De moord op een kind ergens in Amsterdam of Oostende

De bronnen van Louis Paul Boons Kleine eva uit de kromme bijlstraat

[Home]
Wouter de Vries en Matthijs de Ridder

Louis Paul Boon heeft het meermaals verteld. Zijn Kleine eva uit de kromme bijlstraat was gebaseerd op historische bronnen. En misschien is ‘gebaseerd op’ wel te zwak uitgedrukt, want in sommige interviews suggereerde Boon dat zijn aandeel in het schrijfproces minimaal is geweest. ‘Maar de kleine eva uit de kromme bijlstraat, dat is gewoon naar krantenknipsels geschreven. Ik weet niet meer welk jaar dat was. Dat was een meisje dat op de Linkeroever te Antwerpen verkracht is geweest. En ik heb gewoon die artikels uit de kranten geknipt en aan elkaar geplakt,’ vertelde Boon aan Willem M. Roggeman in 1977. Maar, voegde hij er aan toe: ‘[h]et is natuurlijk de manier waarop je ze aan elkaar plakt.’ [Boon 1982:115] Dat Boon er wonderwel in was geslaagd een intrigerend kunstwerk te maken van de beschikbare bronnen, daar was men het wel over eens. Tot zijn eigen (gespeelde) verbazing kreeg hij er zelfs de Henriëtte Roland Holstprijs voor. ‘[H]et was de eerste keer dat deze prijs werd gegeven aan een gedicht dat geen gedicht was,’ schamperde hij in een interview met Joos Florquin. [Florquin 1972:62] Zoals vaker kon Boontje echter niet verbergen dat deze officiële erkenning veel voor hem betekende. Hoe badinerend hij ook kon beweren dat de kleine eva zwaar leunde op historische feiten, telkenmale voegde Boon eraan toe dat het natuurlijk pas een kunstwerk was geworden door zijn tussenkomst. De betekenis van het gedicht stond voor hem dan ook los van de historische bronnen. Op de vraag wat het thema was van het gedicht antwoordde Boon bijvoorbeeld: ‘De moord op een kind ergens in Amsterdam of Oostende’. [idem.]

Amsterdam of Oostende dus, en niet Antwerpen, zoals Boon in het eerste citaat al verklapte. Want maakt het uit waar de moord plaatsgreep? Voegt het iets toe aan de waarde van het gedicht op zich? Boon oordeelde duidelijk van niet, al vond hij het jammer dat hij zijn documentatie niet had bewaard. ‘Ik had aan de ene kant het gedicht moeten zetten en aan de andere kant het krantenknipsel. Stom van mij dat ik dat niet gedaan heb, want dat was even mooi.’ [Boon 1982:116] Jammer inderdaad, want dit was een mooie manier geweest om Boons werkwijze inzichtelijk te maken. Wat fascineerde Boon precies in die krantenknipsels? Waarin school voor hem precies de poëzie, die hem ertoe aanzette de berichtgevingen te verwerken in een gedicht, een genre, immers, dat zich slechts in de marge van zijn literaire oeuvre bevindt? Het is een vraag die Boonkenners en literatuurwetenschappers lang heeft beziggehouden. Zij die nog in de gelegenheid waren om het de meester zelf te vragen, aarzelden dan ook niet. Zo informeerde Georges Wildemeersch in juni 1972 naar de bronnen van de kleine eva, maar kreeg een weinig bemoedigend antwoord terug:

het spijt me heel erg, maar dergelijke gegevens kan of mag ik u niet bezorgen. Als u de bladen van iets voor de oorlog wilt doorploegen, mag u dat gerust doen. [Boon aan Wildemeersch, juni 1972, collectie Georges Wildemeersch]

Het lijkt zoeken naar een speld in een hooiberg, natuurlijk, en het heeft lang geduurd voordat iemand – met de zege van Boontje in het achterhoofd – het aandurfde ettelijke jaargangen door te nemen in de ijdele hoop om een lustmoord op een jong meisje – ergens in Amsterdam of Oostende of toch in Antwerpen? – tegen te komen. Het was Wouter de Vries – student van de Rijksuniversiteit Groningen en stagiair van het Louis Paul Boon-documentatiecentrum – die de vondst deed. De kleine eva bleek te bestaan, ze heette Cecilia Otte, was inderdaad in Antwerpen (zij het op de rechteroever in plaats van de linker) vermoord en Boon had haar leren kennen in Gazet van Antwerpen, Het Laatste Nieuws en Vooruit.

