18

  • M1b: duwt Sander, straks verdrinkt hij nog, wat <nen>>een> heimelijken Judas is dat nu?
  • M2a: duwt Sander, straks verdrinkt hij nog, wat een heimelijken J<u>>[x]>das is dat nu?
  • M2b: duwt Sander <,>>.> <s>>S>traks verdrinkt hij nog, wat een heimelijken J<[x]>>u>das is dat nu?
  • D: duwt Sander. Straks verdrinkt hij nog, wat een heimelijke<-n> Judas is dat nu?

12;al.3;19-20

  • M1b: <dingens>>dingen> waar hij zelfs niet eens plezier van heeft.
  • M2a: d<+r>ingen waar hij zelfs niet eens plezier van heeft.
  • M2b: d<-r>ingen waar hij zelfs niet eens plezier van heeft <.>>?>
  • D: dingen waar hij zelfs niet eens plezier <van>>in> heeft?

12;al.3;21

  • D: broek<+s>zakken
  • W: broek[-s]zakken

12;al.3;21

  • M2a: <nors>>norsch>

12;al.3;22-23

  • M1b: Hij schreit, speelt zijn dingen aan. Eerst <- nekeer> averecht en dan al pressend het weer uitgespeeld en omgekeerd.
  • M2b: Hij schreit <-,> <+ en> speelt zijn <dingen>>kleeren> aan. <- Eerst averecht en dan al pressend het weer uitgespeeld en omgekeerd.>

12;al.3;23-24

  • M1b: recht naar huis, misschien dat hij zijne<+n> nood zal klagen
  • M2b: recht naar huis <,>>.> <m>>M>isschien dat hij zijn<-en> nood zal klagen

12;al.3;26

  • M1b: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

12;al.3;27-28

  • M2a: Waarom is hij <- nu> beschaamd?

13;al.1;1

  • M1b: een blikke<+n> pot

13;al.1;2

  • M1b: de ander<+e> jongens
  • M2b: de ander<-e> jongens
  • D: de ander<+e> jongens

13;al.1;2

  • M2b: liever alleen is<.>>?>

13;al.1;2-4

  • M1b: Hij legt <hem>>zich> neer in het zand op zijne<+n> rug met zijn knieën opgetrokken, al kijkend naar de meiwolken die van ginder over de<+n> stroom komen
  • M2b: Hij legt zich neer in het zand op zijn<-en> rug <- met zijn knieën opgetrokken>, al kijkend naar de meiwolken die van ginder over den stroom komen

13;al.2;2

  • M1b: de<+n> regenkant

13;al.2;4

  • M2b: dat daar woont heeft eerst haar moeder <- vroeg> weten optrekken
  • D: dat <daar>>er> woont heeft eerst haar moeder weten optrekken

13;al.2;5-6

  • M1b: van zijn bedde naar zijne<+n> zetel trekt en zijn hoofdkussen onder zijnen arm
  • M2b: van zijn bed<-de> naar zijn<-en> zetel <trekt>>sloft> en zijn hoofdkussen onder zijn<-en> arm

13;al.2;7-8

  • M2b: een leven <!>>:> Iets lijk een vogelken in zijn kooi <,>>.> <e>>E>n

13; al.2;9-10

  • M2b: dat <- nu> nooit om zoo te zeggen buiten geweest heeft.
  • D: dat nooit om zoo te zeggen buiten geweest <heeft>>is>.

13;al.2;10-11

  • M1b: iedere<+n> nacht en iedere<+n> dag met den angst op haar lijf loopt
  • M2a: iederen nacht en iederen dag met den angst<+e> op haar lijf loopt
  • M2b: iederen nacht en iederen dag met den angst<-e> op haar lijf loopt

13;al.2;12

  • M1b: <ne>>een> wereld

13;al.2-al.3;14-1

  • M1b: zoó groot [+X] Heer spaar hem
  • M2a: <zoó>>zóó> groot <+:> [X] Heer <+,> spaar hem <+,>

13;al.3;2-3

  • M1b: <Savends>>'s Avends>gaat hij naar zijn bedde. Ze heeft het eerst <nekeer>> eens > goed opgeschud.
  • M2b: 's Avends gaat hij naar zijn bed<-de>. Ze heeft het eerst eens goed opgeschud.

13;al.3;3-4

  • M1b: en <ne>>een> lepel, een glas water en de nachtvaas
  • M2a: en ne leel, een glas water en de nachtvaas <+,>
  • M2b: en een lepel, een glas water <- en de nachtvaas>,

13;al.3;5-6

  • M2b: aan de achterdeur <+.> <- en> <m>>M>et beetjes seffens komt de valavend ginder <- van>achter

13;al.3;7

  • M1b: de <+n> stroom

13;al.3;10

  • M1b: hare<+n> schouder
  • D: <haren>>haar> schouder

13;al.3;11-12

  • M2b: <- En><h>>H>et is Sander, weeral die <+,> met zijn geheimzinnigheid.

13;al.3;13

  • D: <'k>>ik> ben het maar

13;al.3;14

  • M2b: de<+n> valavend

13;al.3;14

  • M1b: dingen<-s>

13;al.3;15

  • M1b: En die <dingens>>iets> doet zeggen welke ge u later beklaag<d>>t>. Hij vertel<d>>t>
  • M2b: En die iets doet zeggen <welke>>wat> ge u later beklaagt. Hij vertelt

14;al.1;1

  • M1b: die van mij houd<+t>

14;al.1;2

  • M2a: die mij geern<+e> ziet,
  • M2b: die mij geern<-e> ziet,
  • D: die mij geern<+e> ziet,

14;al.1;4

  • M1b: <ne>>een> mensch

14;al.1;7

  • M1b: benauwd word<+t>

14;al.1;10-11

  • M2b: dicht neven haar <- staan>

14;al.1;11

  • M1b: zijne<+n> knie
  • M2b: zijn<-en> knie

14;al.1;11-12

  • M1b: Haar hert <[xxxxx]>>klopt> wild en ze is onmachtig om <ne>>een> stap te verzetten.

14;al.1;13

  • M2b: achter hare rug, ze zakte heel zeker op den grond <- en zou daar van haar zelven gaan>.
  • D: achter <hare>>haar> rug, ze zakte heel zeker op den grond.

14;al.1;14-15

  • M2b: tegen de hare <,>>:> dat er iemand was die hem geern zag.
  • D: tegen de hare: dat er iemand was die hem geern<+e> zag.

14;al.1;16-17

  • M1b: er moest ons <nekeer>>eens> iemand zien.

14;al.1;17

  • M1b: En ze nijpt <- nekeer> in zijn arm.

14;al.1;18

  • M1b: geer<+n> zien maar
  • M2a: geern<+e> zien <+,> maar

14;al.1;20

  • M1b: ze gaat binnen, weeral met <ne>>een> last meer.
  • M2a: ze gaat binne<-n>, weeral met een last meer.
  • M2b: ze gaat binne<+n>, weeral met een last meer.

14;al.1;22-23

  • D: de<+n> schemer

14;al.1;24-25

  • M2a: met zijne<+n> rug tegen de muur en zijn gezicht naar de<+n> donkere<+n> locht.
  • M2b: met zijn<-en> rug tegen de<+n> muur en zijn gezicht naar de<-n> donkere<-n> locht.

14;al.1;25

  • M2a: Diene grijnslach, neen, diene grimlach<+t>
  • M2b: Dien<-e> grijnslach, neen, dien<-e> grimlach<-t>
  • D: Die<-n> grijnslach, neen, die<-n> grimlach

14;al.1;26

  • M1b: als een masker, en er drupt <nen>>een> traan,<eenen>>éénen>, uit zijn oog en rolt stillekens over zijn kaak.
  • M2b: als een masker <-, en er drupt een traan, éénen, uit zijn oog en rolt over zijn kaak>.

14;al.2;2

  • M1b: een <heele>>heel> eind die ze
  • D: een heel eind <die>>wat> ze

14;al.2;4

  • M2a: blond haar <+,> terten

14;al.2;5

  • D: weeral ander<+e>

14;al.2;7

  • M2b: <- al> lang genoeg over <,>>:>

14;al.2;8

  • M2a: <+k>kan niet met zijn beentje, <ocharme>>och arme>.
  • M2b: <-k>kan niet met zijn beentje, och arme.

15;al.1;1

  • D: de<-n> eerste<-n>

15;al.1;1

  • M2b: Zijn<-e> meester heeft al
  • D: Zijn<+e> meester <heeft>>is> <al>>reeds>

15;al.1;3

  • M2a: gaan te steken. Ja <+,>
  • D: <- gaan> te steken. Ja,

15;al.1;4

  • M2b: zijn<-e> pa

15;al.1;5

  • M1b: opgeto<-o>gen

15;al.1;6

  • M1b: de ander<+e> jongens

15;al.2

  • M1b: [+X] De kruisbloemigen,

15;al.2;2

  • M1b: En de nachtschade, <n>>N>achtschade,
  • D: En de nachtschade < , >> . > Nachtschade,

15;al.2;3

  • M1b: dingen<-s>

15;al.2;4

  • M1b: <presies>>precies>

15;al.2;7

  • M1b: <nekeer >>eens>

15;al.2;8

  • M1b: en hebben <presies>>precies>
  • M2a: en <+ ze> hebben precies

15;al.2;8-9

  • D: Hij verstaat <hem>>zich>

15;al.2;9-16;al.1;4

  • M1b: , gaat een beetje buiten spelen, [*]zeggen ze. En hij gaat het deurken uit, vermoedt niet dat het gemengde gevoel van kwaadheid, toorn en plezier eigenlijk oudertrots is. En tusschen de kasseistenen die blijven liggen zijn, spelen ze schoolken. Hij is de schoolmeester en geeft les, Een veel schooner les dan die ze in de school zelf krijgen. Straffen doet hij niemand en van zulke geheimzinnige dingen vertel<d>>t> hij, dat de kinderen hem verdwaasd staan te bezien. En nu is het speeltijd, hij klapt in zijn handen en ze lachen achter zijn<+en> rug. Zot, zegt er eene, Het steekt lijk een lange naald door zijn herteken. Niemand verstaat hem, niemand kan met hem spelen, hij zal altijd alleen zijn. En Elieken zit daar ook op twee steenen. Elie, gij moet blijven in de klas, zegt hij. Elie blijft, en zit hem met haar donker oogen te bezien. Hij grabbelt in zijn<+en> zak en geeft haar zijn beeldekens uit chokolade-reepen, waar hij nu al meer dan een jaar aan spaart.
    Nem, en hij legt ze in het smalle handje, de koele vingeren komen tegen zijn hand, en zijn bloed slaat om, het vreemd gevoel dat goed op verdriet trekt en wat toch dat niet is, begint hem weer te nijpen. Hij wordt zoo rood als een kollebloem, draait <hem>>zich> beschaamd om en loopt binnen.
    [X] Van af den dag dat kleine Mark ruzie kreeg met zijn roulette, beziet hij de kinderen uit de zeven huizekens niet meer. Hij speelt in den hof alleen. Gij zit hier en[*] gij zit daar, zegt hij,
  • D: <,>>.><Gaat>>Ga> een beetje buiten spelen, [hele passage tussen [*] (...) [*] valt weg] gij zit daar, zegt hij,
  • M3: <,>>. >< Gaat>>Ga> een beetje buiten spelen, zeggen ze. En hij gaat <het>>her # het> deurken uit, vermoedt niet dat het gemengd<-e> gevoel van kwaadheid, toorn en plezier eigenlijk oudertrots is. En tusschen de kasseistenen die <blijven liggen zijn>>zijn blijven liggen>, spelen ze schoolken. Hij is de schoolmeester en geeft les, <E>>e>en veel schooner les dan die ze in de school zelf krijgen. Straffen doet hij niemand en van zulke geheimzinnige dingen vertelt hij, dat de kinderen hem verdwaasd staan te bezien. En nu is het speeltijd<,>>.> <h>>H>ij klapt in zijn handen en <ze>>zij # ze> lachen achter zijn<-en> rug. Zot, zegt er een<-e><,>>.> Het steekt lijk een lange naald door zijn herteken. Niemand verstaat hem, niemand kan met hem spelen, hij zal altijd alleen zijn. En Elieken zit daar ook op twee steenen. <Elie>>elie # Elie>, <gij>>ge> moet blijven in de klas, zegt hij. Elie blijft, en zit hem met haar donker<+e> oogen te bezien. Hij grabbelt in zijn<-en> zak en geeft haar zijn beeldekens uit chokolade-reepen, waar hij nu al meer dan een jaar aan spaart. [-X] <Nem>>Neem>, en hij legt ze in het smalle handje, de koele <vingeren>>vingers> komen tegen zijn hand, en zijn bloed slaat <om>>op> <,>>.> <h>>H>et vreemd gevoel dat goed op verdriet trekt en wat toch dat niet is, begint hem weer te nijpen. Hij wordt zoo rood als een kollebloem, draait zich beschaamd om en loopt binnen. [X]Van af den dag dat kleine Mark <ruzie>>rusie # ruzie> kreeg met zijn roulette, beziet hij de kinderen uit de zeven huizekens niet meer. Hij speelt in den hof alleen. Gij zit hier en gij zit daar, zegt hij

16;al.1;5

  • M1b: twee andere<+n>

16;al.1;7

  • M1b: een heimelijke<+n> lach
  • D: een heimelijke<-n> lach

16;al.1;8

  • M1b: zijne<+n> zak
  • D: zijn<-en> zak

16;al.1;9

  • D: ander<+e> kinderen <,>>?> vraagt Mama.

16;al.1;9

  • M1b: zijne<+n> kop
  • D: zijn<-en> kop

16;al.1;10

  • M1b: En mama draait <haar>>zich> om,
  • D: En <m>>M>ama draait zich om,

16;al.1;12

  • M2a: serieus <.>>,> <G>>g>e moogt
  • D: serieus <,>>.> <g>>G>e moogt

16;al.2;2

  • D: de<-n> intrest

16;al.2;6

  • D: hoeveel was dan zijn beginkapitaal <.>>?>

16;al.2;6-7

  • M1a: zijn vingers jeuken ,/. [?] Hij doorziet
  • M2a: zijn vingers jeuken <,/. [?]>>,> Hij doorziet
  • D: zijn vingers jeuken <,>>.> Hij doorziet

16;al.2;7

  • M1b: <sijfers>>cijfers>

16;al.2;9

  • M1b: <zondagsenten>>zondagcenten>

16; al.2;13-14

  • M1b: <zondagpree>>zondaggeld>

16;al.2;14

  • M1b: de<+n> volgende<+n> trimester

16;al.2;17-19

  • M1b: Allons, allons Mark. En ze roept er hare<+n> biechtvader bij, <ne>>een> pastoor die geen een arme<+n> mensch kent.
  • D: <- Allons, allons Mark. En> <z>>Z>e roept er <haren>>haar> biechtvader bij, een pastoor die geen een armen mensch kent.

16;al.2;21

  • D: <-van> waar haalt

16;al.3;1

  • M2a: Ja, daar verstaat hij <hem>>zich> niet uit.

16;al.4;1

  • M2b: <+ De> Doktoor <- Groffen>
  • D: De <D>>d>oktoor

16;al.4;1-2

  • M2a: verstaat er hem zooveel te beter<+[x]> uit.
  • M2b: verstaat er hem zooveel te beter<-[x]> uit.
  • D: verstaat er <hem>>zich> zooveel te beter uit.

17;al.1;2-3

  • M1b: <spaarsenten>>spaarcenten>

17;al.1;3-4

  • M2b: van wat gaat ze hem dan betalen <.>>!> ach
  • D: van wat gaat ze hem dan betalen! <a>>A>ch <+,>

17;al.1;4-5

  • M2b: <- Is hij boven? en> <h>>H>ij stommelt den trap op.
  • D: Hij stommelt de<-n> trap op.

17;al.1;6

  • D: weet dat <aleens niet>>niet eens> meer.

17;al.1;7

  • M1b: <lawijd>>lawijt>
  • D: <lawijt>>lawaai>

17;al.1;8-9

  • M1b: en pakt de<+n> pols, binst staart hij door het vensterken alover het veld
  • M2b: en pakt den pols vast, binst staart hij door het vensterken <- al>over het veld
  • D: en pakt de<-n> pols vast, binst staart hij door het vensterken over het veld

17;al.1;11

  • M2b: Ja, wie weet <- er> nu
  • D: Ja, wie weet <+ er> nu

17;al.1;11-12

  • M1b: Hij weer<d>>t> hem
  • D: Hij weert <hem>>zich>

17;al.1;15

  • M1b: Er <[xxxxx]>>brandt>

17;al.1;18

  • M2b: Met morgen <v>>V>rijdag <- mee>, is het <- nu> drie weken
  • D: Met morgen <V>>v>rijdag, is het drie weken

17;al.2;1

  • M2a: Ja <+,>

17;al.2;2

  • M2b: <hebde>>hebt> gij

17;al.2;4

  • M2b: <p>>S>sst <+...> Jean <,>>.> <- en> <h>>H>ij komt
  • D: <Ssst>>Psst>...Jean. Hij komt

17;al.2;5

  • M1b: hare<+n> slets
  • M2b: <haren>>haar> slets

17;al.2;6

  • M1b: hare<+n> mond
  • M2b: <haren>>haar> mond

17;al.2;6-7

  • M2b: doet <hem>>haar mond> weer toe

17;al.2;7

  • M2b: Wat is <'t>>er>? En nu wil ze <- zoo> onnoozel

17;al.2;9

  • M2b: Sander <,>>?> vraagt Jean.

17;al.2;10

  • M1b: hare<+n> schoen
  • D: <haren>>haar> schoen

17;al.2;11

  • M1b: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

17;al.2;13

  • M2a: Merci, zegt ze <+,> en

17;al.2;14

  • D: de<-n> trap

17;al.2;14-15

  • M2b: Waarom zegt ze nu merci <.>>?>

18;al.1;1

  • M2a: De av<e>>o>ndzonne
  • M2b: De avondzon<-ne>
  • D: De av<o>>e>ndzon

18;al.1;3-4

  • M1b: zoo eene, die op <ne>>een> goeie<+n> morgen weg is, en niemand
  • M2b: zoo eene, die op een goeien morgen weg is, <- en> niemand
  • D: zoo een<-e>, die op een goeien morgen weg is, niemand

18;al.1;6

  • D: <naar toe>>naartoe>

18;al.1;7

  • M1b: zijne<+n> wrange<+n> lach
  • M2b: zijn<-en> wrangen lach

18;al.1;8

  • M1b: de<+n> nare<+n> en belachelijke<+n> droom

18;al.1;10-11

  • M1b: om iedere<+n> avend hetzelfde te bidden ./, [?] Om iedere<+n> avend aan het poortje te staan en weer zijne<+n> knie te voelen,
  • M2a: om iedere<-n> avend hetzelfde te bidden <./, [?]>>.> Om iederen avend buiten <aan>> [x]an> het poortje te staan en weer zijnen knie te voelen,
  • M2b: om iedere<+n> avend hetzelfde te bidden. Om iederen avend buiten <[x]an>> aan> het poortje te staan en weer zijn<-en> knie te voelen,
  • D: om iederen av<e>>o>nd hetzelfde te bidden. Om iederen av<e>>o>nd buiten aan het poortje te staan en zijn knie weer te voelen,

18;al.1;12

  • M2b: haar <- smalle en> huiverende heupen

18;al.1;13-14

  • M1b: twee oogen. Kus me lispelt ze. Kus me en ze opent hare<+n> mond
  • M2a: twee oogen <.>>,> <K>>k>us me <+,> lispelt ze <.>>,><K>> k>us me <+ ,> en ze opent haren mond
  • D: twee oogen <,>>.> <k>>K>us me, lispelt ze, kus me, en ze opent <haren>> haar> mond

18;al.1;14-15

  • M1b: <nekeer>>eens> komt, is Jean.
  • M2b: eens komt <-,> is Jean.

18;al.1;19-20

  • D: kan hij het <hem>>zich> niet wachten.

18;al.1;20-21

  • M1b: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

18;al.1;22

  • M1b: draait <hem>>zich> met zijne<+n> rug
  • M2b: draait zich met zijn<-en> rug

18;al.1;24

  • M1b: <ne>>een> jongen

18;al.1;24-25

  • M1b: <ne>>een> slimmerik

18;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij alleen kan <met>>[xx]et>
  • M2b: [X] Hij alleen kan <[xx]et>>met>

18;al.2;2-3

  • M2b: <- Maar ook> <h>>H>ij alleen kan

18;al.2;4

  • M1b: <ne>>een> mensch

18;al.2;7

  • D: het is <al>>ál>

18;al.2;7-8

  • M1b: verlang<d>>t><+.><e>>E>n meteen <ne>>een> kwellenden angst voelt dat hij daar over beginnen zal.
  • D: verlangt. En <meteen een kwellenden angst voelt>>tevens voelt ze een kwellenden angst> dat hij daar over beginnen zal.

