Verantwoording

Ordening en datering
In de bewaard gebleven correspondentie van Louis Paul Boon, die voorlopig een duizendtal brieven omvat, is de deelcorrespondentie met Richard Minne een van de meest volumineuze. Dat is opmerkelijk want er werd geen enkel antwoord van Minne teruggevonden op de negenenvijftig brieven die de Aalsterse schrijver naar zijn Gentse collega stuurde. Nu is het bijna vanzelfsprekend dat Boon meer brieven aan Minne geschreven heeft dan omgekeerd. Als medewerker aan ‘Het geestesleven’ stuurde Boon de verantwoordelijk redacteur van die wekelijkse cultuurrubriek van het dagblad Vooruit, Minne dus, van oktober 1948 tot november 1954 immers met grote regelmaat i./ afleveringen van ‘Boontje’s bittere bedenkingen’, in totaal honderdachtentwintig ‘hoekjes’, die voor het merendeel in Zomer te Ter-Muren (1956) terug te vinden zijn (slechts een twintigtal blijkt te corresponderen met stukjes in De Kapellekensbaan; een wat kleiner aantal is in geen van beide boeken terug te vinden), ii./ meer dan honderddertig literatuur- en kunstkritische bijdragen, waarvan de gesigneerde postuum verzameld werden in de eerste twee delen van Het literatuur- en kunstkritische werk. IV. ‘Vooruit’, en iii./ een aantal verhalen, naast ‘Een nieuwe inleiding tot “Den vos Reinaerde en de wolf Isengrimus”’ (editie, noot 128 en 138) een veertigtal stukjes waarvan meer dan de helft terug te vinden is in, wederom, het tweede boek over de Kapellekensbaan: een tiental bewerkingen van episodes van de ongepubliceerde roman Madame Odile en voorts een reeks verhalen over uiteenlopende onderwerpen (voor een kleine catalogus van Boons verhalen in Vooruit in de betreffende periode: zie Het literatuur- en kunstkritische werk. IV.1. ‘Vooruit’, p.clxvii-clxx). Toch treft men in de collectie teruggevonden brieven van Boon aan Minne wel degelijk sporen aan van een heuse briefwisseling. Het feit dat de ‘Minne-briefjes’ waarop Boon in zijn brieven alludeert vooralsnog onvindbaar zijn, is in eerste instantie een spijtige zaak voor de lezer. Het stelde de editeurs bovendien voor een groot probleem, temeer daar Boon de gewoonte om zijn brieven niet te dateren ook in deze correspondentie systematisch volhield.
Dat Boon zijn brieven niet zelf gedateerd heeft, en ook poststempels ontbreken, heeft zo zijn gevolgen voor de ordening van deze deelcorrespondentie. Weliswaar kon de datum van de negenenvijftig teruggevonden brieven doorgaans op inhoudelijke gronden bij benadering worden bepaald. Maar zoals de vierkante teksthaken boven elke brief aangeven, kon in geen enkel geval werkelijk met absolute zekerheid de dag van vervaardiging, noch overigens van verzending of ontvangst worden vastgesteld. Op misschien twee uitzonderingen na (brief 9 (zie noot 41) en brief 38 (zie noot 160)) boden ook de vermoedelijk door Minne zelf veel later aangebrachte dateringen (brief 1 (zie noot 7), brief 4 (zie noot 15), brief 11 (zie noot 50), 16 (zie noot 71), en 55 (zie noot 238)) de editeurs nauwelijks houvast. In de meeste gevallen zijn deze dateringen ‘post factum’ evident foutief. Ze werden door ons afgedrukt, en toegelicht, in een aparte annotatie.
Voor het ordenen van ongedateerde brieven heeft Marita Mathijsen in haar Naar de letter. Handboek editiewetenschap (Constantijn Huygensinstituut, Den Haag, 1997, p.386) de volgende praktische oplossing gesuggereerd: “[w]anneer een datering alleen bij benadering gegeven kan worden, plaatst de editeur de brief aan het eind van het jaar waarbij hij hoort. Wanneer een datering onmogelijk is, wordt de brief achterin de editie geplaatst, na de laatste gedateerde.” Bij het formuleren van deze stelregel is Mathijsen uiteraard niet uitgegaan van de meest ongelukkige situatie, namelijk een eenzijdige, volledig ongedateerde en ook op grond van de inhoud van de brieven uiterst lastig dateerbare briefwisseling – en dat is waarmee we hier te maken hebben. Zeker lijkt slechts te zijn dat Boon de negenenvijftig door ons teruggevonden brieven tussen (halverwege november) 1948 en (6 november) 1954 heeft geschreven, namelijk tussen het moment dat hij van Minne de toestemming krijgt om voor ‘Het geestesleven’ te gaan schrijven en zijn eerste werkdag als redacteur van de krant Vooruit. En zelfs die zekerheid berust op een inhoudelijke interpretatie van het overgeleverde briefmateriaal.
