appendix IV

D en H,
Het feit dat ik hier vandaag op deze plaats zit, berust op een misverstand. Dit misverstand is te wijten in de eerste plaats aan L.P. Boon, en in de tweede plaats aan mijzelf. Ik zei dus in de eerste plaats aan L.P. Boon omdat hij het is, die mij verzocht heeft, mede in de naam van de Stad Aalst, wat ik wel erg betwijfel, hier het woord te voeren, goed wetende dat ik geen kritikus ben, dat ik geen literair geschiedschrijver ben, dat, hij mij voorstelde iets af te breken en te verdedigen wat niet af te breken of te verdedigen is. U zult deze Sibylijnse woorden straks beter begrijpen. In de tweede plaats berust dit misverstand bij mezelf omdat ik iets op mij heb genomen waartegen ik niet opgewassen ben. dit is geen valse bescheidenheid maar wel zoals men het in ’t Frans zegt: une vérité vraie Ik ga mij dus grotendeels beperken tot het voorlezen van het schriftelijk verzoek van Louis en mijn antwoord op dit verzoek. maar vooraf wil ik hem dit nog zeggen; kijk, Louis, een bek zingt nu eenmaal zoals hij gevogeld is. Ik kan niet anders.
Hier volgt dan dit verzoek van Louis, zonder datum natuurlijk zoals hij dat gewend is telkens als hij een brief moet schrijven. Eerlijk gezegd, ook de mijne zijn nooit gedateerd. Dit is geen aanstellerij maar een gewone vergetelheid, bij Louis door verstrooidheid, bij mij door de ouderdom.
Waarom ik nu toch op deze plaats zit, dan is het omdat, zoals U allen weet, die van Olsjt niet makkelijk loslaten. Eénmaal als zij beet hebben willen zij ook de vis aan de kant van het water zien spartelen. Ik ben dus een vis, en ik spartel - zoals u al wel duidelijk zal zijn.

Beste Gastong,
(Ik spreek deze afschuwelijke Franse naam uit zoals men dat in Olsjt op zijn Vlaams doet.)

En nu mijn antwoord:
Louis, nondedju, met dit pleziertje doet gij mij veel verdriet aan. – Ik ben pas thuis van de Biënnale der Poëzie te Knokke waar deze poëzie mij een indigestie heeft bezorgd, of daar komt gij aandraven met het verzoek om over die indigestie een kwartiertje te praten. Ik wil niet zeggen dat ik mij in Knokke heb doodverveeld, zo ver is het niet gekomen, maar mijn beste ogenblik heb ik gehad toen ik samen met Pernath in de late avond een oud koppel ontmoette dat ons naar een ons onbekende straat vroeg. In 't Frans. Ik wou al direkt antwoorden dat wij geen boertjes van Knokke waren, maar Pernath was mij voor, en die zei langs zijn neus weg: comprends pas; nous poètes, nous stupides.
Kijk, Louis, dit antwoord was een kolfje naar mijn hand, want wat kent een poëet van de straten van Knokke in 't algemeen, en van de poëzie in het biezonder, ongeveer niets. En nu vraagt gij mij de experimentele poëzie te verdedigen tegen een zo erudiet man als Buckinckx, die de klassieke poëzie (dixit Boon) voor zijn rekening mag nemen. Willen wij eenmaal en voor altijd een misverstand uit de weg ruimen? Wat klassieke poëzie is, dat weet ik zo ongeveer: dit zijn de oude Grieken en Latijnen en ook wordt aldus genoemd de 17e eeuwse Franse poëzie. Maar die poëzie hoeft niet verdedigd te worden, zij verdedigt zichzelf, en daarom denk ik dat gij in uw brief een lapsus hebt begaan en dat gij, in plaats van klassieke, traditionele poezie hebt bedoeld. Maar dat is dan weer een lapsus van mij, want alle poëzie is traditioneel, en dan wil ik aannemen dat gij alleen maar conventionele poëzie, d.i. verouderde of ouderwetse of nog banale poëzie hebt bedoeld. Het woordenboek geeft als synoniemen van conventioneel: zonder oorspronkelijk karakter, geesteloos.
(D en H, ik zal U straks proberen uiteen te zetten wat ik – wees niet bang, het zal niet veel geduld van U vergen – onder het woord traditioneel versta. Ik kan het allemaal aan Louis niet schrijven omdat ik weet dat hij een hekel heeft aan lange brieven). Maar dan stelt zich de vraag: wat komt Buckinckx hier dan verdedigen? Toch zeker niet de ‘klassieke’ poëzie van Urbain Van de Voorde of van Hubert van Herreweghen. Ik geef toe dat een dichter na verloop van tijd, maar alleen dan, klassiek kan worden genoemd (Baudelaire, Mallarmé, Rimbaud, Apollinaire b.v.) maar die term klassiek is dan alleen weggelegd voor de allergrootsten die tot de moderne poëzie van hun tijd hebben behoord. En moderne poëzie is voor mij avant-garde poëzie tot welke tijd zij ook behoort. De zo even opgesomde namen van Franse dichters, zij waren de avant-gardisten in hun tijd, de tachtigers in Nederland waren de avant-gardisten in hun tijd, de surrealisten in Frankrijk waren de avant-gardisten in hun tijd, de expressionisten, zowel Nederlandse als Duitse, waren de avant-gardisten in mijn tijd.
En wat nu met de experimentelen? Er bestaat geen enkele vlag die zulke lading kan dekken. Ik kan alleen maar zeggen dat de vijftigers, zowel in Zuid als Noordnederl, en die men zo ongelukkig, zoniet ongezond, experimentelen noemt de avant-garde vormen van deze tijd. Wilt gij nu al wat ik u geschreven heb, als een verdediging van de experimentelen opnemen, mij goed; maar verlang niet van mij dat ik dat in het publiek ga doen. Ik heb, Louis, alle respekt voor publieke vrouwen, maar niet voor publieke teorieën over poëzie. De enige gelijkenis die ik tussen een publieke vrouw en een publieke teorie over poëzie zou kunnen vinden is deze: dat zij beiden niets om het lijf hebben, of zo weinig. Als Karel Jonckheere en Erik van Ruisbeek in hun gepubliceerde correspondentie het soms over poëzie hebben, dan gebeurt dit langs een zijstraatje om, om gelijkertijd te belanden op de grote markt, waar zij in elkaars armen vallen zoals Kennedy en Kroutchov. Ik laat het aan U over, Louis, om uit te vissen (D & H, ik heb al gezegd dat ik hier als een vis te spartelen zit) om uit te vissen dus wie van beide Kennedy of Kroutchov is. Voor mij zijn zij alle twee maarschalk Tito. Maar om op die gekke benaming ‘experimenteel’ terug te komen, vraag eens aan Hugo Claus of hij een experimenteel is. Ik ben zeker dat hij zal steigeren van verontwaardiging. Om het met de Grote Vandale te zeggen: een dichter is iemand die (goede) gedichten schrijft. Dus goede poezie is poezie, dus zgn. experimentele poezie is poëzie, maar als gij van mij verlangt dat ik de experimentele poezie in haar geheel zou verdedigen, dan wens ik liever die experimentele poezie in haar geheel af te breken, want er is meer slechte dan goede. Men heeft altijd gezegd dat wij een volk van schilders zijn, en dat is meer dan ooit waar, maar daar wordt jammer genoeg aan toegevoegd dat wij ook een volk van dichters zijn. Helaas! Waar wij in de jaren ’20 met 10 op de bres van het expressionisme stonden, staan er nu 100 experimentelen, post experimentelen en post-post experimentelen (ik blijf, geloof ik, ver beneden de waarheid, maar iedereen weet dat ik een optimist ben) van ongeduld te trappelen. Begrijp mij niet verkeerd. Van die honderden (ik word stilaan pessimistisch) zijn er, in ronde cijfers uitgedrukt, 10 zo en tussen de post- en post-post experimentelen 10 maar die alle kans hebben zo te worden. Dus 20 goede avant-garde dichters, geef toe dat het een respektabel aantal is.

