[Ernst Bruinsma]
  - | Uitgeverij A. Manteau. Het begin
 
Uitgeverij A. Manteau. Het begin


Angèle Manteau’s adagium als uitgever is altijd geweest dat ze ‘literaire kwaliteit’ op de markt wilde brengen. Daarmee was wat haar betreft de kous wel ongeveer af, maar deze uitspraak stelt de literatuurhistoricus die de geschiedenis en functie van dit bekende uitgevershuis wil onderzoeken wel voor een aantal problemen. Want wanneer is een literair werk kwalitatief goed te noemen en wanneer niet? Frank de Glas heeft in zijn studie Nieuwe lezers voor het goede boek (1989) op overtuigende wijze betoogd dat dit begrip ‘kwaliteit’ een weinig bruikbaar begrip is om het profiel van een uitgeverij mee te kunnen schetsen. In de eerste plaats, zo betoogt De Glas, wordt een fonds behalve door selectiecriteria als ‘kwaliteit’ ook in belangrijke mate gevormd door de factor toeval. Ten tweede is het vrij moeilijk om het begrip ‘kwaliteit’ nader te specificeren en bovendien blijkt pas na verloop van tijd welke boeken blijvende literaire kwaliteit bezitten. De Glas: ‘De tijd schift en maakt uit welke teksten en auteurs in de literaire canon van nationale literatuur terechtkomen. Het hoeft geen verbazing te wekken, dat in tal van uitgeversgetuigenissen en uitgeverijgeschiedenissen juist die auteurs uit een fonds breed worden uitgemeten (met voorbijgaan aan talloze anderen), die achteraf een permanente reputatie blijken te hebben opgebouwd.’

De meest beroemde auteur uit de stal van Manteau is natuurlijk Louis Paul Boon en het verwondert in het licht van bovenstaande dan ook geenszins dat Angèle Manteau de laatste decennia over geen van haar auteurs zo uitvoerig heeft gesproken als over Boon. Maar het is natuurlijk de vraag of Boon van meet af aan voor ‘literaire kwaliteit’ stond. Daar waren de meningen bij verschijnen van zijn romans immers zeer over verdeeld, om het maar eens eufemistisch uit te drukken. De voornaamste reden om Boon uit te geven was trouwens dat hij de Leo J. Krynprijs had ontvangen en Manteau contractueel verplicht was tot uitgave van het bekroonde manuscript. Maar zelf beweerde ze recentelijk nog dat ze Boon ook zonder aansporing van de jury van de Leo J. Krynprijs wel zou hebben uitgegeven: ‘Heel gauw wist ik dat de kopij, door een zekere Lowie ingestuurd, torenhoog boven de andere inzendingen uitstak. [...] Ook indien er geen Krynprijs was geweest, indien de moeilijk leesbare kopij van De voorstad groeit, gewoon per post naar Manteau was gestuurd, zou ik er niet aan getwijfeld hebben, ondanks de bezetting en de vele problemen van dien, het boek uit te geven.’

Wat Angèle Manteau als uitgever precies onder ‘literaire kwaliteit’ schaarde heeft ze, zoals de meeste uitgevers trouwens, nooit precies weten te omlijnen. Wellicht moeten haar visie en uitgeverspoëtica in de allereerste plaats gewoon blijken uit de fondslijst die in deze uitgave is opgenomen. Maar zoals Frank de Glas terecht stelt zijn, naast tal van economische en juridische factoren omtrent de productie en distributie van literatuur, de persoonlijkheid en de poëtica van de uitgever van beslissende aard in een beschrijving van een fondsprofiel. En daarom wordt, als eerste opmaat in het onderhavige uitgeverij-onderzoek, in deze inleiding het (apolitieke) literaire klimaat geschetst waarin Manteau een aantal beslissende ontmoetingen heeft gehad met schrijvers, intellectuelen en uitgevers die er uiteindelijk voor hebben gezorgd dat ze het boekenvak in kon gaan. Deze ontmoetingen worden als evenzoveel stapstenen gebruikt om het verhaal van het ontstaan van uitgeverij Manteau te kunnen vertellen.

Cruciaal voor de carrière van Angèle Manteau was haar ontmoeting met de dichter en journalist Jan Greshoff. Hij heeft Manteau eind jaren twintig en begin jaren dertig in contact gebracht met de Nederlandse literatuur (onder meer Arthur van Schendel, Adriaan Roland Holst, Jacques Bloem, Jan Slauerhoff, Menno ter Braak, Eddy du Perron en Simon Vestdijk). De Vlaamse literatuur kwam er wat bekaaid af, want daar had Greshoff niet bepaald een hoge pet van op. Eigenlijk kon alleen het werk van Richard Minne, Jan van Nijlen en Willem Elsschot hem echt bekoren. Via Greshoff kwam Manteau in contact met de Maastrichtse uitgever A.A.M. Stols, die haar in 1932 de mogelijkheid heeft geboden om zelfstandig boekverkoper te worden. Vervolgens moet uitgever Robert Leopold genoemd worden, een neef van de beroemde dichter J.H. Leopold, die Manteau in 1938 de kans gaf om naast boekverkoper ook uitgever te worden. Het fonds van de Haagse uitgeverij H.P. Leopold heeft later, zoals nog zal blijken, als een soort rolmodel gefungeerd voor uitgeverij Manteau. Wie hier tenslotte ook niet onvermeld mag blijven is François Closset, met wie Manteau in 1936 in het huwelijk zou treden. De uit het Waalse plaatsje Herstal afkomstige Closset was een uiterst erudiete man die Nederlands doceerde aan de universiteit van Luik en over een grote belezenheid in de Nederlandse en Vlaamse literatuur beschikte. Zijn interesse ging in het bijzonder uit naar Multatuli, Van Nu en Straks, ‘t Fonteintje en Forum; sporen van die belezenheid zijn gemakkelijk terug te vinden in deze fondslijst. Maar over zijn invloed op het fonds van Manteau gaat het hier nu niet. In deze bijdrage worden van Manteau’s ontmoetingen met de drie eerder genoemde mannen behandeld die, en dit detail mag niet onvermeld blijven, alle drie de Nederlandse nationaliteit hadden. Niet toevallig heeft Manteau, evenals Closset afkomstig uit Wallonië, altijd Nederlanders in dienst gehad van haar bedrijf. Ze heeft bovendien ook altijd getracht zowel Nederlandse als Vlaamse auteurs in haar fonds te krijgen.


Manteau en Greshoff

In september 1928 verliet Angèle Georgette Ghislaine Manteau (1911), na het beëindigen van de klassieke humaniora, haar geboorteplaats Dinant om aan de Université Libre de Bruxelles (ULB) scheikunde te gaan studeren. Ze kwam uit een ‘beschaafd en oerdegelijk’ gezin en had een vrijzinnige opvoeding gekregen van haar vader, die directeur was van een weverij. Manteau vond dankzij Leentje Delen, de dochter van Ary Delen, een kamer bij de familie Greshoff aan de August Reyerslaan 130 in Schaarbeek. Er werd afgesproken dat Frans de voertaal zou zijn in huis omdat ‘de Gressen’, zoals Manteau ze nog altijd graag noemt, deze taal graag vlekkeloos wilden leren spreken: ‘Het Frans was in de jaren twintig nog altijd de cultuurtaal bij uitstek, de taal bovendien van de internationale diplomatie.’ In ruil daarvoor zou Manteau goed Nederlands leren spreken en met Greshoff deelt Angèle Manteau tot op de dag van vandaag een bijzondere voorkeur voor een uiterst zorgvuldig, om niet te zeggen ‘zuiver’ soort Nederlands, dat met een welhaast vooroorlogse ‘Hollandse’ dictie wordt uitgesproken.

Jan Greshoff en zijn vrouw Aty hadden twee kinderen: Kees en Jan, die in de hoofdstad naar de zogenaamde Hollandse school gingen, de christelijke school Prinses Juliana. Maar het was de bedoeling dat als ze eenmaal het Frans voldoende machtig waren, op den duur naar een Franstalige school zouden gaan. Er is in verschillende publicaties wel gesuggereerd dat Manteau een soort kindermeisje was bij de familie, maar dat beeld strookt niet met de realiteit. De Hollandse dichter zou zo'n Franssprekende gouvernante beslist erg chique hebben gevonden, maar de familie Greshoff had het, zeker na de beurscrisis in 1929, niet erg breed. De jonge Waalse studente hielp Aty Greshoff hooguit zo nu en dan bij de afwas en las ook wel eens voor aan de kinderen uit Winnie the Pooh.

