L.P. BOON

 

["Moderne Vlaamse Poëzie"]

 

REF:

http://www.booncentrum.be/ids/literatuur/01_06_26.htm

 
     

< BACK

 

         Taptoe, I (1953-1954), 4 (augustus 1954), p.14-18. 

Door enkele voorbeelden wil ik betrachten een beeld te geven van wat de jongere Vlaamse dichters zich tot doel stellen. Het is geen lichte taak. En vooral hierom, dat deze jongere dichters zich zèlf haast nog niet uitlieten over deze, hunne taak. Een eerste aanduiding echter is wel, dat zij haast allen gegroepeerd zijn rond het tijdschrift Tijd en Mens. Het is een onpoëtische titel. Maar hij is wel sprekend. Weliswaar zoekt elk van hen, op eigen wijze, naar een nieuwe vorm. Maar ondanks deze misschien wel uiteenlopende vorm, merkt men dat in hunne poëzie de mens - deze mens en deze tijd - de voor­naamste bron van inspiratie is.
Hun vorm is modern. En ik bedoel hiermee niet,[] dat hun vorm er zo extravagant mogelijk uitziet. Ik bedoel er slechts mee,[] dat de “inhoud” van hun gedicht modern is. Laat me dit even uitleggen. Er zijn blijvende elementen, of waarden, waarover men het in alle tijden kan hebben, b.v. de liefde en de haat. Er zijn ook de immerblijvende dingen om ons heen, de wolk, de bloem, de deur. Maar deze door de dichter gebruikte attributen zijn wel blijvend, doch daarom niet onveranderlijk. Zij zijn eeuwig, maar dekken steeds een wisselende inhoud, en worden door elke generatie op andere manier ervaren. Nooit spreekt men onvermengd over de dingen, want de schaduw van de tijd
- van om het even welke tijd - hangt er over heen.
Als ik over deze dichters zeg,[] dat zij modern zijn, dan bedoel ik niet zozeer hun vorm, maar veel meer of ik in hun gebruikte symbolisering iets zie uitgedrukt dat “van ons, en van onze tijd” is.
Bij elk van hen, bij Albert Bontridder, bij Hugo Claus, Remy van de Kerckho­ve, Cami of Wauters, vindt men daarvan iets terug. Vooral Albert Bontridder wordt een nieuw glanspunt in onze poëzie. Ook hij heeft het over brood en wolk, vrouw en bed, kind en deur. Doch het gaat bij hem over de volgorde,[] waarin hij deze eerder schrale woor­den plaatst. Een volgorde,[] die botsingen onvermijdelijk maakt. De litteratuur komt steeds, hinkend en hijgend, het ware sentiment achterna. Bontridder echter is de litteratuur enkele sprongen vóór, en achterhaalt in zijn woord, in zijn botsing van woorden, iets van wat de meer moderne mens reeds aanvoelt. Alhoewel helemaal geen surrealist, slaagt hij er toch in een surrealiteit te scheppen, die haast aangrijpender, adembenemender en “werkelijker” dan de realiteit zèlf is. Hij spreekt reeds in beelden uit wat straks de wijsgeer in killer woorden zal hoeven te doen.
In zijn allereerste gedichten schreeuwt hij vanuit de diepte zijn tegen elkaar aanbotsende woorden uit. Maar stilaan worden deze naar boven gewoelde beelden meer geordend, en begint hij ze meer bewust tegen elkaar uit te spelen. De oerbeelden, gedachten wordend die misschien niet steeds door het bewustzijn werden gecontroleerd
- en die daardoor slechts fragmentarische gedachten bleven -[,] ontwikkelen zich weldra in omgekeerde richting. Eerst uit de diepten zijn brok­stukken van beelden schreeuwend, zijn woorden in onlogisch verband plaatsend, verheft hij zich moeizaam - en hoe zal hij het in zijn verzen steeds over trappen hebben, treden die hij beklimt, deuren die hij opent, muren die hij doorbreekt - en, in plaats van uit de diepten de woorden op te werpen, gaat hij zich nu over deze ontstegen diepten neerbuigen, om er bewust woorden en beelden uit op te vissen. Steeds verdere verten openen zich, steeds wijdere horizonten werpen hun lasso om de hals van de zoekende dichter. Vrijer, ruimer denkt hij. Betasten, meten, doorkerven, tellen, zoeken, herkennen... het zijn de woorden welke voortdurend, steeds meer en meer, komen opduiken. Worstelend met zichzelf ontstijgt de dichter zichzelf.
De dichter is eigenlijk de ontvankelijkste uit zijn omgeving. Hij heeft als het ware de voelsprieten der insecten... of neen, de antenne, de radar, de overgevoeligheid der meest verfijnde technische instrumenten. Maar deze gave is tevens zijn noodlot. Waar hij eigenlijk profeet moest zijn, is hij