Bij gebrek aan absolute ijkpunten, c.q. op grond van inhoudelijke elementen met haast volstrekte zekerheid dateerbare brieven, bleef ons slechts de mogelijkheid van een zeer hypothetische chronologische ordening van de te editeren teksten over. Daarbij ging een aantal relatief goed te dateren brieven voor ons al snel als een raster fungeren, waarover na verloop van tijd de rasters van een aantal andere, vaak nauwelijks minder problematische Boon-deelcorrespondenties schoven. Sommige brieven bleken te verwijzen naar andere, soms beter dateerbare brieven van of aan Boon, terwijl ook de correspondentie van Minne met ‘derden’, in eerste instantie met Raymond Herreman, voor ons soms bruikbare informatie bevatte. Daarnaast werd duidelijk dat Boons brieven vaak refereerden aan – of soms alleen maar alludeerden op – dateerbare feiten en historische gebeurtenissen. Een aantal van die referenties en allusies is als zodanig natuurlijk alleen herkenbaar voor ‘ingewijden’ in het leven van de correspondenten; we hebben ze dan ook zeker niet allemaal ‘gevonden’ en ‘gebruikt’. Met opzet terughoudend zijn we daarentegen geweest om de toonzetting en stijl te benutten, waardoor tenslotte elke brief ook getekend wordt (bijvoorbeeld de letterlijke ontlening in een brief van een bijzondere uitdrukking uit een ‘Bittere bedenking’, of een specifiek pathos).
Deze en nog andere elementen maken een bericht zelden direct dateerbaar, maar ze kunnen wel helpen om een chronologie te poneren die op sommige punten misschien minder vaag is dan anders het geval zou zijn, wanneer men zich beperkt tot zogenaamd evidente feiten. Een dergelijke hypothetische en deels dus onzekere ordening was in dit geval onvermijdelijk. Ze ontleent haar overtuigingskracht aan de mate waarop de geëditeerde brieven, in al hun intertekstuele rijkdom, verweven zijn met de historische context waarbinnen ze destijds hebben gefunctioneerd. Van deze laatste maken naast vooral specifiek literaire gegevens (Boons in de brieven aangehaalde publicaties in Vooruit bijvoorbeeld, of de genese en publicatiegeschiedenis van de roman De bende van Jan de Lichte) en, in zeer beperkte mate, collectief ervaarbare gebeurtenissen (de Belgische parlementsverkiezingen van 26 juni 1949, om zo’n gebeurtenis te citeren), ook elementen deel uit die tot de biografie in engere zin van de correspondenten of van derden behoren: een kampeerpartijtje van de Boonbende in de Ardennen bijvoorbeeld, maar ook de acute aanval van hepatitis A die Richard Minne in de lente van 1954 heeft doorstaan.
Het samenspel van dat alles vormt een verhaal. De editeurs hebben ervoor gekozen om bij de reconstructie van deze briefwisseling dat verhaal te laten prevaleren op de uitsluitend door onweerlegbare feiten geschraagde datering. We beschouwen een briefwisseling ook als veel meer dan een louter chronologisch geordende verzameling losse epistels. De onderhavige correspondentie vertelt volgens haar geheel eigen logica de geschiedenis van de rechtstreeks betrokkenen en hun leefwereld, in eerste instantie deze van Boon. Het verhaal is dat van een schrijver die, behalve naar (symbolische) erkenning, op zoek is naar een vaste betrekking, meer bepaald naar een baan die te verzoenen valt met de intellectuele vrijheid waar hij zo aan gehecht is en waar zijn integriteit als schrijver mee staat of valt. Deze geenszins unieke geschiedenis heeft, wat de hoofdrolspeler betreft, de naar eigen zeggen ‘illegale’ romanschrijver Boon, vooral te maken met gevoelens van diepe frustratie en gespletenheid, met de tegenstelling tussen de ‘dichter’ en de ‘dag- en weekbladschrijver’ en met een voortdurend heen en weer geslingerd worden tussen gevoelens van minderwaardigheid en superioriteit.
‘Reinaert’ en ‘Isengrimus’, en de ijdele hoop van Boon dat hij in Richard Minne een echte wapenbroeder mag vinden in zijn strijd tegen de heersende dwaasheid – een dwaasheid waarvan hij (doelwit van tegenwerking en sabotage) zich voortdurend het slachtoffer voelt – daarover gaat Wanneer van u nog eens een Minne-briefje? Deze thematiek loopt als een rode draad door de annotaties. Omdat de laatste in een permanente wisselwerking met de brieven het bovenvernoemde verhaal moeten vertellen, zijn ze vaak uitvoerig. In een schoolse opvatting van het genre zijn de annotaties in deze teksteditie misschien zelfs buitensporig. In hun verlangen om op deze ‘excessieve’ manier, via zijn brieven aan Richard Minne, het verhaal te vertellen van de experimentele volksschrijver Boon – een Jan de Lichte in het diepst van zijn gedachten, sluwe vos en geboren loser tegelijk – willen de editeurs slechts één doel dienen: de lezer op een wetenschappelijk onderbouwde manier inzicht verschaffen in het complexe fenomeen Boon, alsmede heel wat leesplezier.

