[2] Yves T'Sjoen [Een completer overzicht van Minnes avontuurlijke bokkesprongen
.Onbekende verhalen van Richard Minne in het Gentse universiteitsarchief]
< BACK]
REF/
http://www.booncentrum.be/ids/artikel/12_11_01.htm


 


In een omvangrijk dossier met tekstgenetisch materiaal van Richard Minnes enige roman Heineke Vos en zijn biograaf (1933), in oktober 1968 aangekocht door en sindsdien bewaard in het Gentse archief van de Vakgroep Nederlandse literatuur, is recent vooralsnog onbekend verhalend werk van de Gentse schrijver opgedolven. Sinds de uitgave van Minnes Verzamelde verhalen (1995) zijn  na archiefonderzoek en door gelukkig toeval verspreid gepubliceerde verhalen teruggevonden.[1] Voor het eerst zijn nu verhalen opgedoken die vermoedelijk bestemd waren voor “een modest boekje” begin jaren dertig, maar die uiteindelijk op twee uitzonderingen na niet zijn voltooid, ongepubliceerd bleven en eerlang zullen worden gebundeld.

Het belang van deze ‘ontdekking’ voor de studie van het leven en werk van Minne (1891-1965) is de correctie van een hardnekkig clichébeeld. Tussen 1929 en 1931 zou de non-conformistische schrijver zich in “een vacuüm” hebben bevonden.[2] Uit de studie van het ontstaan van deze verhalen en uit de eerste bevindingen van verder archiefonderzoek[3] blijkt dat Minne na zijn verhuis van het Meetjeslandse boerenerf naar Sint-Martens-Latem (in augustus 1928) nog boordevol plannen zat en hij tegen wil en dank, op aandringen van Raymond Herreman, bleef schrijven. Onder de roede, zoals steeds, geknecht en gegeseld. Minne wierp zich sinds enkele jaren op het proza, niet langer op de poëzie. In 1929 is ‘De neef uit Kongo’, een jaar later ‘De lijkrede’ en in 1932 de herschreven versie van het Regenboog-verhaal ‘Het gestoorde feest’ in Groot Nederland gepubliceerd.[4] Op dat ogenblik werkte Minne aan nieuw verhalend proza. Dat in 1930 “de bodem van de put met inspiratie”[5] niet in zicht was, zoals uit de schaarse literaire publicaties uit die tijd zou kunnen blijken, wordt door deze nieuwe vondsten tegengesproken.

Het hoofdpersonage in Minnes roman Heineke Vos en zijn biograaf mijmert over zijn literaire productie en de moeizame schrijfarbeid die eraan vooraf gaat: “Ik wroet op mijn eentje en schrijf, zoo klinkt het niet zoo botst het, nu een schuifje en dan een schuifje. De eenheid tusschen al die schuifjes is ver te zoeken. Ik laat het aan den lezer over ze samen te lasschen lijk hij wil. Het staat vrij aan hem ook, het boekje onderste boven of achterste vóór te lezen en er puzzle’s in te zoeken”.[6] Die biografisch geïnspireerde passage, in een overigens méér dan geromantiseerde autobiografie, heeft onmiskenbaar een poëticale implicatie. De roman is in de contemporaine kritiek vrij negatief onthaald: Minnes “roman-in-schuifjes”, fragmentarisch opgebouwd en opgesierd met talrijke literaire reminiscenties (eerder is al gewezen op de invloed van Charles de Costers La légende d’Ulenspiegel, Gogols Uit het dagboek van een krankzinnige, het Nederduitse Reineke Fuchs, enzovoorts)[7], bleef volgens critici in de goede bedoelingen en de Spielerei steken.[8] Dit avontuurlijke romanexperiment, waar de schrijver meer dan tien jaar over heeft gedaan en waaraan hij zoals de protagonist met tussenpozen heeft gezwoegd en gewroet, is eerst gepubliceerd in het belangrijke interbellumtijdschrift Forum, en kort daarna in het fonds van Nijgh & Van Ditmar.[9] In de jaren zestig verscheen nog een tweede druk, nadat Manteau waarschijnlijk in 1941, mogelijk in 1942, de resterende oplage van de eerste druk met imprint op de Vlaamse markt had gebracht.[10] De roman van de dichter Richard Minne is altijd in de schaduw van de dichtbundel In den zoeten inval (1927) en de Staatsprijswinnaar Wolfijzers en schietgeweren (1942) blijven staan.