De familie was eind 1927 naar Brussel gekomen. Greshoff, eerder werkzaam als hoofdredacteur van de Nieuwe Arnhemsche Courant, ging er aan de slag als correspondent voor Het Vaderland, de NRC en later ook het Hollands Weekblad (1934-1939), een uitgave voor Nederlanders die in België verbleven. Voorts was hij redacteur geweest van Den Gulden Winckel (1925-1928) en in 1932 volgde hij Cyriel Buysse op als redacteur van Groot Nederland, dat vanaf 1935 bijna geheel en alleen door hem werd geredigeerd. Hij bleef redacteur van het blad tot oktober 1941. Een poging om het tijdschrift na de oorlog opnieuw leven in te blazen door middel van een fusie met Nieuw Vlaams Tijdschrift mislukte.

Door al die activiteiten en niet te vergeten ook door zijn nauwe betrokkenheid bij Forum groeide Huize Greshoff vanaf eind jaren twintig in korte tijd uit tot een belangrijke ontmoetingsplaats voor Nederlandse schrijvers. Er ging dan ook een wonderlijke wereld open voor de jonge Manteau, die tot dan toe nauwelijks weet had van zoiets als ‘de Nederlandse literatuur’. Op school was ze nauwelijks veel verder gekomen dan de verplichte lectuur van De kleine Johannes van Frederik van Eeden, voorwaar geen sinecure voor een Waalse scholiere. Maar bij Greshoff thuis leerde ze de halve Nederlandse literatuur al in persoon kennen, nog voordat ze bij wijze van spreken de taal helemaal machtig was. En niet alleen de oude garde werd gastvrij ontvangen want Greshoff had ook en vooral oog voor wat de jongeren deden. Die belangrijke rol werd op dat moment trouwens niet door iedereen op waarde geschat. Zo schreef Du Perron in 1930 dat Jan Greshoff in dit opzicht nog onvoldoende werd erkend: ‘Er is een dichter Greshoff, maar ook een figuur Greshoff - veel sterker, eigenaardiger, en zelfs “cultuurhistorisch” gesproken belangrijker, dan de publieke voorlichters, ook onder de jongeren, op het ogenblik vermenen.’ Later kwam die erkenning er wel, zoals Ed. Hoornik begin 1939 kon getuigen in een lezing uitgesproken bij de opening van de Gres-hoff-tentoonstelling: ‘Greshoff blijft jong met drie generaties: met zijn eigen generatie, met die van Marsman, met die van ons. HBS-ers, studenten, mannen op middelbaren leeftijd sturen hun eerste literaire producten naar het gastvrije bovenhuis aan een Brusselsche boulevard: de ontdekking van een nieuw talent, waarin Greshoff zich zelden vergist, stemt hem gelukkig.’

En Manteau, die destijds als jonge studente in de bruisende wereldstad Brussel weinig moest hebben van al die ‘oude mannen’ van de Nederlandse literatuur, zei vele jaren later over hem: ‘Hij was een uitgesproken persoonlijkheid, die een sterk gevoel had voor vriendschap en ook veel voor zijn vrienden deed. Hij kon haten en liefhebben met dezelfde hevigheid. Op literair gebied heeft hij niet het niveau van Adriaan Roland Holst, zijn poëzie is eerder praatpoëzie, journalistiek in versvorm. Maar hij was een man die iets uit mensen kon halen en die zijn er nodig in de literatuur.’

Het is vooral deze kant van Greshoff die Manteau achteraf bezien het meeste heeft gecharmeerd, zijn rol als inspirator en animator. Hij is in die zin heel belangrijk geweest in haar leven. Voor het overige voelde de jonge studente zich vaak niet erg thuis tussen al die schrijvers met wie het leeftijdsverschil wel heel erg groot was. En ook de vele gesprekken, die behalve door gezeur over geld vooral gedomineerd werden door roddel en achterklap, kan ze zich met geen mogelijkheid als plezierig herinneren. Daar komt nog bij dat er een groot verschil bestond tussen de opvoeding van Manteau, die naar eigen zeggen antimilitaristisch getint was, en Greshoffs fascinatie voor Action Française en de schrijvers Charles Maurras en Léon Daudet.

Greshoff kende het literaire werk van Maurras al voor de Eerste Wereldoorlog, en na 1918 maakte hij ook kennis met diens politieke ideeën. Als correspondent voor De Telegraaf verbleef de jonge Greshoff enige tijd in Versailles om de vredesbesprekingen te verslaan voor de krant. Daar raakte hij bijzonder teleurgesteld in ‘de democratie’. De achteraf inderdaad rampzalig gebleken afspraken die daar werden gemaakt, legden volgens hem de onmacht bloot van de democratie om tot een langdurige en bevredigende oplossing te komen van het oorlogsconflict. Een dergelijk gebrek aan inspiratie en elan stuitte Greshoff dermate tegen de borst, dat hij zich zelfs liet verleiden door het fascisme. Zijn flirt met Mussolini en de zijnen moet tot eind jaren twintig geduurd hebben en zou vooral gezien moeten worden als een poging tot verzet tegen ‘de democratie’. Manteau meent, terugkijkend, dat die fascinatie van Greshoff nog wel wat langer heeft geduurd dan hij zelf heeft doen voorkomen: ‘Op grond van wat ikzelf tussen 1928 en 1933 bij de Greshoffs heb meegemaakt, denk ik dat hij, zoals wel meer Nederlandse intellectuelen die aanvankelijk dweepten met de Action Française en met Mussolini, uit twee ruiven is blijven eten. Want wie gaf me de boeken van Maurras te lezen? Jan Greshoff. En wie ging uit eigen vrije wil Léon Daudet opzoeken toen deze een statig herenhuis betrok in Brussel, nadat de grond in Frankrijk hem te heet onder de voeten was geworden?’

In zijn autobiografie Afscheid van Europa (1969) schrijft Greshoff dat hij vanuit een onuitroeibare aanbidding van Schoonheid als leidend principe voor zijn leven, als jongeling heeft geloofd ‘in een staat welke een hoge geestelijke hiërarchie zou vormen. Ik heb mij zelfs in de eerste jaren van het fascisme laten wijsmaken dat die verheven samenleving daaruit zou kunnen voortvloeien. Hoe bitter was mijn ontgoocheling! [...] Het is de afschuwelijke politiek die mijn droom van een samenleving, gebouwd op liefde, stilte en schoonheid, tot een aanfluiting maakte.’ Die afgronddiepe afkeer van de politiek, in wezen de uiting van een aristocratisch soort verlangen om zich te distantiëren van de ‘horden’ die de westerse democratieën in hun machteloze greep hielden, heeft hem nadien eigenlijk nooit meer verlaten. Het is een elitebewustzijn dat niet meer aan een maatschappelijke klasse is verbonden en Greshoff profileert zich hier dus als een onbaatzuchtige idealist.

In de bundel In alle ernst (1938) omschreef Greshoff zijn afkeer van de politiek van de massa als volgt: ‘De besten onzer hebben altijd het gevoel, dat het onrecht en de baatzucht, welke overal de baas zijn, hun niets aangaat. Zij zijn afkeerig van iedere politiek; zij begrijpen, dat het tegenwoordig met zooveel vuur opgehemeld gemeenschapsgevoel slechts een slaapmiddel voor zwakke broeders is en zij zien in, dat wet en staat altijd tegen de wezenlijke menschelijke waarden ingaan. Zij richten daarom hun leeven zoo in, dat zij zonder zich te bezoedelen niet in de gaaten loopen. Het éénige dat zij vragen is: door de stalknechts van de macht met rust gelaten te worden. En het kan hun in laatste instantie weinig schelen of de staat, welken zij altijd vreezen en verafschuwen, democratisch of corporatief georganiseerd is.’ Maar omdat een mogelijke overwinning van het fascisme hem zou bedreigen in zijn bestaan als vrije kunstenaar en een leven in het teken van het schone en het eeuwige volstrekt onmogelijk zou maken, kon Greshoff in de jaren dertig niet anders dan zich te verzetten tegen de politiek van Hitler, Mussolini en Salazar. Tijdens een bezoek aan Portugal in de zomer van 1936 werden de laatste twijfels weggenomen: ‘Wat nog in mij over mocht zijn, als de laatste virussen van een overwonnen Maurrassianisme, werd gedood door de afschuwelijke Moren van Franco en de achterbakse martelpolitiek van Salazar.’

