Jules Bonnemine van Valère Depauw en het boekbedrijf in Vlaanderen

Dames en heren,

De schrijver Valère Depauw, generatiegenoot van onder meer Louis Paul Boon en Johan Daisne, was decennia lang een bijzonder populaire schrijver. Met name in Vlaams-katholieke kringen rond het Davidsfonds. Zijn werk werd bovendien ook vertaald in het Duits, het Frans en enkele andere talen. Maar ondanks de grote lezersscharen die zijn werk aantrok, werd hij door veel critici aanmerkelijk minder enthousiast ontvangen. Ik vermoed zelfs dat in Nederland maar zeer weinigen ooit van hem gehoord zullen hebben. Depauw schreef zo'n veertig boeken, maar zou geen enkele belangrijke literaire prijs ontvangen. Wèl werd hem, en maar liefst tweemaal, de romanprijs van de provincie Antwerpen toegekend.
De basis voor zijn grote successen legde Depauw in de Tweede Wereldoorlog, toen zijn eerste boeken werden uitgegeven door uitgeverij Manteau. En hij was niet alleen als succesvol auteur verbonden aan dat toen nog erg prille fonds van Angèle Manteau, vanaf de Boekenbeurs in de herfst van 1942 was hij tevens als vertegenwoordiger bij haar in dienst. Tot nog geen twee jaar later de geallieerde troepen Brussel kwamen bevrijden. Toen leek het Mevr. Manteau raadzamer dat Depauw, die een gereputeerd Vlaams-nationalist was, binnenshuis zijn werkzaamheden zou voortzetten om geen kwaad bloed bij de boekhandelaren te kweken. Maar al na enkele maanden, ergens in januari 1945, werd Depauw gearresteerd op het kantoor van Manteau aan de Warmoesberg in Brussel.
In zijn autobiografie Uit alle dalen der herinnering uit 1974 noteert de schrijver over dat bewogen moment in zijn leven: 'Op een ochtend kreeg ik een seintje van Angèle Manteau om bij haar te komen en in haar bureau bevonden zich twee mannen, vrij ongure kerels, die dan ook tot de veiligheidsdienst bleken te behoren en zij namen mij mee. In mijn portefeuille stak de recensie over mijn novelle Kerstvisioen in het Stalag die ik 's morgens in Vooruit had gevonden. Ze was van Reimond Herreman en ik was er blij mee, niet alleen omdat ze lovend was, maar vooral omdat Herreman ze in die tijd en in die krant had gepubliceerd'. De schrijver en journalist Herreman, tevens vooraanstaand adviseur van uitgeverij Manteau, oordeelde als medewerker van de socialistische krant Vooruit inderdaad relatief soepel over de kleine collaboratie en schreef op 18 januari 1945 daadwerkelijk over Depauw.
Depauw werd veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Niet vanwege verraad, ook niet vanwege zijn boeken die gretig aftrek vonden bij het publiek, maar wèl vanwege zijn medewerking aan het Antwerpse dagblad De Gazet, waarvoor hij de 'Kronieken van Reinaert' schreef. Dit dagblad van DeVlag was in 1943 met behulp van veel Duits geld opgezet als tegenhanger van het dagblad Volk en Staat. Een bundeling van die kronieken was overigens in het najaar van 1944 nog bij Manteau verschenen, vermoedelijk niet eens zo lang voor zijn arrestatie, maar dat boek heeft voorzover ik weet geen enkele rol gespeeld in het proces. Het strafdossier over Depauw bij het Krijgsauditoraat is echter niet toegankelijk, dus meer exacte gegevens over dit proces kan ik niet geven.
In deze lezing wil ik aan de hand van één van de uitgaven van Valère Depauw, de volksuitgave van Jules Bonnemine, voor u kort illustreren hoe de Duitse bezetters in Vlaanderen enerzijds de schrijvers min of meer ongemoeid hun gang lieten gaan (een fellowtraveler als Daisne kon gewoon blijven publiceren, een cynisch en decadent werk als De consul van Walschap kon gewoon verschijnen), maar zich anderzijds wel heel nadrukkelijk bemoeiden met de productie en distributie van boeken, die nagenoeg geheel door hen werd gecontroleerd. Het beleid van de Duitse bezetter in Vlaanderen was er kort gezegd op gericht om de organisatie van het culturele leven langs geleidelijke wegen te herzien, de culturele betrekkingen met Duitsland te verstevigen en Franse invloeden verder te weren. Een abrupte invoering van het strakke Duitse keurslijf zou in Vlaanderen weinig kans van slagen hebben, zo schatte het Militair Bestuur in.