18;al.2;8-9

  • M1b: Ze vraagt <haar>>zich> zelven af of diene snotneus dat nu geriekt.
  • M2b: Ze vraagt zich zelven af of dien<-e> snotneus dat nu geriekt.
  • D: Ze vraagt zich zelve<-n> of die<-n> snotneus dat nu <-ge>riekt.

18;al.2;10

  • D: waar <ge>>ze> geen windeken hoort

18;al.2;11-12

  • M2a: uit hare<+n> mond. En met den daver
  • M2b: uit haren mond <.>>,> <- En> met den daver
  • D: uit <haren>>haar> mond, met den daver

19;al.1;2

  • M2a: bleek lijk de dood <+,> maar hij gebaar<d>>t> hem onverschillig
  • M2b: bleek <- lijk de dood>, maar hij gebaart hem onverschillig
  • D: bleek, maar hij gebaart <hem>>zich> onverschillig

19;al.1;5-6

  • M2b: uitgezongen heeft <,>>.><h>>H>aar poppen, haar lappendoozen en haar beeldekens<-doozen>

19;al.1;8

  • D: de kas<+t>

19;al.1;8-9

  • M2b: Ah, dag Jean <.>>,> <T>>t>e naaste week

19;al.1;10

  • M1b: de<+n> stiel te leeren. Een fabriek is toch maar een fabriek
  • M2b: den stiel te leeren<.>>,> <E>>e>n fabriek is toch maar een fabriek

19;al.1;11

  • M2a: Ja, dat is het <.>>,> <H>>h>ij heeft

19;al.1;12

  • M2b: <- En> <h>>H>ij nijpt

19;al.1;13

  • M1b: nie<+u>we

19;al.1;15

  • M2b: dichter neven haar <- staan> en

19;al.1;16

  • M1b: dat verander<d>>t>

19;al.1;18

  • M2b: zijn borst geklemd hangt <-, of is het iets veel zwaarder, dat pijn doet en dat men wee noemt> ?

19;al.1;19

  • D: staan <zien>>kijken>, het doet immers meer <om>>en> meer pijn.

19;al.1;22

  • M1b: de<+n> <[xxxxx]>>grond>

19;al.2;1-2

  • D: een ander<+e> school

19;al.2;3

  • M2b: zijn<-e> pa

19;al.2;4

  • D: <vingeren>>vingers>

19;al.2;5-6

  • M2b: En zie eens: Mark stapt het ook af. Met <ne>>een> knecht achter hem
  • D: En zie eens: Mark stapt het ook af <.>>,> <M>>m>et een knecht achter hem

19;al.2;7

  • M2b: dezelfde school gaan <.>>:> Jean om hard te leeren

19;al.2;10

  • M2a: dat ne rijke jongen <student is>>studeert> voor een tijd.
  • M2b: dat <ne>>een> rijke<+n> jongen studeert < - voor een tijd>.
  • D: dat een rijke<-n> jongen studeert.

19;al.3;2

  • M2a: dingen<-s>

20;al.1;2

  • M2a: en met zijne<+n> kop naar de<+n> grond
  • M2b: en met zijn<-en> kop naar den grond

20;al.1;3

  • M2b: <ne>>een> zoon

20;al.1;5

  • D: <vingeren>>vingers>

20;al.1;6

  • D: een <aristokraten gebaar>>aristokratengebaar>

20;al.1;7

  • M2a: de<+n> godsdienst

20;al.1;10

  • D: <vingeren>>vingers>

20;al.1;11-12

  • M2b: wat die andere vertel<d>>t>, gemaakte mannekens.
  • D: wat die andere vertelt, gemaakt<-e> manneken<-s>.

20;al.1;13-14

  • M2a: nie<+u>we waren
  • M2b: nieuwe <waren>>zijn>

20;al.2;2

  • M2a: <ne>>een> pot

20;al.2;4

  • M2a: <wat>>was> het met Elie

20;al.2;4-5

  • M2b: in een<-e> keer
  • D: in een<+en> keer

20;al.2;5

  • M2a: En nu komt <- hij> tusschen
  • M2b: En nu komt <+ hij> tusschen

20;al.2;6

  • M2a: dingen<-s>

20;al.2;6-7

  • M2b: met dien<-e>verren oorlog. Het zit er ginder <- verre> op, zei zijn<-e> pa soms.

20;al.2;8-9

  • M2a: hij tegen klapt knikt met zijne<+n> kop. Ja <+,> het zit er ginder op, en ze beginnen over iets anders.
  • M2b: hij tegen klapt<+e> knikt<+e> met zijn<-en> kop. Ja, het zit er ginder op, en ze beginnen over iets anders.
  • D: hij tegen klapte knikte <- met zijn kop> <.>>:> Ja, het zit er ginder op<,>>.> <e>>E>n ze <beginnen>>begonnen> over <iets>>wat> anders.

20;al.2;11-12

  • M2a: <ne>>een> rauwen klank in zijn keel <,>>;> en zijn kameraden spreken ook over dienen oorlog.
  • M2b: een rauwen klank in zijn keel; en zijn kameraden spreken ook over dien<-en> oorlog.

20;al.2;13-14

  • D: En wie <- dat> er gelijk

20;al.2;14

  • M2a: Ja <+,>

20;al.2;16-17

  • M2b: En er vloekt er eenen dat het dedju een schande is, een smet op onze<+n> naam
  • D: <- En> <e>>E>r vloekt er een<-en> dat het dedju een schande is, een smet op onzen naam

20;al.2;19-20

  • M2a: heel dicht gaan bij staan en vragen <.>>:> <V>>v>ertel me daar nog wat van, zeg er mij alles van <!>>.>
  • D: heel dicht <- gaan> bij staan en vragen: vertel me daar nog wat van, zeg er mij alles van.

20;al.2;20

  • M2a: een serieu<s>>z>e mensch
  • M2b: een serieuze<+n> mensch

20;al.2;22

  • M2a: Ja <+,>

20;al.2;22

  • M1b: ophad<+t>
  • M2b: ophad<-t>

21;al.1;1

  • M2b: lijk hij is <+,> wordt

21;al.1;2

  • D: <nagelen>>nagels>

21;al.1;2

  • M2a: <Snachts>>'s Nachts>

21;al.1;5-6

  • D: die <+ waart> door mijn woelige gepeinzen <- waart>.

21;al.1;6

  • D: en woelig<+e> schrapt hij,

21;al.1;10

  • D: <+,> peinst hij.

21;al.1;11

  • M2a: <eén>>één> oor, en <ne>>een> klis

21;al.1;12

  • M2a: Zoo <+,>

21;al.1;12-13

  • M2b: Met een volle tas boeken komt hij naar huis. <- De dichter in de voorstad>
  • D: Met een volle <tas>>tasch> boeken komt hij naar huis.

21;al.1;13

  • D: <hem>>zich>

21;al.1;14

  • D: iets veel belangrijker<+s>

21;al.1;17

  • D: dat er gebeur<d>>t>

21;al.1;18-19

  • M2b: ze zien hun oogen uit <,>>:>
  • D: ze zien hun oogen <uit>>niet>:
  • W: ze zien hun oogen [niet]]uit]:

21;al.1;20

  • D: <ikweetniet waar>>ik-weet-niet-waar>

21;al.1;22

  • M2a: <c>>s>hef van de bende ketst
  • M2b: <s>>c>hef van de bende ketst
  • D: chef van de bende ketst <+,>

21;al.1;24

  • D: aan den andere<-n>

21;al.1;25

  • M2a: <ne>>een> weg trekken dwarsdoor
  • D: een weg trekken <dwarsdoor>>dwars door>

21;al.1;25-26

  • M2a: Maar ze gaan toch zeker niet <zóo>>zoo>
  • D: <- Maar> <z>>Z>e gaan toch zeker niet zoo

21;al.1;27

  • D: de groote<+n>

21;al.1;28-29

  • M2a: maar allemaal tegelijk voelen ze dat men hun weer bezig is met <ne>>een> kol te passen.
  • M2b: maar allemaal <-te>gelijk voelen ze dat men hun weer bezig is met een kol te passen.
  • D: maar <allemaal>>allen> gelijk voelen ze dat men <- hun> weer bezig is <- met> <+ hun> een <kol>>col> te passen.

21;al.1;29-30

  • M2a: met zijn boekentas, met zijn<-e> lok haar
  • D: met zijn boekentas<+ch>, met zijn lok haar

21;al.1;31

  • M2a: Ja <+,> die staat daar ook in het veld te zien.
  • M2b: Ja, die staat daar ook in het veld <- te zien>.

21;al.1;32

  • M2a: <éen>>één> oor

21;al.1;32-33

  • M2a: En <+ hij> wandelt ook eens langs daar, omdat iedereen daar staat te zien
  • M2b: En hij wandelt <- ook> eens langs daar, omdat iedereen daar staat <- te zien>
  • D: En hij wandelt eens langs daar, <omdat>>opdat> iedereen daar staat
  • W: En hij wandelt eens langs daar, [opdat]]omdat] iedereen daar staat

21;al.1;34-36

  • M1b: Hij passeert Elie en een ander meisken dat ne zijden zwarte<+n> voorschot aan heeft, waarin een vol hart spant. En met zacht blond haar gepermanent.
  • M2a : Hij passeert Elie en een ander meisken dat <ne>>een> zijden zwarten voorschot aan heeft, waarin een vol hart spant. En met zacht blond haar gepermanent.
  • M2b: Hij passeert Elie <+,> en een ander meisken dat een zijden zwarten voorschot aan heeft <-,> waarin een vol hart spant. En met zacht blond haar <+,> gepermanent.
  • D: Hij passeert Elie, en een ander meisken dat een zijden zwarten voorschot aan heeft waarin een vol hart spant <.>>;> <E>>e>n met zacht blond haar, gepermanent.

21;al.1;37

  • M2b: Wie is dat <- nu>?
  • D: Wie is dat <+ nu>?

21;al.1;37

  • M2a: Ah <+,>

22;al.1;2

  • M2b: te zien <,>>:> hij kan

22;al.2

  • M2a: [+X] En kan ik

22;al.2;1

  • D: eens zien <+,> Elie, vraagt hij <.>>,> Waarom?
  • W: eens zien, Elie, vraagt hij [ , ]] . ] Waarom?

22;al.2;1-2

  • M2a: Ja <+,> is dat nu ook een vraag, waarom. Hij bijt op zijn tanden <+,> loopt
  • M2b: Ja, is dat nu ook een vraag, waarom <.>>?> Hij bijt op zijn tanden, loopt

22;al.2;3

  • D: <plakskens>>plankskens>
  • W: [plankskens]]plakskens]

22;al.3;1

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

22;al.3;5

  • M2b: hoe groot ze was toen<-tertijde>.
  • D: hoe groot ze <was toen>>toen was>.

22;al.3;5

  • M2a: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

22;al.3;6

  • M2a: hare<+n> mond
  • D: <haren>>haar> mond

22;al.3;7

  • D: <hem>>zich>

22;al.3;13

  • M2b: Zoodat hij het <afdruipt>>afdrupt> met hangende armen <+,> en
  • D: Zoodat hij <- het> afdrupt met hangende armen, en

22;al.3;14

  • M2a: gehad<-t>

22;al.3;15

  • D: <misterie>>mysterie>

22;al.3;17

  • D: <hem>>zich>

22;al.3;18

  • M2a: word<+t>

22;al.3;19-20

  • M2a: de<+n> winterkant en het word<+t> vroeg donker. Elie ziet hij niet <+,>

22;al.3;22

  • M2b: en eigenlijk <- hem> zeer doet.

22;al.3;23-24

  • M2b: in een donkere<+n> hoek

22;al.3;24

  • D: En hoe ongelukkig <ze is>>is ze>,

22;al.3;25

  • M2b: <Die>>De> vlijmscherpe pijn

22;al.3;27

  • M2b: Zijn bloed klopt <- zoo> wild.

22;al.3;28

  • M2a: Zulke harde borsten die ge hebt <+,>
  • M2b: Zulke harde borsten <die>>welke> ge hebt,

23;al.1;1

  • D: Ziet ge het <.>>,> <N>>n>u spannen

23;al.1;3

  • D: Een halve<+n> nacht

23;al.1;4

  • M2a: leert <+,> leert.

23;al.1;5

  • D: kaak<-s>been

23;al.1;6

  • M2a: <op een>>opeen> klemt. En wat leest hij daar? Het is <presies>>precies> "Das kapital". Ja <+,> het leven
  • M2b: opeen klemt. <- En wat leest hij daar? Het is precies "Das kapital".> Ja, het leven

23;al.2;1

  • M2a: <Smorgens>>'s Morgens>

23;al.2;2

  • D: een <laag>>lang> stoelken
  • W: een [lang]]laag] stoelken

23;al.2;5

  • D: Een echte<-n> denkerskop.

23;al.2;5

  • M2b: Jean blijft <- er bij> staan en zoekt

23;al.2;6

  • M2a: eigenli<+j>k

23;al.2;7-8

  • M2a: zijne<+n> mond bitter laat zakken en <wieweet>>wie weet> welke gedachten
  • M2b: zijn<-en> mond bitter laat zakken <+,> en wie weet welke gedachten

23;al.2;9

  • D: Jean zet <hem>>zich> neer

23;al.2;9-10

  • M2a: <Ne>>Een> kleine

23;al.2;10-11

  • D: dan <hij>>Jean> ooit

23;al.2;13

  • M2b: nachtelijke gepeinzen <.>>;> <A>>a>ls Bernardeken

23;al.2;14-15

  • M2a: slapen zulle Bernardeken. Ja <+,> moeken <+,> zegt hij <+,>
  • D: slapen <+,> zulle Bernardeken. Ja, moeken, zegt hij,

23;al.2;16-17

  • M2b: die van langsom minder <- iets van> het leven en de menschen begrijpt.
  • D: die <- van> langsom minder het leven en de menschen begrijpt.

23;al.3;2

  • M2a: zoo iets ziet <,>>;> en de doktoor

23;al.3;3

  • M2a: <+,> zei die.

23;al.3;3-4

  • M2b: Hij legde het been in de plaaster <- met een draineerbuisken door, om de zever te laten naar buiten komen>. Zes weken.
  • D: Hij legde het been in de <plaaster>>pleister> <.>>,> <Z>>z>es weken.

23;al.3;4-5

  • M2b: Als de plaaster er af is <+,> zet dien<-e> mensch, nu ja, een doktoorsgezicht, <- het kan moeilijk anders, > een wetenschappelijk masker.
  • D: Als de <plaaster>>pleister> er af is, zet die<-n> mensch, nu ja, een doktoorsgezicht, een wetenschappelijk masker.

23;al.4

  • M2a: [+X] De anderen

23;al.4;1

  • D: staan op te <zien>>kijken>

23;al.4;2-3

  • M2a: in de plaaster <+,> zes weken.
  • D: in de <plaaster>>pleister>, zes weken.

23;al.4;3

  • M2a: <+,> twaalf weken?

23;al.4;4

  • D: zit <naar>>op> te wachten.

23;al.4;5

  • D: onzen kleine<-n>

23;al.4;6

  • M2a: ju<+i>stekens

23;al.4,6

  • D: <Daar>>Dan> duren

23;al.4;7

  • M1b: no<+o>dig hebben gehadt om de wereld te schapen.
  • M2a: noodig hebben gehad<-t> om de wereld te schapen.
  • D: noodig hebben gehad om de wereld te <schapen>>scheppen>.

23;al.4;8

  • D: <plaaster>>pleister>

23;al.3;8-24;al.1;1

  • M2b: Het is afschuwelijk <- om zien>.

24;al.1;1-2

  • M2a: Mijne man zaliger zijn broer heeft ook zoiets gehad<-t>
  • M2b: Mijn<-e> man zaliger <- zijn broer> heeft ook zoiets gehad

24;al.1;2

  • D: boekwei<+t>meel

24;al.1;3

  • M2b: <nen>>een> brand

24;al.1;5

  • M2b: Zijn<-e> pa doet hem,
  • D: Zijn pa doet <hem>>die>,

24;al.1;6

  • M2b: geen enkele<+n> mensch

24;al.1;7

  • D: aanzien <.>>...> En

24;al.1;9

  • D: <moet>>moest> komen.

24;al.1;9

  • M2a: <presies>>precies> of hij het <ál>>al> ziet.

24;al.2;1

  • M2a: <Smorgens>>'s Morgens>

24;al.2;2

  • M2b: buiten <ziet>>kijkt>

24;al.2;4

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

24;al.2;4-5

  • M2b: buiten.Weet ge het al? <- En> <w>>W>watte?
  • D: buiten <.>>:> <W>>w>eet ge het al? <Watte>>wat>?
  • W: buiten: weet ge het al? [w]]W]at?

24;al.2;5

  • M2a: Ze wijzen met hunne<+n> kop. Hij daar
  • M2b: Ze wijzen met hun<-nen> kop <.>>:> hij daar
  • D: Ze wijzen met hun kop <:>>!> hij daar
  • W: Ze wijzen met hun kop [ ! ]] : ] hij daar

24;al.2;6

  • M2a: En de andere spert zijn oogen open en fronst zijn voorhoofd. Serieus! Ja <+,>
  • M2b: En de andere spert zijn oogen open <- en fronst zijn voorhoofd> <.>>:> Serieus! Ja,

24;al.2;7

  • M2b: de<+n> laatste<+n> keer
  • D: de<-n> laatste<-n> keer

24;al.2;11

  • M2a: benie<+u>wd

24;al.2;11-12

  • M2a: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

24;al.2;14

  • M2a: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

24;al.2;15-16

  • M2a: Ja <+,> en het wordt moeilijk om hare<+n> kop boven te houden
  • M2b: Ja, <- en> het wordt moeilijk om haren kop boven te houden.
  • D: Ja, het wordt moeilijk om <haren>>haar> kop boven te houden.

24;al.2;17

  • D: in de week <,>>.> <i>>I>n het oude huis daar rechtover <-,> bij Mark zijn <M>>m>ama.

24;al.2;17-18

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

24;al.2;18

  • M2a: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

24;al.2;19

  • D: <moeite>>moeheid>

24;al.2;21

  • M2a: dat hij <+,> die nu bij Hem is die niemand kent,
  • M2b: dat hij, die nu bij Hem is <die>>welke> niemand kent,

24;al.2;22-23

  • M2a: hare<+n> kop in haar handen en bidt, bidt.
  • D: <haren>>haar> kop in haar handen en bidt, bidt <.>>...>

24;al.2;23

  • M2a: mijn lief <+,>

25;al.1;1

  • D: op Sander <.>>?>

25;al.2;2

  • M2a: moet zien <+,> waar wij

25;al.2;3

  • M2a: ziet iets <-,> en hij wil <méer>>meer> zien,
  • M2b: ziet iets en <- hij> wil meer zien,

25;al.2;5

  • M1b: het <ho[xxx]>>hooge> noorden dat huizen heeft
  • M2a: het hooge noorden <+,> dat huizen heeft

25;al.2;5-6

  • M1a: vervrozen/vervroren [?] visch
  • M2a: <vervrozen/vervroren [?]>>vervroren> visch
  • D: <vervroren>>bevroren> visch

25;al.2;6-7

  • M2a: een noenzonne, zwartgebrand is <+,> en
  • D: een noenzon<-ne>, zwartgebrand is, en

25;al.2;9

  • M2b: te doen hebben dan naar hun<-nen> navelbuik te <zien>>staren>.
  • D: te doen <hebben>>hadden> dan naar hun navel<-buik> te staren.

25;al.2;10

  • M2a: <ne>>een> moment staan zien <+,> schudde zijne<+n> kop
  • M2b: een moment staan zien, schudde zijn<-en> kop

25;al.2;11

  • M2a: verschillend<+e> geloof
  • M2b: verschillend<-e> geloof

25;al.2;12

  • M2a: Ieder had<-t> zijne<+n> God apart.
  • M2b: Ieder had zijn<-en> God apart.

25;al.2;13

  • M2a: en andere<+n>

25;al.3;1-2

  • M2a: [+X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen, het is ginder oorlog. Ginder heel verre,
  • M2b: [X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen <,>>:> het is ginder oorlog. Ginder heel verre,
  • D: [X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen: het is ginder oorlog <.>>,> <G>>g>inder heel verre,

25;al.3;3

  • M2b: <de vermassakreerde massa>>het vermassakreerde volk>

25;al.3;4

  • D: dingen<-s>

25;al.3;4

  • M2b: <- En><h>>H>ij zag

25;al.3;5-6

  • D: om <- hem> uit te leggen

25;al.3;7

  • D: <hare>>haar> rechtspraak

25;al.3;8-9

  • M2b: maar <- die> kon niet meer, hij hing <- al> aan zijn gezicht vastgeroest.