Hij stond natuurlijk niet alleen in zijn keuze, vele schrijvers waren gedwongen (soms zeer tegen hun zin) politieke kleur te bekennen. Ed. Hoornik noemde het ‘beter het halve ei der vrijheid dan de leege dop der dictatuur’. En Menno ter Braak verbrak, na jarenlang in het tijdschrift Filmliga een rol als theoreticus van de artisticiteit van de film te hebben gespeeld, in 1932 zijn banden met dit blad en daarmee met zijn oude esthetische ideeën. Du Perron schreef al in het voorwoord bij In deze grootse tijd: ‘Let wel, niet hij (=de intellectueel) bemoeide zich met de politiek, maar de politiek zich met hem.’ En Greshoff, die in 1932 nog schreef dat hij Hitler een ‘vulgairen man’ vond en het overigens ook nadien niet nodig achtte zich goed op de hoogte te stellen van diens ideeën, zegt in 1935 in gesprek met G.H. 's-Gravensande: ‘Ik heb nooit iets voor politiek gevoeld, ik voel niets voor politiek en ik zal nooit iets voor politiek voelen. Maar die verdomde politiek, welke wij jaren lang buiten onze belangstelling hebben weten te sluiten, dringt zich nu onafwendbaar aan ons op. [...] Een overwinning van het fascisme, dat zien wij met verpletterende duidelijkheid voor onze ogen, betekent de dood van ieder vrij, zuiver en onbaatzuchtig geestelijk leven. [...] Het is dus onze plicht onze heerlijke onverschilligheid, welke ons van het lage bedrijf der mensen isoleerde, af te schudden en alles te doen wat er in ons vermogen is om een ramp te voorkomen.’

Kortom, Greshoff koos positie als niet-gebonden intellectueel die weigerde om, zoals de massa, extreme keuzes te maken. Zijn antifascisme mag dus beslist niet verward worden met een bekering tot linkse, progressieve sympathieën. Of zelfs maar belangstelling voor de alledaagse werkelijkheid. Tot zijn meest opvallende antifascistische wapenfeiten behoort de publicatie van de ‘Bruine liedjes’ in 1933 en voorts was hij lid van het Comité van Waakzaamheid. Maar zijn belangrijkste troef, het invloedrijke tijdschrift Groot Nederland (1902-1944), kon en wilde Greshoff niet uitspelen in de strijd tegen het fascisme. Wel heeft hij in 1933, toen Forum langzaam uiteen viel, en in 1935 nogmaals, geprobeerd om Groot Nederland tot podium voor de groep Forum te bombarderen, maar dit plan mislukte jammerlijk. Groot Nederland bleef een neutraal en anthologisch tijdschrift dat, zoals de uitgever in 1937 nog maar eens nadrukkelijk in een brochure liet vermelden, ‘aan geen groep, school of richting gebonden is’, en dat ‘geen bepaalde strekking heeft en zich verre houdt van iederen vorm van partijpolitiek’. Greshoff had daar overigens in het geheel geen moeite mee, integendeel zelfs. Zo schreef hij op 10 november 1935 aan Frans Coenen: ‘G.N. [...] mag geen strijdtijdschrift worden. Het moet zoo algemeen mogelijk een beeld geven van de actualiteit der Nederlandsche litteratuur. Iedere eenzijdigheid is uit den booze. Het mag niet afhankelijk gesteld worden van een richting, een strooming, een school, een groep, een vriendenkring.’ En in een interview met Adriaan van der Veen uit die tijd verduidelijkte hij nog eens dat Groot Nederland een anthologisch tijdschrift moest blijven: ‘Het geeft, vanzelfsprekend bepaald door smaak en inzicht van de redactie, al wat belangrijk en goed geacht wordt. In G.N. werken katholieken, communisten, liberalen en marxisten broederlijk samen [...]’

In dit verband moet ook Greshoffs medewerking aan het blad Kroniek van kunst en kultuur (1935-1965) worden genoemd, waarvan hij vanaf november 1936 samen met onder meer Jan Schepens redacteur was. ‘Niet een utopisch ideaal zweefde de redactie voor ogen’, zegt Hesta Bavelaar in haar monografie over dit tijdschrift, ‘de oprichting was eerder een verwoede poging om door een onbevooroordeelde houding de rijkdom aan uitingen op artistiek en cultureel gebied voor de toekomst veilig te stellen. Ook de naam Kroniek van kunst en kultuur verwijst op ondubbelzinnige wijze naar de objectieve en neutrale opzet van de oprichters.’ Het tijdschrift werd inderdaad opgericht om een tegenwicht te bieden aan de autoritaire cultuurpolitiek in Duitsland. Na het verdwijnen van Links Richten (1932-1933) en Forum werd een krachtig protest tegen het oprukkende fascisme node gemist. Maar de redacteuren van KKK, waaronder de linkse schilder/schrijver Leo Braat, hadden geen welomlijnd artistiek of politiek programma: goede kunst was voor hen nog altijd tijdloos en boven het alledaagse leven verheven en men eiste voor zichzelf en collega-kunstenaars de ruimte op dit te kunnen blijven doen.

Toch kon Greshoff, een individualist pur sang, deze gedwongen halfslachtige houding niet lang volhouden. Uiteindelijk werd de walging voor het politieke bedrijf en de weerzin tegen het soort bestaan dat hem werd opgedrongen groot genoeg om de chaos in Europa te willen ontvluchten. Hij kwam tot het besluit om in Zuid Afrika een bestaan op te bouwen waar hij weer als een aristocratisch soort estheet kon proberen te leven alsof de wereld niet bestond. Hij wilde zich weer met blijvende, eeuwige waarden bezig gaan houden, zo zei hij in een afscheidsinterview met Den Gulden Winckel. ‘Als Hitler eenmaal dood is praten ze nog altijd over Thomas Mann. Ik heb dezer dagen te Luxemburg en gedwongen voor het éérst van mijn leven een radio-rede van Hitler gehoord. Het is mij volkomen onbegrijpelijk wat daarvan zou kunnen uitgaan! Hoe iemand daarvan onder den indruk kan komen, is mij een raadsel. Een vervelend lesje in geschiedenis en aardrijkskunde van een leeraar die fouten maakt. Hadden de menschen, die aan deze en al dergelijke radio-betoogen zooveel tijd verspilden, in al die verloren uren Heine gelezen, dan zouden ze daar heel wat meer heil en geluk uit geput hebben.’

Een vergelijkbare ontwikkeling maakte Sander Stols door, een van Greshoffs goede vrienden. Beiden deelden een zelfde fascinatie voor Daudet en Stols liet in 1929 zelfs een bundeling van diens werk bij zijn uitgeverij verschijnen: Notes dun exile (Londres et Flandre). En hij had er later ook geen bezwaar tegen om twee werken van Mussolini te publiceren: Roma, nel pensiero e nel sentimento degli Italiani da Dante a Mussolini (1934) en Uit het leven van mijn broeder Arnaldo (1936). Later heeft hij nog onderhandeld over een vertaling van La dottrina del fascismo, maar die plannen ketsten af op problemen met de vertaalrechten. Biograaf Cees van Dijk over deze periode: ‘Stols heeft als zoveel andere intellectuelen enige tijd met het fascisme gekoketteerd. De diepe crisis waarin de wereld verkeerde deed hen naar een uitweg zoeken. Even meenden zij in Mussolini de verlosser te zien, de man die een eind kon maken aan een periode van economische en morele malaise. Ruimschoots op tijd heeft Stols zijn vergissing ingezien.’ Uiteindelijk was Stols toch een weinig zakelijk aangelegde estheet die gewoon mooie dingen wilde maken en evenals zijn vriend Greshoff eigenlijk niets met politiek te maken wilde hebben. Van Dijk nogmaals: ‘In zijn omvangrijke correspondentie moet men met een kaarsje zoeken naar zinnige politieke opmerkingen. Als hij politiek al ergens geplaatst kan worden dan in de gematigd conservatieve hoek, echter eerder gevoelsmatig dan beredeneerd, het hield hem niet bezig.’