Angèle Manteau heeft Depauw niet 'ontdekt' als schrijver. In 1937 maakte hij zijn debuut bij Standaard Uitgeverij met Tavi. Dat boekje, louter geschreven om het publiek te vermaken en zonder enige literaire ambitie geschreven, vond zijn weg naar vele duizenden huishoudens in binnen- en buitenland. In diezelfde periode vestigde Depauw zich in Gent als boekhandelaar en maakte daar onder meer kennis met Johan Daisne. Ook kreeg hij wel eens bezoek van Harry Klagsbald, de vertegenwoordiger van uitgeverij Manteau. Het was ook Klagsbald die Angèle Manteau, vermoedelijk eind 1939, in contact bracht met de populaire auteur. Op dat moment liep het jongerentijdschrift Werk van uitgeverij Manteau en uitgeverij Leopold op zijn laatste benen en daarmee mislukte op jammerlijke wijze een serieuze poging van Angèle Manteau om jonge auteurs voor haar fonds te werven. Depauw maakte met Angèle Manteau de afspraak dat zijn volgende boek door haar uitgeverij zou worden uitgeven. Dit tweede boekje, Jules Bonnemine, verscheen eind april 1940 op de Vlaamse markt, slechts een paar weken voor de inval van de Duitsers. Het werd tegelijkertijd ook op de Nederlandse markt gebracht, samen met Nijgh & Van Ditmar.
Angèle Manteau wist van meet af aan uit welke hoek de politieke wind waaide bij Depauw. Hoewel uit een franskiljons milieu afkomstig, was hij al jaren overtuigd Vlaams-nationalist. Zelf was Manteau die overtuiging allerminst toegedaan, maar vanwege zijn vriendschap met de communist Johan Daisne wist ze dat ze Depauw kon vertrouwen. Het ging hier denk ik bovendien om een vrij zakelijke beslissing. Manteau zag heel goed in dat ze geld kon verdienen met deze auteur en ze berustte enigszins gelaten in de veronderstelling dat hij geen bijdrage zou leveren aan het cultureel kapitaal en het artistieke prestige van haar bedrijf. Haar gok bleek goed uit te vallen want Depauw werd een groot financieel succes. Zijn twee bestsellers waren de volksuitgaven van Jules Bonnemine en van Het late geluk van Remi Zwartekens, die elk in een oplage van 50.000 exemplaren over de toonbank gingen. 'Volksuitgaven' waren kleine boekjes van ongeveer 13 bij 19 centimeter, op goedkoop papier gedrukt en voor een luttel bedrag aan te schaffen bij kiosken en boekhandels.
Paul de Man heeft in 1942 in Het Vlaamsche Land gewezen op het feit dat door de volksuitgaven daadwerkelijk meer mensen zijn gaan lezen. Maar hij waarschuwde de uitgevers wel dat de boekjes voldoende niveau moesten behouden. Daarmee verwees hij impliciet naar het ook door de Duitsers zo gewenste ideaal van de Bildung, die een ieder ertoe verplichtte zich moreel te verheffen door middel van het culturele erfgoed. Het was, in de woorden van De Man, immers niet de bedoeling de schrijver te laten afdalen tot het volk, maar het volk te laten opstijgen tot het niveau van de kunstenaar.
Het lijkt wel alsof Paul de Man zijn pijlen hier richt op een auteur als Depauw, die door diverse critici welwillend werd beoordeeld als een vrolijke volksverteller, een prettige causeur om de tijd mee te verdrijven, maar niet iemand die tot de serieuze literatuur werd gerekend. Een invloedrijk criticus als Herman Oosterwijk van Het Vlaamsche Land bijvoorbeeld, vond Depauw te banaal en te populistisch en hoopte 'dat het Depauw's eerzucht is op den duur in de beschaafde wereld mee te tellen'. En ook de Duitsers waren niet erg gecharmeerd van de literaire kwaliteiten van deze auteur. Zo blijkt uit een leesrapport van de Propaganda-Abteilung over een boek dat Valère Depauw schreef over zijn Duitse krijgsgevangenschap, dat men hem politiek wel vertrouwde als sympathisant van het VNV, maar dat zijn werk stilistisch gesproken zeer te wensen overliet en bijwijlen ook onaangenaam sentimenteel was.
