appendix VII

[Brief en tekst van L.P. Boon aan Y. Goubet-Burssens, Erembodegem, eind januari/begin februari 1965]

Lieve Yvette,

de dood van Gaston heeft me heel erg aangegrepen. Zelf lig ik ziek te bed, en hoorde van Marcel Wauters hoe erg het met Gaston was gesteld, maar kon helaas niet komen. Ook voor de begrafenis zult ge mij moeten verontschuldigen, daar ik nog steeds geen reis naar Antwerpen mag ondernemen - voor de krant en voor de radio schreef ik echter een stuk over gaston, dat ik hierbij voeg en waarin ik aan mijn grote genegenheid voor hem heb willen blijk geven. Ik weet dat ik daar niet helemaal in geslaagd ben: hij was voor mij de grootste onder onze dichters, mijn hart rouwt om hem.
Vergeef me, lieve Ivette, dat ik niet met het gewone goedkope rouwbeklag uitpak, Gaston was daar té groot voor.

Louis


Tekst voor Radio Gent en dagblad Vooruit

DOOD VAN GASTON

De telefoon rinkelt. Het is Karel Jonckheere. Ik hoor zijn vertrouwde stem, en zie in verbeelding het vinneige flitsen van zijn bril en de ietwat spottende lach rond zojn mond. Maar dit keer flitst de bril niet en de glimlach rond zijn mond is met rouw omfloersd.
Hij zegt : Ik heb ze doen opstaan, het spijt me, om u te zeggen dat een onzer vrienden nooit meer zal opstaan.
Gaston Burssens toch niet ! denk ik meteen. Want ik weet hoe heel erg levensziek de prins is. Ik weet hoe reeds dagenlang verontrusting heerst onder de jonge dichters, omdat zijn grijze eminentie in het ziekenhuis moest opgenomen.
Het is inderdaad Gaston, Karel zegt het in de telefoon. Ik sta er stom en sprakeloos bij. Ik stotter wat, dat geen antwoord is. Gaston Burssens zal nooit meer opstaan, hoor ik het bonzen in mijn hoofd, als woorden van doodsklokken die luiden.
Ik weet nu nog steeds niet wat ik zeggen moet. Bij het sterfbed, bij de open groeve, komt men steeds met dit uitpakken : Hij was de grootste onder ons, hij was de beste... Maar Gaston is echt de grootste, hij is echt zijne Hoogheid de prins der moderne poezie in vlaanderen.
Als hij sterft gebruikt men geen cliche’s, van op zijn doodsbed zal hij het ons kwalijk nemen. Toen zijn eigen beste vriend stierf schreef hij nog een zeer mooi gedicht voor hem, waarin al zijn grote genegenheid, zijn droefheid en zijn niet te peilen levensmoeheid zingt, en dat toch eindigt met dit schokkend ironisch wrange : maar vergeet het niet, mijn vriend, sterven is gezond.
In onze hele Nederlandse literatuur is zijn poezie het meest frisse geluid. Het is het rinkelen van bellen in de morgen, een zeepbel die openspat, een vuurwerk in de lenteavond... dingen die mooi zijn, dat ze u plots droefgeestig maken.
Het is voor deze jongeman een ondraaglijk denkbeeld geweest, dat hij in een lichaam van bij de zeventig gevangen zat. Hij is deze gevangenis ontvlucht. Op Schoonselhof rust nu de as van dit lichaam. Temidden ons blijft sprankelend zijn geest, zijn eeuwigjong grappig droefgeestig vers.

L.P. Boon.