ONVERKOOPBAAR EN DAARMEE UIT!

 

louis paul boon en het uitgevershuis manteau

 

 

 

In de herfst van 1938 verschenen bij de Uitgeversmaatschappij en Algemeene Importboekhandel A. Manteau te Brussel twee kinderboeken van de Nederlandse schrijfster Antoinette van Dijk en de illustrator Piet Marée. Al snel volgden een herdruk van Emmanuel De Boms stadsroman Wrakken (1989) en de eerste uitgave van Johan Daisnes dichtwerk Kernamout. Vijf jaar later was de uitgeverij Manteau uitgegroeid tot een bloeiend bedrijf dat het begrip 'literaire kwaliteit' hoog in het vaandel voerde. Met een goed gevoel voor zaken, een fijne neus voor literaire kwaliteit en een flinke dosis doorzettingsvermogen had de Waalse Angèle Manteau in korte tijd een aantrekkelijk eigen Nederlandstalig fonds weten op te bouwen.[1] De vraag naar boeken mocht in die oorlogsjaren werkelijk massaal worden genoemd en voor een uitgever die een beetje oppaste, bleek de toenemende papierschaarste al snel een groter probleem te vormen dan het door de bezetter gevoerde letterenbeleid. Directeur Manteau werd bovendien bijgestaan door adviseurs die bijzonder invloedrijk waren geweest in het vooroorlogse literaire leven. De combinatie van relatieve publicatievrijheid, een razende leeshonger en vakmanschap zorgde ervoor dat de intussen tot Naamloze Vennootschap omgevormde 'personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid' A. Manteau zich vrij snel een belangrijke plaats wist te veroveren op de Vlaamse literaire markt, naast 'giganten' als De Standaard en De Nederlandsche Boekhandel.

         Met in licentie uitgegeven werken van onder anderen Gerard Walschap en Willem Elsschot, en door een mooie mengeling bij de fondsopbouw van populaire auteurs, 'klassiekers' en schrijvers voor the happy few, slaagde het Brusselse uitgevershuis erin commercieel succes te paren aan cultureel prestige.[2] Tot de uitstraling droegen ook een aantal opgemerkte romandebuten bij. Naast waardevolle aanwinsten als Johan Daisne, Piet van Aken en Hubert Lampo, haalde men in 1942 via de Leo J. Krynprijs de grote belofte Louis Paul Boon in huis.

 

 

De Leo J. Krynprijs 1942 oftewel Boons luisterrijke intrede in de Vlaamse letteren

 

De Leo J. Krynprijs werd gesticht op instigatie van Katy Dickinson, de echtgenote van de in 1940 overleden Leo Kryn, boekverkoper, ambtenaar en tevens directeur van Onze Tijd. Twee jaar nadat het directeurschap van deze vooral om zijn kunstmonografieën en rechtskundige publicaties bekende uitgeverij in april 1940 al was overgedragen aan Angèle Mle Manteau, kreeg de ambitieuze zakenvrouw van de weduwe Kryn ook een kapitaaltje ter hand gesteld om een literaire prijs ter nagedachtenis van haar man te financieren. De notariële acte daartoe werd verleden op 30 mei 1942, vanaf die dag beschikte de firma Manteau over een extra troef om nieuw literair talent aan te trekken. Vergelijkbare, door een uitgeverij ingestelde literatuurprijzen zijn niet dik gezaaid, zelfs in het buitenland, en het recept was bijzonder aantrekkelijk. De Leo J. Krijnprijs was uitsluitend bedoeld voor Vlaamse romanschrijvers, zou om de vier jaar worden uitgereikt en leverde de laureaat behalve een contract voor de uitgave van zijn boek ook nog tienduizend Belgische frank op, een bedrag dat toentertijd het gemiddelde jaarloon van een metaalarbeider benaderde. Naast de liberale toondichter en essayist Willem Pelemans, die de weduwe Kryn vertegenwoordigde, bestond de jury uit de echtgenoot van de uitgeefster en literatuurprofessor François Closset, diens beste vriend Raymond Herreman, adviseur van het huis Manteau en toonaangevend literatuurcriticus van het socialistische dagblad Vooruit, en Willem Elsschot, Vlaanderens meest prominente romancier op dat moment en jeugdvriend van Leo Kryn. Men had, kortom, te maken met het puikje van de vrijzinnig literair Vlaanderen. Het vijfde jurylid was katholiek: de allemansvriend Maurice Roelants, die zich bij de firma Manteau had weten in te nestelen en voorzitter was van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL). Onmiskenbaar verleenden deze namen de prijs vanaf het allereerste begin een groot prestige.