Plaatsbeschrijving
Boon schreef de brieven aan Minne naar alle waarschijnlijkheid vanuit zijn woonplaats. Eerst vanuit de Verastenstraat 5, voorheen de Verlengde Spaarzaam-heidstraat, in de wijk Schaarbeek te Aalst, vervolgens, vanaf 26 december 1952, vanuit de Bredestraat 5d, het latere Vogelenzang, te Erembodegem (voor de fusie met Aalst in 1976 een zelfstandige gemeente).

Materiaalbeschrijving
De brieven werden met de hand geschreven; slechts één brief [brief 41] is een getypt document met onderaan een handtekening en handgeschreven post scriptum. Samen met de brieven werden twee documenten overgeleverd: een typoscript van ‘De biecht van de kroes’ [brief 6] en het uit het Nederlandse dagblad Het vrije volk geknipt artikel ‘Louis Paul Boon over Vlaamse literatuur [brief 16].

Tekstweergave
De bezorgers hebben bij de weergave van de brieven de grootst mogelijke terughoudendheid nagestreefd. Boons idioom bleef bewaard: de spelling is niet geactualiseerd en er werd niet geraakt aan linguïstische eigenaardigheden, noch aan grammaticale fouten. Overigens blijken bepaalde afwijkingen, op het eerste gezicht evidente schrijffouten, bij nader inzien woordspelletjes of bewuste ‘verschrijvingen’ van Boon te zijn: zie bijvoorbeeld “Humbert Lapo” [brief 11]. Boons inconsequente gebruik van hoofdletters, maar bijvoorbeeld ook het naast elkaar voorkomen van ‘copy’ en ‘copij’ [zie o.a. brief 46] werd niet gecorrigeerd. Hieronder volgt een lijst met voorbeelden van gehandhaafde grammaticale afwijkingen:
zijken [brief 6]
daar ik mij meer bezighoudt [brief 9]
Humbert Lapo [Brief 11]
literkundigen [Brief 16]
uwen bureaux [brief 22]
die in de waan verkeerd [brief 22]
litteraire front [brief 25]
a là mode [brief 33]
geillustreerd [brief 33]
van elk wat wils [brief 34]
symphatiek [brief 36]
marionnetten [brief 40]
Mijn vrouw kijkt er zelfs niet eens meer voor op [brief 46]
zij bedoeld [brief 47]
financieël [brief 47]

Twee evidente en door proeflezers als bijzonder storend ervaren schrijffouten werden wel gecorrigeerd: maatschap[x]ij > maatschappij [brief 16]; opzet > opzeg [brief 26].

De indeling van de brieven en het gebruik van interpunctietekens bleven gehandhaafd. De typografie en de lay-out in het algemeen werden geüniformeerd volgens de moderne editiewetenschappelijke normen. Tussen datum en aanhef, aanhef en begin, slot en ondertekening, ondertekening en postscriptum werden telkens witregels ingevoegd. Aanhef, begin, slot, ondertekening en postscriptum zijn door ons links uitgelijnd. Onderstreepte passages werden gecursiveerd, dubbel onderstreepte passages zijn in klein kapitaal gezet. Wanneer in de ondertekeningen de namen onderstreept zijn, werden zij niet gecursiveerd: het gaat hier gewoon om handtekeningen, niet om woorden die bijzondere nadruk krijgen. Boons dubbele aanhalingstekens werden vervangen door enkele aanhalingstekens. Titels van boeken, tijdschriften, schilderijen en tekeningen zijn door ons overal gecursiveerd, ook als het gaat om voorlopige titels of titels van ongepubliceerde werken. De weergave van titels van rubrieken en artikelen is eveneens geüniformeerd: ze worden steeds tussen enkele aanhalingstekens geplaatst, ook in het geval van onvolledige titels.

