33

[24 mei - 1 augustus 1951]

beste minne,

hierbij nog 2 stukken uit de reinaert, die nu eveneens definitief herwerkt zijn. Na ‘het jachtavontuur’ – dat ik reeds stuurde – komt nu ‘de geschiedenis van de baken’, en ‘hoe reinaert met het varkensvlees werd bedrogen’. Tevens stuur ik een woord over de parijsche boef en schrijver JEAN GENET. Ik weet niet of daar reeds iets in Vooruit werd over gezegd. Ik geloof het niet. Alleszins is het de moeite waard wat die kerel schrijft. Daar hij splinternieuw en a là mode is, zal het het blad iets fris en nieuw doen uitzien.
Nu nog wat anders: ik weet niet of ik uit de biecht klap, maar men gaat u dus in Boekuil ‘vieren’, men gaat u een boek aanbieden waarin elkendeen die iets is u zijn bloempje zal op de mouw steken. Men vraagt dat ook aan mij. Moet ik nu in die rij opstappen en ‘proficiat, minne’ zeggen, gelijk men op een begrafenis ‘innige deelneming, minne’ zou zeggen? Trouwens, wat kan ik daar over u zeggen, jong, dat wij beiden nog niet wisten? ‘et merde alors’ ware misschien nog eens iets... maar zal dat in uw boek passen? Gotver, een mens vecht heel zijn leven tegen die santaboutiek, en als ge even een minuut ophoudt, hangen u ze diezelfde santaboutiek gelijk col en plastron rond de hals. En dan moet ge bovendien nog merci zeggen. En altijd voor iets of voor iemand. Want zie nu eens, die Ide met zijn baard en zijn boekuil is een brave mens, en gij zijt een brave mens, en ik ook. En ondertussen hebben we het zitten.
En even ondertussen: ge zoudt zeggen, ik zet er eens iets in dat de boel doet stinken. Maar... dat is het juist wat ze van u verlangen! Laat boontje ook eens iets over minne zeggen, peinzen ze... dan is dat het bittere nootje. In alle geval, als ge van mij niets in uw plechtig boek – geillustreerd en van gouden snee voorzien – zult vinden, dan werd ge toch verwittigd, door

uw Boontje