37

[juli 1951 - oktober 1951]

Beste Minne,

terwijl ik propaganda maak voor een literatuur die wat meer om het lijf zou hebben – of misschien liefst wat minder! – schrijf ik verder mijn feuilleton over liefde en min, en al wat dit achterlijke volk zo geren leest. Maar ja, kan ik in ‘het geestesleven’ zeggen dat men er mee ophouden mag, en Courts-Mahler de enige grote figuur van deze tijd is?
A-propos, weet ge nog niet hoeveel het blad besteden wil aan een mengelwerk?
Kuipers is hier weer geweest met zijn Arbo-boekjes, hij heeft me een paar voorbeelden getoond, en gevraagd of ik iets in die aard zou kunnen schrijven. Zeker kan ik dat, potdomme! Maar hij moet me eerst een contract geven, – boter bij de vis – en dan schrijf ik hem al wat hij wil.
Mijn zoon zegt me: roem vult de oren, en roepies vullen de maag.
Ik antwoord hem: uw vader heeft geen van beide gekregen, mijn zoon.
Een onderdrukt gesnik.
Het gordijn valt.

Het beste van uw Boontje