- in deze tijden - in werkelijkheid gekruisigde geworden. Hij is het offerlam, het proefmetaal der smeltkroezen.
Zo is het ook met de dichter Ben Cami. Het is wel eigenaardig, en vooral typisch, dat de critiek over de verzen van Cami gezwegen heeft, maar dat de eerste weerklank werd vernomen door een in Nederland verblijvend Pools meis­je. Er kwam een enthousiaste brief, waarin zij schreef: Ik heb in deze verzen de tragedie van de mens, en tevens ook van mijn eigen volk, zo zuiver door U zien aanvoelen. In Vlaanderen zelf bleef het vlies dat zich over onze stille litteraire vijver heeft gespannen, ongerept. Nochtans, onze litteratuur, en vooral onze dichtkunst[,] heeft een Albert Bontridder, een Ben Cami wel nodig. Cami, de dichter, bezint zich. En misschien wel een ietsje te veel. Als ik van deze verzen de schaduwkant zou bekijken, zou ik zeggen: zij bezinnen zich iets teveel over leven en dood, over oorzaak, doel, waarom. Wat is de mens, wat is de reden van dit bestaan... vanwaar komt dit vreemde wezen waaraan ik gelijk, dat mijn broeder is, en waar ik schijnbaar toch niets mee gemeen heb?
Vragen, steeds dringender, steeds kwellender... zij zijn een levensbehoefte geworden bij deze dichter. Hij moet weten. Hij kan deze weg niet verder gaan, als hij niet weet waar de weg heen­voert. Hij ziet geboorte en dood, meer niet, en kan zich niet weren tegen onrust. Hij zingt liederen van geloof en liefde, onvermoeid, alsof hij zich daarmee redden moet van leegte, van wat hem redeloos ontgaat. En zo brandend zijn deze kwesties dat hij soms vergeet - of verwaarloost? - dit in meer poetische [poëtische] beelden te zeggen. En alweer is het kenmerkend voor hem,[] dat hij verzen heeft verworpen... niet omdat ze lelijker of onvoldragener zouden zijn dan andere, maar omdat ze niet meer beantwoorden aan zijn houding tegenover deze wereld. Niet het beeld, niet de vorm, niet het schrijven van een gedicht is voor Cami het bijzonderste. Doch wel de inhoud: de vraag. Ook hij gaat van de gedachte uit,[] dat de dichter is: de door het lot aangewezene om voor de anderen de geheimen te achterhalen, zin en betekenis aan het leven te schenk­en, de onrust te stillen.
Een “dichter” in de vroegere betekenis van het woord: de zanger die het volk rust, moed en vertrouwen schenken moet. Ietwat bijbels doet dan ook zijn woord aan. Toch, hij is modern. Alhoewel hij, net als Jeremias, het over de ondergang van dit, óns, Jeruzalem en Ninive heeft... alhoewel dit alles, kent hij als weinigen de bitterheid en de twijfel van deze mens en deze tijd. Pas heeft hij in zijn ietwat bijbelse taal gemeend zin en betekenis te zullen achterhalen, of hij voegt er reeds in een volgende regel aan toe: maar zulks is niet waar, weer ben ik verdwaald in beelden.
Bij Bontridder het beeld dat ontstaat door een botsing der woorden. Bij Cami liever het naakte woord zelf, dan het poëtische beeld dat er kan door opgeroepen worden. Bij een derde dichter, Marcel Wauters, ziet men weer iets totaal anders. Met recht en reden kan elkeen me zeggen, na lezing van wat Wauters dicht, en na het geconfronteerd te hebben met wat men in het algemeen onder dichtkunst verstaat: meneer, dit is géén poëzie!
Inderdaad... en inderdaad toch wél. Het is poëzie. Een vers van hem is meestal een klein, haast anecdotisch geval, dat met een fototoestel op straat zou kunnen genomen zijn. En toch is dit niet zomaar een verhaaltje over een blinde, over een bedelaar, over een kellner [kelner]. Er schuilt ook hierachter een geheim, dat het doodgewone tot poëzie verheft. Er is een klein vers, haast een aphorisme, dat de sleutel tot deze poëzie bezorgt: “Het bestaande is een plat vlak, er is maar 1 plat vlak dat bestaat”. En dit doet dadelijk denken aan Braque, aan Picasso, aan Matisse. Het geheim dezer poëzie ligt meer in het picturale, in tegenstelling met de andere poëzie, wier mysterie moet gezocht worden in het rhythme, het beeld, de klank, de woordkeus.
Wat dit alles tot poëzie verheft, is eigenlijk een tekening, een lijn[,] die door het ganse gedicht heenloopt. Zo moet dit getekend worden, zo moesten deze regels geschreven worden, of de inwendige tekening
- het geraamte dat er in verborgen zit, het stramien waarop het vervaardigd werd - zou geschonden en gebroken zijn.