Na de voltooiing van de historisch-kritische editie van Minnes volledig dichtwerk leek het me wenselijk de boeiende ontstaans- en publicatiegeschiedenis van Heineke Vos en zijn biograaf te beschrijven.[11] In het Schellebelse Minne-archief[12], vorig jaar aangekocht door het AMVC, zijn drie proeven van de voorpublicatie in Forum, de blauwdruk van de roman bij Nijgh & Van Ditmar en het contract tussen uitgever en auteur gevonden. In het archiefgedeelte in Gent worden verschillende handgeschreven versies van hoofdstukken uit de roman geconserveerd. Vaak zijn de nethandschriften ingrijpend bewerkt: het overgeleverde materiaal biedt niet alleen inzage in een gecompliceerd proces van tekstuele veranderingen, ook de structurele of compositorische verschuivingen kunnen in kaart worden gebracht. Het inventariserende archiefonderzoek leverde vier prozafragmenten op die op geen enkele wijze in de tekstgeschiedenis kunnen worden ingepast. Ofschoon de fragmenten in eenzelfde ductus op gelijksoortig papier zijn geschreven, moeten ze buiten de tekstgenese van Heineke Vos en zijn biograaf worden gehouden. Het gaat om vier verhalen die Minne wellicht eind jaren twintig, ten laatste begin jaren dertig heeft geschreven, en die in twee gevallen niet zijn gecompleteerd. En net zoals de tijdens Minnes leven wel gepubliceerde verhalen maakt dit werk aanspraak op Louis Paul Boons vaak geciteerde lauwerkrans: “Minne [kan] er u, gelijk een stuk vergeten prikkeldraad, bij in de keel schieten”.[13]

Twee jaar nadat Minne zich had voorgenomen zijn proza te bundelen, naast de uitgave van Heineke Vos en zijn biograaf, schreef hij aan zijn vriend Raymond Herreman: “Als ik al mijn proza samenraap dan kom ik tot ± 150 blz. Is dat voldoende voor een boek? Veel eenheid zal er niet insteken meen ik. ’t Is meer een samenraapsel van experimenten, een overzicht van mijn bokkesprongen. Zou er daar een uitgever voor te vinden zijn?”.[14] Nadat de Nederlandse uitgever Stols bij Minne in diskrediet was geraakt, en nadat de bibliofiele reeks ‘Luchtkastelen’ (1928-1932) door de Gentenaar als een “patriciërsuitgave” werd neergesabeld[15], liet Minne voortaan zijn verhalen in financieel interessante Nederlandse tijdschriften verschijnen (onder andere de door bemiddeling van Buysse verschenen verhalen in Groot Nederland). In het voorjaar van 1930 leek het Minne menens. Nog vóór de schrijver uit materiële noodzaak in dienst trad van de Gentse socialistische krant Vooruit, maakte hij nieuwe plannen voor de uitgave van zijn roman, van “een tiental reeds verschenen schetsen, voorzien van een inleidend mea culpa”. In een brief aan Herreman had Minne het over “een modest boekje” met verhalen. Hij hoopte verder in de winter van 1930 alvast een nieuwe titel te kunnen aanbieden: “De Dichter op den Boer (Waerschootsche overpeinzingen en experimentjes). 2) Voor 1931: Herinneringen van een Hansworst. 3) Voor ’32: Edmond Picavet et fils, tapissiers. Geloof me, ’t is zoo ernstig als ’t maar zijn kan”.[16] Geen van die plannen is ook gerealiseerd. Alleen van de Herinneringen zijn enkele variante lezingen overgeleverd.[17] Hieruit is echter niets in druk verschenen.

