appendix II

[september-oktober 1953]

Beste Louis,
Ziehier enkele antwoorden:
V: Hoe zijt gij tot het “dichten” gekomen?
A: Ik was nog jong, en pessimist, zoals al de jongeren van mijn generatie. Hoe moest ik dit pessimisme afleiden? Langs de poëzie, natuurlijk. Ik besloot die dame te consulteren, wist niet waar ze woonde en vroeg de weg aan een facteur die ik toevallig had ontmoet. “Ge slaat de eerste straat rechts in”, zei hij, “dan de derde links, daar komt ge op een groot plein, waar 9 straten op uitgeven. Maar ge neemt éen van de 2 straten die ongeveer recht voor U liggen. Ze geven alle twee op de Muzestraat uit. De eerste straat is de gemakkelijkste: ze is van asfalt, maar als ge van zere voeten houdt, kunt ge de tweede, zeer hobbelige straat nemen. Dan is het gemakkelijk te vinden: Mevrouw Poëzie woont in n° 6; er hangt een rode lantaarn boven de deur.” Ik ben aldus langs de zeer hobbelige straat met zere voeten bij Mevr. P. aangekomen. Het is er mij meegevallen.
V: Hoe ontstaan uw gedichten?
A: Rien à declarer.
V: Hoe moet volgens u een gedicht er uit zien om goed te zijn.
A: Als een jonge slanke dame met volle borsten, schitterende ogen (een beetje van de koorts) en een mysterieuze glimlach om de dagelijks tweemaal gepoetste tanden. Een vrouw die er uitziet als een prinses maar die minder aristocratische allures aanneemt als je eenmaal in haar armen bent gevallen.
V: Wat denkt gij van de Prijs?
A: Niets.
V: Hebt ge eerst niet gedacht dat er een vergissing in het spel was?
A: Neen.
V: Weet ge reeds wat ge met de centen gaat aanvangen?
A: Ja, maar dat kan ik aan de delicate oren van de dagbladlezers niet toevertrouwen.
V: Vreest ge nu niet dat men u nu baron gaat slaan?
A: Neen, ik ben in mijn leven nooit erg vreesachtig geweest.