26

[9 januari 1950 - eerste week april 1951]

beste Minne,

mag ik u een briefje in vertrouwen schrijven? Ge weet dat ik indertijd als communist bekend stond. Tis te zeggen bij allen die geen communisten waren, want de communisten zelf schuwden mij gelijk de pest, en schopten mij uit hun Rode Vaan, alhoewel ik mij daar krom en blind aan het werken was. Sedertdien is het mij steeds zeer belabberd blijven gaan: al wat ik ontvang is wat zakgeld van het weekblad Front, plus een aanmoediging van de Vlaamse Gids, plus de 300 fr. voor uw ‘geestesleven’ in Vooruit, dat was dus niet bijster schitterend. Doch nu word ik ook in mijn opzeg gezet bij Front, en al wat me rest is uw 300 frank.
Ik leef nu weliswaar, niet in de waan dat gij, Minne, daar op de Vooruit God-de-vader zijt. Toch vraag ik u of gij geen kans ziet mij er, als redacteur of zo, binnen te loodsen. Ik zou er gewoon redactiewerk kunnen doen, belga-berichten, armen en benen, gemengd nieuws, hoekjes, reportages... er zelfs aan de steen staan of proeflezer zijn.
Laat eens de heilige geest over u nederdalen, om u te verlichten bij het nadenken: is er dan geen of geen enkel blad, dat Boontje zou kunnen gebruiken – Vooruit, A.B.C., Volksgazet, enzovoort – kan uw vriend en lastgever de Block, of Molter, of niemand anders bewogen worden door het beeld mijner ellende?
Een tijd geleden bezwoer – of bezweerde? – ik onze vriend Herreman: en hij sloofde zich waarlijk uit, hij bewoog hemel en aarde, en kreeg het zelfs zover dat Huysmans zelf zich bereid verklaarde wat voor mij te doen. Elaas, al die goede wil strandde op de klip die men Julien Kuypers noemt.
Doe eens uw beste, en laat hen hun voorwaarden stellen: ik, fiere sicamber, zal het hoofd in de schoot leggen

uw Boontje dat verlangend, en godverdomme met de tranen in de ogen, naar uw bemoedigend antwoord dorst.