25;al.3;9

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

25;al.3;10

  • M2a: Een raar masker <+,> voorwaar.

25;al.3;11

  • M1b: iedere nie<+u>we weg die hij nu ging
  • M2b: iedere nieuwe weg die hij <- nu> ging
  • D: iedere nieuwe weg die<+n> hij ging

25;al.3;14

  • M2a: <tragieser>>tragischer>. En heimwee en vertwijfeling sneed<-t>
  • M2b: tragischer. <- En> <h>>H>eimwee en vertwijfeling sneed

25;al.4;2

  • M2b: die hij <-vroeger> in zijn schoonste droomen had gekend,

25;al.4;3

  • M2a: had<-t> gekoesterd zoo een vrouw in levende<+n> lijve eens te zullen ontmoeten.
  • M2b: had gekoesterd zoo een vrouw in levenden lijve <- eens> te zullen ontmoeten.
  • D: had gekoesterd <- zoo een vrouw> in levenden lijve te zullen ontmoeten.

25;al.4;4-5

  • M2a: had<-t> leeren misprijzen.

25;al.4;5

  • M2a: <Ne>>Een> reuk van alkool en zonde,
  • D: Een reuk van <alkool>>alkohol> en zonde,

26;al.1;1

  • M2b: de<+n> keldermond

26;al.1;2-3

  • M2b: een doorschijnende<+n> blauwe<+n> sluier

26;al.1;6

  • M2a: en zijne<+n> spot. Ja <+,> en tevens aan zijn<-e> veel te diepen haat.
  • M2b: en zijn<-en> spot. <- Ja, en tevens aan zijn veel te diepen haat.>

26;al.2;1

  • D: <haar>>zich>

26;al.2;2

  • M2a: vijf roze teenen <+,> waarvan

26;al.2;3

  • M2b: en rond de enkel <- hing> een koperen ring.
  • D: en rond de<+n> een koperen ring.

26;al.2;5

  • M2b: <wist>>weet>

26;al.2;8

  • D: met <een>>één> hand

26;al.2;10-11

  • M2a: <ne>>een> klap tegen zijn achterhoofd had<-t> gegeven.

26;al.2;12

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

26;al.2;14

  • M2a: de<+n> dood

26;al.2;16-17

  • D: <verwenschen>>verwenschingen> en <toejuichen>>toejuichingen>

26;al.3;1

  • M2b: <-Doch> <d>D>e dagen gingen.

26;al.3;2

  • M2b: de matrozen <+,> en de booten

26;al.3;4

  • M2b: Of ze nu zeggen zou <,>>:> ik schop

26;al.4

  • D: [X] [- witregel] Op een dag
  • W: [X] [+witregel] Op een dag

26;al.4;1

  • M2a: <ne>>een> stroomwals

26;al.4;3

  • M2a: <dwars door>>dwarsdoor>
  • D: <dwarsdoor>>dwars door>

27;al.1;2

  • M2a: <ne>>een> weg

27;al.1;3

  • M2a: <ne>>een> rijke mensch

27;al.1;4

  • M2a: <ne>>een> lap grond

27;al.1;4-5

  • D: Ja, ze gaan beginnen <+ te> bouwen,

27;al.1;5-6

  • M2a: de zeven huizekens <.>>,><Z>>z>oodat ge u zult <-moeten><v>>w>ringen
  • M2b: de zeven huizekens, zoodat ge u zult <+ moeten> wringen

27;al.1;7-8

  • M2a: niet zou mogen bestaan. [+X] Ze pakken ons licht af.
  • D: niet zou mogen bestaan <.>>,> [- X] <Z>>z>e pakken ons licht af.

27;al.1;8

  • D: hun <hert>>hart>

27;al.1;10

  • M2b: een straat. Dus. Daarbij, die<-ne> weg welke ze
  • D: een straat. <- Dus.> Daarbij, die weg welke ze

27;al.1;11

  • M2b: welke <hem>>zich> ginder

27;al.1;12-13

  • M2b: dezelfde linie voortwalst en regelrecht naar hun<-ne> huizekens komt, <- als een monster uit den tijd dat er nog geen menschen waren en dus ook geen medelijden. Het walst> regelrecht naar hun hert.
  • D: dezelfde <linie>>lijn> voortwalst en regelrecht naar hun huizekens komt, regelrecht naar hun hert.

27;al.1;14.

  • M2a: te zien <+,> lijk de menschen van een overwonnen land <+,> als de troepen

27;al.2;1

  • M2b: dat <ze>>men> <bouwen>>bouwt>, het een verdiep
  • D: dat men bouwt, het een<+e> verdiep

27;al.2;2

  • D: <hun>>zich>

27;al.2;3

  • M2a: <ne>>een> winkel zijn <+,> want

27;al.2;4

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

27;al.2;5

  • M2b: <nekeer>>eens>

27;al.2;6

  • D: iets nieuw<+s>

27;al.2;9

  • M2b: over <- gebonden> ligt.

27;al.2;9

  • D: er schiet <+ er> een<-e>

27;al.2;10-11

  • M2a: met alle twee zijn beenen <,>>;> die steken daar nu door den plafond.
  • M2b: met alle twee zijn beenen; die steken daar nu door <den>>het> plafond.
  • D: met alle twee zijn beenen <;>>,> die steken daar nu door het plafond.

27;al.2;11

  • M2b: <nekeer>>eens>

27;al.2;13

  • M2b: zijn<-en> ouderdom

27;al.2;16

  • M2b: <ne>>een> lange<+n> stap en <ne>>een> korten.

27;al.2;17-19

  • M2b: nu misschien <,>>:> als God <ne>>een> serieuze<+n> mensch is moest hij nu op slag een<-e> doen doodvallen.
  • D: nu misschien: als God een <serieuzen>>serieuse> mensch is moest hij nu op slag <+ er> een doen doodvallen.
  • W: nu misschien: als God een serieu[s]]z]e mensch is moest hij nu op slag er een doen doodvallen.

27;al.2;19

  • M2b: Maar wie weet<- het> wat hij peinst? <- En> <w>>W>e zullen

27;al.2;21

  • M2b: zijn oogen <die>>welke> u bezien

28;al.1;3-4

  • M2b: dit moeten ze nog koopen en <'tgeen huren>>dat> <+,> en ginder

28;al.1;4

  • D: ons bedrogen <- voor zooveel>.

28;al.1;5

  • M2b: zijn<-e> pa

28;al.1;6

  • M2a: Ik <+,> zegt zijn moe,

28;al.1;7

  • D: mijn nagel<en>>s>

28;al.1;7

  • M2a: mijne<+n> kop
  • M2b: mijn<-en> kop

28;al.1;8-9

  • M2a: verdrinkt gij het maar <+,> het geld <+,><+ het> groeit toch op onze rug.
  • M2b: verdrinkt gij het maar, het geld, het groeit toch op onze<+n> rug

28;al.1;9-10

  • M2a: Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. In zijnen hoek met de potloodjes zoekt hij naar een leeg teekenblad. Moeder <+,> hebde mij geen stuk papier?
  • M2b: Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. <- In zijnen hoek met de potloodjes zoekt hij naar een leeg teekenblad.> Moeder, <hebde>>hebt ge> mij geen stuk papier?
  • D: Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. Moeder, hebt ge <- mij> geen stuk papier <+ voor mij>?

28;al.1;11

  • M2a: hare rok, een stuk papier. Aai <+,> zwijg <+,> gotver <+,> zegt ze <+,>
  • M2b: <hare>>haar> rok <,>>:> een stuk papier <.>>!> Aai, zwijg, gotver, zegt ze,

28;al.1;12

  • M2a: met ne kletter aan, laat mijne<+n> kop gerust <+,>
  • M2b: met <ne>>een> kletter aan, laat mijn<-en> kop gerust,

28;al.1;14

  • M2a: <presies>>precies>

28;al.1;14-15

  • M2b: bij zijn crayonskens <,>>.> <t>>T>egen die

28;al.1;15

  • D: Dat ge het <+ niet> ziet

28;al.1;17

  • M2a: ne last <+,>
  • M2b: <ne>>een> last,

28;al.1;18

  • M2b: zijn eigen hert op te <fretten>>vreten>.

28;al.1;19

  • M2b: <nekeer>>eens>

28;al.1;21-22

  • M2a: hunne<+n> kop, dat ze hunnen tijd
  • M2b: hun<-nen> kop, dat ze hun<-nen> tijd

28;al.1;23

  • M2a: <hem>>zich>

28;al.1;26-27

  • M2a: <+,> waarom hebben ze me dan in <'shemelsnaam>>'s hemelsnaam> gekocht <.>>?>

28;al.1;28

  • M2b: <nen>>een> ouder

28;al.2;2

  • M2b: in zijn beddeken <- blijven> liggen.

28;al.3;1

  • M2a: [+X] Zoo weet hij

28;al.3;2

  • M2b: <ne>>een> keizer

28;al.3;3

  • D: Dingen<-s>

28;al.3;4

  • M2a: interesseeren <+,> maar die ge toch weten moet <+,> of

28;al.3;7

  • D: <trokken>>trekken>

29;al.1;1-2

  • M2a: Zie me dat nekeer <!>>.>

29;al.1;2

  • M2b: de<+n> muur

29;al.1;3

  • M2a: ne kop. Ja <+,> hij heeft ne kop
  • M2b: <ne>>een> kop. Ja, hij heeft <ne>>een> kop

29;al.1;4

  • M2b: <ne>>een> stommerik

29;al.1;5

  • M2a: beteeken<d>>t>

29;al.2;2

  • M2a: <savends>>'s avends>

29;al.2;3

  • M1b: nie<+u>we

29;al.2;4

  • M2b: <Hare>>Haar> stap heeft iets glijdend,
  • D: Haar stap heeft iets glijdend<+s>,

29;al.2;6

  • M2a: altijd vooruit <+,> alsof

29;al.2;7

  • M2a: benie<+u>wd

29;al.2;8

  • M2a: Ja <+,> alsof, maar
  • M2b: Ja, alsof <,>>.> <m>>M>aar

29;al.2;9

  • M2a: <dezijne>>de zijne>

29;al.2;11

  • M2a: drie <+,> vier.

29;al.2;12-13

  • M2b: Wat is dat nu met allemaal <dat>>het> mansvolk?

29;al.2;13

  • M2a: <+,> en ik ga nekeer

29;al.2;15

  • M2b: te zitten <+,> en te dubben

29;al.3;1

  • M2b: in een <- kousen>fabrieksken

29;al.3;2

  • M2a: Een kous en nog een <+,>
  • M2b: Een kous en nog een <+ kous>,
  • D: Een kous en nog een kous <-,>

29;al.3;4

  • M2b: iets binnen <+,> of het heeft

29;al.3;5

  • D: En ze <poeppen>>poppen> <hen>>zich> in den avend een beetje op.

29;al.3;6

  • D: wat ze <hen>>zich>

29;al.3;7

  • M2b: zullen koopen <.>>,> <E>>e>ens...

29;al.3;7

  • M2a: In de<+n> zondagavend

29;al.3;8

  • M2a: een <roksken>>rokje>

29;al.3;10-11

  • M2a: het af is <+,> en wiens beurt nog komen moet <+,> dat

29;al.3;13-14

  • M2a: Hoe zou ze dan denken <- aan> wie haar lief geweest <heeft>>is> in den tijd.

29;al.3;14

  • D: <stilder>>stiller>

30;al.1;2

  • M2a: de <Jazz>>jass>
  • D: de <jass>>jazz>

30;al.1;3

  • M2a: to<+o>vert

30;al.1;3-4

  • M2a: De dans is gedaan <.>>,> <M>>m>erci <+,> zegt ze <+,> en ze ze<t>>g> haar neer
  • M2b: De dans is gedaan, merci, zegt ze, en ze ze<g>>t> haar neer
  • D: De dans is gedaan, merci, zegt ze, en ze zet <haar>>zich>neer

30;al.1;4-5

  • M2b: langs de<+n> muur tot er <nog>>terug> iemand <- anders> komt
  • D: langs den muur tot er <- terug> iemand <+ anders> komt

30;al.1;6-7

  • M2b: van een <+ te> groote liefde

30;al.2;1

  • M2a: Maria <+,> het is tijd, zegt ze <+,> en

30;al.2;5-6

  • M2a: Maria en haar lief <.>>,> <D>>d>ie zoo zot doen

30;al.3;1

  • M2a: [+X] Daarop komt

30;al.4;1

  • D: De een<+e> week

30;al.4;2

  • M2a: <+,> moesten de kleine dingens
  • D: , moesten de kleine dingen<-s>

30;al.4;3

  • D: Het nieuw<+e> huis

30;al.4;4

  • M2a: <presies>>precies>

30;al.4;6

  • W: ap[+p]artementen!

30;al.4;7

  • M2b: <jongen>>kinderen>
  • D: <kinderen>>jongen>

30;al.4;8

  • M2a: de<+n> paal

30;al.4;9

  • M2b: een grenswacht<-er>

30;al.4;10

  • M2a: Hier <+,> sta ik,
  • M2b: Hier <-,> sta ik,

30;al.4;11

  • M1b: nie<+u>we

30;al.4;12

  • M2b: hun<-nen> asschebak tegen <- uit>.
  • D: hun asschebak tegen <+ uit>.

30;al.4;12

  • M2a: is het café <+,> de deur staat

30;al.4;13-14

  • M2a: <+ "> In het Saargebied <+ ">

30;al.4;16

  • M2a: <+,> zoodat

30;al.4;17-18

  • M2a: <smorgens>>'s morgens> per eksempel <+,> als ze juist uit haar bedde komt.
  • M2b: 's morgens per <eksempel>>exempel>, als ze juist uit haar bed<-de> komt.

30;al.4;19

  • M2b: roode<+n> strik

30;al.4;19-31;al.1;1

  • M2b: een bijnaam <.>>!> Molleken <- zeggen ze er tegen>.

31;al.2;1

  • M2a: <presies>>precies>

31;al.2;3

  • D: En er begint <+ er> weeral een<-e> over den oorlog.

31;al.2;5

  • M2a: Maar toch <!>>.>

31;al.2;5-6

  • M2a: <presies>>precies> dichter om dichter
  • D: precies dichter <om>>en> dichter

31;al.2;6

  • D: de andere<+n>

31;al.2;8-9

  • D: Ginder op den Balkan. En niemand weet wat de<-n> Balkan is.

31;al.2;9

  • M2a: Maar zijt gerust <+,> ge zult

31;al.2;10

  • M2a: <c>>k>letteren

31;al.2;12

  • M1b: de<+n> eene<+n> voor den anderen.
  • D: <+,> de<-n> eene<-n> voor den andere<-n>.

31;al.3;1

  • M2a: <savends>>'s avends>

31;al.3;2

  • M2b: dien<-en> oorlog

31;al.4;2

  • D: En zelfs deze<+n>

31;al.4;3

  • M2b: hooren er <- al> iets <van>>over>.

31;al.4;4

  • M2a: en <hun>>hen> ongerust maakt lijk een paard dat schichtig wordt.
  • M2b: en hen ongerust maakt <- lijk een paard dat schichtig wordt>.

31;al.5;2

  • M1b: iedere<+n> dag

31;al.5;3

  • M2b: de<+n> eene<+n> achter den anderen.
  • D: de<-n> eene<-n> achter den andere<-n>.

31;al.5;3

  • M2a: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

31;al.5;6

  • D: duizende<+n> vliegers

31;al.5;7

  • M2a: verder fladdert <+,> als

31;al.5;8-9

  • D: een heele<-n> hoop

31;al.5;9

  • M2a: Er word<+t>

31;al.5;11

  • M2b: <hetgeen>>wat> een bewijs is dat <- er> niemand

31;al.5;13-14

  • M2a: De drie jongens <+,> die natuurlijk geen jongens blijven <+,> maar ouder worden met een jaarken seffens <+,>

31;al.5;15

  • D: andere<+n>

32;al.1;1

  • M2a: ge<-e>le pijl
  • D: gele<+n> pijl

32;al.2;1

  • M2a: [+X] Maar aan niemand zijn gezicht
  • M2b: [X] Maar aan niemand<+s> <- zijn> gezicht

32;al.2;2

  • M2a: <+,> leggen ze <hun>>zich> neer,

32;al.2;4

  • M1b: gemarteld<-e> lijf

32;al.2;5

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

32;al.2;8

  • M2b: die er naar <ziet>>kijkt>,

32;al.2;9-10

  • M2b: van een ouden gestreepten die men <van den>>dezen> achternoen komen halen is.
  • D: van een ouden gestreepte<-n> die men dezen achternoen komen halen is.

32;al.2;10-11

  • M2b: In den tijd <dat hij nog een mensch was>>was hij ook een mensch>,

32;al.2;11

  • M2a: ja <+,> <lang geleden>>langgeleden> <+,>

32;al.2;14

  • D: al <+ de> ijzers rond zijn handen.

32;al.2;15-16

  • M2a: Tuttut <+,> geen eksplika<s>>t>ies <+,>
  • M2b: Tuttut, geen e<ks>>x>plikaties,

32;al.2;17

  • M2b: niets hoort <+.> <e>>E>n hij vraagt

32;al.2;20-21

  • M2a: nikkelgeld <+,> die zouden ze moeten, ja wat? maar toch iets <v>>w>reed,
  • M2b: <nikkelgeld>>nickelgeld>, die zouden ze moeten <,>>...> ja wat? maar toch iets wreed,
  • D: <nickelgeld>>nikkelgeld>, die zouden ze moeten ... ja wat? maar toch iets wreed<+s>

32;al.2;21-22

  • M2b: martelen zouden ze die moeten <- doen>.

32;al.2;23

  • M2a: dertig <+,> veertig en vijftig, en zijn haren
  • M2b: dertig, veerig en vijftig, <- en> zijn haren

32;al.2;24

  • M2b: zijn<-e> rug

32;al.2;25

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

32;al.2;26

  • M2a: <blijven>>blijft> stille staan <-is>.
  • M2b: blijft stil<-le> staan.

32;al.2;27

  • M2a: Ja <+,>

32;al.2;28-29

  • M2a: doodgekoejon<-n>eert
  • D: doodgekoejon<+n>eer<t>>d>

32;al.2;29

  • M2a: waar ze hem <vóor sleepten>>voortsleepten> stond<-t> hij

32;al.2;31-32

  • M2b: Met <ne>>een> razige<+n> schrik rond zijn hert die hem belet <-van> zijn geval uiteen te doen.

32;al.2;32

  • M2b: En hij schreeuwt zijn<-e> gruwel uit <+:> dat hij onschuldig is.
  • D: En hij schreeuwt zijn gruwel uit <-:> dat hij onschuldig is.

32;al.2;34

  • M2b: <Ne>>Een> vingertop

33;al.1;2

  • M2a: <+,> en hij laat

33;al.1;3-4

  • M2a: Hij loopt bots met zijne<+n> kop naar ne muur
  • M2b: Hij loopt bots met zijn<-en> kop naar <ne>>een> muur

33;al.2;1

  • M2a: [X] [?] Ik ben onschuldig <+.> <e>>E>n niemand gelooft hem.
  • D: [+X] Ik ben onschuldig. En niemand gelooft hem.

33;al.2;5

  • M2a: naar zijn zelven <+,> wat die

33;al.3;1-2

  • M2a: maar ook <dát>>dat> verstil<d>>t>

33;al.3;2

  • M2b: een stille<+n> traan

33;al.3;4

  • D: <niet zien verouderen heeft>>niet heeft zien verouderen>

33;al.4;1

  • M2b: <Ne>>Een> man

33;al.4;2-3

  • M2a: en op zijn sterfbedde bekend <+ heeft> <- die> de<+n> moord in den tijd te hebben begaan.
  • M2b: en op zijn strefbed<-de> bekend heeft den moord in den tijd te hebben begaan.

33;al.4;3-4

  • M2b: geen geruste<+n> moment
  • D: geen gerust<-en> moment

33;al.4;4-5

  • M2a: getrouwd geweest <heeft>>is> met het lief van den anderen
  • D: getrouwd geweest is met het lief van den andere<-n>

33;al.4;5

  • M2a: en God <+,> God, wat ik heb afgezien <+,> zegt hij. Ja <+,>

33;al.4;6

  • M2a: ginder toekomt <.>>...>

33;al.5;1-2

  • M2b: den grijzen gevangenen <- van> uit hun midden
  • D: den grijzen gevangene<-n> uit hun midden

33;al.5;2

  • M2b: En ge zijt vrij <+,> zeggen ze.

33;al.6;1

  • M2a: [+X] Met haar?

33;al.6;1

  • M2a: Die is lang dood man <!>>.>
  • D: Die is lang dood <+,> man.

