appendix I

[Tekst van de open brief die Louis Paul Boon op 27 januari 1949 in Vooruit aan Gaston Burssens richtte in zijn rubriek `Boontje's bittere bedenkingen']


Brief aan een andere schrijver

Beste Burssens ik heb uw boek ontvangen en gelezen, en ben tot de ietwat verwonderlijke conclusie gekomen dat wij ongeveer hetzelfde hebben te zeggen - vooral de godv... - maar dat wij op heel andere manier een rekening van het kind maken, en toch een kind der rekening blijven: uw boek heeft me geleerd dat Boontje nog immer te romantisch, te sentimenteel, te idealistisch in verkeerde zin blijft: als tegenprestatie kan ik u alleen dat kleine boekje over mijn kleine oorlog sturen, want al het andere is de moeite niet waard. Ook zou ik u een berg van onuitgegeven papieren kunnen sturen, die ik nog steeds de weidse naam van Roman geef, maar die reeds lang het lege begrip dezer benaming hebben doen openklakken. Eerst schreef ik gelijk het een brave jongen past steeds maar voort aan een fatsoenlijke roman... fatsoenlijk waar het de vorm betrof... de vorm, tjonge, tjonge, de vorm!... en die in negen dikke delen het leven van een nogal magere heldin beschreef. Maar almeteens ik weet niet meer om welke reden stopte ik... misschien waren het wel bespiegelingen omtrent ziekte, dood, en geldgebrek, omtrent de twijfel aan alle waarde van alle werk... misschien dacht ik er niet aan sommige zaken niet in die roman te verwerken, maar ze te bewaren in het notaboek van boontje... en zo bleef de dikke roman over de magere vrouw liggen, maar groeide integendeel het notaboekje van Boontje tot het 1ste illegale boek van boontje. En dan moet het overmoed zijn geweest... of integendeel zwakte... of integendeel onberekenbare domheid die mij, in een aanslag op mijn eigen eerbaarheid, het 1ste illegale boek heeft doen koppelen aan de roman in 9 dikke delen. Een warboel, een poespas, een zee, iets dat op niets trekt... maar dat de smalle troost bewaart, geniaal te zijn in bijkomstigheden... en plus daarbij gelijk gezegd, een berg papier die uw deur niet binnenkan. En dan... want nu komt de 2de val onder het kruis... Simon de Nazarener helpt Jezus zijn kruis dragen... dan riep ik almeteens tot mezelf: wat hebt gij te maken met heel die vlaamse literatuur, dat ge u nu zorgen maakt over iets wat vroeger uw vreugde was? Laat hén boeken schrijven die... die... en ik kapte alles in stukken, de roman en het illegale boek, plus de randbemerkingen en de dagbladknipsels, plus daarbij een herwerking van den Vos Reinaerde, ik kapte dat alles in stukjes en besloot die stukjes aan een dagblad te verkopen, bedoeld als Hoekjes. Doch welk dagblad ging echter gek genoeg zijn een dergelijke koop aan te gaan? Geen enkel blad, beste vriend, geen enkel. En wat het ergste is, telkens ik nu in het kamertje kom, waar ik vroeger in de rust van mijn gemoed en de vreze des heren boeken, boeken, boeken schreef, struikel ik nu over die berg papieren, en besef ik iedere dag wat meer dat ik een handelaar ben, die zijn koopwaar niet meer van de hand kan doen. Moet ik solderen... moet ik het gratis voor niets wegschenken bij iedere aankoop van een pond koffie? Adieu, boek vol schunnigheden, boek ontstaan in kommer en twijfel en geldgebrek. Zal ik die dingen eens ordenen en u opsturen?... zoja hou u dan vast aan uw stoel want er is kans om bij dood te vallen.
Ik echter, ondertussen, heb voorgoed de pen neergelegd en ben weer aan het schilderen gegaan, hartelijk uw Boontje.