         Boons inzending, onder de naam 'Lowie', bleek zo overtuigend dat sommige juryleden een grap van het al lang ontdekte supertalent Gerard Walschap vermoedden. Had die wellicht een met taalfouten gelardeerd werk van hem ingestuurd om de juryleden op de proef te stellen? Toen dat niet het geval bleek te zijn werd de werkloze huis- en gevelschilder, nog voor de jury van de Leo J. Krynprijs 1942 uit de tweeëndertig ingezonden manuscripten de winnaar had gekozen, een contract aangeboden. Op 18 november 1942 zou het ondertekend worden door Boon, die daarmee een voorschot van tweeduizend vijfhonderd frank in de wacht sleepte en ook voor zijn volgende boek een verbintenis aanging met de succesvolle firma Manteau. Want in de kantlijn van de overeenkomst was in machineschrift de volgende clausule toegevoegd: "De auteur verleent aan den uitgever een optie op zijn eerst volgende boek, ter bevordering van een samenwerking, die over langeren tijd en meer boeken, voor beide partijen slechts vruchtdragend kan zijn. Deze optie vervalt wanneer de uitgever er binnen het jaar geen gebruik van maakt en daarna over het tijdstip van uitgeven geen akkoord tot stand komt." Op de redelijkheid van deze eis viel niets af te dingen, een tot "én jén jaar beperkt voorkeursrecht op slechts één boek kon alleen maar bescheiden worden genoemd.

         Het onderzoek naar de ware identiteit van 'Lowie' en diens antecedenten werd hoogstwaarschijnlijk gevoerd op 29 oktober 1942, die dag werden Boon en zijn boezemvriend Maurice Roggeman in elk geval op de uitgeverij Manteau ontvangen door Maurice Roelants. Deze laatste vergewiste zich niet alleen van het feit dat Boon wel degelijk de auteur van De voorstad groeit was, maar wees kwansuis terloops ook op de schrijf- en taalfouten in de tekst.[3] Zoveel slordigheid paste eigenlijk een schrijver niet, die zijn schrijverschap serieus nam. Toch stond niets de toekenning aan Boon van de eerste Leo J. Krynprijs nu nog in de weg, behalve dan de traagheid waarmee Elsschot zich, zijn ellendige lot vervloekend, door de lectuur van al die saaie dikke boeken worstelde. Zijn collega Herreman had voordien naar eigen zeggen lezend in Boons meesterwerk over straat gelopen, zo verdiept in zijn lectuur "dat ik er de bezetting bij vergat. Ik kende maar "één vrees meer: dat de andere juryleden mijn geestdrift niet zouden delen." Maar dat bleek dus niet het geval te zijn en onder invloed van zoveel enthousiasme moet Angèle Manteau besloten hebben de schrijver maar meteen aan haar uitgeverij te binden. Dat ze vastbesloten was en enige spoed achter de zaak probeerde te zetten, mag misschien blijken uit een brief waarin jurylid Elsschot zich enkele dagen later bij het oordeel van zijn collega's aansloot. Het schrijven was niet aan secretaris Closset gericht, zoals men zou verwachten, maar aan diens echtgenote: "Madame,/ Je suis entièrement d'accord avec les autres membres du Jury. Le livre de boon est très intéressant. C'est un écrivain qui a beaucoup de sentiment et des dons poétiques incontestables./Quoique je n'ai encore lu que 60 pages, mon opinion est faite. Je désire garder le M.S. encore quelques jours pour pouvoir le lire en entier, tellement il m'intéresse."[4] Kort daarop ontving mevrouw Manteau een brief waarin de schrijver zijn nieuwe auteursnaam bekend maakte -- "Louis-Paul Boon", mèt koppelteken -- en voorts zelfverzekerd liet weten: "Om alle hindernissen van het heen en terug zenden te vermijden: Tracht zelf, door een uwer menschen, wat orde te scheppen in den chaos van taalfouten. Schrap de zinnetjes die eender wie kunnen ergeren. Een buitenstaander ziet vlugger wat er zoo al buitensporig is. En ook, wanneer ik zelf aan het doorhalen ga, ben ik best in staat het heel boek te schrappen."[5] Ook deze beschikking werd op woensdag 18 november 1942 vastgelegd in het contract. Een dag later verscheen het nieuws dat Boon de Krynprijs had gewonnen voor het eerst in de kranten. In haar verslag prees de jury unaniem de "opmerkelijke vormkracht' waarvan het bekroonde werk getuigde: "als niet alle teekenen bedriegen, steekt in Louis P. Boon een schrijver met substantie en klasse".[6] Groter lof was schier onmogelijk.