33;al.6;3-4

  • M1b: Laat hem in de keuken <- om> de soep <- te mogen> helpen gereedmaken, dan heeft hij <ne>>een> schepper meer.

33;al.6;6

  • M2b: <ne>>een> stap groot

33;al.6;8

  • M2a: <Snoenens>>'s Noenens> heeft hij zijne<+n> lepel <méer>>méér>,
  • M2b: 's Noenens heeft zijn<-en> lepel méér,

33;al.7;1

  • M2b: <- nu> misschien op te peinzen.

34;al.1;4

  • M2b: <ne>>een> niets

34;al.1;5

  • M2b: dien<-en> verren oorlog

34;al.1;6

  • M2a: Zijn handen <juiken>>jeuken>.

34;al.1;6

  • D: Zijn <hert>>hart>

34;al.1;8

  • M2b: <- willen> wijsmaken.

34;al.1;8

  • M2a: den <B>>b>aron

34;al.1;9

  • M2a: een vulgair <tiepe>>type>

34;al.1;9-10

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

34;al.1;10

  • M2a: Ja <+,>

34;al.1;11

  • M2a: zijn<-e> papa

34;al.1;15

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

34;al.1;15-16

  • M2b: Hij grijnst, <- zijn gele slagtanden komen van onder zijn bovenlip. En> hij knipt verachtelijk met zijn vingeren vlak voor Mark zijn<-en> neus.
  • D: Hij grijnst, <+ en> hij knipt verachtelijk met zijn <vingeren>>vingers> vlak voor Mark zijn neus.

34;al.1-al.2;17-1

  • M2a: [-X] Mark pakt zijn valies. [+X] Hij is eenentwintig

34;al.2;2

  • M2b: <hem>>zich>

34;al.2;3-4

  • M2b: zijn<-en> droom

34;al.2;4-5

  • M2b: de<+n> vooravend van een grooten <-veld>slag.
  • D: den vooravend van een grooten <+veld>slag.

34;al.3;1

  • M2b: de <eksamens>examens>

34;al.3;2

  • M2b: een diplom<+a>

34;al.3;4-5

  • M2b: En wonder genoeg <,>>:> <h>>H>ij heeft niet alleen een diplom<+a>,
  • D: En wonder genoeg: Hij heeft niet alleen een diploma <-,>

34;al.3;6-7

  • D: geen enkel<+e> deur

34;al.3;7

  • D: r<+h>eumathiek

34;al.3;10

  • D: <peadagogie>>pædagogie>

34;al.3;11

  • M2b: zijn <vingeren>>vingers>

34;al.3;12-13

  • M2b: <ne>>een> zwijgzame<+n> mensch
  • D: een zwijgzame<-n> mensch

35;al.1;2

  • D: iets moeilijk<+s>

35;al.1;3-4

  • M2b: En hij pakt hem binst een boek die hij gauw wegsteekt als hij iemand hoort <-op>komen.
  • D: En hij pakt <hem>>zich> binst een boek <die>>dat> hij gauw wegsteekt als hij iemand hoort komen.

35;al.2;1

  • D: de<+n> speeltijd

35;al.2;1-2

  • M2a: in een hoek <+,> en hij verheft zijn stem tegen dien oorlog, hij beweert dat het een gruwel is, een misdaad tegen de wereld en de menschen.
  • M2b: in een hoek, en hij verheft zijn stem tegen dien oorlog <-, hij beweert dat het een gruwel is, een misdaad tegen de wereld en de menschen>.

35;al.2;3-4

  • M2b: den hoofdonderwijzer op zijn vingeren <- komen> toekken. <- Het past ons niet de stem te verheffen enzoovoort...>
  • D: de<-n> hoofdonderwijzer op zijn <vingeren>>vingers> toekken.

35;al.3;1

  • M2b: <hem>>zich>

35;al.3;4

  • M2b: Dat kan ook <- heel goed>

35;al.4;1

  • M2a: [+X] Hij is dus zorgeloos,

35;al.4;2-3

  • M2b: een stuksken <- leeg> papier
  • D: een stuksken <+ leeg> papier

35;al.4;6-7

  • M2b: neerschrijft <- op papier> en de eene regel rijmt op den anderen <,>>.> <i>>I>s dat nu toeval<-lig> <+,> of doet hij daar om?
  • D: neerschrijft en de eene regel rijmt op den anderen <.>>,> <I>>i>s dat nu toeval, of doet hij <+ het> <daar>>er> om?

35;al.4;8

  • M2a: in een verdacht café <+,> in de middenstad, in de <s>>c>ité waar het gespuis woont <+,>
  • M2b: in een verdacht café <-, in de middenstad>, in de cité waar het gespuis woont,

35;al.4;9-10

  • M2b: <Iets>>Een> splinternieuw<+e> <dat>>die>

35;al.4;12

  • M2b: iets heerlijk waar hij <hem>>zich>
  • D: iets heerlijk<+s> waar hij zich

35;al.4;14

  • M2b: maar dat kunt ge <- nu toch>

35;al.4;15

  • D: touwtjes <.>>!>

35;al.4;16

  • M2b: het program<+ma>

35;al.4;17

  • M2b: Hij blijft een beetje vanachter hangen <- omdat hij den deftigsten is uit heel den hoop>.

35;al.4;17-18

  • M2b: Een vrouw die <al>>reeds> binnen zat duwt hem op zij met <ne>>een> kleine<-n> onder <haren>>haar> arm.

35;al.4;18-19

  • M2b: <- En> >o>>O>p den bijgang laat ze <den kleinen>>het kind> iets doen.

35;al.4;19-20

  • M2a: Ze komt weer binnen en vloekt omdat haar plaats <midderwijl>>middelwijl> bezet is.
  • M2b: Ze komt <- weer> binnen en vloekt omdat haar plaats middelwijl bezet is.
  • D: Ze komt binnen en vloekt omdat haar plaats <middelwijl>>middelerwijl> bezet is.

35;al.5;2

  • M2b: <- En> <h>>H>ij vertelt onbeholpen de dingen<-s>

35;al.5;5

  • M2b: <- en> er hun niet tegen
  • D: er <hun>>zich> niet tegen

36;al.1;2

  • M2b: de eenig<-st>e

36;al.1;4

  • D: in den donker<-en>

36;al.1;7

  • M1b: een nieuwe<+n>
  • D: een nieuwe<-n>

36;al.1;8

  • M2a: <+,> vraagt Jean hulpeloos. Ik schrijf
  • M2b: , vraagt Jean hulpeloos <.>>,> <I>>i>k schrijf

36;al.1;9

  • M2a: in het duister <.>>:> Gij <+,> die

36;al.1;11

  • M2b: <,>>.> <e>>E>n hij trekt

36;al.1;11-12

  • M2a: Ja <+,> maar dat is hetzelfde niet. De jeugd
  • M2b: Ja, maar dat is hetzelfde niet <.>>,> <D>>d>e jeugd
  • D: Ja, maar dat is hetzelfde niet <,>>...> de jeugd

36;al.2;1

  • M2a: Dat gebeur<d>>t> op een zaterdagavend, de zondag
  • M2b: Dat gebeurt op een zaterdagavend, de<+n> zondag
  • D: Dat gebeurt op een zaterdagavend, den <z>>Z>ondag

36;al.2;2-3

  • M2b: drinkt hij <- een beetje> zijn verdriet weg, en de<+n> maandag wil hij beginnen met de jeugd <+,> enzoovoort <,>>.> <m>>M>aar
  • D: drinkt hij zijn verdriet weg, en den <m>>M>aandag wil hij beginnen met de jeugd <,>>...> enzoovoort. Maar

36;al.2;5

  • M2b: stappen <.>>:> Hij gaat
  • D: stappen: <H>>h>ij gaat

36;al.2;8-9

  • M2a: waar een boek ligt, Das Kapital. En waar liefdeverzen te rijden liggen. Die doen het. Ja <+,>
  • M2b: waar een boek ligt, <Das Kapital>>een bedenkelijk boek> <.>>,> <E>> e>n waar liefdeverzen te rijden liggen. <- Die doen het.> Ja,

36;al.2;10-11

  • M2b: zelf om <ne>>een> stok loopt.
  • D: zelf <om>>achter> een stok loopt.

36;al.2;11

  • M2b: de<+n> laatste<+n> keer

36;al.2;12

  • M2b: houdt <hem>>zich> in.

36;al.2;15

  • M2a: Maar <savends>>'s avends>
  • M2b: <Maar>>Doch> 's avends

36;al.2;16-17

  • M2b: van de jongste niet meer <.>>,> <E>>e>n als ge <ne>>een> jongen
  • D: van de jongste<+n> niet meer, en als ge een jongen

36;al.2;18

  • M2a: <+,> moet ge ook niet peinzen
  • M2b: , moet ge <- ook> niet peinzen

36;al.2;19

  • M2a: <knieên>>knieën>

36;al.2;20

  • D: <nagelen>>nagels>

36;al.2;20-21

  • M2b: En hoe moet hij nu aan dien<-e> simpele<+n> mensch <- die een boterham zit te eten met wat zout opgestrooid,> gaan <eksplikeeren>>explikeeren> dat hij zijn plaats
  • D: En hoe moet hij nu aan dien simpelen mensch gaan explikeeren dat <hij>>hem> zijn plaats

36;al.2;23-24

  • M2a: <Snachts>>'s Nachts>

36;al.2;25

  • D: <Allemaal>>Al> zijn gedachten

37;al.1;4

  • M2b: de<+n> nacht

37;al.1;5-6

  • M2a: <En hij noemt zijn boeksken: Orion over de vlakte.>>[?]>
  • M2b: <[?]>>En hij noemt zijn boek: Orion over de vlakte.>
  • D: <- En> <h>>H>ij noemt zijn boek <-:> Orion over de vlakte.

37;al.1;7

  • M2b: Zijn hart zwelt <- op> van

37;al.1;8

  • M1b: Zijn angst en zijn vrees<-[x]> <zijn>>is> weg.

37;al.1;9

  • M2b: geschreven <,>>:> hij is onsterfelijk.

37;al.1;10

  • M2b: <en>>nooit> zal hij de menschen onder oogen moeten.

37;al.1;11-12

  • M2a: <sanderdaags>>'s anderendaags>

37;al.1;13

  • M2b: afkomt <-,> vloekt hij hartsgrondig.
  • D: afkomt vloekt hij hart<-s>grondig.

37;al.1;13

  • M2b: dien ouden man <- daar beneden>

37;al.1;14

  • M2b: <- van> den trap <+ af>
  • D: de<-n> trap af

37;al.1;16-17

  • M2b: <- Ja de eerste den besten niet. Een dichter.> Hij gaat er binnen en Elie is <- er> natuurlijk <niet>>weg>, ze is <- weg> naar haar werk.
  • D: Hij gaat er binnen en Elie is natuurlijk weg, ze is <+ weg> naar haar werk.

37;al.1;18-19

  • M2b: de<+n> nieuwe<+n> weg door het veld, ja al schoppende
  • D: den nieuwen weg door het veld, <- ja> al schoppende

37;al.1;19-20

  • M2a: Hij legt hem neer met zijn armen onder zijne<+n> kop <+,>
  • M2b: Hij legt <hem>>zich> neer met zijn armen onder zijn<-en> kop,

37;al.2;1

  • M2b: wordt hij daar gestoord <,>>;>
  • D: wordt hij <- daar> gestoord <;>>,>

37;al.2;2

  • M2b: komen <daar>>er> toe.
  • D: komen <er>>daar> toe.

37;al.2;4

  • M2b: de<+n> kant

37;al.2;4-5

  • M2a: de paal oppakken die in hunne<+n> weg staat,
  • M2b: de<+n> paal oppakken die in hun<-nen> weg staat,

37;al.2;9

  • M2a: <+,> vraagt hoever

37;al.2;10

  • D: een heel<-en> blok

37;al.2;11

  • M2a: daar komt nog iemand af die er <hem>>zich> voor interesseert.
  • M2b: daar komt nog iemand <- af> die er zich voor interesseert.

37;al.2;13

  • M2b: op zijn tanden bijt <- van razernij. Jean ziet er naar>.

37;al.2;14

  • M2a: Mark ziet over hem <+ weg> naar de gravers <+,>
  • M2b: Mark ziet over <hem>>Jean> weg naar de gravers,

37;al.2;15-16

  • M2b: <en>>,> naar de fabrieken ginder ver, de gas en een paar kolenwerven <.>>,> <E>>e>n ook

37;al.2;16-17

  • M2b: van de Durwez' dat <- daar> een beetje
  • D: van de <Durwez'>>Durwez> <+,> dat een beetje

38;al.1;1

  • M2a: Zoo: <H>>h>ij laat dat hij zijne<+n> schoolkameraad
  • M2b: Zoo <:>>,> hij laat dat hij zijn<-en> schoolkameraad
  • D: Zoo <,>>:> hij laat <+ zien> dat hij zijn schoolkameraad

38;al.1;2

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

38;al.1;3

  • M2b: <de>>het> café

38;al.1;5-6

  • M2a: Zijn oogen vallen in die blouse <,>>.> <h>>H>ij word<+t> wit en geef mij een pint <+,> zegt hij.
  • M2b: Zijn <oogen>>blikken> vallen in die blouse <.>>,> <H>>h>ij wordt wit <- en> <+.> <g>>G>eef mij een pint, zegt hij.
  • D: Zijn blikken vallen in die blouse, hij wordt wit <+ en> <.>>:> <G>>g>eef mij een pint, zegt hij.

38;al.1;7

  • M1b: <nagelen>>nagels>

38;al.1;7

  • M2b: die u <- van> alles

38;al.1;8-9

  • M2b: en <daar waar ge uw verlangen op zet>>dat wat ge verlangt> opsluit

38;al.2;1

  • D: Mark die ginder <blijven staan is>>is blijven staan>

38;al.2;2

  • M2b: <+,> naar zijn lip

38;al.2;2

  • M2b: van <- het> spijt.

38;al.2;3

  • M2b: <ne>>een> lap grond

38;al.2;5

  • M2a: <bijeen gekrabt>>bijeengekrabt> heeft met slim zijn,
  • M2b: bijeengekrabt heeft <- met slim zijn>,
  • D: bijeengekrab<t>>d> heeft,

38;al.2;5-6

  • M2b: Hij zou willen een reus zijn , die met <- zijn><een>>één> hand al dat werkvolk tegenhoud<+t>
  • D: Hij zou <-willen> een reus <+ willen> zijn, die met <+ zijn> één<+e> hand al dat werkvolk tegenhoudt

38;al.2;7-8

  • M2b: met <zijn>>de> ander<+e> op het vlakke <land>>veld> slaat dat het goud naar omhoog spat.
  • D: met <de>>zijn> andere op het vlakke veld slaat dat het goud <- naar> omhoog spat.

38;al.2;8-9

  • M2b: <en>>,> lijk een sjacheraar met loven en bieden<+,><overal wat>>en> afpitsen.
  • D: , lijk een sjacheraar met loven en bieden <-,> en afpitsen.

38;al.3;1

  • M2b: een schoone<+n> <zondag achternoen>>zondagachternoen>
  • D: een schoonen <z>>Z>ondagachternoen

38;al.3;2

  • M1b: <+ de> veranda

38;al.3;3

  • M2a: <+,> per eksempel
  • M2b: , per <eksempel>>exempel>

38;al.3;5-6

  • M2b: <dat>>het> bleek gezichteken

38;al.3;6

  • M2b: met <ne>>een> golf in <haren>>haar> hals

38;al.3;7-8

  • D: den <z>>Z>ondag Het is <+dus> niet te verwonderen

38;al.3;9

  • M1a: van Mark hunnen hof.
  • M2b: van Mark hun<-nen> {hof. / tuin.}
  • D: van Mark <hun>>zijn> <{hof./tuin.}>>tuin.>

38;al.4

  • M2a: [+X] Een beetje verder

38;al.4;1

  • M2a: begint er een haag. Ach <+,> ja <+,>
  • M2b: begint <- er> een haag. Ach, <- ja,>

38;al.4;4

  • D: Ja <-,>

38;al.4;4-5

  • M2b: Ze bukt haar en kijkt <- eens> in dien<-en> verlaten tuin.
  • D: Ze bukt <haar>>zich> en kijkt in dien verlaten tuin.

38;al.4;5

  • M2b: Alleen zonneschijn boschkens <-,gras> en bloemen.

38;al.4;6

  • M2a: hare<+n> voet. <- Nog eenen en nog eenen.>
  • D: <haren>>haar> voet. <+ Nog een en nog een.>

38;al.4;7

  • M2b: <dat>>hoe> ze nu

38;al.5;1

  • M2b: <- En> <a>>A>an het einde van den hof, in de veranda <+,>

38;al.5;2

  • M2b: <den>>het> dessert

38;al.5;2

  • M2b: <Dat>>Het> meisken is hier <- effenaf> komen

39;al.1;4-5

  • M1b: met een heimelijke<+n> lach op zijn gezicht naar den dessert te wachten.
  • M2b: met een heimelijken lach op zijn gezicht naar <den>>het> dessert te wachten.
  • D: met een heimelijken lach op zijn gezicht <naar>>op> het dessert te wachten.

39;al.1;5-6

  • M2b: dien<-e> lach wel <+,> maar misschien peinzen ze <,>>[x]> allah <+,> hoe hebben we zelf geweest.
  • D: dien lach wel <-,> maar misschien peinzen ze <[x]>>:> allah, hoe <hebben>>zijn> we zelf geweest.

39;al.1;7-8

  • M2b: wat ik weet <.>>,> <M>>m>oesten ze <- nu eens> weten dat ik een koopakte in mijn<-en> zak heb, dat ik <nen>>een> eigenaar ben <.>>!>

39;al.1;11

  • M2b: failliet gegaan <.>>,> <E>>e>en heel klein ding,

39;al.1;10

  • M2a: ge<v>>w>rongen

39;al.1;10-11

  • M2a: Ach <+,> iets waar ne gast vier vijf op werkt, maar het kan grooter worden,
  • M2b: Ach, iets waar <ne>>een> gast vier vijf op werkt, maar het <kan>>zal> grooter worden,
  • D: Ach, iets waar een gast <+ of> vier vijf <- op> werkt, maar het <zal>> kan> grooter worden

39;al.1;12

  • M2b: en wandelt eens <- op zijn doode gemakken> den hof in.

39;al.1;14-15

  • M2b: <+,> of lijk het iemand anders zei: <- een> vulgair <tiepe>>type>.

39;al.1;16

  • M2a: <+,> de handen op de<+n> rug en de<+n> neus

39;al.1;16-17

  • M2b: <Ne>>Een> nette jongen,

39;al.1;18

  • M2b: gedacht van <.>>?>

39;al.2;1

  • M2b: Zij ginder <+,> die door het gat van de haag gekropen is <+,> ziet hem

39:al.2;2-3

  • D: <haren>>haar> hiel

39;al.2;3

  • M2a: in een struik <.>>,> <Z>>z>e snokt <hem>>[?]> los
  • M2b: in een struik, ze snokt <[?]>>haar schoen> los

39;al.2;6-7

  • M2a: <- En> <h>>H>ij blijft voor de<+n> schoen staan met zijn handen op zijne<+n> rug.
  • M2b: Hij blijft voor den schoen staan met zijn handen op zijn<-en> rug.

39;al.2;7

  • M2a: ne schoen, hoe zorgeloos <!>>.> Ne schoen
  • M2b: <ne>>een> schoen, hoe zorgeloos. <Ne>>Een> schoen

39;al.2;8

  • M2a: <+,> <presies>>precies>

39;al.2;8

  • M2a: <hem>>zich>

39;al.2;10

  • M2a: <+,> maar

39;al.2;11

  • M2b: ikweetniet<+wat>
  • D: <ikweetnietwat>>ik weet niet wat>

39;al.2;13

  • M2b: van verwarring <- en niet weten waar ze staat>.

39;al.2;13-14

  • M2b: de<+n> schoen

39;al.2;16

  • M2b: dichter bij <- het gat staan>.

39;al.2;17

  • M2a: hare<+n> naam
  • M2b: <haren>>haar> naam

39;al.2;19

  • M2a: Hoeveel betaal<d>>t> ge dat nu?

39;al.2;19-40;al.1;1

  • M2b: <ne>>een> prijs

40;al.1;1

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

40;al.1;3-4

  • M2a: Elie vraagt haar ondertusschen af wanneer ze hare<+n> schoen zal terugkrijgen.
  • M2b: Elie vraagt haar ondertusschen af wanneer ze <haren>>haar> schoen zal terugkrijgen.
  • D: Elie vraagt <haar>>zich> ondertusschen af wanneer ze haar schoen zal terugkrijgen.

40;al.1;4

  • M2a: Ik heb ook een schoenfabriek <+,> zegt hij,
  • M2b: Ik heb <- ook> een schoenfabriek, zegt hij,

40;al.1;5

  • D: honderde<+n> paren zal <fabrikeeren>>fabriceeren>

40;al.1;7

  • M1a: geene socialist <+,> vraagt hij.
  • D: geen<-e> socialist, vraagt hij.