Tegen de achtergrond van die brieffragmenten en met kennis van grafisch-materiële gegevens kan het ontstaan van de vier verhalen na de uitgave van In den zoeten inval en vóór Minnes medewerking aan de krant Vooruit (vanaf januari 1931 op de documentatie-afdeling) worden gesitueerd.

Over welke onbekende verhalen gaat het nu? In ‘Mr. G.D.R.’ portretteert een ik-verteller met ironische panache een kleinburgerlijk individu, “een monistisch fragment”, die het volgens de verteller wel tot “lokaal heilige of agent der geheime brigade” kan schoppen.[18] Léon B…, “jonggezel, vijf en veertig zomers”, het centrale personage in ‘Een vervelende Zondag of hoe men schrijver wordt’, brengt menig uur in ledigheid door en zoekt divertissement in de schone letteren. Een zinsnede in de ‘Almanak der Familie’, zijn uitverkoren lectuur en “de encyclopedie des volks” genoemd, met name de hem zinnenprikkelende frase “Vrouwen zijn meesteressen van hare woorden, maar hoogst zelden van hare bewegingen en handelingen”, brengt hem compleet van zijn stuk. Hij komt in conflict met zichzelf, vertrouwt zijn hoogstpersoonlijke besognes aarzelend toe aan het papier. Ook Léon, “bureel-onderoverste in eene onzer belangrijkste administratie’s”, wordt net als Mr. G.D.R. door de verteller ongenadig in zijn hemd gezet[19]. Dit tweede verhaal is onvoltooid gebleven, net zoals ‘Herman Quaghebuer of het Parlementarisme’.[20] In Quaghebuer, getooid met Mac Farlan en lange haren, wordt een personage gestalte gegeven dat voor zijn wispelturigheid en onstandvastigheid een uitweg zoekt in de poëzie en in het socialisme. Immers, “een geweldige innerlijke drang bracht hem aan de poort van het socialisme”. Net zoals de auteur van het verhaal koestert Quaghebuer een bewondering voor Heine, en precies zoals Minne wijdt hij zich aan de studie. Hij tracht de brug tussen wetenschap en kunst te slaan, en koestert zich in de geborgenheid van een groepje outcasts dat zich in het Volkshuis over maatschappelijke en economische toestanden buigt. In dit verhaal horen we onmiskenbaar een echo van Minnes lidmaatschap van een besloten, orthodox-marxistische studiekring in Gent, als politiek militant van de Socialistische Jonge Wachten. Die S.J.W., de jongerenbeweging binnen de socialistische partij B.W.P., zou zich tijdens de Eerste Wereldoorlog afscheuren en werd na een escalerend conflict uit de partijlokalen van de Gentse socialisten gezet. Minne heeft zich jaren na het voorval niet meer uitgelaten over die ongetwijfeld pijnlijke confrontatie met het politieke establishment, en zijn groeiende aversie tegenover het gekrakeel. Het vierde verhaal, ‘Hoe Valentine Paepmans de jonge Vermeulen verleidde’, vertelt de geschiedenis van de zevenendertigjarige maagd en weinig aantrekkelijke vrouw Valentine, die alleen verboden boeken leest en in haar dromen proeft van de vleselijke lusten.[21] Tot ze op een avond de jonge Rafaël Vermeulen uit zijn lectuur van Zola haalt. Vanaf dat moment “hadden beiden het gevoel dat er gewichtige dingen gingen gebeuren”. En hoewel dit verhaal als met “een hamerslag op een kaartenhuis” (Brouwers) is afgerond, laat de verteller in het open einde alle ruimte voor de verbeelding van de lezer. Zoals in de beste verhalen van Minne wordt ook in deze vier het monotone, verveelde bestaan van de personages overhoop gehaald door de abrupte verschijning van het noodlot, of van de verwondering. Een toeval bruuskeert hun gezapige, kabbelende leventje, en ‘opent een afgrond’ waarna het verhaal in allerijl naar zijn eind loopt. In de zakelijke, sceptische beschrijvingen toont Minne zich inderdaad de “wat boerse broer” van Willem Elsschot.[22]

