31

[Erembodegem, 6 februari 1953]

Beste Gaston,

Eerst en vooral: het water? de storm? de overstroming? Gerrit schrijft me om het u te vragen, maar ik heb angstvallig de bladen gelezen en niets gevonden over Sintanneke en een zekere dichter Burssens. Dus... misschien zal het wel niets zijn?
En in geval het niets is, dan de rest:
er zijn eindeloze moeilijkheden en eindeloze verwikkelingen met Tijd en Mens-Podium. Ik stond er op dat gij tot de redactie zoudt behoren, en dat hadden ze mij toegestaan. (ze: Walravens, Claus). Toen kwam er nadien een nieuw voorstel, om de redactie tot drie man te beperken: Boon, Claus en Walravens. Niewe eindeloze moeilijkheden, brieven met de vleet, ontslag op ontslag (ontslag van Wauters, Cami, D'Haese). Eindeloze palavers. Tenslotte dit: op de omslag vermelden:
redactie : Boon, Claus, Walravens
groep : allemaal de namen
Nu vraagt men mij, dat ik u vragen zou of gij er mee accoord zijt, dat ook uw naam bij die “groep” wordt vermeld, zonder dat ge tot de “redactie” behoort? (men: nogmaals Walravens en Claus).
In dit alles was ik mijn onschuldige handen, om pilatus de baard af te doen. Tenslotte kan mij die hele T. en M. - P. weinig bommen. Het ziet er anders niet slecht uit.
Nog ander nieuws (ik voel mij weer terug in de goei snertdagen, toen ik journalist was op de Rode Vaan): Herreman schrijft over u in zijn Boekuil. Nu al enkele dagen aan een stuk door. Ik was reeds begonnen met hem een antwoord te schrijven, toen ik het tweede stukje las, waarin hij (volgens hij zegt) een parodie geeft van uw verzen. En ik heb mijn vulpen weer dichtgeschroefd. Heeft het wel nut zulke mensen van antwoord te bedienen?
Ik zend u de beide stukjes, en later ook de andere als ik het niet vergeet. Wat ik niet vergeet is onze roman, die we samen aan het schrijven zijn. Er is nog geen letter op papier gebracht, maar dat is er juist het schoonste van.
Toch zoudt gij moeten beginnen. Ja, gij! Ik zit hier in mijn huizekot, en schrijf de gazetten vol (vol met niets) om daarna in mijn hof te lopen, bomen te planten, een vijver te graven. Een vijver met visjes en met de witte waterlelie zoals Van Eeden zo afschuwelijk heeft gedicht.
Waarom niet?
Alleen 's avonds...
En als gij iets stuurt, om het even wat, om het even over wat, over wie... dan moet ik wel antwoorden. Een titel, een intrige? Dat alles zullen we later wel vinden, trouwens, we hebben het niet nodig.
En nog iets, het allerlaatste: in een zeer oud krantenknipsel vind ik iets over een zekere Claude Le Petit, en ik schreef er een artikel over, met als titel: wie kan mij inlichten over Claude Le Petit? Een paar dagen daarna ontvang ik een brief van een boekinist uit Gent, waarin hij mij enkele bibliographische gegevens bezorgd. En dezelfde avond lees ik voor de zoveelste keer in uw Tabula Rasa, en ontdek ik voor de eerste keer de naam van Claude Le Petit als een “door u geplagieerd auteur”!
En de titel hebben we dus ook al!!: Het spookboek der werkelijkheden!
Schrijf mij iets, of stuur iets van of over Claude. En laten wij hem tevens als centrale figuur van onze roman gebruiken. Een held die in zijn hemd op de brandstapel is gestorven, voor het schrijven van onzedelijke gedichten... is het niet juist dát wat we moeten hebben?

veel groeten van mij, mijn vrouw, onze Jo. En wanneer komt ge eindelijk eens met uw huishouden? Breng de kleine ook mee!
uw Louis