Manteau en Stols

In het voorjaar van 1930 had Angèle Manteau wegens ziekte haar studie scheikunde moeten opgeven. Aan het eind van dat jaar schreef ze zich in aan het Institut supérieur d'histoire de lart et d'archéologie aan het Museumplein. Daar wilde ze als deeltijdstudie de vakken voor kunstgeschiedenis volgen: ‘Dagelijks vanaf vier uur werden er lessen gegeven door hoogleraren die overdag doceerden aan verschillende universiteiten, onder wie professor Capart, een vermaard Egyptoloog.’ Van deze Capart zou ze in 1944 overigens nog een boek uitgeven [EB & JS ]. Maar nu moest Manteau, die tengevolge van de crisis niet langer financieel ondersteund kon worden door haar vader, wel in haar eigen onderhoud voorzien. Daarom aanvaardde ze, tegen een uiterst bescheiden vergoeding, na bemiddeling van Greshoff een baantje bij A.A.M. Stols als secretaresse en ‘duvelstoejager’. Het bleek een ommekeer in haar leven te veroorzaken.

Stols was in die jaren de buurman van Greshoff aan de August Reyerslaan (hij woonde op nummer 134) en hield kantoor op de Warmoesberg 13, naast het nu nog altijd bestaande café La mort subite. Het bedrijf was gevestigd op de tweede verdieping boven de firma Busath waar men stempels en naamplaten kon bestellen. Manteau herinnert zich het gebouw nog goed: ‘In het trappenhuis was er slechts één WC die niet alleen door het personeel van de 2e, maar ook van de 1e verdieping werd gebruikt. Greshoff kwam haast elke dag langs en verzuchtte, als hij binnenkwam: het stinkt in dit trappenhuis als in de WC van een kazerne.’ Secretaresse van Stols was Suzanne de Coninck (later getrouwd met de Duitse uitgever Peter Diederichs), die dat jaar Germaine Wauters was opgevolgd.

Aanvankelijk had de uit Maastricht afkomstige uitgever Stols, via bemiddeling van Joris Vriamont op 1 januari 1927 de boekhandel/galerie lOiseau Bleu aan de Rue de Namur zullen overnemen van de architect Castermans die van zijn vrouw wilde scheiden. Deze overname ging uiteindelijk niet door maar Stols vestigde zich wel in Brussel, met de Halcyon-Press. Stols: ‘In 1927 [...] koos ik voor Brussel, dat prachtig centraal lag: ten opzichte van Parijs; van Maastricht waar de meeste van mijn boeken werden gedrukt; van België waar een redelijke afzet was van mijn boeken; en van het Westen van Nederland waar veel van mijn Hollandse auteurs woonden en waar zich voor mijn uitgaven belangrijke boekhandels bevonden. Een factor van gewicht was verder dat mijn toen voornaamste adviseur, Jan Greshoff, zich kort daarvoor eveneens in Brussel had gevestigd; hij was er correspondent van Het Vaderland en verschillende andere bladen.

De bibliofiele Sander Stols was gespecialiseerd in luxe-uitgaven van Franse en Nederlandse auteurs en had daar aanvankelijk veel succes mee. Zijn beste en mooiste boeken verschenen voor de oorlog in onvergetelijke reeksen als: ‘Trajectum ad Mosam’, ‘To the happy few’, ‘Les livrets du bibliophile’, ‘Les belles heures’, ‘Luchtkasteelen’, ‘Kaleidoscoop’, ‘Ursa minor’ en de ‘Halcyon Pers’. Het jaar 1930, toen ook Manteau bij hem in dienst kwam, werd zelfs een topjaar voor de uitgever: ‘Zo is 1930 een zeer vruchtbaar jaar geworden. Niet alleen was mijn uitgeverij in Brussel een centrum waar schrijvers als Hellens, Greshoff, Du Perron, Malraux, Pascal Pia en Van de Woestijne elkaar ontmoetten en kunstenaars als Tytgat, Buckland Wright en Alexeïeff geziene gasten waren; maar ook in Parijs, waar ik met Lucien Jaïs samenwerkte, onderhield ik goede relaties met schrijvers als Paul Valéry, André Gide, Valery Larbaud en G. Jean-Aubry.’ In economisch opzicht zouden de daaropvolgende jaren ten gevolge van de crisis van 1929 echter de moeilijkste voor Stols worden. De afzetmogelijkheden voor het luxe boek waren verwaarloosbaar geworden en dat was toch altijd de specialiteit van Stols geweest. Bovendien verzorgde hij zijn contacten met boekhandelaren niet of nauwelijks. Hij liet de dure boeken drukken bij zijn broers in Maastricht. Die gaven leiding aan het in 1895 door hun vader samen met Hubertus Boosten opgerichte bedrijf Boosten & Stols, maar zagen steeds minder heil in de zaak van hun broer Sander. Manteau hierover: ‘De twee broers uit Maastricht werden steeds lastiger, ik merkte er wel iets van al werden de telefoongesprekken in het Limburgs-Maastrichts gevoerd. Stols probeerde het ook met enkele Belgische drukkers, o.m. Vromant uit Brussel die goed werk leverde en Vermout uit Kortrijk, die een knoeier was.’


Een eigen bedrijf

In het voorjaar van 1932 keerde de door financiële zorgen geplaagde Stols terug naar Maastricht om daar zijn uitgeverij voort te zetten. Manteau, gefascineerd als ze inmiddels was geraakt door het boekenvak, trok de stoute schoenen aan en stelde hem voor dat zij (overigens zonder een rooie cent op zak), de zaak over zou nemen. Ze wilde uitgeverij A.A.M. Stols en uitgeverij Boosten & Stols blijven vertegenwoordigen in België. Stols ging akkoord en Manteau liet zich, op voorspraak van Stols en de bekende Brusselse uitgever en boekhandelaar Leo Kryn inschrijven als lid van de Vereeniging ter Bevordering van het Vlaamsche Boekwezen (VBVB). Die vereniging, sedert 1931 onder voorzitterschap van Kryn, was zeker in Europees perspectief pas erg laat (april 1929) in het ‘Vlaamsch Lokaal’ aan de Ad. Maxlaan in Brussel opgericht. Ter illustratie van de omvang van de Vlaamse boekenbranche in die tijd: bij het eerste lustrum in 1934 stonden er bijna 200 boekhandelaren en uitgevers ingeschreven bij de VBVB, in 1939 waren dat er ruim 300 waaronder 248 erkende boekhandelaren.

Gewapend met een huurcontract, wat oude kantoormeubelen en een grote dosis geestdrift en werklust ging Manteau aan de slag. Veel meer had ze niet en zelfs het vak had ze nog niet echt kunnen leren van de weinig zakelijk aangelegde Stols. Zoals Van Dijk zegt in zijn boek over Stols: ‘Dat zij uitgever is geworden moge aan Stols te danken zijn, dat zij een belangrijk uitgever werd dankt zij aan zichzelf...’. Personeel kon Manteau zich nog niet veroorloven dus voortaan moest ze alles zelf doen: administratie, facturering en vooral boeken verkopen natuurlijk: ‘Gisteren is Angèle voor het eerst op reis gegaan. En... met een aardig succesje! Alle begin is moeilijk. Maar het viel mij al mede’ schreef Jan Greshoff in een brief van 3 mei 1932 aan Sander Stols. Van Stols had ze diens voorraden in consignatie overgenomen en daar zat werk bij van onder meer Jan Greshoff, Oskar van der Hallen, Raymond Herreman, Jan van Nijlen, Eddy Du Perron, Maurice Roelants, Jan Slauerhoff en Karel van de Woestijne.

Alle begin was moeilijk, zoals Greshoff terecht schreef, maar de jonge ondernemende vrouw bleek zich heel aardig te kunnen redden door week in week uit met koffers vol boeken per trein en tram heel Vlaanderen door te trekken. Al dat reizen was bittere noodzaak want veel geld voor adverteren had ze niet en om naamsbekendheid te krijgen rekende ze vooral op persoonlijke contacten met boekverkopers, de pers en met auteurs, zowel in België als in Nederland. Dat was een les van Greshoff geweest die ze goed in haar oren had geknoopt. Angèle Manteau maakte alras indruk op haar omgeving, bij de boekverkopers en ook bij collega-uitgevers. Zo werd ze al per 1 oktober 1932, na bemiddeling van Maurits de Meyer (directeur van de Standaard-Boekhandel), vertegenwoordiger van uitgeverij H.P. Leopold voor België. Dat betekende dat de zaken langzaam maar zeker steeds beter gingen want nu kon ze naast de luxueuze boeken van Stols ook met populaire bestsellers van Johan Fabricius en Willy Corsari op pad. Nog datzelfde jaar stond ze op de allereerste boekenbeurs in de Stedelijke Feestzaal in Antwerpen met een eigen stand. En de zaken begonnen echt goed te lopen toen ze per 1 januari 1933 ook nog de import van Meulenhoff kreeg met werk van bij voorbeeld de tot het katholicisme bekeerde Noorse schrijfster Sigrid Undset en de Nederlandse topauteur Arthur van Schendel. Door deze uitbreiding van haar aanbod was ze ook in staat buitenlandse auteurs aan te bieden en dat was broodnodig.