Een voorbeeld daarvan: “Zwarte vlek mensen mekaniek haast de grijze straat wacht tussen twee parken wit van sneeuw
- rust en haast zijn steeds bijeen en verslinden elkaar ongenadig”.
En merk nu hoe Wauters de grijze straat schetst. Telkens zult ge in zijn verzen een straat vinden, een brug, een bewegend voorwerp, dat een lange lijn trekt doorheen het ganse gedicht... en zult ge zien hoe hij op een bepaalde plaats, op een bepaald punt in deze lange lijn, een dwarslijn trekt, iets aan weerszijden opsomt, iets een snijdende dwars­lijn laat trekken. Het is dan ook niet te verwonderen dat Marcel Wauters, in dit soort picturale poëzie, waarin het bindsnoer niet meer het rhythme, de klank, het beeld, maar wel een in het gedicht verborgen tekening is... zich vooral aangetrokken voelt tot ook meer plastische onderwerpen.
Naast Albert Bontridder, Ben Cami en Marcel Wauters, moet ik ook evenveel aandacht vragen voor de dichters Hugo Claus en Remy van de Kerckhove.
Wij kennen Claus reeds als romancier. Hij schrijft bewonderenswaardige dingen, Claus. Hij is, als ik het zo zeggen mag, haast meer acrobaat dan artist. Hij schrijft en hij dicht en hij schildert. En ik had misschien beter gezegd: een speler. En inderdaad, hij gokt met de kunst. Hij zit aan zijn schrijftafel alsof dat [die] meer een roulettetafel is. En hij durft heel hoge inzetten wagen. Vanzelfsprekend bewonder ik hem daarom. Ik groet iemand die maling heeft aan de fatsoenlijke en door iedereen hooggeprezen middenweg. Want op die middenweg heeft men ook meest­al maar middelmatig werk geleverd. Claus balanceert boven die gulden middenweg heen. Maar steeds komt hij op U af, met in zijn geopende hand iets dat blinkt en glanst.
Er is in Claus een roekeloosheid
- en zo dadelijk moet ik zeggen dat ook in Remy van de Kerckhove eenzelfde roekeloosheid te vinden is. Claus heeft maar ergens te boren en hij botst op een rijkgevulde ader waaruit de schatten zó komen opborrelen. Hij weet dat, en mag roekeloos met deze schatten omspringen. En buitendien bezit hij een zekerheid die hem meer dan één keer op de voeten doet terechtkomen, al heeft hij de gekste pirouettes gemaakt, de koddigste bokkesprongen, de gevaarlijkste salto mortales [salto-mortale’s].
Van de Kerckhoven [Kerckhove] echter kan niet zo straffeloos roekeloos zijn, want hij bezit niet diezelfde ontzagwekkende rijkdom. Voor wat Claus spelend vermag, moet Van de Kerckho­ve beroep doen op al zijn energie. Claus waagt, omdat hij veel wagen mag. Van de Kerckhove waagt, omdat hij daartoe verplicht is. Claus glimlacht,[] als hij toch wéér op zijn voeten is terechtgekomen, als hij ondanks al deze waaghalzerij toch weer iets geleverd heeft dat de moeite waard is. Voor van [Van] de Kerckhove echter heeft het resultaat niet het minste belang, maar wel integendeel het feit dàt hij de sprong heeft uitgevoerd. Claus gokt met de gaven, daar die toch onbeperkt in hem aanwezig zijn. Van de Kerckhove speelt met de hartstocht, zich trach­tend te ontmaken van valse waarden, om er andere, zuiverder en meer eigener, te kunnen winnen. Claus speelt op het koord dat hij boven de afgrond heeft geworpen. Van de Kerckhove levert er eigenlijk, in bittere noodzaak, een gevecht op leven en dood. Als men wat dieper speurt, merkt men,[] dat deze schijnbare onbesuisdheid niets anders is, dan een worstelen, een zich trachten vrij te schoppen, een voortdurend beproeven om de handen ontbonden te krijgen. Doch de machten,[] waartegen hij zo wild tekeer gaat, zitten eigenlijk binnen in hem.
En onbewust is dus al deze heftigheid niets anders dan een afreageren.
Van de Kerckhove is niet de moderne dichter die experimenteert omdat het experiment hem lief is. Hij is integendeel de dichter die een hem hinderende bagage tracht kwijt te spelen om de omwegen van zijn vers. Hij is deze buitensporigheden aan zichzelf ver­plicht. Trouwens, wat belang hebben zij, voor hemzelf? Bezien van des dichters stand­punt, is het juist dàt wat hij nodig heeft: schoon schip te kunnen maken, om zich eindelijk aan zijn ware aanvangsmeet te kunnen opstellen.
 Zo staan daar deze jongere moderne dichters in Vlaanderen, waarover ik met vreugde heb mogen spreken.