Bronvermelding
Behalve aan Minne en Burssens schreef Boon brieven aan onder anderen, in alfabetische volgorde, Gerrit Borgers, Frans Buyens, Johan Daisne, Willem Elsschot, Raymond Herreman, Albert van Hoogenbemt, René Ide, Karel Jonckheere, Reinold Kuipers, Hubert Lampo, Angèle Manteau, Jan Schepens, André Schotte, Herman Teirlinck, Maarten Thijs, Jan Walravens en Gerard Walschap. In deze editie wordt reeds, en in sommige gevallen zelfs uitvoerig geciteerd uit de betreffende deelcorrespondenties, die vanaf nu, in samenspraak met alle betrokken correspondenten of hun erven, op www.booncentrum.be raadpleegbaar zullen worden gemaakt.
Een aantal van de in deze uitgave geciteerde brieven werd samen met brieven van Boon aan Bert Bakker en Maurice Roelants in 1989 afgedrukt in Brieven aan literaire vrienden ([J. Muyres, ed.], De Arbeiderspers, Amsterdam). Al deze deelcorrespondenties, en voorts onder meer ook Boons brieven aan Maurice Roggeman ([J. Muyres & B. Vanheste, eds.], Gerards & Schreurs, Maastricht, 1989) zullen in de nabije toekomst op de site van het L.P.Boon-documentatiecentrum verschijnen, aangevuld met een hele reeks ‘vergeten’ brieven van Boon, alsook met de respectieve tegencorrespondenties, én uitvoerig geannoteerd. Vooruitlopend hierop hebben de tekstbezorgers de originele brieven geraadpleegd en in de eindnoten verwezen naar de diverse vindplaatsen.

Om de gebruiksvriendelijkheid te vergroten is ervoor gekozen de bronvermelding in de tekst op te nemen. Een aantal titels komt zo vaak voor dat het praktischer bleek om deze verwijzingen verkort weer te geven. Hieronder volgen de volledige referenties, in alfabetische volgorde:

De Kapellekensbaan
Louis Paul Boon, De Kapellekensbaan of de 1ste illegale roman van Boontje [K. Humbeeck en B. Vanegeren, eds.], De Arbeiderspers, Amsterdam, 199425

De vrijheid nog veroveren. Richard Minne 1891-1965
Marco Daane, De vrijheid nog veroveren. Richard Minne 1891-1965, De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2001

‘Een kramp van walg en cynische spot, brutaal geuit, decadent’
Kris Humbeeck, ‘Een kramp van walg en cynische spot, brutaal geuit, decadent’. In: Louis Paul Boon, Mijn kleine oorlog K. Humbeeck, D. de Geest, A.M. Musschoot, Y. T’Sjoen, E. Bruinsma en B. Kennis, eds.], Querido, Amsterdam, 200214

Het literatuur- en kunstkritische werk. I. ‘De roode vaan’
Louis Paul Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk. I. ‘De roode vaan’ [D. de Geest, E. Bruinsma, K. Humbeeck en L. Missinne, mmv. K. Geldof, O. de Graef, J. van Hooreweder, eds.], L.P. Boon-documentatiecentrum, Antwerpen, 1994

Het literatuur- en kunstkritische werk. II. ‘Front’
Louis Paul Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk. II. ‘Front’ [E. Bruinsma en K. Humbeeck, mmv. D. de Geest, P. de Wispelaere, eds.], L.P. Boon-documentatiecentrum, Antwerpen, 1994

Het literatuur- en kunstkritische werk. III. ‘De Vlaamse gids’
Louis Paul Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk. III. ‘De Vlaamse gids’ [E. Bruinsma, ed.], L.P. Boon-documentatiecentrum, Antwerpen, 1995

Het literatuur- en kunstkritische werk. IV. ‘Vooruit’
Louis Paul Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk. IV. ‘Vooruit’ [K. Humbeeck, E. Bruinsma, K. Haagdorens, J. Dierinck, B. Nuyens, mmv. D. de Geest, A.M. Musschoot, Y. T’Sjoen, eds.], L.P. Boon-documentatiecentrum, Antwerpen, 1997

Mijn kleine oorlog
Louis Paul Boon, Mijn kleine oorlog [K. Humbeeck, D. de Geest, A.M. Musschoot, Y. T’Sjoen, E. Bruinsma en B. Kennis, eds.], Querido, Amsterdam, 200214

Zomer te Ter-Muren
Louis Paul Boon, Zomer te Ter-Muren. Het 2de boek over de Kapellekensbaan [K. Humbeeck en B. Vanegeren, eds.], De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 199511