Wie wel positief was over Depauw en over Jules Bonnemine in het bijzonder, was Lode Monteyne. Deze criticus kon zelfs met enige geestdrift vaststellen dat: 'Terwijl zoovele onzer auteurs schrijven voor een elite, die zich voor verfijnde kunst en ook voor den strijd rond litteraire leuzen interesseert, [het] een vreugde [is] een talentvol verteller te kunnen voorstellen, welke door heel velen volledig kan begrepen worden, wiens kunst volksch is in den besten zin van het woord!' Het draait hier natuurlijk om de woordjes 'volksch' en 'verteller'. Monteyne prijst zich gelukkig dat Depauw zich ten volle bewust is van zijn verantwoordelijkheden als schrijver en dat zijn boeken in het teken staan van volksverbondenheid. Monteyne laat zich aldus kennen als een criticus die aansluiting zocht bij opvattingen over literatuur die in wezen al voor de oorlog in bepaalde kringen vigeerden en toen een reactie vormden op de komst van de moderniteit. De moderniteit die aloude waarden en normen aan gruzelementen had geslagen en beproefde sociale structuren had verwoest. Een alternatief voor die moderne maatschappij werd gevonden in het vage begrip 'gemeenschap', dat verder geconcretiseerd werd in de notie 'volk'.
Behalve criticus was Monteyne ook bestuurslid van het Kunstenaarsgilde dat bij het begin van de bezetting voortkwam uit de 'Federatie der Vlaamsche kunstenaars'. Men wilde in Vlaanderen in de oorlog namelijk wel degelijk, net als in Nederland, tot een Kultuurkamer komen en het Kunstenaarsgilde kreeg opdracht om samen met enkele andere organisaties zo'n systeem voor te bereiden. Uiteindelijk slaagde men niet in die opzet, maar de Duitse bezetter greep ook nu niet in.
Intussen was het maar zeer de vraag wat de opstelling zou zijn van de Vereniging voor Letterkundigen (VVL), de belangrijkste schrijversorganisatie in Vlaanderen. Al op 8 juli 1940 schreef secretaris Albert van Hoogenbemt een brief naar de leden van de VVL. Daarin wordt benadrukt dat de VVL in principe altijd apolitiek was geweest, maar wel pro-Vlaams. En daarom moest vooral de eenheid bewaard blijven: 'Alleen door innige concentratie van de eigen nationale vermogens kunnen wij voorkomen dat wij verstuiven als zand voor den wind. Het bestuur noodigt dan ook alle leden uit hun talent in dienst van onze volkskracht te blijven stellen, hier en nergens elders, allen bereid hetzelfde lief en leed te deelen en onzen opgang als volk te bewerken'.
Duidelijk is in elk geval dat het bestuur van de VVL niet dezelfde fout wilde maken als in de Grote Oorlog, toen een al te afzijdige houding van het bestuur een scheuring veroorzaakte tussen de schrijvers en de vereniging in feite nog jaren na het be‘indigen van de oorlog op apegapen lag. Men wilde krachtig leiding blijven geven aan de VVL, niet onzichtbaar worden maar zich beslist ook niet zonder meer overleveren aan de bezetter. Natuurlijk waren de diverse extremen binnen het politieke spectrum ook in de VVL vertegenwoordigd, en daarom was het volgens voorzitter Maurice Roelants zaak te benadrukken dat de pluralistisch georganiseerde VVL een veilig eiland was, waar plaats was voor verdraagzaamheid en respect voor elkaars standpunten.
Waarover in deze brief aan de leden nog niet werd gerept, is dat Roelants zich toen al druk bezig hield met de vraag —f en hoé de VVL onderdeel moest worden van het Kunstenaarsgilde. Volgens Roelants zaten daar namelijk wel voordelen aan vast en in augustus 1940 werd besloten dat die aansluiting er dan maar moest komen. Conform de wensen van het gilde bleef het bestuur van de VVL gehandhaafd, maar werd de organisatie wel gedecentraliseerd. Men accepteerde bovendien willens en wetens de discriminerende en antisemitische Richtlijnen die in de statuten van het Kunstenaarsgilde waren opgenomen: 'alle aangestelden dienen van volstrekt onbesproken gedrag te zijn, en mogen behooren tot noch het Jodendom, noch tot het om het even welk geheim genootschap'. In de praktijk werden die reglementen echter, althans volgens iemand als Gerard Walschap, voorzitter van de Kamer van Letterkundigen in Antwerpen, niet nageleefd en het Kunstenaarsgilde heeft ook geen actieve propaganda tegen het jodendom gevoerd.
