LOWIE BOON
De avend vraagt U'
REF /
http://www.booncentrum.be/ids/artikel/avend_vraagt_u
       
van 'n jonge proletariër ontvingen we volgend romanfragment,
als dusdanig willen we hem aanmoedigen.
Zonder verder kommentaar
     
_______
_____
 
< BACK]
       
originele publicatie 1933

         















 

Cipriaan zweeg. Luisterde naar de muziek van de lente-avend. Nacht hing reeds over de velden ginder. En boven het kasteel, in het donkere bosje waar dor hout kraakte, was een verre oranje streep. Lijk ge die ziet op prentkaarten.

“Het is een dwaasheid. Cipriaan. Ik kàn van de massa niet hou­den, ik haat het domme volk.” zinderde na Ellie's stem. Even rimpelde het water van de sloot. Dat, waar het blauw dopte, glan­zen kreeg lijk gepolieerd staal. Of was het een mug die het pein­zende water beroerde?

Maar hoort! Een eenzame boerejongen floot een lied. De avend was goed. De avend was als dat gulden brood, waarin ge de beet der tanden niet voelt.

De avend -- ook de dagen en ook het leven -- is, zoals wij zelve zijn. Daar zij beiden goed waren, was ook zij goed. Zij waren vol rust, en kenden geen verlangens. Verlangens die de mens bitter maken en hem later toch ontgochelen. Zij waren vol vrede, omdat zij enkel aan zichzelven dachten, en niet aan de smarten en de weeën der anderen.

Maar is dit wel goed-zijn. Is dit niet veel meer egoïsme ? Enkel aan zich-zelven denken en niet aan de anderen?

Is er dan geen vreugde mogelik zonder dat zij egoïsties weze? Want als zelfs de vrede duurgekocht moet worden van een ander's lijden, waar is dan het geluk ?

Mogen wij dan nooit vredig zijn en vol rust, daar er steeds en altijd en overal wezens zijn die lijden. Daar wij dan dus dief­stal begaan. Is dan ook het vergeten, en het genieten van het schone, een diefstal? Diefstal die weer op zijn beurt ongeluk en smart, en tranen vooronderstelt.

Wordt vrede dan onrust? En onrust, vrede?

Cipriaan beluisterde de avend, “Zie, zei hij, nu moest van uit het donkere kasteel een schreiende viool opklinken. En wij ter­wijl in dit lauwe doffe water drijven, Ellie, wat is de avend schoon!”

Zij stond recht, de handen gekruist in de nek. Alzo tekenden hare armen een boog tegen de donkere locht.

“De avend is schoon en hij is misschien goed. Juist anders-om dan het leven, dat slecht is, en misschien schoon”. 

  O ! Ellie's trage woorden.

Toen vielen langzaam hare kleren, ook het witte ondergoed. Het rees beneen tot de voeten. Zo stond ze in een kring van wit schuim. Het peinzende water ontving haar. Een verre trein rommel­de aan de zevende horizon. In de geluiden van de avend mengde zich nu het klotsen van het lauwe water tegen haar badende lijf. Later plonsde ook hij in de sloot.

“Ellie. De massa is het dier dat torst de onnoemelike mise­rie. En toch, het is zij die de piramieden bouwde, de akropolis­sen, de kathedralen en de wolken-krabbers. Zij zijn als de mie­ren, ontelbaar veel. En zij zijn als het onkruid, onverwoestbaar. En zij lijden. Ellie, zij lijden. Hun leed is onmeetbaar diep en wijd. Zij hebben geen licht of lucht of zon. Zij kennen geen vreugde, die is als een lichtende vuurpijl boven het duistere van de nacht. Zij hebben niets dan hun kleine, killige en grauwe koten. Is het te verwonderen dat zij hoereerders en zuipers wor­den. Want lichtende en leidende gedachte die uit de hemelen komt kan niet tot hen raken, daar zij té laag bij de grond wonen.”

De avend verzonk geluideloos in de nacht. De verre trein was al lang weg. Een zeer late radio speelde nog ergens.

“Zo is de massa schoon, Cipriaan, als gij zat op de bergen van een neerbuigende gedachte. Op de heuvelen van een gehuicheld medelijden. Maar vergeet toch niet dat zij heel anders zijn, als ge loopt te midden van hen. Als wij beiden, Cipriaan, op de bou­levard’s liepen, hebt ge dààr niet de mizerie-mensen gezien? Zij staarden ons aan van uit hun duistere holen. Zij liepen ons voor­bij en raakten ons aan. En hebt gij dan niet gehuiverd van af­schuw? Gij voeldet afschuw en hebt onwillekeurig de kraag van uw jas omhoog gezet en zijt forser gaan doorstappen. Zeg dus niet dat gij de massa liefhebt!”

        Het gras geurde zoet. Geurde mee, evenzoet, hunne beide blanke lijven. Ze staarden naar de zwarte hemel in het water, waar een enkele ster blonk.

“En toch heb ik de massa lief. Ook gij hebt haar lief. Wij hou­den allen van de massa, omdat wij allen de massa zijn. En wij voelen afschuw, Ellie, als we zijn te midden van hen, omdat wij dan zijn te midden van ons-zelve. Omdat wij ons-zelve laag en lelik zien. Omdat wij zó ons-zelve verafschuwen.”

Toen de ster brak in een rimpelslag gingen ze huiswaarts. Plots lachtte Ellie. Een rollende lach die de veldenstilte op­schrikte.

“Hoe kunnen we denken aan dat donkere ding, de massa. Laat ons denken aan ons zelve. Aan de vreugden van dit leven en niet aan de smarten ervan. Want ik denk dat dit het beste is: opdat alle­man gelukkig kunne weze, wij-zelven eerst gelukkig moeten zijn.”

Late duiven klapwiekten.

Toen volgde een pauwen-schreeuw. Klagend, als een kind, als een mens, als alle mensen die het onbereikbare bereiken wil­len. Want de duiven en de pauwen denken aan hen-zelve alléén.

En toch zijn ook zij niet gelukkig.

aalst
Lowie boon.