32

Antwerpen, [14 februari 1953]

Beste Louis,

J'aime mieux rendre en vers la muse maquerelle que de passer en prose ailleurs pour maquereau.
Dit zijn verzen van Claude le Petit, de enige die ik nog van buiten ken. Ik had een bundeltje gedichten van hem maar bij mijn verhuis van 3 jaar geleden is het zoek geraakt. En totnogtoe heb ik het niet teruggevonden. Maar ik blijf zoeken. Uit het leven van die Claude weet ik alleen dit: dat hij een pastoor heeft doodgeslagen. Du Perron destijds vond dat dit voldoende was om een groot dichter te zijn! Dat is natuurlijk een schitterend onderwerp voor een roman. Maar ge moet er ook schitterende tijd en schitterende zin voor hebben. En ik heb geen van beide. Het minst nog van al het laatste. Want ik ben het hartsgrondig beu nog een letter op papier te zetten. Dit zegt niet veel, want het is mij vroeger nog gebeurd. Maar ik vrees dat ik er nu voor een hele tijd uit ben, omdat ik iedere dag schilder en dit voor mij als schijthuis voor mijn "ontboezemingen" genoeg is. Maar die C.l.P. schijnt mij voor u een onderwerp te zijn dat ge niet moest laten ontsnappen.
Dank voor de mij toegezonden stukjes van Herreman. Behalve die parodie die oneindig flauw is en slecht erbij, kan ik begrijpen wat hij over mij schrijft. Hij is nog altijd de man van 't Fonteintje gebleven en dat is een standpunt dat men kan aanvaarden of verwerpen, maar verwerpende, toch nog van hem kan begrijpen
Met Tijd en Mens doet ge wat ge wilt. Met of zonder mijn naam, mij om 't even. Het tijdschriftje zal mij altijd even sympathiek blijven.
Als het weder een beetje menselijker wordt komen we naar den Isengrinus afgezakt. Ik verwittig dan nog wel.

Intussen allerhartelijkst van ons drieen tot u drieën.
Gaston

Van storm en watersnood hebben we totnogtoe niet te lijden gehad. Ik hoop dat het zo blijft.