Al die tijd verbleef Depauw, die aan het begin van de oorlog als soldaat was opgepakt, als krijgsgevangene in Oostenrijk, maar eind december 1940 keerde hij terug naar Vlaanderen. Het jaar daarop werd Jules Bonnemine herdrukt en bovendien werd zelfs al een derde druk van het boekje gepland, dit keer als een volksuitgave. Op 5 januari 1942 schreef zijn uitgeefster hem daarover: 'Zoudt U de drukkerij Erasmus in mijn naam, willen opbellen om te vragen of ze reeds de vergunning heeft gekregen om het papier voor de volksuitgave van Jules Bonnemine aan te koopen.' Het was namelijk gebruikelijk in Vlaanderen dat niet de uitgever, maar de drukker papier aanvroeg voor een uitgave. Dat papier werd verdeeld door de zogenaamde Papiercentrale (PC). Sta me toe hierover even uit te weiden.
De Papiercentrale kwam, relatief laat, pas in februari 1941 op verzoek van de Duitse bezetter onder leiding te staan van Gustave Goedertier, die net als alle andere directeuren van de overige warencentrales, ressorteerde onder Economische Zaken. Hoofd van Economische Zaken was de VNV'er Victor Leemans. Leemans was in augustus 1940, onder druk van de bezetter, secretaris-generaal geworden op het ministerie van Economische Zaken en maakte meteen duidelijk dat hij het Duitse vertrouwen niet zou beschamen. Hij wenste de economie te reorganiseren om de integratie van Belgi‘ in de Europese (lees: nazistische) economische volkse orde te realiseren. Overigens bestond in Belgi‘ al voor de oorlog een organisatie die de meeste papierfabrikanten vertegenwoordigde en ook hier bleek, net als bij de voorzitter van de VVL, de wens te leven om de zaken vooral zoveel mogelijk te continueren. Na de Duitse inval trad deze organisatie meteen in overleg met een nazistische groep van papierfabrikanten, de Wirtschaftsgruppe Papier. Buiten medeweten van de Miltärverwaltung om kwamen beide overkoepelende organen tot onderlinge afspraken en ze legden ook de prijzen vast. Als tegenprestatie werd in november ook formeel een samenwerkingsverband aangegaan, dat in februari 1941 werd omgevormd tot een echte warencentrale voor de papiernijverheid.
Al sedert augustus 1940 waren uitgevers overigens verplicht om manuscripten over militaire en politieke kwesties en over ras, jodendom en vrijmetselarij ter beoordeling voor te leggen bij het Referat Schrifttum van de Propaganda Abteilung in Brussel. De adviezen werden geformuleerd door censor Hans Teske (voor de oorlog hoogleraar in Hamburg), met medewerking van zijn assistent Bruno Orlick. Vertalingen die eerder al in het Duits waren verschenen werden zonder meer goedgekeurd. Het kwam ook regelmatig voor dat een manuscript teruggestuurd werd naar de uitgever met het verzoek bepaalde passages te schrappen en tenslotte werden sommige manuscripten ronduit verboden omdat ze Duitsvijandig waren.
Vanaf februari 1941 moesten uitgevers toestemming vragen voor al hun uitgaven en dat verliep via de PC. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik niet absoluut zeker weet of de uitgever het volledige manuscript moest inleveren bij de PA omdat de archieven van de PC, die zich bij het Auditoraat-Generaal in Brussel bevinden, ondanks herhaald aandringen nog altijd niet toegankelijk zijn voor onderzoekers. Maar ik heb het sterke vermoeden dat zulks niet het geval is geweest want daarvoor was om te beginnen de PA niet goed genoeg geoutilleerd. Angèle Manteau kan zich desgevraagd ook niet herinneren dat zij al haar manuscripten inleverde bij Teske en voorts beschik ik over een formulier uit 1943 van uitgeverij Westland, bestemd voor dezelfde afdeling, en daarin wordt niets gezegd over het ter inzage geven van een manuscript. Er wordt alleen gevraagd naar titel, auteur en omvang en doel van het werk.
