[3] Rik Hemmerijckx [Boon en De Jonge Generatie: De avend vraagt U]
< BACK]
LOWIE BOON
-->De avend vraagt u'
REF/
http://www.booncentrum.be/ids/artikel/10_11_01.htm



 


In december 1933 verscheen in De Jonge Generatie, het blad van de Vlaamse Arbeiders-jeugd, een merkwaardige literaire bijdrage. Het stukje droeg als titel ‘De avend vraagt U’ en werd er voorgesteld als een romanfragment geschreven door ‘'n jonge proletariër’
[1]. Het was ondertekend door een zekere Louis Boon uit Aalst. De lezer van toen zal het zich uiteraard niet hebben gerealiseerd, maar het gepubliceerde fragment was niets minder dan het debuut van het buitenbeentje van de Vlaamse literatuur: Louis Paul Boon. Deze publicatie, tien jaar voor zijn officiële debuut - De Voorstad groeit (1943) - roept uiteraard heel wat vragen op, maar werpt niettemin een nieuw licht op de literaire activiteiten en het milieu waarmee de jonge Boon in contact stond.

Boon werkte in die jaren als verversgast voor zijn vader, maar tegelijk koesterde hij een romantische schrijvers- en kunstenaarsdroom. Begin 1928 was hij van de Middelbare en Hoogere Technische School gestuurd omdat hij ‘verboden boeken’ aan zijn  klasgenoten had getoond. Daarop had hij zich laten inschrijven aan de stedelijke Academie voor Schoone Kunsten. Eerst volgde hij daar de avondlessen sierschilderen, ‘houten’ en ‘marmeren’, maar enige tijd later mocht hij ook een namiddagcursus kunstschilderen volgen. Deze periode is slechts van korte duur geweest - door de arbeidsongeschiktheid van zijn vader zag Louis zich reeds in 1929 verplicht om te gaan werken als schilder - maar zijn kortstondige verblijf aan de academie is niettemin bepalend geweest voor de ontwikkeling van de jonge Boon. Zijn contacten met het academiemilieu openden een nieuwe wereld en werkten stimulerend op zijn intellectuele en creatieve ontwikkeling. Hij sloot er een hechte vriendschap met Maurice Roggeman en in hun gesprekken lieten zij zich meeslepen in eindeloze discussies over de Kunst, de literatuur, de film en de grote maatschappelijke problemen. De kunstenaars- en schrijversdroom heeft Boon nooit meer losgelaten. Zo is hij er in het begin van de jaren '30 toe gekomen een eerste roman op papier te zetten: Onbekende Stad. Het is uit dit verloren gegaan manuscript dat in 1933 een fragment werd opgenomen in een jongerenblad, waarvan er waarschijnlijk slechts twee nummers werden gepubliceerd: De Jonge Generatie[2]Dat dit sindsdien vergeten fragment precies daar opdook is minder toevallig dan het lijkt. De Jonge Generatie fungeerde als blad van de Vlaamse Arbeidersjeugd en werd uitgegeven door Boons stadsgenoot Bert Van Hoorick, de charismatische leider van de Aalsterse jongstudenten-beweging van het Algemeen Vlaams Studentenverbond (AVS)[3]ont-family:Verdana;'>. De gewestelijke afdeling Aalst van het AVS, het AVSGA, was gegroeid uit de in mei 1929 opgerichte Iweinkeerlen, een groepering van flamingantische Atheneumleerlingen. Die wensten zich op te stellen boven de politiek-ideologische tegenstellingen, maar waren wel Vlaamsgezind en hadden hun lokaal in het Vlaams Huis, het plaatselijke bastion van de Vlaams-nationalisten en gewezen daensisten. In het beschermcomité van het AVSGA prijkte onder meer de naam van Ernest Van den Berghe, de drijvende kracht achter het Vlaams Front - Christene Volkspartij. De groep telde aanvankelijk een twintigtal leden, maar mede onder impuls van de charismatische Van Hoorick groeide de aanhang van het AVSGA tot een honderdtal leden. Vanaf mei 1931 werd het blad Noodhoorn gepubliceerd als ledenblad van het AVSGA. In de traditie van Rodenbachs Blauwvoeterie kende de jongstudentenbond een actief verenigingsleven: lezingen, liedavonden en feestvergaderingen volgden elkaar op. Het hoogtepunt van deze activiteiten was zonder meer een herdenkingsavond rond de figuur van Albert Rodenbach. In dit tijdsgewricht, getekend door economische crisis en ontwrichting der maatschappelijke waarden, leefde het cultuurpessimisme op als nooit te voren. In hun geschriften zetten deze jongeren zich radicaal af tegen de massacultuur en het heersende materialisme. De roep om te breken met de bestaande maatschappij klonk luider dan ooit:

‘Het wordt tijd dat we in Vlaanderen onze jonge lijven te weer stellen tegen het neerhalende materialisme, tegen de al te gelijkmakende invloeden van de huidige halfslachtige, zichzelf overlevende maatschappij. Het wordt tijd dat we de banden breken die de vrijheid van ons land ketenen en die ons binden aan het inhoudsloze en betekenisloze van het sleurleven, de boeien die ons oud maken vòòr we ooit jeugdig en geestdriftig en onstuimig zijn geweest, die ons laten opgroeien tot krenterige, pietluttige kleinburgertjes, kruideniers en makelaars in koffie van de Lauriergracht nummer 37. Het wordt tijd dat we afbreken met al wat onnatuurlijk is. Het is tijd dat we nieuwe mensen worden in 'n nieuwe gemeenschap.’[4]

Met zijn radicaal discours wist Van Hoorick zich meteen op te werpen tot één van de ideologen van de vrije jeugdbeweging. ‘Nieuwe mensen’ worden in een ‘nieuwe maatschappij, daar was het Van Hoorick om te doen. Van de in zichzelf gekeerde en zich in hol materialisme wentelende oudere generatie moest niets meer verwacht worden: alle hoop op verandering moest uitgaan van de jeugd, en dan meer bepaald van de jeugdbeweging. Die vormde de incarnatie van alle idealen en waarden die de nieuwe maatschappij moest gaan bezielen. De jeugdbeweging die Van Hoorick voorstond was er wel één van een bijzonder type: het moest een vrije, zeg maar alternatieve jeugdbeweging zijn in de traditie van de Duitse Wandervögel. Meisjes en jongens moesten er in een ongedwongen sfeer hun jeugdbewegingsideaal kunnen beleven. Coëducatie werd er volop gepropageerd en wars van een bekrompen moraal moest ook het naakte lichaam geherwaardeerd worden. Tegenover de verstedelijkte massacultuur en het nalopen van gecommercialiseerde trends predikte men een terugkeer naar de natuur. Tegenover de banale chansons en tribale jazzklanken stelde men de traditionele Vlaamse volksliederen en reidansen. Een zeker ascetisme was hen bovendien ook niet vreemd: tabak en alcohol waren uit den boze, het vegetarisme werd gepromoot en de extreme jeugdbewegers wezen zelfs het eten van snoepgoed af.

Gedurende de crisis van de jaren dertig en door de confrontatie met de sociale ellende van de werklozen zal Van Hooricks kritiek op de massacultuur een meer sociaal-maatschappelijke en expliciet antikapitalistische invulling krijgen. De vrije jeugdbeweging mocht niet verglijden in escapisme maar moest naar de maatschappij toegaan en haar sociale rol waarmaken: ‘we hebben niet tot regel de maatschappij te vluchten om te gaan dromen in 'n manenacht van de wereld die toch zo schoon zou kunnen zijn... maar we dienen midden in het ruwe leven te staan; midden in die maatschappij moet we het sosiale vraagstuk oplossen.’[5] Het was een onverholen pleidooi om naar het volk toe te gaan.

