24

[Aalst, maart 1951]

Beste gaston,

Neen, het is niet mogelijk, al waren er honderd verdomde relaties. Die wasserij is te gent, en bij duivel en hel, zij staat op het punt te springen, te zinken, reddeloos in haar schulden onder te gaan. Ik wil daar bij zijn, ik moet daar bij zijn. Daar is nog niets waar ik aan meegewerkt heb, of het ging ten onder. Denken de anderen dat ik hun laatste redplank ben... of is het mijn persoontje dat gedoemd is om in deze wereld slechts ondergangen te aanschouwen? Ik blijf er bij tot ze overwonnen hebben, of tot ze met man en muis zijn vergaan. En relaties in Holland? die eeuwige vervloekte dichters en schrijvers? Ik ben het beu. Voor ik in die wasserij werkte, was ik zinnens om u te vragen of ge soms geen werk had in uw zeepfabriekje. Dat komt misschien nog wel, als het daar in gent afgelopen is. Voor de rest, laat de tijdschriften hoepen en toepen: ik walg er van! Ik wil tot de redactie behoren. Neen, serieus, ik wil er toe behoren, en als ik iets heb dat goed is, het opsturen... als ik iets lees dat goed is het hen overmaken - daar zijn gedichten van een zekere Bontridder, een brusselse architekt, las zijn zeer schone dingen: ik zal er hem een paar vragen en u sturen. De groeten aan de mannen van Podium, en zeg dat het voor een volgende keer moet zijn.
Ik denk aan ons boek... het is te zeggen, ik durf er niet aan denken.

uw Louis.