40;al.1;9

  • M2a: <+,> biest de zonne
  • M2b: , biest de zon<-ne>

40;al.1;11-12

  • M2a: te zien staan met hare<+n> schoen in zijn hand, en met al twee groeven langs zijne<+n> mond <+,> van heel zeker op zijn lip te bijten. Neen <+ ,> zegt ze,
  • M2b: te zien staan <- met haren schoen in zijn hand, en> met <al>>reeds> twee groeven langs zijn<-en> mond, <-van> heel zeker <+van> op zijn lip te bijten. Neen, zegt ze,

40;al.1;13

  • M2a: mijne<+n> schoen afgeeft <+,> zal ik nooit geene socialist worden.
  • M2b: mijn<-en> schoen <-af>geeft, zal ik nooit <- geene> socialist worden.

40;al.2

  • M2a: [+X] En ze lacht

40;al.2;1-2

  • M2a: hare<+n> schoen
  • M2b: <haren>>haar> schoen

40;al.2;2-3

  • M2a: <+,> waar de speldebezie<ê>>ë>n in blom staan en ne zoete reuk afgeven.
  • M2b: , waar de speldebezieën in blom staan en <ne>>een> zoete<+n> reuk <-af>geven.
  • D: , waar de speldebezi<-e>ën in blom staan en een zoeten reuk <+ af>geven.

40;al.2;5

  • M2b: van zaken<-doen>

40;al.2;7

  • D: erger <om>>en> erger

40;al.2;8

  • M2a: Och <+,> kind <+,>

40;al.2;9

  • M2a: <hem>>zich>

40;al.2;9

  • M2a: Wacht <+,> hier is mijne<+n> neusdoek <+,>
  • M2b: Wacht, hier is mijn<-en> neusdoek,

40;al.2;10-11

  • M2b: waar ze haar <mag>>kan> <- op> neerzetten om te luisteren naar zijn<-en> droom,
  • D: waar ze <haar>>zich> <+ op> <kan>>mag> neerzetten om te luisteren naar zijn droom,

40;al.2;12

  • M1b: onvolda<-a>ne

40;al.2;13

  • M2b: volle<+n> stoom

40;al.2;13-14

  • M2a: een schoen<s>>c>entrale op te richt<-t>en.

40;al.2;16

  • M2a: <+,> werpt hij <hem>>zich>

40;al.2;17

  • M2b: zijn<-e> knie

40;al.2;18

  • M2a: <Onwetens>>Onweten[x]> spreekt hij <hem>>zich> weer uit <+,>
  • M2a: <Onweten[x]>>Onwetens> spreekt hij zich weer uit,

40;al.3;1

  • M2b: De zon<-ne>

40;al.3;4

  • M2a: <presies>>precies>

41;a.1;1

  • M2b: hij weet niet <- goed> wat.

41;al.1;2

  • M2b: dien<-e> glimlach

41;al.1;4

  • M2a: Tot weerziens <+,> zegt hij. Ja <+,>

41;al.1;5

  • D: <z>>Z>ondag

41;al.1;5-6

  • M2a: zijn neusdoek terug te geven, die geparfumeerd is. Soir de Paris. En ze legt hem <savends>>'s avends>
  • M2b: zijn neusdoek terug te geven <-,die geparfumeerd is. Soir de Paris>. <- En> <z>>Z>e legt hem 's avends

41;al.1;9

  • M2a: op de schouw <+,>

41;al.1;10-11

  • M2b: van begreep <.>>,> <I>>i>ets op rijm.
  • D: van begreep, iets op rijm <.>>!>

41;al.2;1

  • D: <z>>Z>ondag

41;al.2;2

  • M2a: blijft schijnen <!>>.>

41;al.2;2-3

  • M2a: de<+n> eender grijze<+n> locht
  • M2b: den eender grijzen <locht>>hemel>

41;al.2;4

  • M2b: het zal toch <-zeker> niet blijven regenen.

41;al.2;5-6

  • M2b: goed genoeg <zien kan>>ziet> dat het de eerste halfuur niet ophouden gaat.
  • D: goed genoeg ziet dat het <de>>'t> eerste halfuur niet ophouden gaat.

41;al.2;8

  • M2a: het een<+e> blad op het ander<+e> en haar schoenen zeggen tsjiep <+,> tsjiep <+,>
  • M2b: het een<-e> blad op het ander<-e> en haar schoenen zeggen <+:> tsjiep <-,> tsjiep,
  • D: het een<+e> blad op het ander<+e> en haar schoenen zeggen <-:> tsjiep <+,> tsjiep,

41;al.2;11

  • M2b: <ne>>een> man

41;al.2;12

  • M2b: zijn<-en> arm <.>>,> <Z>>z>eker iemand

41;al.2;13

  • D: <haar>>zich>

41;al.2;14

  • D: de<+n> regen

41;al.2;16-17

  • M2a: <+,> vraagt hij.

41;al.2;17

  • M2b: Ze laat <of ze>>zich> doofstom <- is>
  • D: Ze <laat>>houdt> zich doofstom

41;al.2;19

  • M2a: <presies>>precies>

41;al.2;19-20

  • M2a: Ze heeft pijn <+ in> hare<+n> kop
  • M2b: Ze heeft pijn in <haren>>haar> kop

41;al.2;20-21

  • D: thuis pakt ze <- haar> een poederken

41;al.2;21

  • M2a: Zondag <+,> en vier uur

41;al.2;22

  • M2b: <Ne>>Een> schoone zondag
  • D: Een schoone <z>>Z>ondag

41;al.2;22-23

  • M2a: Werkt dan een heel<+e> week om iedere morgend
  • M2b: Werk<-t> dan een heele week om iedere morgend
  • D: Werk dan een heele week om iedere<+n> morgen<-d>

41;al.2;24

  • D: den <z>>Z>ondag

41;al.2;24

  • M2a: nog vier <+,> nog drie <+,> nog twee dagen

41;al.2;25-26

  • D: <z>>Z>ondag

41;al.1;26

  • M2b: de<+n> regen

42;al.1;1-2

  • M1b: Maria <is>>heeft> u komen roepen zegt haar moeder en ze beziet haar klein
  • M2a: Maria heeft u komen roepen <+,> zegt haar moeder <+,> en ze beziet haar klein
  • M2b: Maria heeft u komen roepen, zegt haar moeder, en ze beziet haar klein<+e>
  • D: Maria <heeft>>is> u komen roepen, zegt haar moeder, en ze beziet haar kleine

42;al.2;1-2

  • M2a: [+X] Als ze kind zijn zegde: zijt toch stille, Elieken, en hangt zoo aan mijne<+n> rok niet.
  • M2b: [X] Als ze kind zijn<zegde>>zegt ge>: zijt toch stil<-le>, Elieken, en hang<-t> zoo aan mijn<-en> rok niet.

42;al.2;2

  • M2a: hun<+nen> ouderdom
  • M2b: hun<-nen> ouderdom

42;al.2;4

  • M2a: mijne<+n> kop
  • M2b: mijn<-en> kop

42;al.2;5-6

  • M2a: <+,> zegt Elie ongeduldig <+,> want er zit nen traan gereed achter de
  • <toeê>>toeë> oogschalen
  • M2b: , zegt Elie ongeduldig <,>>.><w>>W>ant er zit <nen>>een> traan gereed achter de toeë oogschalen

42;al.3;1

  • M2a: [+X] Hij vraagt

42;al.3;1-2

  • M2a: Achteloos <+,> zegt hij dat <presies>>precies>
  • M2b: Achteloos <-,> zegt hij dat <+,> precies

42;al.3;4-6

  • D: hij leest aan Molleken voor <.>>;> Molleken die iets verloren is op den grond, <haar>>zich> diep bukt

42;al.3;6

  • M2b: Ach <- zoo>,

42;al.3;9

  • M2b: Hij loopt <- door> <-.> <I>>i>n het wilde gras

42;al.3;11

  • M2b: die van <- ginder> over
  • D: die van <+ ginder> over

42;al.4;5

  • M2a: vro<-o>me

42;al.4;7

  • M2a: is niet goed <+,> ze ligt in haar bed.

42;al.4;8

  • M2a: <haar>>zich>

42;al.4;8-9

  • M2a: <presies>>precies> tusschen eieren <+,>

42;al.4;9-10

  • M2b: <ne>>een> stille<+n> glimlach

42;al.4;10

  • M1b: den angst die<+n> ze

42;al.4;14-15

  • M2a: <+,> liggend in die zijn armen <+,> en straks in een anderen de zijn.
  • D: , liggend in die<+n> zijn armen <-,> en straks in <een anderen de zijn>>die van een ander>.

42;al.4;15-43;al.1;1

  • M2a: de poel van haar ziel <.>>,> <W>>w>ant juist <- maar> aan Elie heeft ze nekeer haar woelige nachten verteld
  • M2b: de<+n> poel van haar ziel, want juist aan Elie heeft ze <nekeer>>eens> haar woelige nachten verteld <+,>

43;al.1;1

  • M2a: <presies>>precies>

43;al.1;3

  • M2a: bij mij <+,> Elie <+,> want zie,

43;al.1;5

  • M2b: En wat is <het>>er> allemaal

43;al.1;6-7

  • M2b: bijkanst niet uitschreeuwen kunt, begeerte naar <- de> zonde,
  • D: bijkans<-t> niet uitschreeuwen kunt, begeerte naar zonde,

43;al.1;7

  • M2b: en <+,> misschien <+,>

43;al.1;8-9

  • M2b: Ik heb het u toch zoo schoon gevraagd om me nooit alleen te laten <.>>!>
  • D: <I>>i>k heb het u toch zoo schoon gevraagd om me nooit alleen te laten <! >>.>

43;al.1;10

  • M2b: klopt <+ de> muziek

43;al.1;12

  • M2a: onmiddel<+l>ijk

43;al.1;13-14

  • M2a: Ja <+,> dat moet ze doen, nu direkt zie, als dezen dans
  • D: Ja, dat moet ze doen, nu direkt <+, > zie, als deze<-n> dans

43;al.1;15-16

  • D: En het is toch het leven <.>>!>

43;al.1;18

  • M2a: een pronte<+n> solda<-a>t
  • D: een pronten solda<+a>t

43;al.1;18

  • M2b: dicht <+,> veilig en warm

43;al.1;19-20

  • M2a: liefko<+o>zen

43;al.1;21

  • M2a: een stille<+n> glimlach

43;al.1;22

  • M2a: gebeur<d>>t>

43;al.1;23

  • M2a: Nu moet ik naar huis <+,>

43;al.1;25

  • M2a: licht lijk een pluimken <+,>

43;al.2;1

  • M2a: [+X] Ze slaat haar oogen

43;al.2;2-3

  • M1a: Ze haasten hun om weg te zijn <en verbaasd # en zien verbaasd> dat het buiten in den donkeren
  • M2a: Ze haasten <hun>>zich> om weg te zijn en zien verbaasd dat het buiten in den donkeren
  • D: Ze haasten zich om weg te zijn en zien verbaasd dat het buiten in den donker<-en>

43;al.2;4

  • M2b: de<+n> poel

43;al.2;5

  • M2b: in de voorstad <-,> en

43;al.2;6

  • M2a: Hier woon ik <+,> zegt ze. Ja <+,> vraagt hij en ze treuzelen,
  • M2a: Hier woon ik, zegt ze. Ja, vraagt hij <+.> <e>>E>n ze treuzelen,
  • D: Hier woon ik, zegt ze. Ja, vraagt hij <.>>,> <E>>e>n ze treuzelen

43;al.2;9-10

  • M2a: <sement>>cement>

43;al.2;10

  • M2b: Hier regent het niet <+,> zegt ze,

43;al.2;11

  • M2a: hare<+n> asem
  • M2b: <haren>>haar> asem
  • D: haar <asem>>adem>

44;al.1;1

  • M2b: <-al> zelf begint

44;al.1;3-4

  • M2a: Mark hun huis brand er <ne>>een> <lantaren>>lantaarn>, maar wat is nu <éen>>één> <lantarenpaal>>lantaarnpaal>
  • M2b: Mark hun huis brand<+t> <- er> een lantaarn, maar wat is nu één lantaarnpaal.
  • D: Mark <hun>>zijn> huis brandt een lantaarn, maar wat is nu één lantaarnpaal.

44;al.1;5

  • M2b: <- gekropen> zoo zat als <ne>>een> patat.

44;al.1;6

  • M2b: met zijn gezicht <- naar> omhoog om er de<+n> regen te voelen

44;al.1;7-8

  • M2a: uit den nieuwen bouw komen <.>>,> <Welke>>hetwelk> hij onmiddel-<+l>ijk

44;al.1;8-9

  • M2b: dat alle menschen <- hebben> die niet gelukkig zijn <+ hebben>

44;al.1;9-10.

  • M2b: <ne>>een> wrange<+n> spot

44;al.1;11

  • M2b: waar <-,> <met>>in> den donkeren.
  • D: waar in den donker<-en>.

44;al.1;12

  • M2b: hij lacht er mee <,>>.> <z>>Z>iet ge,

44;al.1;16

  • M2b: en ziet <- hij> naar een <sep>>zijp>

44;al.1;17-18

  • D: blijft voortbestaan <.>>!>

44;al.2;2

  • M1a: En tot morgen smeekt ze, meer dan ze het <vraagt # zegt>.
  • M2b: En tot morgen <+,> smeekt ze <-,meer dan ze het zegt>.

44;al.3

  • M2a: [+X] Heeft ze

44;al.3;1

  • M2b: of is het <ook>>nat> van de<+n> regen?
  • D: of is <het>>haar gezicht> nat van den regen?

44;al.4;1

  • M2a: Tot morgen <+,> zegt de andere <+,>

44;al.4;2

  • M2a: <hem>>zich>

44; al.5;1-2

  • M1b: in den morgend is de maandag de<+n> meest overschilligen dag
  • D: in den morgen<-d> is de <m>>M>aandag de<-n> meest onverschillige<-n> dag

44;al.5;5

  • M2b: dien<-e> winkel

44;al.5;6

  • M2a: aan de<+n> winkel <:>>.> Neen,

44;al.5;6

  • M2b: dien<-e> lantarenpaal
  • D: dien <lantarenpaal>>lantaarnpaal>

44;al.5;7

  • M2b: zulke dingen<-s> uit uw<-e> mond komen?

44;al.5;8

  • M2a: hare<+n> kant
  • M2b: <haren>>haar> kant

44;al.5;9

  • M2b: ander dingen<-s>
  • D: ander<+e> dingen

44;al.5;12-13

  • M2b: <- Ze zijn heel zeker uit de Walen, want ze klappen Fransch.> Over het meisken <die>>dat>
  • D: <+ Ze zijn heel zeker uit de Walen, want ze klappen Fransch.> Over het meisken dat

45;al.1;1

  • M2b: En vaneigens over Sander <,>>;/: [?]>
  • D: En vaneigens over Sander <;/: [?]>>;>

45;al.1;2

  • M2a: <+,> want

45;al.2;1

  • M2a: Aan den hoek zegt Maria <+,> <+:> tot vanavend. Ja <+,> zegt Elie <+ ,>
  • D: Aan den hoek zegt Maria <-,>: tot vanavend. Ja, zegt Elie,

45;al.2;2-3

  • D: tegen de ander<+e> meiskens

45;al.2;4

  • M2b: <ne>>een> vorm

45;al.3;1

  • M2a: [+X] Dag uffra <+,> zeggen ze

45;al.3;2

  • M2a: <-ge>vat

45;al.3;2

  • M2a: hare<+n> kop
  • M2b: <haren>>haar> kop

45;al.3;3

  • M2b: geen<-e> man

45;al.3;3-4

  • M2b: <Het moet>>Dat het> een schoon leven <+ moet> zijn

45;al.3;5

  • M2b: Stil<-le>

45;al.3;7-9

  • M2a: alleen maar <savends>>'s avends> eens tusschen licht en donker naar ziet, en het weer wegstopt waar nooit iemand het vinden kan.
  • M2b: alleen maar 'savends eens tusschen licht en donker naar ziet, en <- het> weer wegstopt waar <nooit iemand>>niemand> het vinden kan.
  • D: alleen maar <+ eens> 's avends <- eens> tusschen licht en donker naar ziet, en <+ die ge> weer wegstopt waar niemand het vinden kan.

45;al.4;1

  • M2a: [+X] Ze hangt ook over haar werk gebogen, geef me die schaar eens, en ze luistert naar hetgeen de andere<+n> te vertellen hebben over hunne<+n> zondag.
  • M2b: [X] Ze hangt <- ook> over haar werk gebogen <,>>:> geef me die schaar eens <,>>.>> <e>>E>n ze luistert naar <hetgeen>>wat> de anderen <- te> vertellen <- hebben> over hun<-nen> zondag.
  • D: [X] Ze hangt over haar werk gebogen: geef me die schaar eens. En ze luistert naar <wat>>hetgeen> de anderen vertellen over hun <z>>Z>ondag.

45;al.4;3

  • M2a: <hun>>zich>

45;al.4;3-4

  • M2b: <- de> madam

45;al.4;5

  • M2b: <- eens> te stuiken.

45;al.4;8

  • M2a: en ze valt er over. Dat is nu al vier jaar <+,> maar
  • M2b: en <- ze> valt er over. Dat is nu al vier jaar, maar

45;al.4-al.5;9-1

  • M2a: ge niet. Nu pikkelt ze rond <:>>.> [+X] <o>>O>eioei <+...> vandaag
  • M2b: ge niet. <- Nu pikkelt ze rond.> [X] Oeioei... vandaag

45; al.5;2

  • M1a: Ach ja <+,>
  • M2b: <- Ach> <j>>J>a,

45;al.5;4

  • M2b: dien<-e> knie
  • D: die<-n> knie

45;al.5;5

  • M2b: uw<-e> knie

45;al.5;6-7

  • M2a: dat ge moogt rondbazuinen, iedereen zal zeggen: <I>>i>s het ochheeren waar
  • <.>>!>
  • M2b: <dat>>wat> ge moogt rondbazuinen, iedereen zal zeggen: is het ochheeren waar!

45;al.5;7

  • M2a: uw <hert>>hart> is dat zeer doet
  • M2b: uw hart is dat <zeer>>pijn> doet

45;al.6;1

  • M2a: maandag <+,>
  • D: <m>>M>aandag,

45;al.6;2

  • M2b: de zon<-ne>

45;al.6;4

  • M2b: <ne>>een> mensch apaart.
  • D: een mensch <apaart>>apart>.

46;al.1;1

  • D: een <okkasieauto>>occasieauto>

46;al.1;1

  • M2b: het <portel>>portier>

46;al.1;2-3

  • M2a: <+,> zegt hij <+,> stapt toch in. Hetgeen ze doet en ze tracht ne lach op haar gezicht te krijgen <:>>;> ge zult met mij toch zeker geen dwaze kuren uithalen <.>>?> Maar de lach
  • M2b: , zegt hij, stap<-t> toch in. <- Hetgeen ze doet en> <z>>Z>e tracht <ne>>een> lach op haar gezicht te krijgen; <- ge zult met mij toch geen dwaze kuren uithalen?> Maar de lach
  • D: , zegt hij, stap toch in. Ze tracht een lach op haar gezicht te krijgen <;>>,> <M>>m>aar <de lach>>hij>

46;al.1;5

  • M2a: <+,> zegt hij. Ons schoenfabriek <!>>.>

46;al.1;6

  • D: de<+n> nieuwe<+n> weg

46;al.1;7

  • M1b: een grimmige<-n> groef langs zijne mond
  • M2a: een grimmige<+n> groef langs zijne<+n> mond
  • M2b: een grimmige<-n> groef langs zijn<-en> mond

46;al.1;8-9

  • D: Het is <erger of>>alsof> het eigendom is die<+n> men hem ontstolen heeft.

46;al.1;9

  • D: het caoutchou<+c>fabrieksken

46;al.1;10

  • M2b: <- dan> de gas en dien<-en> hangar

46;al.1;12-13

  • M2a: En ziet hem met ne zwier de sleutel in de poort steken en die <opensmijten>>open smijten> <!>>.>
  • M2b: En zie<-t> hem met <ne>>een> zwier de<+n> sleutel in de poort steken en <- die> open smijten.

46;al.1;13

  • M2b: De kaalheid kruipt <- binnen> de muren op

46;al.1;14-15

  • D: iets angstig<+s>, iets benauwelijk<+s> om <+ te> zien,

46;al.1;17

  • M2b: wat doen <.>>:> <V>>v>erder
  • D: wat <+ te> doen: verder

46;al.1;18

  • M2b: of <- er juist> dichter bij <- gaan>
  • D: of <+ juist> dichter bij

46;al.1;20

  • M2b: moteurs gestaan <.>>?>
  • D: <moteurs>>motors> gestaan?