De beoordelingen werden bij Teske en of Orlick afgehaald door iemand van de Papiercentrale. De PC had daarna contact met de drukkerijen (dus niet met de uitgevers) en de drukker kon dan een bon afhalen bij de Papiercentrale. Daarmee kon hij vervolgens naar een papierfabrikant gaan. Angèle Manteau kan zich herinneren dat het inderdaad de drukker was die voor papier zorgde, ze kreeg namelijk geen afzonderlijke factuur voor aankoop van papier, die kostenpost stond vermeld op de rekening van de drukkerij. Wel kwam het incidenteel voor dat een uitgever persoonlijk een en ander bij de PA ging bepleiten.
Er werd regelmatig veel moeite gedaan om deze strenge regels te omzeilen. In principe kon een drukker namelijk ook zonder toestemming van de Duitse bezetter papier kopen bij de fabrikanten. Bovendien heeft een drukkerij vaak wel wat papier op voorraad en van die voorraden is noch door de bezetter, noch door Economische Zaken ooit een grondige inventarisatie gemaakt, al zijn er wel degelijk controles geweest. En voorts kon men boeken die waren goedgekeurd in een kleinere oplage laten drukken dan oorspronkelijk was afgesproken, de uiteindelijke oplage werd immers nooit gecontroleerd. Het restant werd dan gebruikt voor andere boeken. Op deze manier kon de drukker dus zonder inmenging van censor Hans Teske de uitgevers ter wille zijn.
Men noemde die constructie de 'zwarte markt', al was de uitgever dan wel veel duurder uit. Ik citeer opnieuw mevrouw Manteau: 'Als je maar betaalde, je had zelfs kaviaar kunnen krijgen hoor! Maar, dat noemden wij ÒzwartÓ. Schoon papier kostte bij de PC bijvoorbeeld 10 frank per kilo, op de zwarte markt was dat 65 frank per kilo. Je was blij dat je aan papier kon geraken, je discuteerde niet over de prijs'. De uitgeefster geeft grif toe dat ze verscheidene keren op die manier aan papier is gekomen. Daarbij maakte ze, zo heeft ze ons toevertrouwd, hoofdzakelijk gebruik van één bepaalde Gentse smokkelaar, die haar aan aanzienlijke partijen degelijk papier hielp. Dit papier was speciaal bedoeld voor de luxe-uitgaven van Les ƒditions Lumière zodat ze zich op bijzondere wijze kon onderscheiden van haar collega-uitgevers.
Vanaf 1943 was het wel lastiger geworden om de regels te omzeilen omdat de papierschaarste in toenemende mate een probleem vormde. Dat kwam in de eerste plaats doordat er minder brandstof was voor de productie (steenkolenschaarste), voorts door een beperktere import van grondstoffen vanuit de Scandinavische landen en tenslotte omdat er veel papier nodig was voor andere doeleinden (munitiepapier, verduisteringspapier, verpakkingskarton en ook de PA zelf eiste nogal wat op).
Maar de belangrijkste reden die het omzeilen van de regels vanaf 1943 bijzonder lastig maakte, was toch dat er vanaf 1 januari van dat jaar voor elk boek een toelatingsnummer aangevraagd diende te worden. Er is diverse keren geschreven dat elke uitgever vanaf dan wettelijk verplicht was om elk manuscript in te leveren. Het is echter maar zeer de vraag of dit ook daadwerkelijk gebeurde, omdat papier zoals gezegd ook op andere wijze verkregen kon worden en men ook wel gewoon boeken uitbracht zonder toelatingsnummer. En Sonderführer Teske en luitenant Orlick konden natuurlijk onmogelijk alle manuscripten beoordelen. Hoe zou bijvoorbeeld een boek als Abel Gholaerts van Louis Paul Boon, dat wel een toelatingsnummer heeft gekregen, ooit hebben kunnen verschijnen als het manuscript daadwerkelijk door de PA was beoordeeld? Het is ook opvallend dat het de uitgevers en niet de censoren zijn, die door critici als Jeanne de Bruyn fel worden bekritiseerd. De verantwoordelijkheid voor het verschijnen van inferieure boeken werd door haar, en niet door haar alleen, bij de uitgevers gelegd. Voorzover ik nu weet, volstond voor de aanvraag van toelatingsnummers een eenvoudige brief.