‘Uit de ouderlijke woning, Lange Batterijstraat, 87, verdween het 7-jarig meisje Otte Cecilia. Het kind heeft blond haar, blauwe oogen, en is gekleed met rood-blauw gespikkelde golf, gebreid blauw kleed, zwarte schoenen en bruine kousen. De politie doet opzoekingen.’ Dit zorgwekkende bericht verscheen op maandag 26 april 1937 in de middageditie van Gazet van Antwerpen. De volgende ochtend verscheen er echter een geruststellende mededeling: ‘Het kindje is terug huiswaarts gekeerd en wist te vertellen dat een onbekende haar meelokte onder de belofte van eene pop te koopen, doch dat zij was gaan loopen en zoo terug thuis kwam.’ [GVA, 27-04-1937] Het bleek een vergissing. Er was inderdaad een meisje teruggekeerd met het ontstellende verhaal te zijn meegelokt met de belofte een pop te zullen krijgen, maar het was niet de kleine Cecilia. Zij bleef spoorloos. En erger. Diezelfde dag werd ze gevonden door ene Arthur Soetewey, die ‘bezig met tusschen de manshooge wissen, konijnenvoerder te snijden’ [HLN, 28-04-1937] haar gebonden en gewurgde lijkje aantrof.
De overeenkomsten zijn reeds treffend. Boons aanhef luidde: ‘een man met een zak zoekt eten voor konijnen / en vindt bovendien wat anders / wij zoeken steeds wat anders / dan dat wij zullen vinden - / het bijna naakte lijkje / van de kleine eva blancken / van zondagavond reeds vermist’. [ke:5] De vermissing van Cecilia werd inderdaad zondagavond bekend en – het kan geen toeval zijn – zij werd gevonden door iemand die eten voor zijn konijnen aan het snijden was. Het is de ‘kleine Cecilia’ uit de krantenknipsels die in Boons gedicht de ‘kleine eva’ is geworden en daar niet in de Lange Batterijstraat woont, maar in de kromme bijlstraat. Ook de verwarring die in die dagen heerste in de kranten (zij is vermist, nee teruggekomen, toch vermist en zelfs vermoord) vinden we terug in de kleine eva: ‘op de redactie nadere bijzonderheden / der verdwijning en het misverstand / het kind is reeds teruggekeerd’. [ke:14]

Cecilia Otte, circa 7 jaar oud. Collectie Van Aertselaer, Antwerpen

Het is exemplarisch voor de manier waarop Boon zijn gedicht heeft gestructureerd. Nooit is er één vertellende instantie aan het woord. De kleine eva is een amalgaam van stemmen die het dan met elkaar eens zijn en elkaar dan weer eens tegenspreken. [cf. Buelens:680] Het bericht over de terugkomst van het verdwenen meisje wordt bij Boon nergens formeel tegengesproken. Het is een van de geluiden in de wirwar van meningen. Duidelijk is wel dat het bericht vals blijkt. Eva is vermoord en wel op bijzonder gruwelijke wijze: 

klein meisje zo goed als naakt de beentjes opgetrokken enigszins
– ach wat is dit enigszins weer enigszins misplaatst – de handen ge-
vouwen alsof zij haar god haar moordenaar wou smeken, maar slechts
gezichtbedrog want in werkelijkheid zijn zij gebonden door dun
koord

een touw
dat de handen blauw
deed zwellen

zwarte kous gezakt onder de knie
het broekje gestroopt over de dijen
zoals men stroopt kleine wilde konijnen
over het gelaat wat bloed gestroomd
en voor de rest wat kwetsuren
en schrammen ergens aan de armen [ke:7]
 

Schijnbaar vroom lag de kleine eva daar - handjes gevouwen - als een gevallen en bovenal bezoedelde engel. Het is een techniek om de daad nog gruwelijker te laten lijken. Wie vermoordt er immers een onschuldig kind? Het verheven beeld dat Boon van eva schetst, steekt schril af tegen de nauwgezette beschrijving van de toestand waarin ze gevonden werd. Voor die beschrijvingen had Boon overigens zijn fantasie niet eens nodig gehad. De kranten lieten op dat punt weinig aan de verbeelding over en beschreven met veel oog voor detail de minste schram:

Het arme kindje lag met gebonden handjes, die samengesnoerd waren met een dunne koord, welke dan verder bevestigd was aan den schoen van den rechtervoet, zoodat de kleine in gebogen houding op een zijde lag. Rond de beentjes was verder een dikke koord gebonden, die met een bijzonderen knoop samengetrokken was. Rond den hals was een stuk linnen gesnoerd, waarmede het arme kind was gewurgd.
De moordenaar had de bovenkleedjes van het arme slachtoffer over het hoofdje getrokken en ook de onderkleedjes hingen los. De kleine droeg een wonde aan de rechterwang en aan den mond, en ook aan de linkerwang werden bloedige vlekken waargenomen, vermoedelijk voortkomende van het neerdrukken van het hoofdje in het struikgewas. De beide handjes waren blauw en opgezwollen.
Uit deze vaststellingen bleek dadelijk, dat het arme slachtoffertje zich met de kracht der wanhoop moet verweerd hebben tegen een schurk. die haar denkelijk op schandelijke wijze heeft bezoedeld. [HLN, 28-04-1937]

‘Denkelijk op schandelijke wijze bezoedeld.’ Het is natuurlijk het eerste waaraan je denkt – in de huidige context misschien wel meer dan ooit – en ook Boon legt die suggestie in zijn beschrijving. Het broekje van eva is immers over haar dijen gestroopt. Maar zeker konden de kranten niet zijn. Of in de woorden van Boon: ‘de kranten: wat daarom natuurlijk niet wil zeggen (natuurlijk willen / zij niet natuurlijk zeggen) dat de moordenaar haar niet op de een of / andere wijze heeft bezoedeldI’ [ke:10] In hun zucht naar sensatie werd al te gemakkelijk aangenomen dat de kleine Cecilia niet alleen vermoord, maar ook verkracht zou zijn. Uit het onderzoek van de wetsgeneesheren – in Boons versie de ‘nieuwsgierige apen der wetenschap’ van slooten en sluyters (of varianten op die namen) – bleek echter iets anders. De lijkschouwing wees uit dat ‘de arme kleine met de handen verwurgd werd’. ‘Verder wees het geneeskundig onderzoek uit, dat de kleine niet werd verkracht.’ [HLN, 28-04-1937] Niet verkracht, maar wel gewurgd, dus. Ondertussen had het wel breed uitgemeten in de kranten gestaan. Cecilia/eva zou zijn verkracht. Zonder blijk van berouw over eerdere suggesties brachten de kranten later het nieuws dat de wetsdokters hadden moeten constateren dat dit gerucht niet op feiten was gebaseerd. Een staaltje van journalistieke botheid, concludeerde Boon: ‘het werd niet eens verkracht alleen bezoedeld / door de krant die klaar en kant / het verslag van sluyters en slooten door de goten / hunner kolommen sleurt’. [ke:10]

Geruchten en verdachtmakingen spelen sowieso een grote rol in de historie van de kleine eva. Het wemelt van de verhalen. Over iedereen wordt wel iets verteld, of wordt naar aanleiding van de gebeurtenissen geroddeld. Ook het getroffen gezin Otte, dat buiten de ouders uit vijf dochters en een zoon bestond, ontkwam niet aan de boze roddelpraat. Vooral Gazet van Antwerpen en Vooruit bezondigden zich aan al te voorbarig geformuleerde waardeoordelen, Het laatste nieuws distantieerde zich daar enigszins van. Boons beschrijvingen van de ouders waren alvast niet flatteus. De 58-jarige vader, Joannes Augustus Otte, zette hij neer als ‘altijd werkloos / en soms eens zat’ [ke:12] en de 34-jarige moeder, Maria Gerarda Van den Eynde, kwam er ook al niet positief uit: ‘zij is dertig zegt men dikwijls heet?’ [ke:14] en iets eerder klonk het: ‘rond elf uur de moeder valt binnen / (late duivelin neerstrijkend / buiten de prijzen)’.[ke:13] Vader Otte is eerder een sul dan een moedwillige dronkenlap. Hij is een exponent van de werkende (of eigenlijk werkeloze) klasse, die zonder uitzicht op een beter leven zijn dagen slijt in miserie en soms naar de fles grijpt om het lot iets te verzachten. De moeder, daarentegen, wordt afgeschilderd als een vrouw die niet verdacht kan worden van een al te zedig leven en haar gezin verwaarloost bovendien. Het zijn types die we in het werk van Boon wel vaker tegenkomen. We roepen alleen al de onsterfelijke ondineke en oscarke uit De Kapellekensbaan in herinnering. Ook deze personages baseerde Boon op mensen die hij tegenkwam in het dagelijkse leven, maar in dit geval vond hij ze eenvoudigweg in de krant. Vergelijk bijvoorbeeld Boons beschrijving van moeder Ottes reactie op het nieuws van het overlijden van haar dochter met het bericht in Gazet van Antwerpen:
Joannes Augustus Otte op een foto waarvan een stuk is afgescheurd. Collectie Van Aertselaer, Antwerpen
Maria Gerarda Van den Eynde met een van haar andere dochters. Collectie Van Aertselaer, Antwerpen