Louis, salut en merci (ik heb dit ergens gelezen, maar ik weet niet waar.)

Tot hier, D & H, mijn antwoord aan L.P. Boon. Ik ben U nog een paar woorden schuldig over wat ik onder traditie versta. Maar dat kan nog even wachten wat ik kan aan de verleiding niet weerstaan U 2 korte gedichten voor te lezen die ik als experimenteel zou willen bestempelen. En het zal dus meteen een aanduiding zijn in welke richting zij die willen experimenteren zouden kunnen evolueren. De ene richting zou ik de subtiele kunnen heten, en de andere de minder subtiele. August Vermeylen heeft ergens geschreven dat de moderne kunstenaars, dus ook de moderne dichters, alle traditie willen slopen. Gekker kan het natuurlijk niet. Het klinkt even gek als zouden wij de beweging van de aarde een paar eeuwen willen stilleggen om haar daarna weer op gang te brengen en te vergeten wat voor die stilstand is gebeurd. De waarheid klinkt natuurlijk helemaal anders. Als kinderen van onze tijd zijn wij, door atavisme, meer verbonden met de metaphysische uitingen die vroeger bestonden dan wij onszelf kunnen of willen bekennen. De plastische kunstenaar leeft met 50 en meer eeuwen kunst, 50 en meer eeuwen geleden werden door de Egyptenaren en de Oosterse volkeren de grondvesten gelegd van een traditie die, evenals de obsessie, waardoor wij bezeten zijn, van hun grafsteden, hun tempels met hun beelden, met hun haut- en bas-reliefs tot het einde van onze wereld onze geesten zal blijven obsederen. 20 en meer eeuwen geleden hebben de oosterse volkeren, de Grieken en daarna de Latijnen dezelfde grondvesten gelegd voor de poëzie, grondvesten van een traditie die ons, avant-garde dichters, ook steeds en altijd zal blijven obsederen. De kunstenaar, de dichter die trachten zal aan deze obsessie te ontkomen zal roemloos stikken in liefhebberij en provincialisme. Dit is dan mijn eerste en enige aanval op de conventionele kunstenaar, op de conventionele dichter, die, doordat zij conventioneel zijn, niet op een traditie steunen. Het spijt mij, Van Ruisbeek, niet meer kwaad te kunnen vertellen van mensen die levende lijken zijn, en die nog kwalijk ruiken ook.
Dames & Heren, als Louis-Paul Boon nu niet trots is als een pauw over wat ik hier heb gezegd, dan zal mij dat erg spijten, mijn kwartier is over. Ik dank U.