46

[april 1954]

Beste Minne,

Eergisteren dacht ik er aan dat ik u een briefje moest schrijven – pas vandaag denk ik er aan dat ik ook copy had moeten doorsturen. Doch waarheen? Ligt gij ziek en zwetend en vloekend te bed, en kom ik met deze copij u nog lastiger maken dan ge reeds zijt? Maar wat moet ik er mee doen? Het leven is moeilijk. En ik heb altijd de problemen ervan konter verkeerd aangepakt. ’t Zal nu wel weeral hetzelfde zijn. In elk geval, als ge er niets over weten wilt, steek het dan in de kachel,

uw Boontje.

Ik zou zeggen, hou er de moed in! Maar welke moed? Ik ben deze week onder de rayon X geweest voor mijn maag. Ze vinden niets. Ik lig mij iedere dag te krinkelen van de pijn. Mijn vrouw kijkt er zelfs niet eens meer voor op. Gisteravond zat ik te wenen op het cabinet, tranen met tuiten gelijk een klein kind omdat ik niet kakken kon. Dat hele systeem van eten en kakken is bij mij naar de kloten. Daar staan de dokters op te kijken gelijk uilen op een kluit. Zogauw ik wat beter ben begin ik mijn memoires te schrijven.