inderdaad de dertigjarige moeder ontving de gruwelijke tijding maar
bleef zeer kalm – ook toen de politie het geval een tweede maal uit-
legde (heeft zij niet goed begrepen?) scheen zij niet onder de indruk
te komen [ke:14]

In de versie van de Gazet luidt het:

Men moet ook weten, dat het zonderling scheen dat de droefheid door de vrouw betoond, bij het vernemen van den schromelijken dood van haar dochterke Cecilia, maar oppervlakkig scheen, en dat zij niet overstelpt werd door eene wanhopige droefheid, zooals het bij een moeder gebeurt, als zij zulken afschuwelijken moord verneemt. [GVA, 29-04-1937]

Dit was voor het liberale Het laatste nieuws een niet te verkroppen manier van berichtgeving. In een gesprek met de ouders was het de journalist van dienst opgevallen dat deze mensen alles behalve harteloos waren. Zij waren zelfs diep onder de indruk van het gebeurde. Maar niet alleen van de feiten op zich. Ook de geruchten die over hen de ronde deden, vielen hun zwaar. Door deze onwaarheden waren ze zwaar getroffen, ‘alsook door het kommentaar van zekere bladen, waartegen zij heftig protest aanteekenen.’ [HLN, 30-04-1937] Vooruit meldde daarentegen zelfs dat gebleken was dat in het gezin ‘niet alles naar wensch ging, dat vader en moeder veel dronken en dat de zes kinderen erg verwaarloosd werden.’ [VRT, 30-04-1937] Eens te meer spreken de stemmen elkaar tegen en profiteert Boon van de ruis die het verhaal verstoort. Nergens wordt het verhaal eenduidig of schotelt Boon ‘de waarheid’ voor. In extreme mate gebeurt dit wanneer de zogenaamde ‘bleke regenjassers’ ten tonele verschijnen. Volgens de geruchten droeg de dader een lichte ofwel bleke regenjas. Het bleek een signalement dat op vele mannen van toepassing was. Al op 1 mei, nauwelijks een week na de vondst van het lijkje, waren er in het kader van het gerechtelijk onderzoek zeker vijftig verdachten aangehouden, verhoord en weer vrijgelaten. De bleke regenjas die in Boons gedicht haast een eigen leven gaat leiden, moet waarschijnlijk worden teruggevoerd op een getuigenis van een zekere mevrouw Wuyts, buurtgenoot van de betreurde Cecilia. Zij was de moeder van het meisje dat terugkeerde enige uren nadat de vermissing van Cecilia bekend werd. In haar verklaring beweerde zij dat de man die haar dochter, de twaalfjarige Angèle (in het gedicht ‘haar elfjarige dochter de kleine agnes’ [ke:16]), had meegelokt onder het voorwendsel dat hij haar een pop zou geven een ‘trench-coat [droeg] en zijn klak, waaronder een klis haar uitstak, diep over de oogen [had] getrokken’ [GVA, 29-04-1937]. In de kleine eva vinden we de belager van de ‘elfjarige agnes’ terug als:

ja een bleke regenjasser
met de pet diep over de ogen
die de spiegels zijn zoals men zegt der ziel
klis haar over het bleke voorhoofd
en zichtbaar een grote pop
die hij beloven en helaas ook geven wou [ke:16]

