47

[mei 1954]

Beste Minne,

ik weet niet of u de beide artikeltjes werden doorgestuurd die ik een paar weken geleden schreef en naar de redactie, op uw naam, stuurde. In elk geval maak ik er nog twee bij. Het ene gaat over de tekeningen van de kleine Gerda, en ik stuur ingesloten twee proeven bij. Graag zag ik dat gij een cliché liet maken van de beide meisjes-paarden – doch daar zij ook op de achterkant getekend heeft weet ik niet of dat nog voor een cliché bruikbaar is. Daarom dan ook het tweede exemplaar dat niet zo mooi is (maar het is niet mijn fout, Gerda geeft slechts haar mislukte tekeningen weg, en haar mooiste bewaart ze in een album). Geeft ge deze tekening, dan voor titel: meisjespaarden. Geeft ge de andere, dan heet het: meisjespaard en haar gevolg. Laat het geen te groot cliché worden!
Voor de rest geen nieuws. De Hollanders zijn goed en wel, maar met een schrale buit, naar hun vaderland teruggekeerd. Alleen Mussche en ik hebben ons in Radio Gent geslacht-offerd. Het is iets dwaas, die opnamen op band, maar wat wilt ge? Toen het afgelopen was, zei ik: ‘voila, wij zijn er weeral van af!’... en dat stond ook op de band. Toen zei de Hollander: dat snijden we ervan weg. Spijtig, het mooiste wordt er altijd van weggesneden. Moest de bisschop keizer zijn, hij liet onze staart ook wegsnijden.
Verder wens ik u goede moed, en vele groeten aan madame Minne. Ik heb over haar verteld, tegen mijn vrouw. Mijn vrouw antwoordde: dat mens moet er ook álles van weten! Zij bedoeld: met een schrijver of een dichter getrouwd te zijn. Ik heb haar geantwoord: goed, ge hebt het niet zo financieël schitterend gehad, maar ge hebt goddomme tenminste toch geleefd.
Want waarom leven wij anders dan om te leven?

uw Boontje.