21

[Erembodegem, 26 juli 1950 of kort daarna]

beste Gaston,

het spijt me diep dat ik u, en ook Gerrit, te midden der bekrompenheid heb moeten brengen.
Spijt, zeg ik... maar eigenlijk is het schaamte. Terwijl we daar bij van Bruane waren, heb ik voor de zoveelste keer al die meelijwekkende en onverkwikkelijke dingen moeten meemaken. Eigenlijk zouden wij, onder ons beiden, een tijdschrift moeten stichten.
Nadat ik met hen gepraat en gepraat, en hun kinderachtige argumenten weerlegd had, kwamen zij steeds opnieuw met hunne futuliteiten voor de dag... dingen, die ik op de vergadering, daar, “gevoelsargumenten” noemde, maar toch eigenlijk nog wat anders zijn: zij lekkerbekken er op in de literatuurgeschiedenis (val niet dood) de lijn van Van Nu En Straks en Ruimte voort te zetten. Voor mijn part mogen ze dat.
En pas hoorden zij ook dat de redactie-secretaris een maandelijks sommetje zou ontvangen, of ze waren er als de kippen bij om zich democratisch (zoals Leopold 3) bij de meerderheid neer te leggen, de lijn van ci en ca te laten schieten, en zélf dat sommetje in de wacht te slepen.
Nu wil ik nog wel eens die volgende vergadering bijwonen, om gerrit een plezier te doen, en om ook toe te kijken of ze het mij ja dan neen zouden gunnen. Zij zullen er, (de meerderheid beslist!) ja stemmen voor samengaan met Podium. En zij zullen er neen stemmen om boon als redactiehoofd te hebben.
Ondertussen, ik hoop nog steeds op een baantje, om het wat en om het even waar, en dan schijt ik op de literatuur.

hartelijk, en met een niet te zeggen spijt, schaamte en bitterheid,
uw Louis.