Na ongeveer een jaar hard werken bleek Manteau dus zeer succesvol te zijn in haar werk. ‘Vrouwen die zich intens op zaken toeleggen, hebben meestal iets aangeborens op dat gebied, en u hebt aan Engeltje Mantel kunnen zien hoe aardig de zaken opeens kunnen loopen.’ Dit schreef Du Perron in 1933 aan een vriendin over de zakenvrouw Angèle Manteau. Die had nu inmiddels ook voldoende liquide middelen om een typiste/telefoniste in dienst te kunnen nemen, Meta Levi. Het meisje was afkomstig uit Nederland en werd haar aanbevolen door Greshoff en M.B.B. (Bob) Nijkerk, een in Brussel woonachtige Nederlandse industrieel, mecenas en boekenverzamelaar. Toen Levi later ziek werd, nam Yoepie de Vries haar werk over, alweer op voorspraak van Nijkerk. Omstreeks diezelfde periode kwam ook Léon Neys in dienst als magazijnbediende en de boekhouding werd na kantooruren verzorgd door een bankbediende van de Nationale Bank, die dat ook al voor Sander Stols had gedaan. Ondanks de crisis gingen de zaken goed en vanaf 1935 kon Manteau zich zelfs de luxe permitteren van een blauwe Renault Celtaquatre, wat haar talrijke reizen een stuk minder vermoeiend maakte. Het kon in die omstandigheden eigenlijk niet lang uitblijven dat Manteau haar activiteiten verder zou uitbreiden en ook zelf uitgever zou worden. Maar die evidentie dringt zich slechts achteraf bezien op en zelf dacht Manteau daar naar eigen zeggen allerminst aan.

Een dergelijke stap lag destijds ook niet erg voor de hand want de situatie in het boekenvak was allerminst eenvoudig. Niet voor een ervaren boekverkoper, laat staan voor een Franstalige jongedame van 21 jaar oud die nog relatief onervaren was en Nederlands sprak met een Hollands accent. Uit een enquête die in 1938 georganiseerd werd door de VBVB ter gelegenheid van de boekenweek wordt duidelijk wie in de jaren dertig tot de meest gelezen Vlaamse schrijvers behoorden: (in volgorde van voorkeur) Felix Timmermans, Ernest Claes, Hendrik Conscience, Stijn Streuvels, Gerard Walschap, Cyriel Buysse, Edw. Vermeulen, Abraham Hans, Lode Zielens en August Snieders. Allemaal auteurs die Manteau op dat moment niet vertegenwoordigde voor de Vlaamse markt. Bovendien was het aanbod voor een uitgever sowieso zeer beperkt. Alle grote en bekende schrijvers werden immers in Nederland uitgegeven: Streuvels bij Veen, Van Dishoeck bracht de Van-Nu-en-Straksers Buysse, Teirlinck en Van de Woestijne, Nijgh & Van Ditmar ‘had’ Roelants, Walschap, De Pillecyn, Matthijs, Minne en Herreman en Van Kampen publiceerde het werk van Willem Elsschot. Verder was er ook niet zoveel te doen voor een Vlaamse uitgeverij: het percentage Nederlandstalige boeken op de gehele Belgische productie nam na de Eerste Wereldoorlog weliswaar gestaag toe, maar was nog altijd relatief gering en schommelde al sedert medio jaren twintig rond de dertig procent.

Dat was ook exact de reden waarom bijna alle Vlaamse uitgeverijen zich genoodzaakt zagen ook buitenlandse (Nederlandse) fondsen te vertegenwoordigen. Omdat de Nederlandse boekenwereld veel beter georganiseerd was, veel exporteerde en weinig importeerde, was het voor Vlaamse uitgevers en boekverkopers extreem moeilijk de massa te bereiken met het Vlaamse boek. Dat er ondanks de crisis en de hegemonie van de Nederlandse uitgevers, toch goed verkocht werd en de boekenmarkt in Vlaanderen een behoorlijke ontwikkeling doormaakte is volgens Ludo Simons in zijn boek Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen, vooral te danken aan mensen als Maurits de Meyer, directeur van de Standaard Boekhandel in Antwerpen, Eugène de Bock van uitgeverij De Sikkel (opgericht in 1919), Albert Pelckmans, die in 1934 als opvolger van Herman Oosterwijk directeur was geworden van De Nederlandsche Boekhandel, en tenslotte ook aan Angèle Manteau.


Een aarzelend begin als uitgever

Manteau’s eigen uitgeversactiviteiten namen een voorzichtige aanvang in 1935. De zaak was intussen verhuisd naar de Arenbergstraat 34 waar ze ook was gaan wonen. Van de Amsterdamse uitgeverij Bigot & Van Rossum kreeg Manteau in 1935 het verzoek om de tweede druk van de bloemlezing Vlaamsche verzen van onze tijd met een eigen imprint voor de Vlaamse markt te verspreiden. [EB & JS ] Een jaar later maakte Manteau een volgende belangrijke stap in haar carrière toen ze kort na haar huwelijk op 4 april met François Closset, op voorspraak van de bekende Brusselse uitgever Leo J. Kryn, benoemd werd tot bestuurslid van de VBVB. Bovendien kwam ze dat voorjaar voor 2500 frank in het bezit van vijf aandelen in de uitgeverij Onze Tijd/Notre Temps van Leo Kryn. De Belgische regering had namelijk bepaald dat ambtenaren geen handel mochten drijven en Kryn, als redacteur van het Beknopt Verslag verbonden aan de Senaat, besloot daarop zijn bedrijf om te vormen tot een samenwerkende maatschappij. Aandeelhouders waren naast Kryn onder meer de Brusselse drukker Alfons Hessen, Angèle Manteau en enkele collega's uit de senaat. Na het overlijden van Kryn op 4 april 1940 nam Manteau met ingang van 11 april 1940 de uitgeverij in zijn geheel over en de uitgave van met name de wetteksten waarmee Kryn begonnen was zou zij nog jarenlang blijven herdrukken.

Begin 1938 volgde een tweede boek dat Manteau, nog steeds als importboekhandel, onder eigen naam op de markt bracht, dit keer in samenwerking met Meulenhoff. Het ging om een uitgave van Het brandend braambosch van de Noorse schrijfster Sigrid Undset, die in 1924 tot het katholicisme was bekeerd en zeer goed werd verkocht in het roomse Vlaanderen. [EB & JS ] Dan was er dat jaar ook nog de fantastische toekomstroman De groote vinding van F.F. van der Ven die Manteau voor Van Loghum Slaterus onder eigen naam op de Vlaamse markt bracht. En tenslotte publiceerde Manteau dat jaar als een soort vriendendienst ook nog een boekje van ene Christian Wulkin, de kleine roman Spätklänge. [EB & JS ] Wulkin was een pseudoniem van prof. dr. A.L. Corin die aan de Universiteit van Luik werkte en een collega was van Manteau's echtgenoot François Closset. Het boekje was overigens niet voor de handel bestemd.

De toenemende contacten in Nederland, de contacten met de VBVB, de aandelen in Onze Tijd en de in toenemende mate binnenkomende verzoeken tot gezamenlijke imprint maakten de tijd rijp om zelf een uitgeverij te beginnen. In elk geval waren Maurits de Meyer (zoals gezegd een invloedrijke man in de boekenwereld in Vlaanderen) en Robert Leopold die mening toegedaan. Na bemiddeling van De Meyer stelde Leopold aan Manteau voor om niet langer alleen de uitgaven van zijn uitgeverij te importeren, maar ook zelf met een uitgeverij te beginnen. Waarom hij nu juist met Manteau in zee wilde gaan en niet met bij voorbeeld Albert Pelckmans of Eugène De Bock is niet helemaal duidelijk. Manteau kende zijn fonds natuurlijk erg goed. En wellicht speelde het feit dat ze een generatiegenoot was van de nieuwste lichting schrijvers ook een rol. Een laatste reden zou tenslotte kunnen zijn dat Manteau geen Vlaams sprak, maar Nederlands met een Hollands accent. Dat zal de onderlinge contacten zeker hebben vergemakkelijkt voor de onkreukbare gentleman die Leopold tenslotte was.


