15

[januari/februari 1950]

beste Minne,

billioenen ‘bittere bedenkingen’... maar het zijn allemaal dezelfde: over nood en geldgebrek. En ik zou u mijn historie kunnen vertellen, maar ge hebt het heel zeker zélf meegemaakt, en aan den lijve ondervonden. En waarom dan zou ik u steeds in onrust brengen? Tenware dat een mens eens graag zijn zak leegschudt bij een andere mens. – tis nen troost maar tis ne smalle, zei fictorien – nu kon ik de laatste tijd verhaaltjes schrijven, via jan walravens – die een goeie beste kerel is, in de zweep van de zoon van vader hoste en broeder Stijns... maar waar blijft ge die verhaaltjes schijten? En dus inspireerde ik mij op zeer oude verhalen uit vroegere weekbladen. Maar nu schrijft er een oude en sentimentele dame naar de zoon van vader hoste dat zij ‘dat verhaaltje vroeger nog eens gelezen heeft, maar het was een maria in plaats van een elise, en het was in een postkoets in plaats van in een auto’. En die zot van een oud wijf van een hoste is verontwaardigd, én moet weten wie dat verhaal geschreven heeft, en ontdekt dat het... die vuile smerige boon is. Afgelopen met verhaaltjes. Mijn inkomen weer herleid tot uwe 1200 frank in de maand. En... ik vrees zelfs dat gij die 300 frank iedere week zelf gemakkelijk en best zoudt kunnen gebruiken, maar dat het alleen een zeldzame grootmoedigheid is, een zotte vriendschap die een mens alleens kan hebben voor een andere mens. Ik loop nu rond bij rijke collaborateurs, die ik indertijd genoeg de schrik op het lijf heb gejaagd met mijn verhaaltjes in zondagspost, om te vragen of zij geen ‘bediende’ kunnen gebruiken: elaas neen.... en ze glimlachen een beetje.

hartelijk, uw triestige boontje