10

[Aalst, augustus 1948]

Waarde Burssens,

Ik ontving mijn manuscripten, samen met de beloofde boeken, en de 2 exemplaren van cancan... alle even erg stinkend naar de zeep. Ik heb die verzen gelezen en herlezen en voelde mij beschaamd worden: u een dik manuscript ter lezing te hebben aangeboden, waarin stamelend wordt gezegd, wat gij reeds 10 jaar vroeger zo bondig, zo spiritueel, zo meesterlijk had gezegd. Ik begin niet te citeren (sprak david) want dan hoef ik uw bundel van begin tot einde af te schrijven. Wat uw vondsten betreft... ik verdenk er u van met mij een loopje te hebben genomen, want de paar armzalige vondsten die misschien in het illegale boek zijn te vinden, verbleken bij uw knetterend vuur.
Samen met dit briefje stuur ik u een exemplaar van mijn kleine oorlog – waarvan er ook nog geen 50 zijn verkocht... al moet de uitgever daar maar zijn plan mee trekken – en dat door de schuld van een of andere idioot is misdrukt: de cursieve tekst mocht niet steeds aan een verhaaltje zijn vastgeknoopt, maar moest, in deze verscheidenheid van lettertype, een doorlopende tekst hebben gevormd. Doch, enfin.

Hartelijk

Boon

Ik zal het boek niet noemen Ondine... of het 1ste illegale boek... maar: de kapellekensbaan... of het 1ste illegale boek.