H.P Leopold

Uitgeverij H.P. Leopold was in 1923 opgericht door S.F. van Oss en Joes Leopold, een broer van de dichter J.H. Leopold. Van Oss, tevens eigenaar van een effectenkantoor in Den Haag en uitgever van het overbekende Van Oss Effectenboek, was vroeger correspondent geweest voor het Algemeen Handelsblad in Londen en later in Groningen redacteur van het belangrijke opiniërende economische tijdschrift De Nieuwe Financier en Kapitalist. Daar had hij ook Leopold leren kennen, die procuratiehouder bij een bank was. De letters H.P. staan voor Haagsche Post, een blad dat in 1914 werd opgericht door Van Oss. Het eerste nummer, op het beroemde roze papier gedrukt naar het voorbeeld van het Britse dagblad The Globe, verscheen op zaterdag 10 januari 1914. De Haagsche Post werd opgezet als een neutraal gezinsblad voor de liberaal-conservatieve burgerij: ‘Een leunstoel, een kop thee en de Haagsche Post’ was een bekende slogan waarmee het blad in de jaren twintig reclame maakte. Het blad genoot een grote reputatie op financieel-economisch gebied, vormde een vast baken van betrouwbaarheid voor de zakenman, en op politiek gebied stond het zoveel mogelijk boven de partijen. Zo ook in de jaren dertig waarin de internationale spanningen toch toenamen, maar de HP er in slaagde antifascistisch te zijn zonder Duitsvijandig te worden. In zijn boek Rare jaren, over de geschiedenis van dit roemruchte blad schrijft John Jansen van Galen: Het blad wil volstrekt onpartijdig zijn, zowel inzake de oorlog als in alle andere aangelegenheden. Wie vraagt naar de ‘lijn’ van de HP wordt verwezen naar de ‘politiek der vier V's’: vrede, vrijheid, vriendschap en vreugde. Desondanks werd de HP enige jaren voor de oorlog toch verboden in Duitsland.

In 1921 stuurde Van Oss de Haagse schrijver Louis Couperus voor HP naar Indië. Tegen de vergoeding van een klein vermogen (20.000 gulden kosten plus 10.000 gulden honorarium) bereisde Couperus samen met zijn vrouw Nederlands Indië. Tussen december 1921 en mei 1923 publiceerde HP eenenzeventig reisbrieven van Couperus. Om de onderneming iets lucratiever te maken werd besloten een boek te maken van deze reisbrieven. Speciaal voor deze boekuitgave richtte de zakelijk gezien zeer geslepen Van Oss in 1923 een uitgeverij op: H.P. Leopolds Uitgevers-Mij en in oktober 1923 verscheen de eerste uitgave: Oostwaarts van Couperus in een oplage van 3000 exemplaren.

Onder leiding van Robert Leopold, zoon van Van Oss zakenpartner, zou de uitgeverij in de jaren daarna verder uitgroeien. Aanvankelijk richtte Leopold zich vooral op de goede non-fictie en publiceerde hij populair-wetenschappelijke boeken van onder meer de filosofen Antoon Vloemans, Henri Bergson en Ortega y Gasset, maar ook van de Zweedse schrijver en ornitholoog Bengt Berg en de astronoom James Jeans. Op het gebied van fictie werd het fonds lange tijd beheerst door uitgaven van Willy Corsari en Johan Fabricius. Maar Leopold wilde tenslotte meer. Hij ontpopte zich als een gedreven, ambitieuze uitgever en wilde graag, hij was inmiddels ook bevriend geraakt met de bekende topauteurs van Nijgh & Van Ditmar, meer literair werk uitgeven. In 1930 had hij al een voltreffer gehad met De dood in Venetië van Thomas Mann in een vertaling van W.J.A. Roldanus, en hij bracht ook werk uit van Emily Dickinson, Theodore Dreiser, Fannie Hurst, Melis Stoke en Stuart Chase, maar met Nederlandse of Vlaamse auteurs had Leopold nog niet veel succes gehad.

Nieuw talent dient zich meestal aan via de literaire tijdschriften die niet voor niets de kweekvijvers van uitgeverijen worden genoemd. Daarom nam Leopold met ingang van januari 1937 het tijdschrift De Vrije Bladen over. Dit blad, voortgekomen uit Het Getij (1916-1924), werd opgericht door Constant van Wessem, Herman van den Bergh, J.W.F. Werumeus Buning maar viel naar aanleiding van de Prisma-discussie uiteen. De tijdschriftfunctie werd in zekere zin overgenomen door Forum (1931-1935) en De Vrije Bladen ging vanaf 1931 als cahier verder. Het was een tijdschrift dat niet gebonden was aan enig literair of politiek-ideologisch uitgangspunt, had geen geprofileerd programma en in die zin loopt er een lijn van Het Getij naar Forum over De Vrije Bladen. In de periode dat Leopold het tijdschrift uitgaf verscheen in de reeks cahiers werk van onder meer: Menno ter Braak, Gerard den Brabander, Henri Bruning, Maurice Gilliams, H.A. Gomperts, Ed. Hoornik, L. Th. Lehmann, A. Marja, Jo Otten, Eric van der Steen, Ben Stroman, Adriaan van der Veen, Simon Vestdijk, Constant van Wessem en Johan van der Woude. De verschillende generaties waartoe deze auteurs behoorden, de verscheidenheid aan politieke kleur, alsmede de aanwezigheid van zowel fictie als non-fictie weerspiegelen enigszins het fonds dat de bevlogen Leopold zich droomde. Met het boek Schandaal in Holland (1939) van Du Perron en ook de vertalingen door Menno ter Braak van Herman Rauschnings boeken De nihilistische revolutie (1939) en Hitlers eigen woorden (1940) bereikte Leopold tenslotte een niveau dat hij ambieerde.

Een tweede strategie in Leopolds streven naar een groter literair fonds was uitbreiding van de markt zoeken in Vlaanderen waar hij bovendien, wellicht net zoals Doeke Zijlstra van Nijgh & Van Ditmar had gedaan ten tijde van Forum, nieuw talent hoopte te strikken. Dat verlangen, gecombineerd met het idee het financiële risico voor de kostbare Leopold’s Encyclopedie zo veel mogelijk te spreiden, verklaart misschien waarom hij in 1938 na bemiddeling van Maurits de Meyer aan de jonge Manteau het toch uiterst royale aanbod deed om een eigen uitgeverij te beginnen. Manteau importeerde al sedert 1932 de boeken van Leopold en ook de Haagsche Post werd door haar in België verspreid. Ze was een groot bewonderaar van Leopold in wie zij een erudiete bevlogen uitgever zag die ook als rolmodel voor haar eigen uitgeverij zou gaan fungeren. Manteau: ‘hij was afstandelijk, gereserveerd, to the point. Wat uiterlijk betreft was hij het toonbeeld van de directeur: steeds onberispelijk gekleed in een tikkeltje Engelse stijl, een keurige aktentas. Het waren vooral zijn creativiteit, zijn verantwoordelijkheidszin en zijn integriteit die de doorslag gaven in mijn appreciatie voor hem.’ In zekere zin was zijn voorstel an offer she couldn't refuse.


Een eigen uitgeverij

Op 1 april 1938 werd bij het ‘registre du commerce’ als nummer 64.110 ingeschreven de: Uitgeversmaatschappij en Algemeene Importboekhandel A. Manteau, personen vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Montoyerstraat 49, Bruxelles. De wijze van kapitaalverwerving vond als volgt plaats. Er werd voor 250.000 frank aan aandelen uitgeschreven met als aandeelhouders: Robbert-Iwan Leopold (20%), Floris Hartog (10%) en Manteau zelf (20%). Uit het kasboek dat berust in het AMVC kan vervolgens worden opgemaakt dat slechts de helft van het kapitaal werd gestort. De heren Leopold en Hartog (een aandeelhouder van Leopold) maakten aanvankelijk 75.000 frank over en Manteau’s bijdrage bestond uit inventaris en voorraad. Dat betekent dat uitgeverij Leopold bij aanvang van het bedrijf een meerderheidsaandeel van 3/5 deel had en dat Manteau over slechts 75.000 frank aan liquide middelen kon beschikken. Er was ook nog een andere belangrijke restrictie vastgelegd bij de samenwerking tussen Leopold en Manteau: ‘Vanzelfsprekend werden de aankoop en de uitgave van buitenlandse rechten voor het Haagse bedrijf gereserveerd. Ik besefte gauw dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor een literair fonds door die restrictie nogal schraal waren.’