In deze woelige jaren was het AVSGA een smeltkroes geworden waar soms zeer tegenstrijdige ideeën en gedachten een voedingsbodem hadden gevonden. Eén van de figuren die in deze ontwikkelingen een voortrekkersrol heeft gespeeld was niemand minder dan Karel Geeroms, beter bekend als Veenmanneke in Boons romans. Als verantwoordelijke voor de kern ‘internationalisme’ en ‘kunst’ ontpopte deze zich tot een propagandist van de moderne kunststromingen en gaf hij blijk van een uitzonderlijke kritische geest. Het was eveneens door zijn toedoen dat er zich binnen het AVSGA een radicalisering voordeed, waarbij men steeds explicieter afstand begon te nemen van het romantisch flamingantisme: ‘Ik wou 'n vereniging... niet van romantiekers, maar van mensen die rekening houden met de werkelikheid. Een vereniging van moderne mensen. Het is belachelik in de 20e eeuw de prinsiepes van Breydel te huldigen. Het is even belachelik de prinsiepes van Rodenbach te huldigen.’[6] Geeroms wordt dikwijls afgeschilderd als een zonderling, maar Van Hoorick stond niet afkerig tegenover zijn ideeën en zij zullen mede de basis vormen om zijn ‘nieuwe mens’ gestalte te geven. Toen Van Hoorick in de zomer van 1932 het bestuur van het overkoepelend AVS overnam werd Geeroms zijn secondant. De figuur van Geeroms zal Boon in hoge mate intrigeren, niet alleen omwille van zijn politiek-filosofische ideeën (hij was onder meer nogal begaan met het boeddhisme), ook door zijn esthetische opvattingen: ‘Vroeger gold de leus: “Kunst om de Kunst”. Tans niet meer. Kunst om de kunst, dat is: iets scheppen heel eenvoudig om de schoonheid, zonder meer. Dat is verkeerd. Wanneer Van Gogh zijn “Zonnebloemen” schilderde deed hij dat niet om die bloemen maar om iets te zeggen. Hij deed dat niet op bevel want iets wat niet spontaan (is) ontstaan is geen kunst, alleen techniek. (...) Wat geeft het hoe een werk gemaakt is als het leven, gedachte ontroering brengt. Zulk een werk wordt dikwels aanklacht, zelfs revolutionair. Daar houdt de doorsnee-burger niet van. Hij leest niet graag een boek over een abnormale en hangt niet graag aan zijn muren de menselijke miseries.’[7]

Geeroms ideeën waren tekenend voor een linkse radicalisering die de groep rond Van Hoorick doormaakte. Het AVSGA bleef evenwel een voedingsbodem voor de meest extreme, soms tegenstrijdige ideeën. Het sociaal programma, met zijn uiteenzettingen over een “organokratie”, kon zonder meer in de rechts-autoritaire hoek geplaatst worden. Maar daarnaast gaven deze jongeren ook blijk van een onmiskenbare fascinatie voor de jonge Sovjetstaat. Naast een antisocialistisch discours werden in Noodhoorn ook uiteenzettingen gepubliceerd over het vrijheidsnationalisme en de antikoloniale bevrijdingsstrijd. Van Hoorick was die links-radicale ideeën niet ongenegen, en liet zich graag inspireren door het ethisch socialisme van de Nederlandse AJ-leider Koos Vorrinck, maar op politiek-ideologisch vlak hield hij zich eerder op de vlakte: “Als het gruis van 't kapitalisme zal weggeruimd zijn en de bodem vlak! Wat dan? Socialisme, fascisme, communisme? En de jeugd scharrelt in het donker. Maar 'n nieuwe generatie (...) treedt vooruit als 'n witte liefdeengel en klaroent de blijde komst, de nieuwe gemeenschap (...). Uit onze blikken glanst reeds het morgenland, glanst reeds de blijde toekomst, helder en rein. Al hebben de ouderen de ervaring van 'n gans laven op ons voor, wij toch bezitten de stroom, de stuwing van het gevoel, dat zal leiden naar het utopia der ideaallozen.”[8]