n.v.d.r. Volledigheidshalve houden we er aan er op te wijzen dat deze tekst door L.P. Boon op 12 Juli 1952 voor radio Hilversum werd voor­gelezen, dus vóór Marcel Wauters in zijn gedichten de anek­dotische basis verving door een meer introspektieve, en ook vóór Hugo Claus Het [Een] huis dat tussen Nacht en Morgen staat en vooral Nota’s voor een Oost-Akkerse [Oostakkerse] Cantate+ publiceerde, Albert Bontridder Droog [Dood] Hout, Remy van de Kerckho­ve Veronica en Ben Cami Het land Nod.


Commentaar

Het literaire tijdschrift Taptoe werd in 1953 opgericht en na welgeteld zeven afleveringen in september 1955 al weer opgeheven. De redactie werd gevormd door Janine Fontaine en Walter Korun, die konden rekenen op de medewerking van onder anderen Johan Daisne, Gust Gils, Paul Snoeck, Jan Walravens en Marcel Wauters. Ondanks deze relatief korte levensduur wist het gestencilde en gratis verspreide tijdschrift zich toch een zekere plaats te veroveren in het debat rond de experimentele literatuur in Vlaanderen.

In Vooruit van 19 december 1953 recenseerde Boon het tweede Taptoe-nummer met groot enthousiasme. Daarin merkte hij vooral de strijdlustigheid op van het tijdschrift, dat in zijn polemische rubriek ‘Taptoe=s feuilleton’ de draak stak traditionele figuren als Urbain van de Voorde. Boon had deze dichter overigens eerder al in een scherp stuk voor Tijd en Mens op zijn nummer gezet.
Boon schreef slechts één keer voor Taptoe. Aanleiding voor zijn bijdrage vormde het artikel van Johan Daisne dat in het derde nummer van Taptoe was verschenen. In die bijdrage beschouwde Daisne het experimentalisme van de Taptoe-jongeren als een jeugdzonde, en probeerde hij de redactie van een meer classicistische literatuuropvatting te overtuigen. Daisne werd vervolgens flink van repliek gediend door zijn collega-schrijvers, want het antwoord van Taptoe nam een volledig nummer in beslag. Taptoe 4 bundelde de reacties van diverse vertegenwoordigers van de experimentele generatie en de redactie schreef in een inleiding:
‘onder meer bevatte de brief van johan daisne in nummer 3 van taptoe een gemeende aanval tegen wat hij nog altijd, zoals zovelen, onvolledig betitelt als ‘experimentele’ poëzie in verband met deze aanval vonden wij het nuttig en interessant de mening te vragen aan enkele personen die met die ‘nieuwe’ poëzie op één of andere manier verbonden zijn en wij zijn gelukkig deze merkwaardige reeks bijdragen in volle aktualiteit te kunnen publiceren’
Medewerkers aan het nummer waren behalve Boon: Gaston Burssens, Marcel Wauters, Maurice D’Haese, Hugo Claus, Albert Bontridder, Remy C. van de Kerckhove, Jan Walravens, Simon Vinkenoog, Pieter de Prins, Jos Murez, Erik van Ruysbeek, Oscar Timmers en Ben Cami.
Actueel was Boons bijdrage op dat moment zeker niet meer. Het stuk werd namelijk niet speciaal voor dit polemische nummer geschreven, maar vormde de neerslag van een lezing die de auteur twee jaar eerder (12 juli 1952) in Nederland voor de radio hield. En in zekere zin biedt de tekst ook een soort samenvatting van wat Boon had geschreven in zijn korte artikelenreeks ‘Moderne Vlaamse poëzie’. Daarin behandelde hij de vroege gedichten van Ben Cami (1920), Marcel Wauters (1921), Albert Bontridder (1921), Remy C. van de Kerckhove (1921-1958) en Christine D=Haen (1923). De reeks werd verder nog aangevuld met een bijdrage over het vroege werk van Hugo Claus (1929). In zijn radiolezing stelde Boon de vijf belangrijkste dichters van Tijd en Mens nogmaals aan het publiek voor.
Bontridder debuteerde in het vijfde nummer van het tijdschrift; zijn debuutbundel Hoog water verscheen in 1951 en werd door Boon gerecenseerd in De Vlaamse Gids. De gedichten die Bontridder in het veertiende nummer van het tijdschrift zou publiceren, werden in gewijzigde vorm gebundeld in Dood hout (1955), waarvoor Boon een inleiding zou schrijven. Ben Cami publiceerde gedichten in Tijd en Mens vanaf het derde nummer; zijn debuut In de tijd verloren verscheen in eigen beheer in 1950 en werd deels opgenomen in de bundel Het land Nod (1954). Marcel Wauters’ debuut Er is geen begin en geen einde (1950) kreeg een uitvoerige recensie van Boon in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hugo Claus en Remy C. van de Kerckhove plaatsten gedichten in Tijd en Mens vanaf het eerste nummer van het tijdschrift. Aan het vroege werk (zowel poëzie als proza) van Hugo Claus wijdde Boon bijdragen in De Vlaamse Gids en Vooruit. Over het werk van de vroeg overleden Van de Kerchove schreef Boon in Vooruit en hij verzorgde in 1964 eveneens een inleiding voor een bloemlezing met gedichten van Van de Kerckhove. Het werk van deze auteurs werd door Jan Walravens samengebracht in de bloemlezing Waar is de eerste morgen. De jonge experimentele poëzie in Vlaanderen (1955), die kort na het verschijnen door Boon werd gerecenseerd in Vooruit.

