EEN DUIVELS SOMBER BOEK

Op 15 maart 1912 aanschouwde in de fabrieksstad Aalst de schrijver van Abel Gholaerts het levenslicht. Volgens het KMI-archief in Ukkel was het “een bewolkte tot zwaar bewolkte dag [...] met motregen in de voormiddag”. De temperatuur in Aalst schommelde tussen de 9 en 16 Celsius en in de streek viel vijftien liter neerslag per vierkante meter. Wie Abel Gholaerts leest, zou bijna geloven dat ook nadien in Boons leven de zon nooit geschenen heeft. Een druiliger boek was volgens menig criticus in elk geval haast ondenkbaar.
Boon concipieerde Abel Gholaerts rond zijn dertigste. Hij had toen net De voorstad groeit voltooid, de roman waarmee hij eind juni 1943 zou debuteren. Erg tevreden over dat boek was hij niet, want naar zijn gevoel was hij er niet in geslaagd het leven op papier ten volle tot zijn recht te laten komen. Boon beschouwde dat leven als onbepaald en chaotisch. Of zoals hij het in de aanhef van zijn tweede roman uitdrukte: “Het leven is geen boek. Nergens begint het. Het is hier en daar en ginder, en alles gebeurt tegelijk. Een boek is anders.” Een boek is gebonden aan zijn schrijver, die fysieke beperkingen kent. Een schrijver kan bijvoorbeeld nooit alles weten wat er om hem heen gebeurt, en hoe hij zijn kennis van de wereld ook presenteert, altijd kent zijn verhaal in tegenstelling tot het leven een begin en een einde.
In De voorstad groeit had Boon nog gepoogd dat artificieel-rechtlijnige en in zichzelf besloten karakter van een boek te camoufleren, met name door zijn verhaal zo direct mogelijk te vertellen, tot het uitvloeide in de legendarische slotwoorden “En... ach, enzoovoort, enzoovoort”. Dat oogde open, dynamisch en modern. Het deed bijna vergeten dat de tekst georganiseerd was in functie van een alwetende verteller die, traditiegetrouw, een allesomvattende visie op het leven vertolkte. Niettemin stond ‘visie’ centraal in Boons toenmalige poëtica. Want waar de kunstenaar onmiskenbaar tekortschoot in het omvatten van het leven in de breedte, kon hij dat volgens Boon ruimschoots compenseren door diep te denken en te voelen. Op die manier kon de ware artiest zijn fysieke grenzen doorbreken en geestelijk in contact treden met het wezen van zijn tijd en van het bestaan. In Boons opvatting moest men daarvoor wel het leven van binnenuit leren zien, zogezegd vanuit het hart.
Dat hij in zijn eerste voltooide roman gefaald had om de essentie van het mens-zijn te vatten, weet Boon aan psychische belemmeringen. Iets ondefinieerbaars lag hem op het hart, iets wat zijn geestesoog vertroebelde en hem verhinderde de innerlijke waarheid over de dingen te reveleren. Daarom was hij begin 1942 juist aan Abel Gholaerts begonnen, om helemaal “te zeggen wat er in mij is”. Zijn kunstbroeder Morris Roggeman vertrouwde hij toe: “Het [boek] wordt een stuk van mijn hart. En ik heb angst. Angst. Angst.” Als verlossende zelfanalyse stond of viel Boons onderneming met haar waarheidsgetrouwheid. De afstand tot het uiterlijke leven, dynamisch en onmogelijk te overzien, zou hij in zijn nieuwe, zoveel traditioneler vertelde boek dan ook niet meer verdoezelen. Hij benadrukte hem juist, zoals blijkt uit de hierboven geciteerde aanhef, die als volgt doorgaat:“Dit boek begint in het huis der Van Geemen waar het altijd stil is, waar het riekt naar papier en inkt. Een kleine drukkerij, een onooglijke boekwinkel, een papeterie in de omtrek van een school, iets anders kan nooit in hun beschimmelde gedachten opkomen.”
