45

[april 1954]

Beste Minne,

Er is een leegte in de Vooruit. Men zegt me dat ge ziek zijt. ’t Minste van ziek te zijn, maar daar te liggen en de goesting niet meer hebben van te vloeken – vloeken, op wie of op wat? En pijn te hebben. Ge moet het mij niet zeggen, ik weet er meer dan genoeg van. En de doktoren met hun brillen en hun witte frakken? Ik lach daar mee – maar ’t is een pijnlijke lach.
Verleden zaterdag moest ik naar Ide zijn Boekuil, om te voordrachten. Een vriend nam me mee, omdat hij toch naar Deinze moest, en daar we tijd genoeg hadden stelde hij voor naar het graf van Gust. De Smet te gaan kijken. Maar hij vergiste zich, hij dacht dat die in St. Martens Laethem lag. Wij toerden daar rond, ik dacht aan u, die in de Eikeldreef moest wonen. Maar ik wou niets zeggen. Ik dacht: Richard is ziek, en plots vallen wij daar binnen met vier man: marcelleke wauters (die u eens zijn gedichtjes heeft gestuurd) en Maurice D’Haese, en die oude sukkel van een vader van mij, en ik. En wat gaat Minne ons vervloeken, dacht ik. En wat moeten we zeggen?
Zo toerden we aan uw straatdeur voorbij, met spijt in mijn hart omdat ik maar ben die ik ben. Ide zei me nadien: waarom zijt ge toch niet gaan aanbellen! Inderdaad, waarom niet? Maar Ide begrijpt dat niet. De ene dag snak ik naar bezoek, en de andere dag kan ik zelfs tegen mezelf niet spreken. En ik peins van u hetzelfde...
Richard, de beterschap, jongen! ’t Wordt lente, ’t wordt zomer. En ’t is daar een schoon dorp, te Laethem. Genees, wandel daar veel rond, (pak wat minder een pot in ’t Sapeurke) en lap verder de wereld aan uw hielen. Maar haast u, dat we u weer horen grommelen in de Vooruit,

uw Boontje