46;al.1;21

  • M2b: een <nief><nieuw> kapmachien dat hij <- hem> gekocht heeft.

46;al.1;22

  • M2b: van verbazing en <- van> bewondering

46;al.1;22-23

  • M2b: Ze strijkt <- eens> met haar vingers over het glimmende staal, en als ge <- er> goed op let
  • D: Ze strijkt <+ eens> met haar vingers over het glimmende staal <-,> en als ge <+ er> goed op let

46;al.1;24

  • M2b: <dat>>wat> ze doet

46;al.1;25

  • M2a: de<+n> groote, de<+n> durver.

46;al.1;28

  • M2b: de<+n> weg

46;al.1;29

  • D: <de>>het> karton

46;al.1;30

  • M2a: keert hij <hem>>zich> om <.>>;> <E>>e>n daar zie <+,>
  • D: keert hij zich om <;>>:> en daar zie,

46;al.1;31

  • M2b: een soort <- van> balkon <die>>dat>

46;al.1;33

  • D: om <+ te> zien

46;al.1;35

  • M2a: <+,> alleen met er staan op te zien.
  • M2b: , alleen met er staan op te <zien>>kijken>.
  • D: , alleen met er <staan op te kijken>>op te staan kijken>.

46;al.1;35-36

  • M2b: toch <- nog> zulk een bruut

46;al.1;36

  • M2a: <presies>>precies>

46;al.1;37

  • M2b: op <- de leun van> de balustrade

46;al.1;37

  • M2a: lawij<d>>t> <+,> zegt hij,
  • D: <lawijt>>lawaai>, zegt hij,

47;al.1;1

  • M2b: dan zult ge wat zien <+.> <e>>E>n ik moet nog akkoord maken <- ook>

47;al.1;3

  • D: <camion's>>camions>

47;al.1;5-7

  • M2a: En achja <+,> hoe is een meisken <!>>.> Ze gelooft niet dat hij ne mensch is lijk een andere, ne simpele mensch lijk gij en ik.
  • M2b: En achja, hoe is een meisken. Ze gelooft niet dat hij <ne>>een> mensch is lijk een andere, <ne>>een> simpele mensch lijk gij en ik.

47;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij moet een soort van god zijn,
  • D: [X] Hij moet een soort van <g>>G>od zijn,

47;al.2;2-3

  • M1b: bijkans<-t> hare mond niet opendoen
  • M2b: <bijkans>>bijna> <hare>>haar> mond niet <opendoen>>openen>

47;al.2;5-6

  • M2a: <+,> iets van niemendal, een ambetante mug die in zijne weg komt zitten.
  • M2b: , iets van niemendal, een <- ambetante> mug die in zijn<-e> weg komt zitten.

47;al.2;9

  • M2b: <- en> hoe ze rond ziet met een gezicht of het voor haar zelven is.
  • D: hoe ze rond ziet met een gezicht of het voor haar zelve<-n> is.

47;al.2;10-11

  • D: net hetzelfde <.>>:> Wat een meisje

47;al.2;11-12

  • M2a: haar oogen <+,> hare<+n> mond
  • M2b: haar oogen, <haren>>haar> mond

47;al.3

  • M2a: [+X] En het is lijk

47;al.3;1-2

  • M2b: <- al> dikwijls hooren fluiten heeft, maar de woorden niet <- van> kent.
  • D: dikwijls hooren fluiten heeft, maar <+ waarvan hij> de woorden niet kent.

47;al.3;3

  • D: maar verder komt <hij>>het> niet.

47;al.3;5

  • M2b: die nu nog <ne>>een> millimeter te verleggen.
  • D: die<+n> nu nog een millimeter te verleggen.

47;al.4;1

  • M2b: rond haar open<-e> lippen <+,> <- en> rond

47;al.4;5-6

  • D: in zijn armen, <+ verbaasd,> of liever hulpeloos

47;al.5;1

  • M2a: Zwijgend. Met de<+n> last der liefde
  • M2b: Zwijgend <.>>,> <M>>m>et den last der liefde

47;al.5;2

  • M2a: hare<+n> kop weg en nu
  • M2b: <haren>>haar> kop weg en nu
  • D: haar <kop>>hoofd> weg <+,> en nu

47;al.5;2-3

  • M2b: moeilijk <- gaan> worden om doodgewone woorden <- uit> te spreken.

47;al.6;1

  • M2b: <- En> <n>>N>u komt

47;al.6;3

  • M2a: op volle<+n> stoom

47;al.6;3

  • D: Het een<+e> paar

48;al.1;3

  • D: schoenen maken <+,> maar

48;al.1;4-5

  • M2b: laat hij<- hem> een bureauken

48;al.1;6

  • M2a: <sijferen>>cijferen>

48;al.1;8

  • M2a: ne man of drie <+,>
  • M2b: <ne>>een> man of drie,

48;al.1;10-11

  • D: <in>>aan>draaien

48;al.1;11-12

  • M2a: gaat kruipen op een harde<+n> stoel. Zijn crayon
  • M2b: gaat <kruipen>>zitten> op een harden stoel <.>>,> <Z>>z>ijn crayon

48;al.1;12

  • M2b: op zijn lip <- begint te> bijt<-en>.

48;al.1;14-15

  • M2a: zijne<+n> stoel weg. Wacht <.>>,> <H>>h>ij zal nekeer
  • M2b: zijn<-en> stoel weg. Wacht, hij zal <nekeer>>eens>

48;al.1;16

  • M2b: <- En> <z>>Z>e bezien hem

48;al.1;16-17

  • M2a: vallen stil <.>>,> <H>>h>ij wacht tot ge een muisken kunt hooren p<ie>>[xx]>pen <:>>.> We gaan
  • M2b: vallen stil, hij wacht tot ge een muisken kunt hooren p<[xx]>>ie>pen. We gaan

48;al.1;18

  • M2a: <+,> zegt hij.

48;al.1;18

  • M2b: Hij haalt een <kontrakt>>papier> uit zijn<-en> binnenzak.

48;al.1;19

  • M2a: met de<+n> rug van zijn vingeren. En het kontakt
  • M2b: met den rug van zijn <vingeren>>hand>. <- En> <h>>H>et kontakt

48;al.1;20-21

  • M2a: zet <hem>>zich> weer in gang, en nu voorgoed.
  • M2b: zet zich weer in gang <-, en nu voorgoed>.

48;al.1;22

  • D: zijn<-e> prijs

48;al.2;2

  • M2a: Wie hem noodig heeft <+,> klopt

48;al.2;3

  • M2b: <hem>>zich>

48;al.2;4

  • D: hij die <- toch> nooit voyageert.

48;al.2;5

  • M2a: <sijferen>>cijferen>

48;al.2;6

  • M2b: <toekt>>tokt>

48;al.2;7

  • M2a: ongelukkige<+n>

48;al.2;8-9

  • M2b: snelt <weg>>heen>.

48;al.2;9

  • M2b: <ne>>een> stille mensch die <- wat> van jaren wordt
  • D: een stille mensch die van jaren wordt <+,>

48;al.3;1

  • M2a: [+X] Het is hem

48;al.3;1

  • M2b: <naar ziet>>in leest>

48;al.3;2

  • M2a: trekt zijn blikken <:>>;>

49;al.1;3

  • M2b: dien<-e> mensch <- van jaren>
  • D: die<-n> mensch

49;al.1;4

  • M2b: <van>>over> de prijzen

49;al.1;7

  • M2b: <- zijne sjef> <zijn>>een> meisken,

49;al.1;8-9

  • D: het <heeft>>is> geen dag geweest.

49;al.1;10

  • M2a: misloopt <hem>>zich>.

49;al.2;1-2

  • M2b: dat <zou hij moeten>>moet hij> hebben,

49;al.2;2

  • D: <ne>>een> frank

49;al.2;4

  • D: de<+n> koers

49;al.2;5

  • M2b: ziet hij <- het> ook

49;al.2;7-8

  • M2a: en almeteens op het onverwachte voor een spiegel staan en zeggen <+:> aiai <+,> ben ik dat?
  • M2b: en <- almeteens> op het onverwacht<e>>s> voor een spiegel staan en zeggen: aiai, ben ik dat?

49;al.3;4

  • M2a: Zijn <M>>m>ama

49;al.3;5

  • M2b: en speelt <- ongedachts>

49;al.3;6

  • M2b: om de waarde te <- kunnnen> noemen

49;al.3;7

  • M2a: <+,> aan het gewicht

49;al.3;7-8

  • M2b: Hij weegt het op zijn bijzende vingers <- af>.

49;al.3;8-9

  • M1a: nu laat ons zeggen, <hmm # heu>, zevenen tachtig en half.
  • M2a: laat ons zeggen, heu <,>>...> <zevenen> zeven en> tachtig en half.

49;al.3;10

  • D: gekost <+,> Mama?

49;al.3;10-11

  • M2b: ze nijpt <- hard> nadenkend

49;al.3;11

  • M2a: <+,> zegt ze,

49;al.3;12

  • M2b: van <te>>het> verschieten.

49;al.3;14

  • D: een bekende<+n> artiest

49;al.3;15

  • D: <plaaster>>pleister>

49;al.3;16

  • M2b: <+,> en misschien

49;al.4;1

  • M2a: <+,> zegt hij <+,>

49;al.4;2

  • M2b: <twee>>het> jaar

49;al.4;2

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

50;al.1;1

  • M2b: <nekeer>>eens>

50;al.1;1-2

  • M2a: en zeggen <+:> dag mamaken.

50;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij over intrest <+,> dividenden <+,> commissieloon,

50;al.2;3

  • M2a: Ge zijt er wel mee <,>>:> Elie

50;al.2;3-4

  • M2b: lijk de<-n> achterste<-n> wagon de<+n> lokomotief
  • D: lijk de achterste wagon de<-n> lokomotief

50;al.2;4

  • M2a: Morgen zondag <+,> komt hij.
  • D: Morgen <z>>Z>ondag, komt hij.

50;al.2;5-6

  • M2b: Of gaat hij <- effenaf> koopen en verbouwen?

50;al.2;6

  • M2a: <+,> want het wordt <z>>Z>ondag

50;al.2;10

  • M2a: <presies>>precies>

50;al.3;1-2

  • M2a: met hare<+n> soldaat, het duurt er nu zoolang mee, gaat ge niet dansen vraagt ze <+,> maar niet te dringend <+,>
  • M2b: met <haren>>haar> soldaat, het duurt er nu zoolang mee <,>>!> <g>>G>aat ge niet dansen vraagt ze, maar niet te dringend,
  • D: met haar soldaat, het duurt er nu zoolang mee! Gaat ge niet dansen <+,> vraagt ze, maar niet te dringend,

50;al.3;3

  • M2a: ja zegt <!>>,> wat zal

50;al.3;6

  • M2a: en <hem>>zich> bezig houdt

50;al.3;9

  • D: <z>>Z>ondag

50;al.3;10

  • M2a: de <nieve>>nieuwe> partij

50;al.3;11-12

  • M2b: hetzelfde <van>>lijk> Maria:

50;al.3;12

  • D: Neen <+,> zegt ze.

50;al.4;1

  • M2a: [+X] Daarom, en ze lacht <+,> uit beleefdheid maar
  • D: [X] Daarom, en ze lacht, uit beleefdheid <+,> maar


50;al.4;1

  • D: men haar eigenlijk embeteert<.>>,>
  • W: men haar eigenlijk embeteert[,]].]


50;al.4;2

  • D: <z>>Z>ondag

50;al.4;3

  • D: <z>>Z>ondag

50;al.4;5

  • M2a: hare<+n> stoel
  • M2b: <haren>>haar> stoel

50;al.4;5-6

  • D: <mousselinnen>>mousselienen>

50;al.4;6

  • M2a: [- X] Ze wordt stille, Elie.
  • M2b: [-X] Ze wordt stil<-le>, Elie.

50;al.4;7

  • M2b: En er heeft <- al> nooit

50;al.4;8

  • D: haar zelve<-n>

50;al.4;8

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

50;al.4;9

  • M2a: <+,> knikt eens tegen haar moeder <+,> en dan

50;al.4;10

  • M2b: Ze gaat <- eens> aan de deur

50;al.4;11

  • M2b: komt ook <- van> de avendkoelte proeven:

50;al.4;12

  • D: <+,> zeggen ze.

50;al.4;13

  • M2b: <den>>het> nest

51;al.1;1-3

  • M2a: getrouwd <,>>.> <behalven>>Behalve> nog een meisken zonder uitdrukking. Een waarvan ge niets vertellen kunt. Een van die menschen die ongemoeid
  • M2b: getrouwd. Behalve nog een meisken zonder uitdrukking <.>>,> <E>>e>en waarvan ge niets vertellen kunt <.>>,> <E>>e>en van die menschen <die>>welke> ongemoeid

51;al.1;4-5

  • D: iets merkwaardig<+s>

51;al.1;5-6

  • M2a: vraagt Elie, en gaat nekeer boven zien <+,> zeggen ze.
  • M2b: vraagt Elie <,>>.> <- En> <g>>G>aat nekeer boven zien, zeggen ze.

51;al.1;6

  • M2b: <ne>>een> versleten zetel

51;al.1;7-8

  • M2a: de nieuwe batimenten. Hoopen steen <+,> zavel en witkalk. Stellingen met kuipen mortel op
  • M2b: de nieuwe batimenten <.>>,> <H>>h>oopen steen, zavel en witkalk <.>>,> <S>>s>tellingen met kuipen mortel op
  • D: de nieuwe batimenten, hoopen steen, zavel en witkalk, stellingen met kuipen <+,> mortel <+ er> op
  • W: de nieuwe batimenten, hoopen steen, zavel en witkalk, stellingen met kuipen [-, ] mortel er op

51;al.1;10

  • M2a: kunnen inwonen <!>>,> <E>>e>n Bernardeken

51;al.1;11

  • M2b: neven <hem>>zich>

51;al.1;12

  • M2a: <+,> zegt hij tegen Elie,

51;al.1;13-14

  • M2b: Hij glimlacht <- eens> en geeft geen <eksplikasies>>explikaties>.

51;al.1;16

  • M2b: met <- tingelen en ander> onkruid

51;al.1;19

  • M2b: <ne>>een> muur getrokken met witte lijntjes <,>>;>

51;al.1;23

  • M2b: een schoenfabrieksken <staat>>is>.

51;al.2;1-2

  • M2a: rond zijne<+n> mond en zijn oogen
  • M2b: rond zijn<-en> mond <en>>,> zijn oogen

51;al.3;1

  • M2b: En <o>>O>p <ne>>een> morgen
  • D: <- En> Op een morgen

51;al.3;2

  • M2a: Dat <is>>os[?]> de <manier>>[?]>
  • M2b: Dat <os[?]>>is> de <[?]>>manier>

51;al.3;3

  • M2b: komen <,>>.> <i>>I>edere mensch

51;al.3;5-6

  • M2a: zijn. Een laatste m<a>>[x]>ning van de belastingen, iets van den deurwaarder, of van het leger <+,>
  • M2b: zijn <.>>,> <E>>e>en laatste m<[x]>>a>ning van de belastingen, iets van den deurwaarder <-,> of van het leger,

51;al.3;6-7

  • M2a: dood <+,> zwaarziek of

51;al.3;7-8

  • M1a: Ze pakken den omslag op, om het algauw te weten wat er te wachten staat ,/. [?]
  • M2b: Ze pakken den omslag op <- om te weten wat er te wachten staat><,/. [?]>>.>

51;al.3;9

  • D: de<-n> brief

52;al.1;1

  • M2a: [+X] Ja <+,>

52;al.1;1-2

  • D: getogen zijn <-,> komt er

52;al.1;6

  • D: een envelop<+pe>

52;al.1;6-7

  • M2b: Niemand zegt iets, <als>>buiten> de weef een tijd later in de algemeene stilte: <'t>>het> is wreed.

52;al.1;7

  • M2a: zijn<-e> pa

52;al.1;10

  • M2b: <- en> hij spuwt

52;al.1;11-12

  • M2a: <+,> wat ze ge nu meer dan ne vloek?
  • M2b: , wat ze ge nu meer dan <ne>>een> vloek?

52;al.1;13

  • M2a: waar die wonen welke we niet kennen <+,>
  • D: <+,> waar die wonen welke we niet kennen,

52;al.2

  • M2a: [+X] Als er iemand

52;al.2;1

  • M2a: zijne<+n> weg
  • M2b: zijn<-en> weg

52;al.2;2

  • M2b: e<ks>>x>plikeeren

52;al.2;4

  • M2b: <haren>>haar> trap

52;al.2;5-6

  • M2b: een einde <nemen gaat>>neemt>.

52;al.2;6

  • M2b: <justekens>>juistekens>

52;al.2;8

  • M2a: kan juist <savends>>'s avends> een keer asem scheppen.
  • M2b: kan <- juist> 's avends <een keer>>even wat> asem scheppen.
  • D: kan 's avends even wat <asem>>adem> scheppen.

52;al.2;9-10

  • M2b: aan haar gezicht getreken <,>>?> <z>>Z>oo een geverfde poep.
  • D: aan haar gezicht gestreken? Zoo een geverfde <poep>>pop>.

52;al.2;11

  • M2a: op hare<+n> mond
  • M2b: <op>>om> <haren>>haar> mond
  • D: om haar mond <+,>

52;al.2;12

  • M2a: <presies>>precies> vermagerd in uw gezicht <!>>.> Niet alleen vermagerd <+,>

52;al.2;13

  • M2b: <hetgeen ze>>wat Elie> niet vernoem<d>>t>. <- Ja zegt Maria, nu moet ge hier allemaal weg, en ze lacht. Gij toch ook?>

52;al.2;14

  • M2a: ze <n>>[x]>ijgt hare<+n> kop
  • M2b: ze <[x]>>n>ijgt<haren>>haar> kop

52;al.2;16-17

  • M2a: den trap op. En wilt ge nu iets weten <+,> moeder,
  • M2b: de<-n> trap op <.>>:> <E>>e>n wilt nu ge iets weten <-,> moeder,

52;al.2;19

  • M2a: den plafond. Ja <+,> zegt ze. Het is waar Elie,
  • M2b: <den>>het> plafond. Ja, zegt ze <.>>,> <H>>h>et is waar Elie,

52;al.2;21-22

  • M2a: <presies>>precies> of ze er iets van weet, en ach ja, het misschien zelf ondervonden heeft.
  • M2b: precies of <ze>>de weef> er iets van weet, en ach ja, <- het> misschien zelf ondervonden heeft.

53;al.1;1

  • M2b: <op>>aan> het huis

53;al.1;3

  • M2b: staan <-,> voorlopig.

53;al.1;4

  • D: <naar>>in> een ander<+e> stad

53;al.1;4-5

  • M1b: Waarom Ja dat weet niemand want het <+ zijn>
  • M2a: Waarom <+?> Ja <+,> dat weet niemand <+,> want het zijn

53;al.1;5-6

  • M2a: hunne waarom aan niemand <+,>
  • M2b: hun<-ne> waarom aan niemand,

53;al.1;7-8

  • M2a: zijne pa schiet er hem naartoe. Vandaar naar den huismeester <+,>
  • M2b: zijn<-e> pa schiet er <hem>>zich> naartoe. Vandaar naar den huismeester,

53;al.1;9

  • M2a: Ja <+,>

53;al.1;11

  • M2a: zijn<-e> pa

53;al.1;12-13

  • M2b: Ja, wat kan hij anders <- doen> dan milledju zeggen <en>>,> spuwen in den wal van het kasteelken <+,> <+ en betalen>.

53;al.2;2

  • M2a: en verkoop, cijfers <+,> cijfers
  • M2b: en verkoop <,>>.> <c>>C>ijfers, cijfers

53;al.2;3

  • M2b: strijkt hij <- eens> zijn gedachten bijeen.

53;al.2;4-5

  • M2b: <- dat> met groote oogen van tusschen de papieren naar hem <opblikt>>opblikken>.

53;al.2;8

  • D: <vingeren>>vingers>

53;al.2;9

  • M2a: verdiend is ook meer per uur <dat>>dan> wat
  • M2b: verdien<d>>t> is ook meer per uur dan wat

53;al.2;12-13

  • M2a: <s>>c>ijfers, <fantastiese>>fantastische> getallen op te roepen, de stad op hare<+n> kop te zetten en de landkaarten te veranderen.
  • M2b: cijfers, fantastische getallen op te roepen, de stad op <haren>>haar> kop te zetten en <- de> landkaarten te veranderen.

53;al.2;14

  • M2b: zijn<-e> pa

53;al.2;16

  • M2b: <- ook> een hoop geld in de ondernemingen van zijn<-en> zoon.

