1

Brugge, 8 mei 1972

Beste Louis Paul Boon, 

Laat ik me eerst even voorstellen: ik heb U in Kortrijk in het Textielhuis (van de Socialistische Partij) ontmoet – en we waren er het op het einde van de avond (5 mei) niet eens met mekaar over de hele jeugdkontestatie. Daarom ook juist – omdat we het niet eens kónden zijn, schrijf ik u dit briefje. Ik twijfel er niet aan dat u veel dergelijke briefjes krijgt – maar hoe meer u er krijgt, hoe meer kans de jeugd misschien heeft dat u ons niet alleen "liefhebt" maar ook weer in ons gaat "geloven"!
Ik heb heel veel boeken van u gelezen – sommige (De kapellekensbaan, Zomer te TermurenPieter Daens), hebben me zo’n vast geloof geschonken in het feit dat u vroeger precies hetzelfde wou als wij, dat ik niet anders kan dan u dit briefje schrijven als voortzetting van ons gesprek van vrijdag.
Laat me eerst even enkele dingen klaar stellen: Ik ben geen studente meer, ik heb een diploma en ben lerares. Ik behoor niet tot een partij als dusdanig – maar geloof in alles wat ik meen sociaal, rechtvaardig en goed te zijn en ik probeer ernaar te leven.
Zoals ik zijn er talloze jongeren, studenten of ex-studenten; partijleden of geen partijleden.
En daarover wil ik juist schrijven.
Kijk, wat verweet U ons vrijdagavond in Kortrijk en maanden geleden in Moritoen en eveneens in uw boeken?
– Dat wij als studenten rumoer en lawaai maken – maar eens dat we diploma hebben, we heel brave bourgeois worden! Wel – u hebt daarin gelijk voor wat misschien 70% van de studenten betreft (of zelfs maar 60% meer).
Maar er is een andere groep, een groep van 30% of 40% – die juist mét hun diploma de sociale rechtvaardigheid verder willen verdedigen. Niet met veel lawaai of herrie – maar met al de mogelijkheden die we hebben.
Wat zijn die mogelijkheden? Iedereen heeft een verschillend diploma – dus ieder van ons heeft andere mogelijkheden. Maar hetgeen wij in de eerste plaats allemaal beogen is: de mentaliteitsverandering trachten te bewerken.
Leraars, leraressen kunnen met hun leerlingen positief aan maatschappijkritiek gaan doen en naar oplossingen zoeken. Want uit die leerlingen moeten de leiders van morgen groeien – en voor hen is het niet genoeg alleen kritiek te geven – er moeten oplossingen gezocht worden! Anderen zullen dokter zijn en proberen door hun sociaal gerichte geneeskunde méér te doen dan alleen geld oprapen (Hebt u de reaktie van de dokters-studenten gevolgd toen in Gent 2 dokters reageerden op de loonsverhoging en in de gevangenis terecht kwamen?) Anderen van die 30 of 40% komen inderdaad in de politiek terecht en zullen er hun ideeën moeten waar maken (sociale rechtvaardigheid, verandering van sociale strukturen, steunen van de arbeiderskontestatie, ook pollutieprobleem etc...) Alleen kan niemand iets doen, maar samen is de jeugd sterk. De mentaliteitsverandering onder de jeugd groeit! Gelooft u me! En dat is juist het begin van alles: de jeugd bewúst maken.
De onrust wordt steeds groter.
Loopt u toch in Gent eens in studentengroepen rond!
U verwijt ons ook dat we geen vaste plannen hebben, of dat we de zonen of dochters van Mao niet zijn – maar voor die plannen is het te vroeg. Er zijn groepen onder de studenten: Trotzkisten, Maoïsten en noem maar op. Maar och – wat maken die namen allemaal uit?
Iedereen beseft dat het te vroeg is voor een echte partij. Hoe is het socialisme gegroeid? Het Daensisme? En is er een partij met wetten en regels, waaraan men zich zo hard moet houden dat men tenslotte er niet meer kritisch tegenover kan staan, zo erg nodig?