Over Minnes sfeer- en karakterschetsen schreef Jeroen Brouwers terecht: “De ‘anekdote’ is doorgaans teleurstellend en maakt een afgeraffelde indruk, maar de vertelstijl is fonkelend, beeldend en zinnelijk […]”.[23] Die beschouwing is zonder twijfel ook van toepassing op die vier onbekend gebleven verhalen. De magere parafrase van ‘de anekdote’ in de zorgvuldig bewerkte en gestileerde verhalen mag dit illustreren.

Zoals Heineke Vos in het inleidende fragment vertelde, laten ook andere personele en alwetende vertellers het in Minnes verhalend proza aan de lezer over om “samen te lasschen”, “onderste boven of achterste vóór te lezen”.

De verhalen die ik recent aantrof, zijn beslist geen hoogtepunten in Minnes oeuvre. Over de enkele jaren geleden gebundelde verhalen, veeleer schetsen of cursiefjes in ‘t Fonteintje die in enkele gevallen niet langer dan een twintigtal regels zijn, schreef Jeroen Brouwers al: “als filosofietje overstijgt het niet het niveau van cafépraat”.[24] Toch stijgen de teruggevonden verhalen, die duidelijk van latere datum zijn, kwalitatief uit boven de prozafragmenten die Minne vóór de oprichting van Regenboog (1918) en ’t Fonteintje (1921) in schooltijdschriften en socialistische periodieken heeft gepubliceerd. In de editie van Minnes Verzamelde verhalen zijn die vroege verhalen, die Minne zelf niet wilde bundelen in “een modest boekje” en overwegend romantisch-sentimentele en naturalistische jeugdverhalen zijn, evenmin opgenomen. Met het oog op het Verzameld werk dat Uitgeverij G.A. van Oorschot (Amsterdam) wil uitgeven, zullen ze voor de volledigheid, voor “het overzicht”, wel worden geëditeerd.[25] Naast de vroege, vooral ideologisch gekleurde verhalen, de veertien verhalen die wel in de verzamelbundel zijn opgenomen en de drie verhalen die de voorbije jaren zijn teruggevonden, zullen de vier niet eerder uitgegeven verhalen worden gebundeld. Alle stijlexperimenten (onder meer ook gepubliceerd in het letterkundige Zondagsblad, 1915-1917) en al dan niet voltooide verhalen samen vormen inderdaad een karakteristiek overzicht van Minnes literaire “bokkesprongen”.[26] In het Verzameld werk zal vanzelfsprekend ook Heineke Vos en zijn biograaf worden opgenomen, waarvan de geëditeerde tekst op tekstvergelijkend onderzoek zal zijn gebaseerd. De fijnproever van Richard Minnes literaire werk moet ik verzoeken nog enige tijd geduld te bewaren: de vier verhalen waar we tot vandaag het bestaan niet van konden vermoeden, zullen voor het eerst in de verzameld werk-editie worden uitgegeven. De leeseditie van de verhalen, waarvan verschillende, onderling soms zeer afwijkende versies zijn overgeleverd, vergt nog meer tekstgenetisch onderzoek. Zodra de wetenschappelijke studie is beëindigd, kunnen de resultaten van dit arbeidsintensieve en voor diverse disciplines revelerende onderzoek (poëticaal, biografisch, tekstgenetisch) worden vrijgegeven.

Yves T’Sjoen.