Het kantoor van Manteau was na haar huwelijk met Closset in april 1936 van de Arenbergstraat 34 overgebracht naar een achterhuis aan de Montoyerstraat 49, zelf ging het echtpaar twee hoog voor wonen. De uitbreiding van het bedrijf betekende ook dat er meer personeel in dienst moest komen. Al sedert 1935 had Manteau een hele bekwame vertegenwoordiger in dienst, Harry Klagsbald, en daarnaast was de werkverdeling voor 1940 als volgt: een boekhouder (Emiel Wouters) die was overgenomen van Onze Tijd, diens tweelingbroer Frans Wouters trad op als secretaris van Manteau en voorts waren er nog enkele mensen werkzaam voor de facturering en het inpakken en verzenden van boeken. Manteau stond alleen aan het hoofd van zowel importboekhandel als uitgeverij en ontving daarvoor een salaris van 3000 frank per maand en onkostenvergoedingen.

Kwaliteit brengen is het credo van de nieuwe uitgeverij. Maar wel zoveel mogelijk politiek neutraal blijven, net als de andere uitgevers. De situatie bij de VBVB was dan ook geheel anders dan bij de PEN-club, waar de bijeenkomsten in die periode altijd rumoerig waren en de officiële positie van ‘onpolitieke vriendschapsvereniging’ altijd ter discussie stond. Achteraf bekeken werd het verlangen naar neutraliteit door de VBVB zo nu en dan wel ver doorgevoerd. Dat blijkt bij voorbeeld uit het feit dat een afvaardiging van de VBVB onder leiding van Kryn zich in juni 1938 liet fêteren op het internationale uitgeverscongres in Leipzig. Als klap op de vuurpijl werden de congresgangers in 1938 ook nog eens door uitgever Anton Kippenberg van Insel Verlag ontvangen. Voorzitter Kryn hield daar volgens de Mededeelingen een ‘zeer aardig speechje’ waarin hij getuigde ‘van de fierheid der Vlamingen om ons cultuurbezit’ en van ‘strijd voor de herwording van het groote verleden in het heden.’ Het mededelingenblad van de VBVB berichtte volstrekt ‘neutraal’ over het congres en zag ook geen enkel bezwaar om het artikel te illustreren met een foto van de slotvergadering waarop de hakenkruisvlaggen pontificaal in beeld zijn gebracht. Geen kwaad woord ook over Goebbels die het congres met een bezoek kwam vereren. Niet dat dit de lezer van toen erg verwonderd zal hebben want al enkele jaren voordien, op 20 juni 1936, had men zonder enig commentaar een van diens redevoeringen in samenvatting overgenomen: ‘De nationaal-socialistische staat [...] laat het boekenvak behoeden door menschen, die verheven zijn boven de gedachte, het Duitse volk in plaats van goede literaire kost, vuil en rommel aan te willen bieden. De Duitsche dichters kregen de opdracht, den politieken inhoud van onzen tijd in dichterlijke woorden uit te drukken. [...] Weg met het bloedloos objectivisme, dat zoover ging, het eigen vaderland te willen objectiveeren. Wij hebben de genegenheid voor ras, natie en vaderland weer overtuiging en karakter gegeven. Zoo kan ook het Duitsche volk innerlijk weer tot het Duitsche boek gekeerd worden.’

Ook Leopold, Manteaus belangrijkste klankbord, hield zich politiek gesproken het liefst gedeisd. Zo zag Manteau op advies van Leopold ook wel eens af van een boek. Uit een brief van 24 maart 1939 bij voorbeeld, een van de schaarse brieven van Leopold aan Manteau die bewaard is gebleven, blijkt dat er sprake van is geweest dat de jonge Vlaamse uitgeverij een boek over de op 27 december 1938 gestorven Emiel Vandervelde wilde uitgeven. François Closset stond in contact met vele leden van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) en was (evenals Manteau’s vader) een groot bewonderaar van deze staatsman. Na diens overlijden in 1938 ontstond het idee een boek over hem te publiceren. De socialistische uitgeverij De Wilde Roos was in 1936 failliet gegaan en dus heeft men gepoogd via Closset het boek over ‘le patron’ bij Manteau onder te brengen. Die vroeg Leopold om raad, zoals ze ook Greshoff wel eens om raad vroeg, maar de Nederlandse uitgever toonde evenwel geen belangstelling voor een ‘zoo uitgesproken socialistisch boek’ dat volgens hem niet in zijn fonds paste. En hij besloot zijn brief als volgt: ‘Onzerzijds bestaat er geen bezwaar tegen, dat U het boek op Uw naam in België laat verschijnen, tenzij U van oordeel bent, dat Uw uitgeverij daardoor een te geprononceerd karakter krijgt, wat ons op zichzelf in deze tijden minder juist lijkt.’ Dat lijkt misschien een vreemde opmerking voor iemand die later dat jaar een rechtszaak zou riskeren voor de boeken van Rauschning over Hitler, maar het verbod van dat boek was door niemand verwacht en heeft menigeen destijds met stomheid geslagen. De uitgave van die boeken was volgens Manteau dan ook een minder heldhaftige daad dan het nu misschien wel lijkt. Maar het boek over Vandervelde verscheen niet bij Manteau.

Die had inmiddels enige maanden voordien, in de herfst van 1938, haar debuut gemaakt als uitgever. De allereerste uitgaven van het nieuwe bedrijf kwamen nog datzelfde jaar, in 1938, uit. Het betrof twee kinderboeken van de schrijfster Antoinette van Dijk en de bekende illustrator Piet Marée. Deze boeken werden door Manteau voor Leopold in Vlaanderen op de markt gebracht en daarna heeft Manteau nooit meer een kinderboek uitgebracht. Belangrijker is dan ook dat Manteau via haar vertegenwoordiger Klagsbald en de Antwerpse boekhandelaar Bernard Kahan contact had gekregen met Em. De Bom. Deze bekende Van-Nu-en-Strakser zou dat jaar zeventig worden en dat vormde een mooie aanleiding om met een herdruk van De Boms roman Wrakken te komen. [EB & JS ] De jonge Maurice Gilliams werd bereid gevonden om een inleiding voor de herdruk van Wrakken te schrijven. De allereerste uitgave van het boek verscheen in 1898 in het tijdschrift Van Nu en Straks en later dat jaar als boek bij De Nederlandsche Boekhandel. Voor deze feestelijke herdruk koos Manteau voor de sierlijke Cochin letter (door Lettergieterij Amsterdam als Gravure verkocht) en de roman werd op mooi Engels papier gedrukt. Voor de productie nam de kersverse uitgever contact met drukkerij V. van Dieren & Co. in Antwerpen. Van Dieren was destijds een der meest vooraanstaande drukkerijen van Antwerpen die vroeger onder meer Conscience had uitgegeven.

Een eerste niet-gecorrigeerde proef van de inleiding van Gilliams werd op 17 juli 1938 door Manteau naar Greshoff gestuurd, die de bijdrage zou voorpubliceren in Groot Nederland. Het contract met De Bom werd tenslotte op 21 oktober 1938 getekend en afgesproken werd dat 1500 exemplaren van de oplage doorverkocht zouden worden aan de Wereldbibliotheek. Dus niet aan mede-eigenaar Leopold en vermoedelijk gebeurde dat op verzoek van De Bom zelf, die immers vanaf 1919 op verzoek van zijn goede vriend Leo Simons, jarenlang als adviseur voor de Vlaamse Bibliotheek aan de Wereldbibliotheek verbonden was geweest.

Wrakken is het boek van de melancholie en van een tragische somberheid. Het verhaalt over de tot mislukken gedoemde driehoeksverhouding tussen de Deense matroos William Breede, de musicus Richard Koenen en het gevallen meisje Ely die alledrie een hevig verlangen koesteren om de loop van hun bestaan om te buigen. Elk van hen tracht te ontsnappen aan de als beklemmend ervaren omgeving: de eenzaamheid van de matroos op zijn schip, de eenzaamheid van de musicus binnen een kleinburgerlijk milieu en de eenzaamheid van het sociaal verstoten meisje in de anonimiteit van de grote stad. Maar uiteindelijk zijn de personages, door De Bom van treffende psychologische portretten voorzien, niet in staat hun koers om te buigen. De slotzin van het boek luidt dan ook: ‘Zij hadden het oneindig weemoedige gevoel, dat het leven hun te sterk was, dat alles in dit leven onvermijdelijk is, en dat zij moesten medegaan, zich laten drijven als hulpelooze wrakken.’ Door die bijna fatale machteloosheid van de karakters heeft deze kleine roman ook nog iets naturalistisch behouden.

