22

[kort voor 10 mei 1950]

beste Minne,

misschien hebt ge geconstateerd dat ik verloren moeite op uwen bureaux – val niet dood – ben komen aanlopen. Hamers zei dat het niet vriendelijk van u was, niet te blijven zitten tot ik u verwittigde van mijn komst. Ik zit er alleen mee in den ambras omdat ik zinnens was een paar hoekjes te putten uit Jan de Lichte... b.v.b. ‘de ode van den Brusselaar’, of de beschrijving van ‘de zot van Worteghem’. Nu, ik heb dan maar ‘b.b.b.’s’ gemaakt over iets anders.
Mag ik u lastig vallen met nog iets anders: in het hoekje ‘de krankzinnige directeur K.’ is er sprake van, dat hij in een doos met ATACHE’S grijpt: zoudt ge dat nog kunnen veranderen in SCHRIJFPENNEN? (Het woord komt er een keer of twee in voor) het is veiliger voor mij.

het beste van uw Boontje, die in de waan verkeerd dat ge hem nog eens schrijven zult.