Het verhaal over de bleke regenjasser werd nog eens extra kracht bijgezet door de verklaring van de ‘wattman’, de bestuurder van de tram die schijnbaar doelloos halt hield op de vage gronden. Het is een mysterieuze episode in het verhaal over eva. Tijdens een van de late ritten ‘sprong echter een bleke regenjasser / op het platform – hij sprak niet veel / zijn schoenen waren wat bemodderd’. [ek:36] Zo vreemd als het is dat er überhaupt een tram rijdt over het van God en alleman verlaten gebied (‘waarom is daar een arrêt de tram?’ [ek:5]), zo mysterieus was de aanwezigheid van deze man. Een halte later verdween hij weer. Het was ‘een vreemde vogel die nooit werd weergezien over de vage gronden’ [ke:36] Het feit dat hij een bleke regenjas droeg en dat hij, gezien zijn bemodderde schoenen, blijkbaar de gebaande paden had verlaten, maakte hem natuurlijk verdacht en de trambestuurder tot een intrigerende getuige. Ook in de wirwar aan verhalen en beweringen in 1937 viel deze getuigenis op. Het laatste nieuws schreef: 

Tusschen de vele getuigenissen, die in verband met de veelbesproken misdaad gehoord worden, hield ook deze van een trambestuurder de aandacht gaande. De man vertelde hoe verleden Zondagavond nabij de petroleuminstellingen een persoon op zijn wagen is gesprongen, die hem erg zenuwachtig voorkwam. De onbekende was aan de Gentplaats van de tram gesprongen voor deze stilstond. Hij was gekleed met lichte regenjas waaraan, volgens de trambestuurder zich herinnert, slijk zou gekleefd hebben. Het was een tamelijk bejaarde man met rond aangezicht, breeden neus en dikken volbloedigen hals. [HLN, 01-05-1937]

Dergelijke verklaringen maakten destijds de ontrafeling van de ware toedracht steeds moeilijker en het zijn deze verstorende verhalen die het geval voor Boon interessant maakten. Welke dreiging en welk mysterie gaat er immers niet uit van een onbekende die midden in de nacht met een beslijkte jas, dan wel met bemodderde schoenen op een verlaten terrein op een tram springt en ook nog voldoet aan het vermeende signalement van de dader? En al blijkt dat deze man niet de dader was, wat deed hij dan wel? En welk onheil hangt de wereld dan nog boven het hoofd? Boon laat met plezier de onzekerheid in de lucht hangen.

Ondertussen was er één verdachte die meer dan de vele andere bleke regenjassers de verdenking op zich had geladen. Boon noemt hem vogel, ‘een man waarop zwaar / de vermoedens wegen’. [ke:18] In werkelijkheid heette hij Frans-Albert Philip. Een week na de feiten werd hij beschouwd als de man ‘waarop zware vermoedens wegen in verband met den schrikkelijken moord op de kleine Cecilia Otte,’ [HLN, 04-05-1937] of in de woorden van Gazet van Antwerpen: ‘Fr. Philip op wien zware vermoedens rusten betreffende den kindermoord’. [GVA, 04-05-1937]
De 21-jarige Frans-Albert Philip was een schippergast (in het gedicht ‘een hulpvrachtwagenrijder der grote baan’ [ke:18]) en woonde met de familie Otte in een ‘tweewoonst’ met een gemeenschappelijke gang en achterplaats. Ze waren dus buren, en misschien wel meer. Want Frans Philip zou eerder het zusje van Cecilia, Maria Francisca, evenals een buurmeisje, hebben lastig gevallen. De haast letterlijke manier waarop Boon de harde feiten uit de kranten in het gedicht heeft verwerkt, is opvallend. Vergelijk de passage uit de kleine eva:

nog zeer streng geheim maar volgens gerucht
zou deze vogel verleden jaar zich schuldig gemaakt
aan ernstige feiten (halt hier lacht men niet)
tegenover nog Ander meisje der kromme bijlstraat
en alsof dat alles nog niet genoeg
ook de zus van het slachtoffer
(men slacht de offers de laatste dagen
vruchteloos) heeft lastig gevallen [ke:19]

met de berichtgeving:

Sedert enkele dagen liep het gerucht over een nieuw spoor, dat zou kunnen leiden tot de aanhouding van den dader van den verschrikkelijken moord op de kleine Cecilia Otte. Er werd echter een volstrekt stilzwijgen in acht genomen, betreffende deze nieuwe richting van het onderzoek. Ook de bladen hielden zich hieraan. Volgens het gerucht zou een jongeman, een zekere Philip, zich verleden jaar schuldig hebben gemaakt aan ernstige feiten tegenover een meisje, dat woont in de Lange Batterijstraat, tegenover de woning van het gezin Otte, waarnaast de bedoelde persoon gehuisvest is. Eveneens zou deze man een zustertje van het kleine slachtoffer lastig gevallen hebben. [HLN, 04-05-1937]

Een krantenbericht uit Het laatste nieuws van 1 mei 1937. In één bericht worden twee verdachten besproken en wordt er een link gelegd met een aanranding in het naburige Edegem. Een voorbeeld van de verwarring die er heerste.

De beschuldigingen van het aanranden van het buurmeisje en het zusje bleken echter niet hard te maken. Volgens Het laatste nieuws werd Frans Philip beschuldigd nadat een blad een premie had uitgeloofd voor de gouden tip in deze zedenzaak ‘en de buurvrouwen aan het kletsen’ [HLN, 05-12-1937] waren geraakt. Alle feiten die tegen Frans Philip zouden spreken, werden teruggenomen. Ook het verhaal dat hij iets zou hebben uitgespookt met het buurmeisje bleek niet te verifiëren; er is slechts ‘het getuigenis van het meisje, dat iets vertelt op belofte van een pakje snoep’ [HLN, 05-12-1937]. Ook het gerucht dat Frans Philip de zus van Cecilia, Maria Otte, zou hebben lastig gevallen, kon niet worden bewezen. ‘Trouwens’, zo schrijft Het laatste nieuws terloops, ‘Maria Otte ontkent deze feiten’. [HLN, 05-12-1937]
De verdenking rustte echter niet voor niets op deze ‘rare vogel’. 

nog andere feiten versterken vermoedens die op voghel
steeds zwaarder wegen: bitter jong botste hij al aan
in zijn vlucht tegen de kinderrechter
voor het stelen van een peer of was het een appel?
toen uitbesteed zoals de arme wees
bij een landbouwer ergens te waaiendijck
of stillendijck godvergeten gat in de aarde
en daar op heterdaad inderdaad betrapt
als hij zich verlustigt de aanblik van vierjarig kind
dat hij heeft ontkleed in de serre bij de bloemen
ook met buurmeisje pleegt hij zekere feiten die zeden-
feiten worden genoemd deze dagen – en die zijn uitgelekt
(niet zoals men de pan lekt)
zoals een druppende kraan lekt [ke:20-21]

De uitgelekte feiten die vogel in het verleden had gepleegd, waren genoeg om verdacht te zijn in deze moordzaak, ondanks het feit dat zijn concrete betrokkenheid bij de vermeende aanrandingen in de buurt nergens uit bleek. Feit blijft dat deze jongen psychisch niet helemaal in orde was. En ook daar heeft Boon niet over gelogen. Uit het pleidooi van Frans Philips advocaat, mr. Daeseleire, kwam de verdachte naar voren als een verwarde jongeman met een ongelukkige jeugd. Hij was een buitenechtelijk kind, wiens moeder door een onbekende werd bedrogen. Het requisitorium luidt verder: 

Een jong meisje stond alleen in de wereld met een jongen, waarvoor zij moest arbeiden in de moeilijke jaren van den wereldoorlog. Zij moest buiten Antwerpen gaan wonen en het geld, dat zij verdiende en opstuurde voor den kleine, kwam niet terecht. Het werd een verlaten schepseltje, dat daarbij teekens gaf van geestesafwijkingen. De jongen heeft geen geheugen en kan de school niet volgen. Het werd een boefje, een straatloper. Wanneer het te sterk wordt, klaagt zijn moeder, die intusschen gehuwd is, hem aan bij den kinderrechter. Hij wordt opgesloten en na geruimen tijd verschijnt hij opnieuw in de maatschappij. En nu staat Frans Philips voor het gerecht, beschuldigd van zedenfeiten en moord op een 7-jarig meisje. [HLN, 05-12-1937]