Daar wordt door Gilliams in zijn voorwoord ook op gewezen. Hij betoogt dat De Bom met deze technisch gesproken uiterst verzorgde roman geen poging tot vernieuwing heeft gedaan in de romankunst. Dat maakte volgens hem dat het boek al bij verschijnen een tikje verouderd was. Het was geen roman die zijn eigen tijd weerspiegelde (het verhaal heeft trouwens een autobiografische achtergrond) en als zodanig was het ook geen echte bijdrage aan de ontwikkeling van Van Nu en Straks. Overigens is het interessant dat Gilliams in zijn voorwoord er als eerste op heeft gewezen dat Wrakken de eerste stadsroman is van de Vlaamse literatuur. Inderdaad maken de stadswandelingen, het café en het circus een belangrijk deel uit van de opvallende setting van deze roman.

De kritiek sloot zich over het algemeen aan bij de interpretatie van Gilliams. De ultra-katholiek Joris Caeymaex heeft het in Onze Tijd (1 december 1938) over ‘getemperd fatalistisch realisme’ en over een ‘naturalistisch neutraal boek’ dat ‘zuiver’ is vormgegeven: ‘Jammer dat dit nu niet geweest is juist een boodschap van hoop, van stralende levensvoorwaarden.’ In Het Laatste Nieuws (18 april 1939) bespreekt Aug. Van Boecksel de roman: ‘De hooge verdienste van De Bom zal het blijven ons dezen kleinen baanbrekenden roman te hebben geschonken, waaruit een cosmopolitische lucht ons tegenwaait, waarin stijl en atmosfeer zoo innig vereenigd zijn, waarvan de opbouw zoo’n verrassende harmonie vertoont.’ De criticus van Dietsche Warande en Belfort (juni 1939), W.B., betreurt dat De Bom niet verder is gegaan als romancier: ‘Wij kunnen betreuren dat De Bom de belofte niet tot vervulling bracht, die deze eerste Antwerpsche roman wekte, maar wij zijn dankbaar om den herdruk van dit eerste werk, dat in de ontwikkeling der Vlaamsche literatuur een waardevolle plaats inneemt.’ De recensent van Volk en Staat (16 oktober 1940) tenslotte, B[ert] R[anke], noemt Wrakken ‘een hybridisch mengsel van niet geheel geslaagde, naturalistische objectiveering en, evenmin, zuivere, introspectieve interpretatie. Enkel in deze laatste hoedanigheid, en meer nog als litterair-historisch dan als zuiver menschelijk dokument, kan het ons heden interesseeren.’ Hij benadrukt dus de historische waarde van de roman en toont zich uiterst tevreden met het initiatief van Manteau om ‘half vergeten werk’ opnieuw onder de aandacht te brengen.

Juist dat laatste was, samen met het streven om nieuwe jonge auteurs te vinden, precies een van de pijlers waarop Manteau haar fonds wilde bouwen, al kwam het compliment dit keer misschien uit ietwat verdachte hoek. Naast het vinden van nieuw literair talent heeft Manteau heel wat moeite gedaan om ook literair-historisch belangrijk werk uit te geven. Daarbij wordt een opvallende plaats ingenomen door Van Nu en Straks. Naast werk van De Bom verscheen namelijk ook een bundel van Arnold Sauwen bij Manteau en publiceerde ze het verzamelde werk van Herman Teirlinck, August Vermeylen en Karel van de Woestijne. En tenslotte was Manteau aan het eind van de oorlog ook de beoogde uitgever van een nieuw tijdschrift dat de groep van Van Nu en Straks na Vlaanderen (1903-1907) weer zou binden, het tijdschrift Diogenes dat uiteindelijk na de oorlog als Nieuw Vlaams Tijdschrift bij Ontwikkeling zou verschijnen.


Slot

Tijdens het interbellum ontwikkelden de Vlaamse uitgeverijen zich ondanks de moeilijke omstandigheden toch zeer voorspoedig. Het wereldje werd voornamelijk gecontroleerd door oud-frontsoldaten, activisten en flaminganten (Joris Lannoo, Maurits de Meyer, Eugène de Bock, Albert Pelckmans) en hun fondsen werden (deels) gekleurd door hun politieke (flamingantische) en religieuze overtuigingen. Maar er waren ook wel andersoortige uitgeverijen actief, zoals de socialistische uitgeverijen De Wilde Roos/L’Eglantine, De Garve en Ontwikkeling, maar die vervulden op dat moment slechts een vrij marginale rol. Tot een van de belangrijkste uitzonderingen op de regel in de periode tussen de beide wereldoorlogen moet het bedrijf van de Waalse Angèle Manteau gerekend worden, die met haar Vlaamse uitgeverij een zekere neutraliteit in politieke en religieuze zaken nastreefde. Manteau richtte zich niet specifiek op een van de ‘horden’ die in die enerverende jaren links of rechts, katholiek of protestant, communistisch of fascistisch op een of andere wijze positie kozen in het ‘spel’ dat politiek heet. En ze koos bij haar aantreden als uitgever bewust ook geen positie in de polemiek over de katholieke roman die in de jaren dertig de literaire discussie in Vlaanderen domineerde. De situatie was daar overigens ook niet naar, want de meeste bekende Vlaamse auteurs van toen werden al in Nederland uitgegeven. Het resultaat van haar streven naar een fonds van ‘literaire kwaliteit’ van Nederlandse en Vlaamse auteurs, op het gebied van fictie en non-fictie en niet gebonden aan één generatie, is vastgelegd in de fondslijst.


Geraadpleegde literatuur

Hesta Bavelaar, Kroniek van kunst en kultuur. Geschiedenis van een tijdschrift 1935-1965, Primavera Pers, Leiden, 1998.

C. van Dijk, Alexandre A.M. Stols 1900-1973 Uitgever/typograaf. Een documentatie, Walburg Pers, Zutphen, 1992.

Sjoerd van Faassen, ‘Wat een degradatie, om van een forum op een blad vol wijven terecht te komen!’, Letterkundig Museum, Den Haag / Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 1996.

J. Florquin, Ten huize van... 5 Angèle Manteau, Davidsfonds, Leuven, 1969.

Frank de Glas, Nieuwe lezers voor het goede boek. De Wereldbibliotheek en ‘Ontwikkeling’/De Arbeiderspers vóór 1940, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1992.

G.H. ‘s-Gravesande, Sprekende schrijvers. Gesprekken met Nederlandse en Vlaamse letterkundigen, Uitgeverij Bzztôh, ’s-Gravenhage, 1979.

J. Greshoff, In alle ernst. Overpeinzingen op reis, Querido, Amsterdam, 1938.

J. Greshoff, Een gesprek voor een vertrek. In: Den Gulden Winckel 38 (1939), 6 (juni), p.12-14.

J. Greshoff, Afscheid van Europa. Leven tegen het leven, Nijgh & Van Ditmar, ‘s-Gravenhage/Rotterdam, 1969.

J. Greshoff & A.A.M. Stols, ‘Beste Sander, Do it Now!’. Briefwisseling J. Greshoff – A.A.M. Stols. Deel 1, 1922-1941. [Salma Chen & S.A.J. van Faassen, eds.], Letterkundig Museum, ’s-Gravenhage, 1990.

Ed. Hoornik, J. Greshoff. Dichter en moralist, P.N. van Kampen en Zoon N.V., Amsterdam, 1939.

John Jansen van Galen, Rare jaren. Nederland en de Haagse Post, 1914-1990, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1993.

A. Manteau, ‘Als mij gevraagd wordt: wat ben je geweest, zeg ik: verkoopster van boeken.”[int. Bibeb], Vrij Nederland van 31 januari 1981.

A. Manteau, ‘Als je per ongeluk een Vlaamse uitgever bent.’ In: De brandende kwestie 3. SLAA-lezingen 1984-1985, Raamgracht, Amsterdam, 1985, p.36-54.

A. Manteau, ‘L.P. Boon en de Vlaamse/Nederlandse uitgeverswereld.’ In: Berichten uit Boonland, VI (2000), 1, p.31-40.

E. du Perron, Brieven IV, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1978.

M. Rutten, ‘François Closset’, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1964-1965, E.J. Brill, Leiden, 1965, p.138-139.

Greta Seghers, Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau, Prometheus, Amsterdam, 1992.

Ludo Simons, Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen. Deel II, de twintigste eeuw, Lannoo, Tielt/Weesp, 1987.