Donderdag 10 mei werd in het kunstencentrum Vooruit (Gent) een vuistdikke levensbeschrijving van Minne voorgesteld. De Nederlandse auteur Marco Daane presenteerde zijn biografie De vrijheid nog veroveren. Richard Minne 1891-1965, die in de reeks ‘Open Domein’ (De Arbeiderspers) verscheen. In 2001 zijn zowel een proefschrift over de ontstaansgeschiedenis van Minnes integrale poëtische oeuvre (Universiteit Gent) als een biografische studie voltooid, maar de gedichten van Minne zijn sinds enkele jaren - behalve antiquarisch - niet meer beschikbaar. De tweede druk van In den zoeten inval en andere gedichten (1978) is na bijna twee decennia eindelijk uitverkocht. Momenteel is alleen een selectie uit de verhalen (Verzamelde verhalen, ed. M. Daane en Y. T’Sjoen, G.A. van Oorschot, 1995) voorradig. Binnen afzienbare tijd zal een kritische leeseditie van Minnes verzameld werk door Van Oorschot worden bezorgd.


_____________________________________________

BOONCENTRUM bibliografie

[1] De volgende verhalen zijn door Marco Daane opgespoord en bleven vooralsnog ongebundeld: ‘Fragment uit “Kermis”’, in Vlaamsche Zonen 2 (1909), afl.6 (mei 1909) en ‘Geschiedenis van een bolhoed’, in Snoeck’s grote Almanak voor 1954 31 (1954), p.97-102. ‘De wraak van Meneer Lucace’ (in ABC, 5 november 1944) is postuum gepubliceerd in Tirade 370 (september 1997), p.333-338.

[2] Zie Marco Daane, ‘Gelijk teken, die te lang in de zon hebben gelegen’, in Gent, de dubbelzinnige. Ed. M. Daane en D. Leyman. Bas Lubberhuizen, Amstelveen, 2000, p.191-209, p.191 (reeks: ‘Het Oog in ’t Zeil. Stedenreeks’). In de biografie nuanceert Daane dit beeld (vgl. ook met p.221): Minne verkeerde in die periode in een wisselende gemoedstemming. “De kwestie was dat Minne te véél en te vaak nadacht”, noteert de biograaf. Voorjaar 1930 zou de schrijver “koortsachtiger en geagiteerd” optreden. Marco Daane, De vrijheid nog veroveren. Richard Minne 1981-1965. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2001 (reeks: ‘Open domein’), p.215-221.

[3] Momenteel loopt een onderzoek naar het ontstaan van Richard Minnes feuilleton ‘Brieven van Pierken’, dat vanaf 18 juni 1931 in Koekoek, Humoristisch weekblad van Vooruit, is verschenen. Op 11 juni is ‘Ik en mijn eerste koomune’ gepubliceerd, zonder de rubriekstitel. Het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (KANTL, Gent) bereidt tegen najaar 2001 een geannoteerde editie van Minnes ‘Brieven van Pierken’ in Koekoek (1931-1935) voor.

[4] Over de ontstaans- en drukgeschiedenis van de verhalen, zie Richard Minne, Verzamelde verhalen. Ed. M. Daane en Y. T’Sjoen. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1995, resp. p.120-122 en p.123-127. Raymond Herreman zorgde ervoor dat ‘De neef uit Kongo’ bij Frans Coenen, redactiesecretaris van Groot Nederland, terechtkwam. ‘De lijkrede’ en ‘Het gestoorde feest’ zijn wellicht door bemiddeling van Cyriel Buysse ter redactietafel beland. Daane vermeldt in zijn biografie dat Minne “zelf de verhalen alsnog naar Groot Nederland stuurde”, nadat Herreman te lang zou hebben getreuzeld met het doorsturen van ‘De lijkrede’ en ‘Het gestoorde feest’. Er zijn nochtans aanwijzingen dat Minne hiervoor Buysse contacteerde (Brief, Minne aan Herreman, AMVC M656B, 88832/158, d.d. 17/06/1930). Zie ook: Yves T’Sjoen, ‘Van hoogten en laagten. Over Richard Minne en Cyriel Buysse’, in Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap, deel X, Gent, 1994, p.7-30, p.22-23 en Marco Daane, De vrijheid nog veroveren, p.208-209, p.219 en i.h.b. p.223.

