|
            Cipriaan
zweeg. Luisterde naar de muziek van de lente-avend. Nacht hing reeds over
de velden ginder. En boven het kasteel, in het donkere bosje waar dor
hout kraakte, was een verre oranje streep. Lijk ge die ziet op prentkaarten.
            “Het
is een dwaasheid. Cipriaan. Ik kàn van de massa niet houden, ik haat
het domme volk.” zinderde na Ellie's stem. Even rimpelde het water van
de sloot. Dat, waar het blauw dopte, glanzen kreeg lijk gepolieerd staal.
Of was het een mug die het peinzende water beroerde?
            Maar
hoort! Een eenzame boerejongen floot een lied. De avend was goed. De avend
was als dat gulden brood, waarin ge de beet der tanden niet voelt.
            De
avend -- ook de dagen en ook het leven -- is, zoals wij zelve zijn. Daar
zij beiden goed waren, was ook zij goed. Zij waren vol rust, en kenden
geen verlangens. Verlangens die de mens bitter maken en hem later toch
ontgochelen. Zij waren vol vrede, omdat zij enkel aan zichzelven dachten,
en niet aan de smarten en de weeën der anderen.
            Maar
is dit wel goed-zijn. Is dit niet veel meer egoïsme ? Enkel aan zich-zelven
denken en niet aan de anderen?
            Is
er dan geen vreugde mogelik zonder dat zij egoïsties weze? Want als zelfs
de vrede duurgekocht moet worden van een ander's lijden, waar is dan het
geluk ?
            Mogen
wij dan nooit vredig zijn en vol rust, daar er steeds en altijd en overal
wezens zijn die lijden. Daar wij dan dus diefstal begaan. Is dan ook
het vergeten, en het genieten van het schone, een diefstal? Diefstal die
weer op zijn beurt ongeluk en smart, en tranen vooronderstelt.
            Wordt
vrede dan onrust? En onrust, vrede?
            Cipriaan
beluisterde de avend, “Zie, zei hij, nu moest van uit het donkere kasteel
een schreiende viool opklinken. En wij terwijl in dit lauwe doffe water
drijven, Ellie, wat is de avend schoon!”
            Zij
stond recht, de handen gekruist in de nek. Alzo tekenden hare armen een
boog tegen de donkere locht.
            “De
avend is schoon en hij is misschien goed. Juist anders-om dan het leven,
dat slecht is, en misschien schoon”.
O ! Ellie's trage woorden.
           
Toen vielen langzaam hare kleren, ook het witte ondergoed. Het rees beneen
tot de voeten. Zo stond ze in een kring van wit schuim. Het peinzende
water ontving haar. Een verre trein rommelde aan de zevende horizon.
In de geluiden van de avend mengde zich nu het klotsen van het lauwe water
tegen haar badende lijf. Later plonsde ook hij in de sloot.
            “Ellie.
De massa is het dier dat torst de onnoemelike miserie. En toch, het is
zij die de piramieden bouwde, de akropolissen, de kathedralen en de wolken-krabbers.
Zij zijn als de mieren, ontelbaar veel. En zij zijn als het onkruid, onverwoestbaar.
En zij lijden. Ellie, zij lijden. Hun leed is onmeetbaar diep en wijd. Zij
hebben geen licht of lucht of zon. Zij kennen geen vreugde, die is als een
lichtende vuurpijl boven het duistere van de nacht. Zij hebben niets dan
hun kleine, killige en grauwe koten. Is het te verwonderen dat zij hoereerders
en zuipers worden. Want lichtende en leidende gedachte die uit de hemelen
komt kan niet tot hen raken, daar zij té laag bij de grond wonen.”
            De
avend verzonk geluideloos in de nacht. De verre trein was al lang weg.
Een zeer late radio speelde nog ergens.
            “Zo
is de massa schoon, Cipriaan, als gij zat op de bergen van een neerbuigende
gedachte. Op de heuvelen van een gehuicheld medelijden. Maar vergeet toch
niet dat zij heel anders zijn, als ge loopt te midden van hen. Als wij
beiden, Cipriaan, op de boulevard’s liepen, hebt ge dààr niet de mizerie-mensen
gezien? Zij staarden ons aan van uit hun duistere holen. Zij liepen ons
voorbij en raakten ons aan. En hebt gij dan niet gehuiverd van afschuw?
Gij voeldet afschuw en hebt onwillekeurig de kraag van uw jas omhoog gezet
en zijt forser gaan doorstappen. Zeg dus niet dat gij
de massa liefhebt!”
Het gras geurde
zoet. Geurde mee, evenzoet, hunne beide blanke lijven. Ze staarden naar
de zwarte hemel in het water, waar een enkele ster blonk.
            “En
toch heb ik de massa lief. Ook gij hebt haar lief. Wij houden allen van
de massa, omdat wij allen de massa zijn. En wij voelen afschuw, Ellie,
als we zijn te midden van hen, omdat wij dan zijn te midden van ons-zelve.
Omdat wij ons-zelve laag en lelik zien. Omdat wij zó ons-zelve verafschuwen.”
            Toen
de ster brak in een rimpelslag gingen ze huiswaarts. Plots lachtte Ellie.
Een rollende lach die de veldenstilte opschrikte.
            “Hoe
kunnen we denken aan dat donkere ding, de massa. Laat ons denken aan ons
zelve. Aan de vreugden van dit leven en niet aan de smarten ervan. Want
ik denk dat dit het beste is: opdat alleman gelukkig kunne weze, wij-zelven
eerst gelukkig moeten zijn.”
            Late
duiven klapwiekten.
            Toen
volgde een pauwen-schreeuw. Klagend, als een kind, als een mens, als alle
mensen die het onbereikbare bereiken willen. Want de duiven en de pauwen
denken aan hen-zelve alléén.
            En
toch zijn ook zij niet gelukkig.
aalst
Lowie
boon.
|