53;al.2;17-18

  • M2a: daar doet Mark hem profijt aan <:>>,> op een noen legt zijn papa <hem>>zich> neer in de<+n> <causing-corner>>cosy(corner>, een half uurken
  • M2b: daar doet Mark <- hem> profijt aan, <+ want> op een noen legt <- zijn> papa zich neer in den <cosy(corner>>cosy-corner>, <+ en> een half uurken

53;al.2;20

  • M2a: Ze roept <+,> maar

53;al.2;21

  • M2b: waar ze <van>>over> geen dividenden

54;al.1;1

  • M2a: ge zoudt zeggen <+:>

54;al.2;1

  • M2a: uwe<+n> mond
  • M2b: uw<-en> mond

54;al.3;1

  • M2a: [+X] En zeg het maar lijk het is <,>>:> ook een beetje een halven dwaas
  • D: [X] En zeg het maar lijk het is: ook een beetje een halve<-n> dwaas

54;al.3;2

  • M2a: de<+n> eene<+n> kant

54;al.3;3

  • M2b: een modern<+en> <-ge>bouw, langs achter
  • D: een modernen bouw <,>>.> <l>>L>angs achter

54;al.3;4-5

  • M2a: met <beesten-vellen>>beestenvellen> <,>>;> langs voor rijden er kamions
  • D: met beestenvellen; langs voor rijden er <k>>c>amions

54;al.3;6

  • M2a: <ceinturon's>>ceinturons>

54;al.3;8

  • M2a: tusschen licht en donker<-en>

54;al.3;9

  • D: is <dat>>het> dan?

54;al.4;2

  • M2a: <+,> peinst hij.

54;al.4;5

  • M1b: maar er hangen spinneko<b>>p>netten voor in de plaats.
  • M2b: maar er hangen spinnekopnetten <- voor> in de plaats.

54;al.4;5

  • M2b: <- En> <e>>E>r staat geen <een>>enkel> ruit
  • D: Er staat geen enkel<+e> ruit

54;al.4;9-10

  • M2b: laten <- naar> beneden rijzen

54;al.4;10-11

  • M2a: dat ze afbreken, is <presies>>precies>
  • M2b: dat <ze afbreken>>men afbreekt> <-,> is precies

54;al.4;12

  • M2a: verbouwd word<+t>,

54;al.4;15

  • D: het hoog<+e> woord

54;al.4;16

  • M2b: zijn<-e> zak

54;al.5;1

  • M2a: [+X] Bernardeken kijkt

54;al.5;2-3

  • D: niet meer wijs uit wordt <.>>:> Deze die

54;al.5;4

  • M2b: hun<-ne> Sander

55;al.1;1

  • M2b: hun<-ne> Jean

55;al.1;3

  • M2a: een soldaat <+,> ne zekeren Ingels,
  • M2b: een soldaat, <ne>>een> zekeren Ingels,

55;al.1;4

  • D: <+,> juist rechtover de weef.

55;al.1;5

  • M2b: dien<-e> gang

55;al.1;5-6

  • M2b: met <- haren> Ingels. En telkens Bernard
  • D: met <+ haar> Ingels. En telkens <+ als> Bernard

55;al.1;6-7

  • M2b: <ne>>een> vinger

55;al.1;7

  • M2b: <hebde>>hebt ge>

55;al.1;8

  • M2b: <ne>>een> man en een vrouw woonde<-n>
  • D: een man en een vrouw woonde<+n>

55;al.1;10

  • M2b: <ne>>een> rijke mensch

55;al.1;11

  • M2b: geen slaven meer zijn, <- zegt mijne pa,>

55;al.1;12

  • M1b: is er iemand komen woonen die<+n> niemand kende,
  • M2a: is er iemand komen wo<-o>nen die<-n> niemand kende,
  • D: <is er iemand>>zijn er menschen> komen wonen die niemand kende,

55;al.2;1

  • M2b: Die<-ne> meneer

55;al.2;2

  • M2b: zijn <ballonhoofd>>zwaar hoofd>

55;al.2;4

  • M2a: op de vitrien <+...> gebied staan,

55;al.2;4

  • D: de ander<+e> letters

55;al.2;5

  • D: <Zoodus dat Elie daar ergens moet boven wonen.>>Dus moet Elie daar ergens boven wonen.>

55;al.2;9

  • D: dat <ge>>ze> uren ver <zoudt>>zouden> loopen

55;al.2;10-11

  • M2b: <ne>>een> mensch is zonder gevoelen<-s> loopt de<-n> trap op,
  • D: een mensch is zonder gevoel<-en> <+,> loopt de trap op,

55;al.2;12

  • M2b: de<+n> plankenvloer

55;al.2;13

  • M2a: mu<-u>ren

55;al.2;14

  • M2b: in <- de> roode menie

55;al.2;16

  • M2b: geen<-e> weg

55;al.2;17

  • M2b: als <+ hij> <ne>>een> rijke mensch ziet?
  • D: als hij een rijke<+n> mensch ziet?

55;al.2;18-19

  • M2b: <hare>>haar> voorschoot. Ze fribbelt aan <hare>>haar> rok, en <hare>>haar> kop
  • D: haar voorschoot. Ze fribbelt aan haar rok <,>>.> <e>>E>n haar kop

55;al.2;21

  • M2b: langs hem heen <- weg en> de<-n> trap af,

55;al.2;24

  • M1a: met/niet [?] veel
  • M2a: <met/niet [?]>>met> veel
  • M2b: <met>>niet> veel

55;al.2;24-25

  • M2a: Welke zullen het zijn madam? Oeioei <+,>
  • D: Welke zullen het zijn <+,> madam? Oeioei <-,>

56;al.1;1

  • M2a: [+X] Ze heeft

56;al.1;2

  • D: <Petit Beurre>>Petit Beurre>

56;al.1;4

  • M2a: Een kwart kilo <+,> ja,

56;al.1;5

  • M2b: <haren>>haar> portemonnaie

56;al.1;5-6

  • M2a: Schrijf het alstublieft op <+,> ze woont daar en daar en hoeveel is het uffra?
  • D: Schrijf<+t> het alstublieft op, ze woont daar en daar en hoeveel is het <+,> uffra?

56;al.1;8

  • M2b: <kot>>hol>

56;al.1;9

  • M2a: <koekskens>>koekjes>

56;al.1;10

  • M2b: Hij is maar <- eens> eventjes

56;al.1;11

  • M2a: ja <+,>

56;al.1;15-16

  • M2a: Hij lacht en knikt <,>>.> <h>>H>ij <v>>w>rijft genoeg<+e>lijk
  • M2b: Hij lacht en knikt. Hij wrijft genoe<-e>lijk

56;al.1;17-18

  • M2b: Die <hem>>zich> niet <kan wachten>>wachten kan> <- van> naar zijn horloge te zien, <+ en> rond te zoeken

56;al.1;20

  • M2a: <+,> zegt hij.

56;al.1;22-23.

  • M2b: Geluk dat <- om zoo te zeggen> tastbaar in de kamer hangt

56;al.1;23

  • M2b: <Ne>>Een> mist

56;al.1;25

  • M2b: heel ver<-re>,

56;al.1;26

  • M2b: ontroert haar <- het geluid, de trilling van zijn woorden laat de zenuwen van haar polsen en haar vingertoppen zinderen>.

56;al.2;1-2

  • M2a: <presies>>precies> naar het veld <+,> maar

56;al.2;4

  • D: <honderdvijftig>>honderd vijftig>

56;al.2;6-7

  • M1a: ergens een slordige vier vijf millioen moest ik nu hebben aan <vloeiend # vast> kapitaal, er vloeit te veel weg naar gebouwen en machienen, daghuren en al die dingens die het onderwege doen afbrokkelen.
  • M2b: ergens een slordige vier vijf millioen moest ik nu hebben <- aan vast kapitaal, er vloeit te veel naar gebouwen en machienen, daghuren en al die dingens die het onderwege doen afbrokkelen>.
  • D: <+,> ergens een slordige vier vijf millioen moest ik nu hebben.

56;al.3;1

  • D: grond <+,> zie,

57;al.1;2-3

  • D: Ze zijn alleen. <- Dus.>

57;al.1;3-4

  • M2a: over iets andes <- gaan> klappen.

57;al.1;5

  • M2b: vol van dat, <'tgeen>>wat> ze liefde noemen.
  • D: vol van dat <-,> wat ze liefde noemen.

57;al.1;6-7

  • M2a: en <- ze> knijpt in de<+n> rand van het tafelblad achter hare<+n> rug.
  • M2b: en knijpt in den rand van het tafelblad achter <haren>>haar> rug.

57;al.1;7

  • M2a: Ja <+,>

57;al.1;9

  • M2a: Ach <+,>

57;al.1;10

  • M2b: <ne>>een> stommerik

57;al.1;11

  • M2b: zijn<-e> rug

57;al.1;12

  • M1b: langs ne <- verlaten> weg
  • M2b: langs <ne>>een> weg

57;al.1;14

  • D: de ander<+e> plaats

57;al.1;15

  • M2a: lawij<d>>t>

57;al.1;16

  • M2a: <+ En> <E>>e>en moedersoog
  • M2b: <- En> <e>>E>en moedersoog

57;al.1;20

  • M2b: <opnieuw>>terug> open

57;al.1;21

  • M2b: nu weet ik er alles <af>>van>.

57;al.1;22

  • M2b: zoekt gauw <- naar> iemand anders

57;al.1;23-24

  • M1b: een bezwaar<t>>d> geweten

57;al.1;24-25

  • M2b: en dat maakt de kwestie nog veel moei<-e>lijker.
  • D: <+,> en dat maakt de kwestie nog veel moeilijker.

57;al.2;1

  • M2a: [X] Aan iemand
  • M2b: [-X] Aan iemand
  • D: [+X] Aan iemand

57;al.2;2

  • M2a: Maria zet <haar>>zich> neer op ne stoel,
  • M2b: Maria zet zich neer op <ne>>een> stoel,

57;al.2;3-4

  • M2b: van <- haren> Ingels, die nog altijd soldaat is, <- ne> vrijwilliger bij den troep.
  • D: van <+ haar> Ingels, die nog altijd soldaat is, vrijwilliger bij den troep.

57;al.2;5

  • M2b: uw<-en> boterham

57;al.3;1-2

  • M2a: moei<-e>lijk

57;al.3;2-3

  • M2b: <dat>>wat> er nog staat is Bernardeken het hunne.
  • D: <wat>>dat> er nog staat is Bernardeken het <hunne>>zijne>.

57;al.3;3

  • D: En aan <hunne>>den> zijgevel

57;al.3;5-6

  • M2b: een bleeker plek <.>>,> <E>>e>n daar te midden heeft de schouw gestaan <,>>.> <h>>H>oe goed

58;al.1;1

  • M2a: [+X] Het is lijk ne mensch
  • M2b: [X] Het is lijk<ne>>een> mensch

58;al.1;2

  • D: <zedenloos>>onzedig>

58;al.1;3-4

  • M2a: waar menschen gewoond <+,> geleefd en geboren werden,
  • M2b: waar menschen gewoond, <geleefd>>geboren> en <geboren>>getogen> werden,
  • D: waar menschen gewoond <+ hebben>, <+ waar ze> geboren en getogen werden,

58;al.1;7-8

  • M1a: hebben ze al affichen geplakt van de <s#c>inema en van een openbare veiling.
  • M2b: hebben ze <al>>reeds> affichen geplakt van de cinema en <- van> een openbare veiling.

58;al.1;9

  • M2b: dat <Paula>>Jean> met <Jozef>>Molleken> vrijt.

58;al.1;10

  • M2a: het hunne<+n>
  • M2b: het hunne<-n>

58;al.1;11

  • D: witkalk. [-X] En juist daar

58;al.1;11

  • M2b: bijeen <- staan>

58;al.1;12-13

  • M2b: <ne>>een> nest kinderen

58;al.1;13

  • M2b: <haren>>haar> man

58;al.1;14

  • M2b: en <- u wel> zeggen

58;al.2;1-2

  • M2b: <ne>>een> speciale ingang
  • D: een speciale<+n> ingang

58;al.2;3

  • M2b: hun<-nen> hoek

58;al.2;4

  • M2b: de mislukte schoolmeester <.>>!>

58;al.2;4-5

  • D: met den oorlog <+,> Jean?

58;al.2;5

  • M2b: hun<-nen> spot

58;al.2;7-8

  • M1b: snappen zullen <,>>.> <e>>E>n hij peinst dat het allen schoolkinderen zijn,
  • M2b: snappen zullen. <- En> <h>>H>ij peinst dat het <- allen> schoolkinderen zijn,

58;al.2;9

  • M2a: <+,> zegt hij,

58;al.2;10-11

  • D: den eene<-n> wit en den andere<-n> zwart

58;al.2;15

  • M2b: <hem>>zich>

58;al.2;17-18

  • M2b: dat er <gaan>>zullen> dagen komen
  • D: dat er <- zullen> dagen <+ zullen> komen

58;al.2;19

  • M2a: <s>>c>enten

58;al.2;19-20

  • M2a: Dat ze zullen honger hebben, opengereten door granaten en verstikt door <gaz>>gas>.
  • D: Dat ze zullen honger hebben, <+ dat ze> opengereten <+ zullen zijn> door granaten en verstikt door gas.

58;al.2;21

  • M2a: wat stelde gij u nu voor <!>>?>
  • M2b: wat <stelde>>stelt> gij u nu voor?

58;al.2;22

  • M1a: Stommerikken roept hij. Ja
  • M2a: Stommerik<-k>en <+,> roept hij. Ja
  • D: Stommerik<+k>en, roept hij. Ja <+,>
  • W: Stommerik[-k]en, roept hij. Ja,

59;al.1;1

  • M2b: het hij die een ander <ne>>een> stommerik vindt. Zoo is iedereen <- ne> stommerik
  • D: <het hij>>hij het> die een ander <- een> stommerik vindt. Zoo is iedereen stommerik

59;al.1;2

  • M2a: En het ergste van al <+,> zegt Jean, dat ge niet
  • D: En het ergste van al, zegt Jean, <+ is> dat ge niet

59;al.1;4

  • M2a: geen boeken <+,> geen kunst

59;al.1;5

  • M2b: de<+n> simpele<+n> werkman

59;al.1;5-6

  • M1b: Watte! dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [X] Er zit eenen op zijnen hu<+r>k tegen den muur
  • M2a: Watte <!>>,> dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [X] Er zit eenen op zijnen hurk tegen den muur <+,>
  • M2b: Watte, dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [X] Er zit een<-en> op zijn<-en> hurk tegen den muur,
  • D: Watte, dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [-X] Er zit <+ er> een op zijn hurk<+en> tegen den muur,

59;al.1;7

  • D: <- zoo> hard
  • W: [+ zoo] hard

59;al.2;1

  • D: Laat ons gerust <+,> zulle!

59;al.2;1-2

  • M2b: dat <die>>Ingels> zijn wijf <- weer> een kind moet hebben, klapt hen daar over. <Maar>>Want>
  • D: dat Ingels zijn wijf een kind moet hebben, klapt <hen>>hun> daar over. Want

59;al.2;3

  • M1a: ne <s#c>itroen
  • M2b: <ne>>een> citroen

59;al.2;4

  • M2a: veranderen <+,> man.

59;al.2;5

  • M2a: uwe<+n> kop tegen de muur
  • M2b: uw<-en> kop tegen de<+n> muur

59;al.2;6-7

  • M2b: wijsmaken <.>>...> Hij blijft staan in het veld en schopt op <ne>>een> steen.

59;al.2;8

  • M2a: gotver <+,>

59;al.3;1

  • M2a: [+X] Een tijdeken nadien

59;al.3;1

  • M2b: zijn<-en> kop

59;al.3;1

  • M2a: <nóg>>nog>

59;al.3;2

  • M2b: de<-n> trap

59;al.4;2

  • M2a: vragen <hen>>zich> af

59;al.4;4-5

  • M2b: hij altijd in handen heeft <.>>,> <W>>w>ant geloof<-t> me vrij, zegt deze<-n> die op zijn<-en> hurk zit, geloof<-t> me vrij dat het een geleerden bol is.
  • D: <+ als> hij altijd in handen heeft, want geloof me vrij, zegt deze die op zijn hurk zit, geloof me vrij dat het een geleerde<-n> is.

59;al.4;6-7

  • M2a: Hij <+ heeft> zelfs nen boek geschreven en dat kan den eersten den besten niet.
  • M2b: Hij heeft zelfs <nen>>een> boek geschreven en dat kan de<-n> eerste<-n> de<-n> beste<-n> niet.

59;al.4;7

  • M2a: dat <menschen>>deze> die

59;al.4;10

  • M2a: een geheimzinnige<+n> klank

59;al.4;11

  • M2b: geen<-e> spioen

59;al.5;4

  • M2a: <+,> zegt de weef,

59;al.5;5

  • M2b: van haar ras is, aan <ne>>een> rijke<+n> mensch,
  • D: van haar <ras>>soort> is, aan een rijken mensch,

59;al.2;6-60;al.1;1

  • M2a: Hi zet <hem>>zich> neven de stoof met zijne stoel achterover
  • M2b: Hij zet zich neven de stoof met zijn<-e> stoel achterover

60;al.1;4

  • M2b: <dien>>dat> boek

60;al.1;4

  • M2b: dingen<-s>

60;al.1;5

  • M2a: En gij <+,> zegt ze <+,>

60;al.1;6

  • M2b: <ne>>een> jongen

60;al.1;7

  • M1a: heeft geweest
  • M2b: {heeft/is} geweest
  • D: <{heeft/is}>>is> geweest <+,>

60;al.1;9

  • M2b: zijn<-e> stoel

60;al.1;11-12

  • M2a: daar zit zij<+n> altijd op. Aan diene pompbak heeft ze <haar>>zich> vanmorgen gewasschen,
  • M2b: daar zit zij<-n> altijd op. Aan dien<-e> pompbak heeft <ze>>zij> zich vanmorgen gewasschen,

60;al.1;13

  • M2a: En op de schouw ligt een portretjen uit <ne>>een> kodak.
  • M2b: <- En> <o>>O>p de schouw ligt een portretje<-n> uit een kodak.

60;al.1;14-15

  • M2a: ach ja <+,> maar zijn vingeren en zijn oogen streelen het lijk <nen>>een> heiligdom.
  • D: ach ja, maar zijn <vingeren>>vingers> en zijn oogen streelen het lijk een heiligdom.

60;al.1;16

  • D: <+,> zoo hevig

60;al.1;17

  • M1b: naar iemand anders, uw hert zoo verte<-e>ren
  • M2b: naar iemand anders <-,> uw hert zoo verteren

60;al.1;18

  • M2b: <de>>een> wereld

60;al.1;19

  • M2b: <- toch> verteld wordt

60;al.1;22-24

  • D: <uw haren en uw oogen, wat een diepe,diepe logen. Uw mond gesloten en duister is een tuin vol droeven luister.>>uw haren en uw oogen, wat een diepe,diepe logen. Uw mond gesloten en duister is een tuin vol droeven luister.>

60;al.1;28

  • M2a: <+,> zegt hij.

60;al.1;30

  • M2b: waarom <vraagde>>vraagt ge> het

60;al.1;31

  • M2b: En met denzelfden moment glijdt <de>>haar> lach weer weg,
  • D: En <met>>op> <denzelfden>>hetzelfde> glijdt haar lach weer weg,

60;al.1;32-33

  • M2b: Ze peinst op den anderen. En weet <ne>>een> mensch
  • D: Ze peinst op den andere<-n>. En weet een mensch

60;al.2;2

  • M2a: <+,> en ze gaat

60;al.2;3

  • M2a: Toe kom <+,>

60;al.2;4

  • M2b: <den>>het> boek <die>>dat>

61;al.1;1

  • M2a: Daar is het <+,> <- zie> zegt ze. Neen het is dat niet
  • D: Daar is het, zegt ze. Neen <+,> het is dat niet <+,>

61;al.1;1-2

  • M2b: hij bladert verder <- waar het niet meer steekt>.

61;al.1;2

  • M2a: Ja <+,>

61;al.1;3

  • M2a: <+,> zegt ze,

61;al.1;4

  • M2b: <haren>>haar> ouden kop

61;al.1;5

  • D: dan toch allemaal <.>>!>

61;al.1;6-7

  • M2a: [-X] Ik wil het leven zien <+,> zegt hij, <- zonder de oude te bezien,> met zijn gezicht

61;al.1;9

  • M2a: <weg kan>>wegkan>

61;al.2;1

  • M2a: [+X] Soms botst hij

61;al.2;3

  • M1b: iets heel inter<-r>essant
  • D: iets heel interessant<+s>

61;al.2;4

  • M2a: Ja <+,>

61;al.2;4-5

  • M2b: En Jean kijkt ook eens <,>>.> <e>>E>r is ginder niets te zien <.>>,> <D>>d>e straat

61;al.2;10-11

  • M1b: ne verloopene, ne paria, <ne>>een> bolsjevist.
  • M2b: <ne>>een> verloopene, <ne>>een> paria, een <bolsjevist>>anarchist>.