 

Literatuur

L.P. Boon, ‘Moderne Vlaamse poëzie. De dichter Ben Cami’ In: Vooruit, 21 september 1951 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 79-83).
L.P. Boon, ‘Moderne Vlaamse poëzie. De dichter Marcel Wauters’ In: Vooruit, 28 september 1951 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 85-89).
L.P. Boon, ‘Moderne Vlaamse poëzie. De dichter Albert Bontridder’ In: Vooruit, 5 oktober 1951 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 91-95).
L.P. Boon, ‘Over Hugo Claus. Aan de roulettetafel’ In: Vooruit, 19 oktober 1951 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 103-107).
L.P. Boon, ‘Moderne Vlaamse poëzie. Remy C. Van de Kerckhove’ In: Vooruit, 26 oktober 1951 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 109-113).
L.P. Boon, ‘Geniaal, maar met te korte Beentjes... In welke straat breekt men het brood der poëzie?’ In: De Vlaamse Gids, XXXVI (1952), 8 (augustus), 494-499 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk III, 187-196).
L.P. Boon, ‘Bij het verschijnen van De hondsdagen. Inderdaad een >geval=-Hugo Claus?’ In: Vooruit, 17 januari 1953 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 299-303).
L.P. Boon, ‘Geniaal, maar met te korte Beentjes Van de >Eendejacht= naar de >Jacht op Bea=. Een kleine studie over de romanschrijver Hugo Claus’ In: De Vlaamse Gids, XXXVII (1953), 9 (september), 556-564 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk III, 197-211).
L.P. Boon, ‘Weer iets nieuws in Vlaanderen. Taptoe groeit!’ In: Vooruit, 19 december 1953 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 455-458).
L.P. Boon, ‘Het laatste Taptoe-nummer. Experimentelen in slag Johan Daisne, ‘Open brief van Johan Daisne aan de redactie’ In: Taptoe, I (1953-1954), 3 (voorjaar 1954), [6-7]. orde’ In: Vooruit, 11 september 1954 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1, 591-593).
L.P. Boon, ‘Een typische >Remy C.=... Ebbe en vloed’ In: Vooruit, 30 april 1955 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.2, 715-717).
L.P. Boon, ‘Jonge experimentele poëzie in Vlaanderen. Waar is de eerste morgen?’ In: Vooruit, 24 december 1955 (Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.2, 827-830).
Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie, Vantilt, Nijmegen, 2001.
Johan Daisne, ‘Open brief van Johan Daisne aan de redactie’ In: Taptoe, I (1953-1954), 3 (voorjaar 1954), [6-7].
Kris Humbeeck, ‘Voorwoord’ in: Boon, Het literatuur- en kunstkritische werk IV.1.
Jos Joosten, Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van >Tijd en Mens= (1946-1955), Vantilt, Nijmegen, 1996.