[5] Zie ook noot 2. Daane schrijft in de biografie: “Gedurende 1930 verdween niet alleen de laatste progressie uit Minnes schrijversloopbaan, maar begon hij ook steeds nadrukkelijker te beseffen dat zijn geldkist niet bodemloos was”. Daane, De vrijheid nog veroveren, p.221.

[6] Richard Minne, Heineke Vos en zijn biograaf. Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam, 1933, p.15-16.

[7] Dina van Berlaer-Hellemans, ‘Het spel met traditie en romanvorm in Heineke Vos en zijn Biograaf’, in Rondom Richard Minne. Red. D. van Ryssel. Nijgh & Van Ditmar/J. Sonneville, ’s-Gravenhage/Rotterdam/Brugge, 1971, p.207-225, p.211-212 (reeks: ‘Nijgh & Van Ditmar Paperbacks’).

[8]Enkele contemporaine krantenrecensies die in een receptiehistorische studie zullen worden betrokken: De Boekuil [Raymond Herreman], ‘Heineke Vos’, in Vooruit, 4 december 1933, ‘Betrouw u niet…’, in Vooruit, 5 december 1933* en ‘Apokalips’, in Vooruit, 9 december 1933*; Ferd. De Smedt, ‘Een boekje dat zijn weg zal vinden. De looze vertelling van Heineke Vos’ leven’, in Vooruit, 17 november 1933*; Gust van Hecke, ‘Heineke Vos en zijn biograaf door Richard Minne. Levensboek van de verlatenheid eener jeugd, die zich niet aanpassen kon’, in Vooruit, 19 november 1933*; Maurice Roelants, ‘Twee boeken met gal en edik: “Heineke Vos” en “Kaas”’, in De telegraaf, 21 december 1933*; Joh. De Maegt, ‘Twee Prozawerken van Vlaamsche Schrijvers. Richard Minne en Ernest Claes’, in Het laatste nieuws, 28 december 1933*; Menno ter Braak, ‘Reacties op de Vlaamse leutigheid’, in Het Vaderland, 14 januari 1934 [opgenomen in: Verzameld werk. Amsterdam, 1949-1951, deel V, p.72-78]. Van latere datum zijn: Raymond Brulez, Ecrivains flamands d’aujourd’hui. Brussel, 1938, p.162-169 en M.K., ‘”Heineke Vos en zijn biograaf”’, in De Gentenaar, 22 november 1946*. Alle vermelde knipsels uit Minnes nalatenschap (aangeduid met een asterisk) bevinden zich in de Minne-collectie van de Vakgroep Nederlandse literatuur, Universiteit Gent. Daane somt ook nog de volgende kranten- en tijdschriftrecensies op: Herman Robbers, in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 44 (1934), afl.4 (april), p.283-284; Toussaint van Boelaere, in Algemeen Handelsblad, 19 mei 1934 [opgenomen in: Litterair scheepsjournaal. Brussel, 1939, p.254-256]; [anoniem], in De tijdstroom 4 (1934), afl.8 (mei), p.381; [anoniem], in Het laatste nieuws, 28 december 1934. Zie Marco Daane, De vrijheid nog veroveren, p.480-481 [noot 82].

[9] Zie Yves T’Sjoen, ‘Richard Minnes publikaties in Nederlandse periodieken’, in Van sneeuwpoppen tot tasmuurtje. Aspecten van de Nederlandse Taal- en Literatuurstudie, Spieghel Historiael 33 (1992), p.161-185, p.174-183.

[10] Ernst Bruinsma en Jan Stuyck, Literaire kwaliteit was de enige norm. Fondslijst Uitgeverij A. Manteau. Les Editions Lumière 1938-1955. L.P. Boon-documentatiecentrum, Universiteit Antwerpen, 2000, p.56 [nummer 81].