Terug naar Depauw. Ook in het geval van Depauw werd er flink druk uitgeoefend om papier te regelen voor zijn volksuitgave en al op 11 februari 1942 kan Depauw melden dat de Papiercentrale het contingent voor de volkseditie van Jules Bonnemine toegekend heeft. Drukkerij Erasmus was al begonnen met het zetwerk, zodat er zo spoedig mogelijk proeven konden worden verwacht. Het gebeurde overigens wel vaker dat een zetsel al werd klaargemaakt, voordat er absolute zekerheid was over papier. Een illustrator werd wel pas in allerlaatste instantie ingeschakeld, omdat van de tekeningen cliché's gemaakt moesten worden en dat was een kostbare zaak.
Inmiddels had Manteau het goede bericht ook ontvangen want al de volgende dag schreef ze aan Depauw dat er zo spoedig mogelijk werk gemaakt zou worden van de volksuitgave. Er staat in die brief overigens nog iets boeiends, dat duidelijk maakt hoe omzichtig met papier werd omgegaan. Er was blijkbaar afgesproken dat Victor Quienen het boek zou illustreren, maar dat plan wordt plotseling losgelaten. Daardoor bleef er papier over en het restant was vermoedelijk bestemd voor andere uitgaven.
Maar half maart blijkt ineens dat de zaak toch nog niet helemaal voor elkaar is. Depauw heeft de gecorrigeerde drukproeven teruggezonden naar de uitgeverij, het zetwerk is dus min of meer gereed, maar er blijkt nog steeds geen papier te zijn. Depauw vraagt opnieuw aan Angèle Manteau om eens flink te lobbyen. Die inspanningen helpen blijkbaar, want korte tijd later krijgt Depauw van Manteau de verzekering dat alles weldra in orde zal komen. Intussen liep door dit soort administratieve handelingen en door de drukke en tijdrovende correspondentie de productietijd voor het boek natuurlijk behoorlijk op. De PC had al lang toestemming gegeven voor papier, maar het kon dus nog wel even duren voordat er daadwerkelijk papier beschikbaar was bij de drukkerij. Twee maanden later, het is dan half mei, is er nog altijd geen papier beschikbaar maar de drukker houdt goede hoop.
Uiteindelijk kan er pas in juni worden begonnen met drukken en pas nadat Manteau papier op de zwarte markt heeft geregeld. Een deel van de oplage kan nu worden gedrukt en het restant wordt later op een andere partij papier gedrukt. Het drukken van boeken op diverse soorten papier kwam wel vaker voor. In ons onderzoek naar het fonds van uitgeverij Manteau zijn we van verschillende titels diverse uitvoeringen tegengekomen. Op 25 augustus, zo'n zeven maanden na de eerste brieven over deze uitgave, kan Depauw eindelijk aan Manteau melden dat hij zijn 20 auteursexemplaren van drukkerij Erasmus heeft ontvangen.
Als een boek klaar was werd het gezet en maakten drukker en binder zo gauw mogelijk reismodellen klaar voor de handelsreiziger. Die doorkruiste bij de voorjaarsaanbieding en bij de najaarsaanbieding het hele land om bij de boekhandels in de steden en de dorpen bestellingen te verzamelen. Aan de hand van het aantal intekeningen en aan de hand van de beschikbare hoeveelheid papier werd dan de uiteindelijke oplage voor een boek vastgesteld. Angèle Manteau bezocht zelf een aantal boekhandels (bijvoorbeeld De Standaard), maar doorgaans werd dit werk gedaan door Valère Depauw, die in november 1942 de eerder door de Duitsers opgepakte joodse handelsreiziger Harry Klagsbald was opgevolgd.
Uitgeverij Manteau ondervond net als andere uitgeverijen geduchte concurrentie van agentschap Dechenne bij het verwerven van bestellingen. In 1941 kreeg het agentschap het monopolie voor het distribueren van kranten en periodieken. Bovendien werd het agentschap dat jaar volledig overgenomen door de Duitsers, die in Dechenne een zeer bruikbaar propagandamiddel zagen. Toen in 1943 het agentschap werd samengevoegd met de Groep Amann, een trust van de Duitse pers, werd een absoluut monopolie verworven voor de distributie van geschriften in welke vorm dan ook.