Een utopia der ideaallozen? Het klinkt als een contradictio in terminis, maar de uitdrukking is wel tekenend voor de nog onbestemde politiek-ideologische identiteit van deze jongstudenten. Ondertussen kreeg de ‘nieuwe gemeenschap’ gestalte in het lokaal dat het AVSGA had ingenomen in het Vlaams Huis. Elke week kwamen de jongeren rond Van Hoorick er samen. In grote letters was er het volgende opschrift aangebracht: “Het nieuwe heil komt van de gemeenschap”. De gemeenschapsgeest vond echter zijn ultieme uitdrukking in de oprichting van een jeugdherberg. Met vereende krachten had men in het voorjaar van 1932 een oude verwaarloosde houten barak, gelegen achter het Erembodegemse Vlaams Huis, omgebouwd tot een jeugdverblijf. De jeugdherberg werd in aanwezigheid van de tenoren van het Aalsters Vlaams-nationalisme in mei 1932 ingehuldigd en droeg de naam “Jeugdvonk. Alhoewel Boon het Vlaams Huis wel eens frequenteerde, maakte hij geen deel uit van Van Hooricks groep. Van augustus 1932 tot augustus 1933 deed hij trouwens zijn militaire dienst in de Prins Boudewijn-kazerne in Brussel. Maar van op een afstand moet Boon wel één en ander hebben gevolgd. Een paar van zijn vrienden waren actief in het AVSGA, onder wie Gaston De Roover met wie hij later nog zou samenwerken in het schildersbedrijf van zijn vader.


De groep rond Van Hoorick was oorspronkelijk nauw verweven met het sociaal-politieke leven in het Aalsterse Vlaams Huis, maar met de verrechtsing van het Vlaams-nationalisme - vanaf januari 1933 werd de aanzet gegeven tot de oprichting van het fascistische Vlaams Nationaal Verbond - kwam deze in aanvaring met de lokale partijbonzen. Na een incident waarbij Gaston De Roover een kruisbeeld van de muur zou genomen hebben werd de groep van Van Hoorick in maart 1933 uit het Vlaams Huis gezet. Het AVSGA viel onherroepelijk uiteen en ook de publicatie van Noodhoorn overleefde het conflict niet.

Tegelijk brak Van Hoorick ook met het nationaal bestuur van het AVS. Nadat hij in de zomer van 1932 de leiding van de jongstudentenbond had overgenomen probeerde hij deze tevergeefs te reorganiseren volgens de principes van de vrije jeugdbeweging. Tevens wilde hij het AVS een meer maatschappelijk geëngageerde, linkse koers laten varen. De weerstand tegen deze radicale ommezwaai bleek echter te groot. Eind 1932-begin 1933 kwam het in het AVS-bestuur tot een hoogoplopend conflict waarbij Van Hoorick zich uit de bond terugtrok.


De gedreven Van Hoorick zette door en samen met enkele gelijkgezinden richtte hij in april 1933 de Vlaams Arbeidersjeugd op. Manesching fungeerde zowat als de Aalsterse VAJ-afdeling. De groep wilde de traditie van de vrije jeugdbeweging voortzetten, maar gaf aan zijn actie een duidelijker links geëngageerd profiel. De strijd tegen kapitalisme, fascisme en militarisme werden er expliciet gekoppeld aan de Vlaams-nationale strijd en de antikoloniale bevrijdingsstrijd. Nu ze niet meer terecht konden in het Vlaams Huis hergroepeerden de jongeren rond van Hoorick zich in een nieuwe jeugdherberg die ‘De Vlam’ werd gedoopt.Dit jeugdhuis, waar onder meer Karel Geeroms een nogal opgemerkte rol heeft gespeeld,  heeft zich zo ontpopt tot één van de broeihaarden van de Aalsterse tegencultuur. De herberg-vader was niemand minder dan Maurice Roggeman. Het is dus langs deze weg dat de publicatie van Boons romanfragment mogelijk werd gemaakt. Boon zelf is in De Vlam nooit echt actief betrokken geweest - hij is er misschien één keer geweest[9]< - maar het alternatieve broeinest is in zijn latere romans wel een telkens terugkerend thema geworden. Veenmanneke kon zo uitgroeien tot die universele exponent van de non-conformistische Aalsterse jeugd uit de vroege jaren dertig.