61;al.2;11

  • M2a: Ontploft <+,> zegt Jean.
  • D: Ontplof<-t>, zegt Jean.

61;al.2;12

  • D: die<+n> daar aan de vitrien. Een<-e> die sigaarkens

61;al.2;14

  • M2b: stoef<-f>en

61;al.2;15

  • M2b: maand <.>>,> <N>>n>u heb ik nog

61;al.2;16

  • D: Er zijn <+ er> daar

61;al.2;17

  • M2b: tusschen hun boterham<-men>

61;al.2;18

  • D: met gaten <+ er> in,

61;al.2;19

  • M2b: versleten <.>>,> <M>>m>aar

61;al.2;20

  • M2b: <ne>>een> schoone kol
  • D: een schoone <kol>>col>

61;al.3;1

  • M2a: Die van den luien hoek achter <+ hem> <+,> roepen

61;al.3;1

  • D: <betaalde>>betaalt ge>

61;al.3;2

  • M2a: <prentensie>>pretentie>

61;al.3;5

  • M2b: <nen>>een> boog

61;al.3;6

  • M2b: draait <- er> een luxe-voituur

62;al.1;1

  • D: En er roept <+ er> een<-e>:

62;al.1;2

  • D: loopen <.>>!>

62;al.1;2-3

  • M2a: Hij keert <hem>>zich> om en beziet hen met zijne<+n> mond open.
  • M2b: Hij keert zich om en beziet hen met zijn<-en> mond open.

62;al.1;4

  • D: <- den> droomer die hij is.

62;al.2;1

  • M2b: zjn<-en> auto

62;al.2;3

  • D: een ander<+e> mogelijkheid

62;al.2;5

  • M2a: ze neme<l>>n>

62;al.2;9

  • M2b: en het zijn niet de <vingeren>>vingers>
  • D: <+,> en het zijn niet de vingers

62;al.2;12

  • M2a: <ne>>een> man

62;al.2;16

  • M2a: zijne<+n> kop. Bonjour <+,> zegt Mark,
  • M2b: zijn<-en> kop. Bonjour, zegt Mark,

62;al.2;20

  • M2a: en waar <er>>de> straten moeten komen.
  • D: <+,> en waar de straten moeten komen.

62;al.2;23

  • D: een roode<+n>

62;al.2;23

  • M2a: <hem>>zich>

62;al.2;24

  • M2b: Zoo <.>>!>

62;al.2;27-29

  • M2b: motregen <.>>,> <Ze>>men> <knabbelen>>knabbelt> aan de randen, de gravers en de bouwers <,>>;> de kinderen spelen er, <- en> de groote menschen
  • D: motregen, <men>>ze> <knabbelt>>knabbelen> aan de randen, de gravers en de bouwers; de kinderen spelen er, de groote menschen

62;al.2;32

  • D: Durwez' <+!> die
  • W: Durwez' [-!] die

62;al.2;33

  • M2b: maar weinigen <- hen eens> gezien hebben.

63;al.1;1

  • D: Op een morgen<-d>

63;al.1;2

  • M2b: het eenig<-ste> leven

63;al.1;3

  • M2a: [+X] Hij loopt verder
  • D: [-X] Hij loopt verder

63;al.1;5

  • D: pardon <+,>

63;al.2;2

  • M2b: <ne>>een> riem over zijn schouder
  • D: <een>>den> riem over zijn schouder <+,>

63;al.2;4

  • M2b: met <ne>>een> vermoeiden stap

63;al.2;6

  • M2a: maar <-:> <B>>b>ah, zegt hij

63;al.2;7

  • D: Hij <heeft>>is> <al>>heel> zijn leven rijk geweest,

63;al.2;8

  • M2a: <- en> zijn grootouders.
  • M2b: <+ en> zijn grootouders.

63;al.2;10

  • M2a: Dien overvloed maakte hem <- wee> moedeloos
  • D: Die<-n> overvloed maakte hem moedeloos

63;al.2;11-12

  • M2a: scheidde uit van te bege<+e>ren
  • M2b: scheidde uit <van te>>met> begeeren

63;al.2;12-13.

  • M2a: Hij werd<-t> eenzaam en in zijn zelven gekeerd, want de dingens rondom hem waren de moeite niet om te bezien.
  • M2b: Hij werd eenzaam en in zijn zelven gekeerd <-,want de dingens rondom hem waren de moeite niet om te bezien>.

63;al.2;16-17

  • M2b: Er liet <- hem> zelfs een nonkel een steenkolenmijn <+ na> in de Walen.

63;al.2;18

  • M1b: denzelfde<+n> zetel

63;al.2;18

  • M2b: te <zien>>kijken>

63;al.2;19

  • D: <zien groeien kon>>kon zien groeien>.

63;al.2;19-20

  • M2a: <Oftewel>>Owel> liep hij met nen vermoeiden stap
  • M2b: Ofwel liep hij met <nen>>een> vermoeiden stap

63;al.2;22

  • M2b: <Maar>>En> in der haast

63;al.2;23-24

  • M2a: dat <alleén>>alleen> opgroeide, tot een mager <+,> leeli<+j>k meisken met een veel te dunne<+n> hals
  • M2b: dat alleen opgroeide <-,> tot een mager, leelijk meisken met een veel te dunnen hals

63;al.2;27

  • M2a: eksplikeert <hem>>zich>:
  • M2b: <eksplikeert>>explikeert> zich:

63;al.2;28

  • M2b: dingen<-s>

64;al.1;1

  • M2a: ekskuseert <hem>>zich>.
  • M2b: <ekskuseert>>excuseert> <zich>>hem>.

64;al.1;2

  • D: <het>>de> lederfabriek

64;al.1;3-4

  • M2a: aan ne knop van zijne pardessus: <H>>h>ij heeft zijne papa heel goed gekend,
  • M2b: aan <ne>>een> knop van zijn<-e> pardessus: hij heeft zijn<-e> papa heel goed gekend,

64;al.1;5

  • M2b: en de dood <.>>,> <W>>w>ant
  • D: en de<+n> dood, want

64;al.1;7

  • M2a: ons Hilda<+t> heeft geern wat bezoek. Het meisje
  • M2b: ons Hilda<-t> heeft geern wat bezoek <.>>,> <H>>h>et meisje
  • D: ons Hilda heeft geern<+e> wat bezoek, het meisje

64;al.1;8

  • M2a: <presies>>precies>

64;al.1;9

  • D: buiten<+s>huis

64;al.1;10

  • D: Hild<a>>e>
  • W: Hild[e]]a]

64;al.1;10

  • M2a: <+,> ontworpen door

64;al.1;13

  • M2a: Hare<+n> mond
  • M2b: <Haren>>Haar> mond

64;al.1;15-16

  • M1b: de<+n> simpelsten werkman
  • D: de<-n> simpelste<-n> werkman

64;al.1;19-20

  • M1b: pakken ze <+ hun> alaamzakken op: En is er nog iets uffra Hilda?
  • D: pakken ze hun alaamzakken op: En is er nog iets <+,> uffra Hilda?

64;al.1;22-23

  • D: op <een>>den> dag dat de regen in stroomen <neerbruischt>>neer-bruist>.

64;al.1;24

  • M2a: <ne>>een> knecht

64;al.1;26

  • D: dingen<-s>

64;al.2;1

  • M2a: <gedrieên>>gedrieën>

64;al.2;3-4

  • M2b: Hij staart naar zijn<-e> roemer en strijkt gedachtenloos met zijn<-e> vinger

64;al.2-al.3;5-1

  • M2a: van den os op den ezel <,>>.> [+X] <m>>M>aar eigenlijk

64;al.3;1

  • M2a: zoekt ze <waarmee>>waar mee> ze hem kan kwetsen
  • M2b: zoekt ze waar <- mee> ze hem kan kwetsen

64;al.3;2

  • M2b: Mark voelt <dat>>het> niet.

64;al.3;2

  • M2a: Er ligt <- een> nieuwe<+n> fransche<+n> roman
  • M2b: Er ligt <+ een> nieuwen franschen roman
  • D: Er ligt een nieuwe<-n> fransche<-n> roman

64;al.3;3-4

  • M2b: zijn<-e> mond niet open <.>>,> <E>>e>n er begint

64;al.3;4

  • M2a: ge<-e>le oogen

64;al.3;6

  • M2a: <accoord>>akkoord>

65;al.1;1

  • M2a: <- alsof hij ievers een zeldzaam insekt is,> alsof hij iets aan hem heeft dat misselijk om zien is,
  • D: alsof hij iets aan hem heeft dat misselijk om <+ te> zien is,

65;al.1;4

  • M2a: vraagt ze botweg <+,> juist lijk den eersten den besten boer.
  • D: <+,> vraagt ze botweg, juist lijk de<-n> eerste<-n> de<-n> beste<-n> boer.

65;al.1;7

  • M2b: <hem>>zich>

65;al.1;8

  • M2a: van zijn fabriek <+,>

65;al.1;9

  • M2a: toet<-t>er

65;al.1;9-10

  • M2b: <- En> <z>>Z>e trommelt met haar magere stokken van <vingeren>> vingers> op de<+n> tafelrand<-en>.

65;al.1;12

  • D: ho<+o>nend

65;al.5;14

  • M2a: Ach <+,> ach,

65;al.1;15-16

  • M2a: hij weegt hun waarde grond <+,> bouwterreinen, mijnen <+,> invloed en fransche romans.
  • D: hij weegt hun waarde <+:> grond, bouwterreinen, mijnen, invloed en <f>>F>ransche romans.
  • W: hij weegt hun waarde: grond, bouwterreinen, mijnen, invloed en [F]]f]ransche romans.

65;al.1;17

  • M2a: <+,> mijnheer

65;al.1;19-20

  • M2a: <+,> jongen.

65;al.1;22

  • M2b: met levende lijken <- gaan> spreken <.>>?>

65;al.1;24-25

  • M2a: En hij wendt <nors>>norsch> zijne<+n> kop af, hij stapt grimmig door, nu kent hij haar. Nu weet zij wie ze zijn, de Durwez'.
  • M2b: En hij wendt norsch zijn<-en> kop af, hij stapt grimmig door <,>>.> <n>>N>u kent hij haar <.>>,> <N>>n>u weet hij wie ze zijn, de Durwez'.

65;al.1,26

  • M2b: open<-en> vijand

65;al.2;2

  • M2b: <ne>>een> zetel

65;al.2;3-4

  • M2a: onder haar oogen <+,> waar het <presies>>precies> wat nat geworden was.
  • D: onder haar oogen, waar het precies wat nat geworden <was>>is>.

65;al.3;1-2

  • M2b: tracht<+te>

66;al.1;1-2

  • D: <f>>F>ransche romans
  • W: [F]]f]ransche romans

66;al.1;2

  • M2b: Een onnoozel<-en> boek

66;al.1;3

  • D: met een spiegelruit <+ er> voor.

66;al.1;5-6

  • M1b: zijne<+n> pupiter
  • M2b: zijn<-en> pupiter

66;al.1;6-7

  • D: <daarmee>>daarvoor> hoort hij het tikken der <schrijfmachienen>> schrijfmachines>
  • W: [daarvoor]]daarmee] hoort hij het tikken der schrijfmachines

66;al.1;10

  • M2b: Wat <?>>,> <I>>i>s dat niet iets de moeite waard
  • D: Wat, is dat niet <- iets> de moeite waard

66;al.1;11

  • D: Romans, jachthonden <,>>...> prullen zijn dat.

66;al.1;12

  • M2b: aan zijn hert <,>>.> <d>>D>e commande

66;al.1;14

  • M2a: de employé<-e>s

66;al.1;16

  • M2a: en buiten <+,> zuchten ze

66;al.1;17

  • M2a: Er legt eene zijn<+en> elleboog
  • M2b: Er legt eene zijn<-en> elleboog
  • D: Er legt <+ er> een<-e> zijn elleboog

66;al.1;18

  • M2a: zijn<+en> neus
  • M2b: zijn<-en> neus

66;al.1;19-20

  • M2a: Hij is weg <+,> den brombeer, godzijgeloofd. [-X] De brombeer
  • M2b: Hij is weg, de<-n> brombeer, godzijgeloofd. De brombeer

66;al.1;21

  • M2b: aan den blok en loopt de<-n> trap op.
  • D: aan <den>>het> blok en loopt de trap op.

66;al.1;22

  • M1b: ne mens<+ch>
  • M2b: <ne>>een> mensch

66;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij rijdt

66;al.2;2

  • M2a: bedaar<d>>t>

66;al.2;4

  • M2b: <Hebde>>Hebt> gij samen niet op school geweest?
  • D: <Hebt>>Zijt> gij samen niet op school geweest?

66;al.2;4

  • M2a: Ja <+,>

66;al.2;6

  • M2b: herinner ik mij niets <af>>van> <+,> zegt hij.

66;al.2;6-7

  • M2a: zijn boek <+:> de vlakte van Orion.

66;al.2;8

  • M2a: pas toch op Elie <+,> wat ge zegt,
  • D: pas toch op <+,> Elie, wat ge zegt,

66;al.2;10

  • M2b: <den>>het> boek

67;al.1;1

  • D: <aanneemt>>inneemt>

67;al.1;3

  • M2a: En apropos <+,> zegt hij,

67;al.1;4

  • M2a: <intertransport-compagnie>>intertransportcompagnie>

67;al.1;5

  • M2a: <+,> simpel meisje

67;al.1;7

  • M2a: blinken<-d>, satiné<-e> <+,> enfin.
  • M2b: blinken<+d>, satiné, enfin.

67;al.1;9

  • M2a: jaja <+,>

67;al.1;11

  • M2a: der revolutionaire partij, <hún>>hun> drukpers zal het uitgeven <+,>
  • M2b: <der>>eener> <revolutionaire>>nieuwe> partij, hun drukpers zal het uitgeven,

67;al.1;15

  • M2b: <- gaan> oprapen

67;al.1;21

  • M2a: tot op den <allee>>allée>, ze staan boven aan den trap.
  • M2b: tot op de<-n> allée, ze staan boven aan de<-n> trap.

67;al.1;22

  • M2b: aan zijn overjas <-, ne loden>.

67;al.1;23

  • M2b: maar ze kan <- het> niet.

67;al.1;24

  • D: zacht<+s> en roerend<+s>.

67;al.1;25

  • M2b: <Een>>Eén> woord maar <-,> dat het dik<-ke> gordijn

67;al.1;26

  • D: tusschen he<m>>n> en haar zal <wegscheuren>>verscheuren> <+,>
  • W: tusschen he[n]]m] en haar zal verscheuren,

67;al.1;27

  • M2a: blijven hooren <.>>,> <I>>i>ets van vroeger <-,> toen

67;al.1;28

  • M2a: Ja <+,> zooiets,
  • D: Ja, zooiets <-,>

67;al.1;29

  • M2a: zwaar <,>>.> <h>>H>et tocht in dien openen gang
  • M2b: zwaar. Het tocht in dien open<-en> gang
  • D: zwaar. Het tocht in die<-n> open gang

67;al.1;31

  • M2b: komt <- naar> buiten.

67;al.1;31

  • M2a: <schreiën>>schreien> en <schreiën>>schreien>

67;al.1;35

  • M2b: aan dien pardessus <- staan> trekken

67;al.1;36

  • M2a: bij ne knop vasthouden, vraagt ze <haar>>zich> af.
  • M2b: bij <ne>>een> knop vasthouden, vraagt ze zich af.

67;al.1;37

  • M2a: weiger me dat niet <!>>.>

68;al.1;1

  • D: <wimpers>>wenkbrauwen>

68;al.1;1

  • M2b: half spottend <,>>:>

68;al.1;2

  • M2a: maar enfin <+,> <cherie>>chérie> <+,>

68;al.1;3

  • M2b: kan het niet <.>>,> <E>>e>r komen

68;al.1;4

  • M2b: hij zal hen <- eens> in <het>>de> fabriek verwittigen.

68;al.1;7-8

  • M2b: zij herinnert <- er> hem <- aan> dat vanmorgen

68;al.1;8

  • D: werd<-t>

68;al.2;2-3

  • M2a: een mageren <+,> doorgebogen man

68;al.3;1

  • M2a: [+X] Mark stopt ineens

68;al.3;2-3

  • M2a: <+,> en geen een der drie die er aan denkt <hém>>hem> te vragen
  • M2b: , en geen <- een> der drie <die>>welke> er aan denkt <- hem> te vragen
  • D: , en geen <+ een> der drie welke er aan denkt te vragen

68;al.3;4-5

  • M2b: En Elie beziet hem verwonderd. Zou hij nu dien<-e> grond ook <- al> gekocht hebben?
  • D: En Elie beziet hem verwonderd <.>>:><Z>>z>ou hij nu dien grond ook gekocht hebben?

68;al.3;6

  • D: <- en> langs dezen kant

68;al.3;7

  • M2b: <ne>>een> café

68;al.3;8

  • D: <De>>Het> café

68;al.3;8

  • M2a: <i>>I>n de nieuwe gas
  • D: <In de nieuwe gas>>In de nieuwe gas>

68;al.3;9-10

  • M2a: in de groote oude gasfabriek en <saterdaagsavends>>'s zaterdaagsavends>
  • D: in de <- groote> oude gasfabriek en <'s zaterdaagsavends>>'s Zaterdagsavends>

68;al.3;10

  • D: <de nieuwe gas>>de nieuwe gas>

68;al.3;10-11

  • M2a: Maar ze zeggen dat er ook veel schippers binnenvallen <.>>,> <E>>e>n
  • D: <- Maar> <z>>Z>e zeggen dat er ook veel schippers binnenvallen, en

68;al.3;11-12

  • M2a: een serveuse. Enfin <+,> waar we niets méér zulen <overzeggen>>over zeggen>.
  • D: een serveuse <.>>,><E>>e>nfin, waar we niets méér <zullen over>> over zullen> zeggen.

68;al.4;2

  • M2b: waar <- er> <ne>>een> man <+,>

68;al.4;5

  • M2b: Wat <- er> eenmaal gebeurd is <- dat> gebeurd geen tweede maal.
  • D: Wat eenmaal gebeurd is gebeur<d>>t> geen tweede maal.

68;al.4;9-10

  • M2a: twee <+,> drie verdiepen

68;al.4;12

  • M2a: <poêzie>>poëzie>

69;al.1;1-2

  • D: het oorverdoovend<-e> lawaai. In ieder<+e> plaats

69;al.1;2

  • M2b: <ne>>een> meestergast

69;al.1;4

  • M2a: Iedereen denkt <+ dat> hij ne mensch
  • M2b: Iedereen denkt dat hij <ne>>een> mensch

69;al.2;1

  • M2a: <vóor>>voor> iemand uit hunnen blok.
  • M2b: voor iemand uit hun<-nen> blok.

69;al.2;3

  • M2a: ne versleten overal<+l>
  • M2b: <ne>>een> versleten overall

69;al.2;3

  • M2b: zonder klep <+,>
  • D: zonder kle<p>>m><-,>
  • W: zonder kle[m]]p]

69;al.2;4

  • M2a: Dag Elie <+,> zegt hij,

69;al.2;6-7

  • M2b: een zucht, die ze misschien voor vanavend <+,> als ze alleen in bed zal zijn <+,> wou bewaren.
  • D: een zucht, <die>>een dien> ze misschien voor vanavend, als ze alleen in bed zal zijn, wou bewaren.

69;al.2;7-8

  • M2a: Ze loopt altijd rechtdoor lijk een machien <+,> hulpeloos en terneergeslagen.
  • M2b: Ze loopt altijd rechtdoor <- lijk een machien>, hulpeloos en terneergeslagen.
  • D: Ze loopt altijd rechtdoor <-,> hulpeloos en terneergeslagen.
  • W: Ze loopt altijd rechtdoor [+, ] hulpeloos en terneergeslagen.

69;al.2;8-9

  • M2a: Haar voeten <gaat>>gaan> altijd voort, de<+n> een<+en> voor de<+n> andere<+n>.
  • M2b: Haar voeten gaan altijd voort, de<-n> eene<-n> voor den andere<-n>.

69;al.2;9-10

  • M2a: <+,> zegt Mark.

69;al.2;10

  • M2a: <+,> zegt ze.

69;al.2;11

  • D: <+,> vraagt hij.

69;al.2;12

  • M2a: hare<+n> kop
  • M2b: <haren>>haar> kop

69;al.2;13

  • M2a: Ja <+,> en zeg dat nu aan ne mensch!
  • M2b: Ja, en zeg dat nu aan <ne>>een> mensch!