23

[Erembodegem, 23 september 1950]

Beste Gaston,

Eerst en vooral, T en M.: onder ons gezegd en gezwegen, ik ben daar maar binnengevallen, omdat ik, langs Walravens om, liefdeverhalen in de Zweep mocht publiceren. (En dan nog met opgave van een verkeerd adres, want moest Hoste het weten ....!) Ware dat niet het geval, ik zou al lang T. en M. laten stikken. Wat er nu beslist werd? Niets. Zij hebben nog eens vergaderd... zij dronken een glas en pisten een plas, en de zaak bleef gelijk ze was.
En nu, uw voorlaatste brief: had gij nog een weinig geduld gehad, ik zou u verrast hebben met het begin van onze roman. Ik was echter aan de laatste bladzijden van Jan de Lichte bezig, en concentreerde daar mijn beetje aandacht op. Nu is die van de baan.
Mijn aandeel in onze roman zie ik zo: een 38 jarige onderpaster uit een kleine fabrieksstad, Louis genaamd, schrijft brieven naar een vriend, wonende in een grote havenstad. Deze onderpaster gelooft in niets meer, alhoewel hij trouw iedere week zijn preek houdt, en het parochieblaadje vult. Het is immers zijn roeping, zijn bron van een karig bestaan. Maar in de brieven aan zijn vriend Gaston, zal hij het masker voor een ogenblik laten vallen, en de dingen tonen die niemand over hem weet.

hartelijk, en tot ge dan dan, zeer binnenkort, de eerste brief van E.H. onderpastoor Louis krijgt.

P.S. Zou deze Gaston, niet een ongeveer 50 jarige Deken of hulpbisschop kunnen zijn? Of iets anders, om het even wat.
nog een P.S.: Ik zal alles typen, in dubbel... ook uw aandeel in onze roman.
.