9

[omstreeks 18 september 1949]

beste minne die ik minne,

mijn penne jeukt, zoals gij zegt dat gezelle zou kunnen gezegd hebben, en ik schrijf almaar door hoekjes... ik geloof dat ik ze soms heel alleen voor u schrijf... gij vindt er hier een bij waar zelfs een paragraaf tussen rode haakjes staat, en die ge eerst moet schrappen vooraleer naar de zetterij door te geven – stel u voor dat de lezers almeteens zulk proza in ‘het geestesleven’ vinden! – het is alleen maar jammer dat er geen 2 of 3 keer per week een ‘geestesleven’ in uw blad is, anders schreef ik dag en nacht hoekjes – tschilt nu al niet veel meer. En ik verwens dan die krenterige Molter, die belet heeft dat er iedere dag een hoekje van boontje kon verschijnen: maar het jezuske van de literatuur zal hem daarom wel doen boeten als hij later naar onze hemel wil gaan.

het beste van uw boontje, en als ge bij mij eens binnenstapt moet gij mij al niet meer verwittigen, ik ben steeds thuis, zijnde het gevelschilderen ook al opgeschept, daar de kermis – de foore – in aalst gedaan is en de ballon is opgegaan.

P.S. heb ik tvolgende gelezen in uw ‘oor in mond uit’, of heeft men het mij verteld?:
Minne houdt een lezing voor de officiele scholen, en de studenten vragen hem wat hij denkt over de jongere Vlaamse letterkunde. En Minne antwoordt: ik ken die niet zo goed, daar ik mij meer bezighoudt met de Franse literatuur. En de studenten vragen hem: en wat denkt gij dan van de jongere Franse letterkunde? En Minne antwoordt: die heb ik nog niet gelezen.