De Mei-revolutie in Frankrijk kan het werk geweest zijn van agitators – maar het zal gedeeltelijk ook de uitbarsting geweest zijn van een algemene ontevreden geesteshouding onder de studenten. Heeft de coquille-beweging met Fr. Villon vroeger niets in Frankrijk bereikt? Zonder concrete plannen – ik leg er de nadruk op – alleen maar door de langzame bewustwording en de uitbarsting toen de tijd ervoor rijp was.
En een laatste iets mijnheer Boon. U zegt: arbeiders en studenten kunnen niet samengaan. Ook dat kan ik u tegenspreken. Groepen als “Alle macht aan de arbeiders” moeten wellicht met een korreltje zout worden genomen in zoverre ze van studenten uitgaan – maar het is wel waar dat studenten kontakt zoeken met arbeidersjongeren, samen met hen gespreksgroepen houden – en dat de afstand zo tracht overbrugd te worden. Dat is geen ideaalbeeld maar werkelijkheid. Daarvoor hoeft u niet alleen in Gent te kijken, maar kunt u ook naar de jeugdraden in de verschillende gemeenten gaan zien!
Natuurlijk, er is steeds een afstand te overbruggen. De taal van een student is de taal van een arbeider niet altijd. Maar u zal toch niet ontkennen zeker dat reeds heel wat jongeren uit arbeidersmilieus op de universiteit zijn? En dat ze zich achteraf niet meer afkeren van dat milieu, maar erin gaan werken?
Akkoord: misschien is dat weer maar waar voor 10 of 20%, maar binnen 5 jaar zal dat misschien 50% zijn!
Ik ben wel zo nuchter dat ik inzie dat een klasseloze maatschappij niet mogelijk is. Dat willen we niet uitdrukkelijk! Wat we willen is de gelijkberechtiging van die klassen – de mogelijkheid voor iedereen om aanvaard te worden ín die klasse en dóór andere klassen.
Om dat te bereiken is de eerste stap: zelf iedereen te aanvaarden zoals hij is – en hem van alle mogelijkheden bewust te maken. Er hoeft geen scheiding te zijn tussen arbeiders en studenten – waarom wil men zoiets kunstmatig in stand houden?
Mijnheer Boon – ik heb heel wat papier verschreven. Misschien komt het omdat de lente ons enthousiasme weer doet oplaaien.
Ik hoop alleen niet dat u al dat geschrijf nu zal misbruiken door te zeggen: weer zo iemand van die idealisten. Ik kan alleen maar antwoorden daarop: zoals ik zijn er heel wat: jonge mensen die bewust willen leven en het ook proberen met alle mogelijkheden – geen Tania’s, Betty’s, Arletta’s, hoezeer u ook van hen houdt.
Prof. Mandel zei in Brugge dat de jeugdkontestatie nu géén tijdsgebonden verschijnsel is: daarvoor is de omvang van het verschijnsel te groot.
Ik ben geen Trotskist noch links-gerichte, maar ik geloof Mandel als hij zegt dat de jeugdkontestatie de mogelijkheid vormt om de politieke strukturen te veranderen! Uit onze generatie en de generatie die wij bewerken, zullen immers de nieuwe leiders geboren worden!
Ik ben ook geen Maoïste, maar kent U de mooie uitspraak van Mao TseToeng?

"de wereld is zowel van jullie als van ons, maar in de grond is hij van jullie
jullie jongeren zijn dynamisch in volle ontplooiing, zoals de zon om acht of negen uur ’s morgens.
Op jullie is onze hoop gesteld."

Indien u nu 20 of 30 jaar was, zou U er ook in geloofd hebben!
Daarom, mijnheer Boon: gelooft U toch dat er nog jongeren zijn die inderdaad dynamisch zijn; zonder partij insigne, die gewoon idealist zijn zoals u geweest bent – en priester Daens – en die geloven eveneens iets, al is het nog zo weinig, te kunnen bereiken – zoals u en priester Daens iets bereikt hebben. (of gelooft u ook dát niet meer? Ten onrechte denk ik!)
Het spijt me dat u zolang aan m’n brief hebt moeten lezen – als u hem tot het einde hebt gelezen!
Tot slot wil ik nog dit zeggen: ik wil U blijven zien zoals ik U in uw boeken heb leren kennen – niet als de man die zó erg ontgoocheld is dat hij zelfs weigert in de jeugd nog te geloven! 

Met vriendelijke groeten,
Jet Marchau.