Er is de directe link met Maurice Roggeman, maar ook op inhoudelijk vlak sluit Boons romanfragment nauw aan bij de gedachtestromingen die in de vrije jeugdbeweging van die jaren opgang maakten. Het gegeven in ‘De Avend vraagt U’ draait om twee jonge mensen, een meisje en een jongen, die eens, op een mooie lenteavond naakt gaan zwemmen. Het tafereel speelt zich af in de volle natuur, maar een voorbij denderende trein in de verte geeft aan dat de geïndustrialiseerde wereld niet zo ver weg kan zijn. Terwijl de zon ondergaat, en de stilte van de nacht over het land valt, geven de twee zich over aan een existentiële discussie over de verhouding tussen het individu en de massa. Moeten we naar de massa toegaan of moeten we onze afschuw verhullen in een zwijgzame onverschilligheid, vragen Ellie en Cipriaan zich vertwijfeld af. Het gegeven is vrij banaal, maar met enige verbeelding kan men er een metafoor in zien van de idealistische jeugd die één wilde zijn met de natuur en die zo de hoop op de wederopstanding van het avondland belichaamde.

De titel van de roman, Onbekende stad, refereert waarschijnlijk naar de Brusselse grootstad, maar plaatst zichzelf ook in de lijn van Dostojewski's Uit het duister der Grootstad, Masereels De Stad, of Van Ostaijens Bezette stad. Met zijn beschrijving van de ‘massa’ als ‘donker ding’ verwijst hij indirect naar de expressionistische romans of naar films als The Crowd van King Vidor of Metropolis van Fritz Lang[10]. Een echte maatschappelijke analyse moeten we er niet in zoeken, maar we krijgen wel de contouren van iets dat zou kunnen omschreven worden als het ‘proletariaat’.

Maar in dit jongerentijdschrift krijgt het fragment nog een bijkomende betekenis omdat het verwijst naar de vragen waar de geëngageerde jeugd van die jaren zelf mee worstelde. Hoe staan we tegenover de maatschappij? Wat is onze plaats in de maatschappij? Moeten we naar het volk toegaan? Het zijn dezelfde thema's die ook kunnen weergevonden worden in de discussies die in die jaren in het AVS gevoerd werden, en zij klinken ook door in de beschouwingen die Van Hoorick over de jeugdbeweging publiceerde. In die jaren zocht deze een antwoord voor de problemen van zijn tijd in het ideaal van de vrije jeugdbeweging, maar bij de meer individualistisch ingestelde Boon bleef een vertwijfeld pessimisme de boventoon voeren. Hij besloot zijn romanfragment met de veelzeggende woorden: “En toch zijn ook zij niet gelukkig”.Rik Hemmerijckx, AMSAB-Gent

_____________________________________________
[1]De Jonge Generatie, Maandblad voor Jeugdbeweging der Vlaamse Arbeidersjeugd, december 1933, 2, p. 9-10. (KBR-Brussel)

[2]
Naast dit ene romanfragment is er ook nog een ander fragment van Onbekende Stad bewaard gebleven. Cf. B. Vanheste, ‘Boon tussen Lao-Tze en Dostojewski: romanfragmenten uit de jaren dertig’, in: De Kantieke Schoolmeester, 1991, 0-nummer, p. 291-306.

[3]
Deze bijdrage werd geschreven op basis van een nog niet gepubliceerd artikel van Rik Hemmerijckx, ‘Bert Van Hoorck: van anti-Belgicistisch flamingant tot Vlaamsvoelend socialist’, te verschijnen in Wetenschappelijke Tijdingen.

[4]
B. Van Hoorick, Jeugdbeweging, Aalst, 1932, p. 21.

[5]
Opkomst, juni-juli 1932, 9-10, p. 11.

[6]
Noodhoorn, juli-augustus 1932, 8-9, p. 37.

[7]
Noodhoorn, III (1932), 1 (oktober), p. 21.

[8]
3e jaarboek van het AVSGA voor het jaar 1933, Aalst, 1932, p. 10-11.

[9]
H. Leus en J. Weverbergh, Louis Paul Boonboek, Antwerpen/Amsterdam, 1981, p. 40; W. Roggeman, Wie waren Boontjes personages? in: Maatstaf, XXVIII (1980), 5-6 (mei-juni), p. 19.

[10]
Bart Nuyens, Louis Paul Boon en de (stille) film, Antwerpen, 1998, p. 31-39.