[11] Ongepubliceerde doctoraatsverhandeling van Yves T’Sjoen. In duizenden varianten. Historisch-kritische editie van Richard Minnes Gedichten (promotie: Universiteit Gent, 2 februari 2001). Van Heineke Vos en zijn biograaf wordt een wetenschappelijk verantwoorde leesuitgave voorbereid, die in de Verzameld Werk-editie zal worden opgenomen. De resultaten van het tekstvergelijkend onderzoek en de reconstructie van de publicatiegeschiedenis worden separaat gepubliceerd.

[12] Zie een inventariserende beschrijving van Marco Daane, ‘Op des dichters ongevleugelde hielen. Onbekend archief Richard Minne gevonden’, in De parelduiker 4 (1999), afl.3, p.21-38, p.34. Over het Schellebelse archief: Yves T’Sjoen, ‘De schat van Richard Minne’, in Knack Magazine, 26 januari 2000.

[13] Louis Paul Boon, ‘Grote mannen, en hun dorp’, ‘Geniaal… maar met te korte Beentjes’, in De Vlaamse Gids, mei 1951, p.292-304, p.299. Opgenomen in Louis Paul Boon. Het literatuur- en kunstkritische werk. III. De Vlaamse Gids, L.P. Boon-documentatiecentrum, Universiteit Antwerpen, 1995, p.135-153 (reeks: ‘Boon-studies’ 4). Zie ook: Yves T’Sjoen, ‘”In elk geval, vivan Boontje!”’, in Berichten uit Boonland, 6 (2000), afl.2 (juni), p.31-55, p.38.

[14] Brief, Minne aan Herreman, AMVC M656B, 88831/62, ongedateerd [begin februari 1929]. Herreman vroeg kort tevoren naar nieuw verhalend werk van Minne: “Uw novellen.[…] Gij gingt er alle maanden een schrijven. Is het omdat ik ze niet perfect vond dat ge ’t reeds opgegeven hebt? […]”. Brief, Herreman aan Minne, AMVC H546B, 88925/136-7, ongedateerd [eind januari/begin februari 1929].

[15] “[…] Voor de serie Luchtkasteelen, van Stols voel ik in elk geval niet veel: 1°) Heineke laat ik niet afzonderlijk drukken, (dan blijf ik met de rest zitten!) 2°) ’t is zeker weer een luxe-uitgave? En daar moet ik niet van hebben”. Brief, Minne aan Herreman, AMVC M656B, 88832/202, d.d. [half] februari 1930. Een maand later schreef Minne: “Geen Stols-uitgave. Dat gaat niet voor mij. Ik kom voordeeligst uit op gazettepapier. […]”. Brief, Minne aan Herreman, AMVC M656B, 88832/203, 18 of 19/03/1930. En korte tijd later: “[…] Mijn novellen naar Stols? Wat gingen die in deze patriciërsuitgave doen? Ik zou daar zekers figureren als een ongekamden beer in een parfumeriewinkel. […]”. Brief, Minne aan Herreman, AMVC M656B, 88832/160, ongedateerd [maart 1930].

[16] Brief, Minne aan Herreman, AMVC M656B, 88832/215, [half] februari 1930.

[17] Het nethandschrift, beide typoscripten en de drie overgeleverde kladhandschriften, geconserveerd in de Universiteitsbibliotheek Gent, zijn beschreven door Anne Marie Musschoot: Pretiosa neerlandica. Schatten uit de Nederlandse Taal- en Letterkunde. Rijksuniversiteit Gent, Gent, 1988, p.204-206 [nummer 194].

[18] 1 nethandschrift, 2 vellen, 27,4 x 21,1 cm, zwarte inkt, met correcties in zwarte inkt. Rechtsboven beide bladen staat in zwarte inkt gestempeld: resp. 307 en 310 (door Minne in zwarte inkt doorgehaald). Beide bladen vertonen een verticale en horizontale vouw op het midden. Het eerste vel omvat twee papierstroken die aan elkaar zijn gelijmd.