Deze benepen wereld, waar alle kennis van de wereld schools was en het gedrukte boek vulgaire koopwaar, vormde het perfecte tegendeel van wat Boon esthetisch voor ogen stond. Ze was het logische beginpunt van een verhaal waarin de schrijver wilde uitstijgen boven alles wat zijn gezichtsveld vernauwde: zijn kleinburgerlijk-katholieke opvoeding in de Sint-Jozefsparochie te Aalst en alle onverwerkte ervaringen uit het verleden die hem, beletten door te dringen tot het donkere hart van de Grote Wereld. Als nazaat van het denkbeeldige geslacht Van Geem, bastaardzoon van de onderpastoor Vincent, wilde Boon in Abel Gholaerts mentaal ten onder gaan. Pas als hij zich op papier aan alle christelijke taboes uit zijn jeugd ontworsteld had en niets menselijks hem nog vreemd was, zou hij zichzelf als ziener aan het volk kunnen openbaren. Om die afdaling in het onbewuste te structureren, zette Lowie, zoals de kunstenaar zich sedert de jaren dertig noemde, het masker op van het waanzinnige genie Vincent, zijn onbetwiste rolmodel.
Zo entte Boon in Abel Gholaerts zijn gevoelsleven op het leven van Van Gogh, vanaf diens geboorte als domineeszoon via zijn zogenaamde zwarte periode tot aan Arles. “Want ik voel me [met] dit leven nauw verwant”, aldus de goddelijk begenadigde ‘verversgast’ uit Aalst. In het tweede deel van zijn kunstenaarsroman, getiteld Het genie, zou hij alvast zijn creatieve vermogens ten volle ontplooien. Lowie was van plan er “krankzinnig-heet de zon te laten schijnen”, zoals in de Provence waar zijn hartsbroeder Vincent in een explosie van kleur aan het aardse bestaan ontheven werd. Over het eerste deel daarentegen, Het talent, moesten haast permanent donkere wolken hangen. Slechts in grauwheid meende dit ingebeelde genie de duistere zielsgeheimen te kunnen ontraadselen, die hem vooralsnog hadden belet zijn innerlijk licht te doen schijnen over deze triestige wereld. Want wat deed geel feller schijnen dan grijs? En grijs en onguur was volgens Boon een wereld waarin de mensen verlossing zochten buiten zichzelf, dwaze illusies najagend en elkaar bevechtend om niets, terwijl het geluk binnenin elkeen verborgen lag, in het vermogen om zich aan de woelingen des levens te onttrekken en schoonheid te ontdekken in het meest banale. Een paar achteloos in een hoek geworpen schoenen. De zon hoog boven het koren en een boer die zijn akker inzaait.
Terwijl de mensen om hem heen de oorlog probeerden te overleven, begroef de profeet Boon zich helemaal in zijn Boek. Morris, zijn schilderende boezemvriend die als communistisch verzetsman elke dag zijn leven op het spel zette, adviseerde hij eind 1942 om zijn twijfels, heimelijke angsten en verboden verlangens aan het doek toe te vertrouwen: “Zoodat het dier, het zondige, idiote, stompzinnige half waanzinnige dier... schóon wordt.” Begin februari 1943 voltooide Lowie Het talent, zijn existentiële hellevaart en springplank naar het sublieme. Maar spoedig moest Boons romantische verdwazing wijken voor de brute werkelijkheid: dreigende Arbeitseinsatz, borende maagpijn en de Gestapo die flink huishield in zijn illegale kennissenkring. Vanaf de roman Vergeten straat (1946), opgezet in de lente van 1943, probeerde Boon zijn boeken meer op de maat van het echte leven te snijden. Langzaam ontwaakte de nieuwe Vincent uit zijn esthetische dommel. Het tweede deel van Abel Gholaerts schoof de ontnuchterde schrijver op de lange baan en toen Het talent naar de drukker moest, smokkelde hij nog gauw wat realiteit binnen. Doodleuk verving hij in het manuscript (bijna) overal de naam Sylvain door Germain, waardoor dit bij uitstek ontaarde personage opeens Deutschfeindlich werd. Desondanks kon zijn roman nog tijdens de bezetting verschijnen.