‘Een verlaten schepseltje dat daarbij teekens gaf van geestesafwijking.’ Deze kwalificatie ligt in Boons keuze voor de naam vogel. Een rare vogel, zoals we al verduidelijkten, maar ook een bang vogeltje dat angstig de wereld inkijkt, niet in staat om zichzelf te verdedigen. Het zijn kenmerken die vogel typeren. Vooral tijdens het proces maakt hij van tijd tot tijd een verdwaasde indruk. Boon dicht ergens: ‘maar in zijn speech blijft hij plots steken / brengt langzaam aan de mond de hand / ingespannen nadenken met gebogen hoofd / met al te onvolmaakte mecaniek der hersenen’ [ek:25] en even verder: ‘met de handen aan de mond er woorden plukken / die niet komen willen / en wild de ogen vluchten’. [ek:27] Frans Philip maakte in de rechtbank al een even vreemde impressie. Geconfronteerd met het feit dat zijn alibi niet geheel waterdicht was (hij zou bij zijn grootvader op het tijdstip van de misdaad kaart hebben gespeeld, maar bleek pas later te zijn aangekomen), sloeg de bange jongen dicht en ‘blijft hij hardnekkig het stilzwijgen bewaren en staart hij slechts doelloos voor zich uit met groote droomerige oogen’. [HLN, 05-05-1937] In een ander bericht wordt het nog poëtischer verwoord: ‘Hij wordt lang ondervraagd, wordt spoedig opgewonden en het schemert in zijn geest’. [HLN, 05-12-1937]
Alle verdachtmakingen en het zwakke alibi ten spijt kon het ultieme bewijs toch niet gevonden worden. Zelfs de sterkste aanwijzing, een lap linnen dat mogelijk van Philip was en bij het lijkje gevonden werd, vormde geen sluitend bewijs. Cecilia kon het op de gemeenschappelijke koer gevonden hebben. Bovendien was niet onderzocht of het bloed op het linnen van de verdachte afkomstig was.
Mede door deze juridische slordigheid besloot mr. Daeseleire ‘dat er geen gronden aanwezig zijn voor de interneering van Philips evenmin als voor zijn inbeschuldigingstelling, aangezien zijn schuld geenszins bewezen is.’ [HLN, 05-12-1937] De uitspraak luidde als volgt: ‘Voor den moord en de ontvoering van Cecilia Otte wordt Frans Philips vrijgesproken, daar er twijfel bestaat betreffende zijn schuld. Voor de zedenfeiten op Maria Otte wordt hij eveneens vrijgesproken. Hij werd veroordeeld tot 5 jaar interneering voor den diefstal ten nadeele schipper De Backer en voor het zedenfeit met het 6-jarig meisje uit de buurt.’ [HLN, 05-12-1937] Het is een anticlimax en de teleurstelling over de onopgeloste zaak moet groot geweest zijn. Of in de samenvatting van Boon: ‘uitspraak en eind- / loos happy-end’ [ke:41].

Het lot van de kleine Cecilia Otte inspireerde Boon tot het schrijven van de kleine eva. Heel wat feiten kwamen rechtstreeks in het lange gedicht terecht en geholpen door de chaotische manier waarop de kranten verslag uitbrachten, slaagde hij erin dit dreigende en ontwrichtende epos te schrijven. De verwarrende manier waarop de berichten de wereld werden ingezonden, lijkt aan de basis te liggen voor Boons keuze voor de fragmentarische en meerstemmige poëzie.

Nu de bronnen bekend zijn, ligt er de mogelijkheid om Boons procédé ten gronde te onderzoeken. Binnenkort in dit theater, de volledige inventarisatie van alle krantenartikelen over de zaak Otte/blancken.

Grote aankondiging op de voorpagina van Het laatste nieuws van 5 december 1937 van de vrijspraak van de hoofdverdachte in de zaak Cecilia Otte.
Afkortingen:

GVA: Gazet van Antwerpen
HLN: Het Laatste Nieuws
ke: Louis Paul Boon, de kleine eva uit de kromme bijlstraat, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1956
VRT: Vooruit

Literatuur:

Boon 1982: Louis Paul Boon, Een man zonder carrière: gesprekken met Louis Paul Boon, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1982
Buelens 2001: Geert Buelens, Van Ostaijen tot heden, zijn invloed op de Vlaamse poëzie, Vantilt, Nijmegen, 2001
Florquin 1972: Joos Florquin, Ten huize van… 8, Orion, Desclée De Brouwer, Brugge, 1972