[19] 3 nethandschriften (in chronologische volgorde van ontstaan: A, B en C). A: nethandschrift, 1 vel, 27,6 x 21 cm, zwarte inkt, met correcties in zwarte inkt, het blad vertoont een horizontale vouw op het midden. Op de versozijde staat in zwarte inkt gestempeld: 837. B: combinatie van net- en kladhandschrift, 4 vellen, 27,6 x 21 cm, zwarte inkt, met correcties in zwarte inkt en grijs potlood, de eerste drie bladen zijn beschreven op de recto- en de versozijde, alle bladen vertonen een horizontale vouw op het midden, op de bladen staan de volgende cijfers gestempeld: 1v 751, 2r 847, 3v 787, 4v 848. C: nethandschrift, 4 vellen, 27,6 x 21 cm, zwarte inkt, met correcties in zwarte inkt, alle bladen vertonen een horizontale vouw op het midden, op de versozijde van de bladen staan de volgende cijfers gestempeld: 849, 771, 770 en 769.

[20] Van dit verhaal zijn een schema en een nethandschrift overgeleverd. Het schema is geschreven op registerpapier, 23,7 x 21,5 cm, zwarte inkt, met correcties en aanvullingen in zwarte inkt en grijs potlood. DE titel luidde oorspronkelijk: Herman Duyvewaert of het Parlementarisme. Het nethandschrift omvat 7 vellen, 27,5 x 21 cm, zwarte inkt, met correcties in zwarte inkt en grijs potlood, de bladen zijn linksboven door Minne gepagineerd van 1 tot 6. Minne doorstreepte de eerste pagina en de twee eerste regels van de tweede pagina in blauw potlood. Na die correctie wijzigde hij in blauw potlood de paginering. Alle bladen vertonen een horizontale vouw. Op de bladen staan in zwarte inkt gestempelde cijfers: 1v 82, 2r 83, 3r 84, 4r 86, 5v 88, 6r 87 en 7r 89.

[21] 1 nethandschrift, 3 vellen, registerpapier, 23,4 x 21,5 cm, zwarte inkt, met correcties in zwarte inkt,  het tweede blad is ook op de versozijde beschreven.

[22] “Het is dan ook verbazend waarom Minne in Nederland niet al lang is ontdekt als de wat boerse broer van Willem Elsschot, lang niet zo geolied schrijvend als Elsschot in zijn beste werk, maar wel met dezelfde hoon. Of als de Vlaamse neef van Nescio, lang niet zo’n meester in het ‘understatement’ als Nescio, maar aangedreven door dezelfde verkropte emotie.” Jeroen Brouwers, ‘Het eeuwig verbeiden. Portret van Richard Minne’, in Vlaamse leeuwen. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 1994, p.229-239, p.232.

[23] Idem, ‘”Een overzicht van mijn bokkesprongen”. Verzamelde verhalen van Richard Minne’, in Satans potlood. Verhalen en verhandelingen, Feuilletons. Noli me tangere/Atlas, Zutendaal/Amsterdam-Antwerpen, zomer 1997, p.105-112, p.107.

[24] Idem, ibidem, p.108.

[25] Voor een bibliografisch overzicht van en een kritische beschouwing over Minnes vroegste verhalen, zie Yves T’Sjoen, ‘”Nieuwere litteratuur”: weifelend tussen politiek manifest en literair programma’, in Vlaanderen 49 (2000), afl.2 (maart-april), p.80-85.

[26] Voor de Verzameld werk-editie wordt in overweging genomen het ‘Sint-Jan-in-de-Olie’-feuilleton in de rubrieken ‘Met het potloodstompje’ (1953) en ‘In 20 lijnen’ (1956), beide gepubliceerd in de krant Vooruit, op te nemen. Zie ook ‘Verantwoording’, in Richard Minne, Verzamelde verhalen. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1995, p.101-103 [noot 19].