Abel Gholaerts: Het talent verscheen eind mei 1944, toen de nederlaag van nazi-Duitsland al in de lucht hing. Het werk viel slecht bij de critici, overwegend collaboratiegezinde figuren, van wier idealen van ‘volksche herwording’ en ‘geleidelijke herordening van het culturele leven’ gelukkig maar weinig gekomen was. Veel te zwart, volstrekt uitzichtloos en nog decadent ook, zo werd door deze heren en dames eensgezind geoordeeld: “een schimmelplant!” Behalve van de relatieve publicatievrijheid in het bezette België, heette Boon ook misbruik gemaakt te hebben van het vertrouwen dat sommigen op grond van zijn debuutroman in hem hadden gesteld. Zijn onbetwiste talent was niet gerijpt, het was integendeel gerot. De ene criticus wenste de ontaarde auteur “een snelle dood door zelfmoord” toe, een andere eiste dat het “schrijversras waartoe Boon behoort, moet uitgeroeid worden als het voor gezondmaking onvatbaar is.”
Ook na de bevrijding nog ervoer menigeen het boek als a sick joke. “’t Is vreeselijk van gruwelijkheid en mottigheid”, zuchtte een katholiek criticus. Zijn niet-gelovige confraters spraken hem nauwelijks tegen. Maar de scherpste kritiek kwam van de auteur zelf, die zijn kunstenaarsroman 1946 in een krantenartikel verwierp. Naarmate hij zijn romantische ideeën uitzweette, ging Boon zich steeds meer over Abel Gholaerts schamen: “Als nu iemand over dat boek spreekt, zoek ik een gat om in weg te kruipen... maar ik zou beter doen een gat te graven en daarin alle nog overgebleven exemplaren voorgoed weg te stoppen.” Tekenend was ook het feit dat de schrijver zich lange tijd verzette tegen een heruitgave van zijn profetische werk, omdat, zo getuigde zijn eerste uitgever, “hij voor zijn tekst niet meer kon instaan”. De visionair Lowie Boon had zich inmiddels omgeschoold tot de lucide voyeur Boontje, die besefte dat hij nooit het Ganse Leven zou kunnen omvatten. Maar “er blijft de smalle troost dat hij geniaal zal zijn in bijkomstigheiden”. Als geen ander wist deze anti-Lowie de kleine en ogenschijnlijk onbelangrijke dingen des levens te duiden als symptomen van een lelijk woekerende beschavingsziekte, die hij het naar schoonheid smachtende publiek vervolgens onder de neus wreef. In dat tegendraadse realisme zag Boontje zich aanvankelijk gesteund door het werk van Picasso, halverwege de jaren vijftig had Van Gogh definitief voor hem afgedaan: “Wij maken in onze geestelijke kinderjaren de Van Goghziekte mee, gelijk de mazelen. Een ongevaarlijke ziekte trouwens, als wij er een paar dagen binnen in huis mee blijven.”
Pas in 1968 stemde Boon, schoorvoetend, toe in een tweede druk van zijn kunstenaarsroman: “Ik was toen nog zo: een schilder kon alleen maar groot zijn in mijn ogen als hij ook nog krankzinnig was. Ik weet nu beter”. Een derde druk van Abel Gholaerts verscheen in 1975, wederom met een verontschuldigend voorwoord van de auteur, dat, samen met de vorige proloog, eveneens in de bundel Het vroege werk (1978) werd afgedrukt. Een heruitgave van dit duivels sombere boek behoeft evenwel geen excuses. Want Abel Gholaerts mag dan al berusten op de genialiteitswaan van zijn schepper en gebukt gaan onder zwart-romantisch pathos, anderzijds staat de “suggestieve akeligheid” waarvoor een ‘volksverbonden’ criticus Boon destijds gispte garant voor een van de meest intrigerende werken die deze ongeneeslijke Volksschädling heeft geschreven.

Bovenstaande tekst, een samenvatting van de bijdrage ‘Krak krak boem. Kleine Apocalyps (ii)’, die gepubliceerd werd in De kantieke schoolmeester, 6/7 (december 1994/januari 1995), p.91-384, verscheen voor het eerst als nawoord bij de herdruk van Abel Gholaerts (20014) in de reeks Salamander Klassiek.