Dechenne had volgens een brief van Angèle Manteau aan Valère Depauw van 19 januari 1943, recht op de helft van de exploitatie. Bovendien werd zelfs dwang uitgeoefend bij boekhandelaren om de concurrenten te dwarsbomen. Zo meldde Depauw op 29 januari 1943 dat een boekhandelaar zich bij hem had beklaagd: als hij een bepaalde editie van Walschap niet bij Dechenne zou kopen, zou hij ook geen andere werken van Dechenne krijgen. Een andere grote afnemer van de boeken van Manteau was De Vlijt in Antwerpen, die bijvoorbeeld van de zogenaamde volksuitgaven honderden, soms wel duizend exemplaren tegelijk bestelde. Deze exemplaren waren veelal bedoeld voor Vlamingen die in het kader van de Arbeitseinsatz in Duitsland tewerk gesteld waren.
Grote partijen boeken voor De Vlijt, Dechenne of de boekhandels van De Standaard werden rechtstreeks vanaf de drukkerij geleverd. Dat ging met blauwe vrachtwagentjes van de Centrale Import en Export van Boeken (CIEB). De restanten werden opgeslagen in het eigen kantoor. De distributie van die overige boeken was niet altijd een eenvoudige zaak. Uit een brief van 10 februari 1943 aan Depauw blijkt dat pakketten met boeken voor bijvoorbeeld boekhandels in Sint Niklaas en Mechelen, werden afgeleverd met behulp van een expediteur. Het was echter lastig om de pakketten bij de expediteur te laten bezorgen, want de spoorwegen namen niet zomaar pakketten aan en voor elke zending moest speciaal toestemming worden gevraagd. Er waren ook boekhandels die persoonlijk boeken kwamen afhalen bij de uitgeverij in Brussel, maar dat kwam toch niet veel voor. De kortingen die bedongen werden kwamen na overleg tot stand. Ik citeer Mevrouw Manteau wederom: 'Het was normaal dat aan groothandel 45% werd gegeven en aan kleinhandel tussen 30 en 40%, naar gelang het bestelde aantal'.
Ik kom tot een afronding. Ik heb u in de luttele minuten die ik vandaag tot mijn beschikking had een klein kijkje in de keuken willen geven van een uitgever in oorlogstijd. Het valt daarbij op dat een auteur nauwelijks werd lastig gevallen door de Duitsers. Een uitgever, mits hij aangesloten was bij door de Duitsers hervormde branche-organisaties, had het heel wat lastiger want de productie en distributie van een boek was geen sinecure en werd ernstig vertraagd door allerlei wetten en praktische bezwaren. Maar toch ging het erg goed met het Belgische boekwezen in de oorlog. Er werd veel geschreven, nieuwe talenten maakten hun debuut en de verkoop liep uitstekend. Alleen al van een beginnend auteur als Valère Depauw verschenen tijdens de bezettingsjaren maar liefst veertien boeken bij Manteau, inclusief alle herdrukken. Een voorzichtige schatting leert dat van zijn boeken minimaal 130.000 exemplaren verhandeld moeten zijn.
Toch zou er na de oorlog een einde komen aan de goede betrekkingen tussen Manteau en haar succesauteur. Begin 1946 kwam Depauw weer vrij en hij raakte nadien meer en meer verstrikt in de felle discussies die toen over de zogenaamde repressie werden gevoerd. Begin 1948 stuurde Depauw aan Manteau een deel van het manuscript De dood met de kogel. Dat boek gaat over de ge‘xecuteerde radicale Vlaams-nationalist Leo Vindevogel, met wie Depauw nauw bevriend was geweest en die hij als zijn mentor had beschouwd. Maar Manteau vond het boek niet geschikt voor haar bedrijf. De redenen daarvoor waren van praktische aard, het boekenvak in Belgi‘ stond er beroerd voor, maar het manuscript was ook politiek-ideologisch gezien veel te uitgesproken naar de zin van de meer liberale Angèle Manteau. Van lieverlee gaf Depauw het boek toen maar uit bij zijn eigen uitgeverijtje, de Boekengilde Brederode, dat hij reeds in 1948 had opgericht en waar tevens werk verscheen van bijvoorbeeld Robert van Roosbroeck en Cyriel Verschaeve, beiden overigens na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld, de een verblijvend in Nederland, de ander in Oostenrijk. Manteau heeft na de weigering van het manuscript over Vindevogel geen enkele poging meer ondernomen om Depauw te behouden voor haar fonds. In 1949 verscheen als derde deel van cyclus 'De geschiedenis van Mathias Wieringer' het laatste boek van Depauw bij Manteau: De zege van het verzaken.

Ik dank u.