         Op 28 november 1942 werd de Leo J. Krynprijs 1942 officieel uitgereikt. Dat gebeurde tijdens een etentje in het restaurant Aux Armes de Bruxelles. Volgens de (ongepubliceerde) memoires van Willem Pelemans stoorde de uitgeefster zich zo aan het dialect van 'Lowie' dat ze zelfs liever niet naast hem aan tafel wilde zitten, maar dat heeft haar toch niet geschokt in de overtuiging dat het natuurtalent uit de fabrieksstad Aalst, met een wat minder plebejische naam en een goede begeleiding, ook na de oorlog nog een mooie bijdrage zou kunnen leveren aan het prestige van de NV Manteau. Enkele maanden later werd De voorstad groeit van Louis[-]Paul Boon gezet uit de Times, en vervolgens ook gedrukt en genaaid bij Henri Proost & Co te Turnhout.[7] Het boek mat 14 x 20 cm en telde 445 pagina's. Het omslag werd ontworpen door Maurice Roggeman. De ingenaaide editie had een beige omslag, auteursnaam en titel werden zowel op de rug als het voorplat in rood en zwart afgedrukt. Voorts werd het voorplat verfraaid met een in grijs en zwart uitgevoerde tekening & ee een huizenblok in aanbouw, gesigneerd 'M' van Roggeman. Een onbekend aantal exemplaren van het boek werd ingebonden in een halfleren band. De rest van de platten werd omkleed met steenrood papier. Ondanks de toch enigszins beperkte mogelijkheden tijdens de bezetting is onmiskenbaar geprobeerd het boek een chic uiterlijk te geven. Daarop wijzen de vele stempels en clichés die voor de band werden gebruikt en met name de voor de gebonden uitgave benutte zilveren achtergrond voor de tekening.

         Het boek verscheen eind juni 1943. De titelpagina vermeldde dat het werk bekroond was "met de Leo J. Kr[y]n-prijs 1942". Menig recensent van De voorstad groeit refereerde in de tweede helft van 1943 aan het juryverslag, dat eind november 1942 trouwens in tal van dagbladen vrijwel integraal was afgedrukt. Maar naast de menigvuldige allusies op de "vormkracht" van Boons roman, viel toch ook de vaak vehemente afwijzing op van Boons pessimistische werkelijkheidsvisie en zijn zogenaamde miserabilisme. De idee dat Boon zulke kinderziekten wel zou overwinnen woog in de meeste oordelen uiteindelijk echter door. Op 28 februari 1944 kapittelde een geschandaliseerde priester Joris Eeckhout zelfs de critici die, uit bewondering voor Boons retorisch vermogen of louter uit na-aperij, hadden nagelaten om diens debuut op moreel-ideologische gronden af te wijzen: "Het bekroonde boek De voorstad groeit door L.P. Boon werd ook door de katholieke recencisten, uit eerbied wellicht voor de juryleden, heel hoog gesteld en heel zwakjes maar maakte men voorbehoud. Nu is dit boek niet alleen voor een katholiek, maar voor elk edel voelend mensch, eenvoudig niet te lezen."[8] Tegenover E.H. Eeckhout's vernietigende oordeel stond inderdaad een hele reeks opmerkelijk tegemoetkomende commentaren.

 

 

Somber, duivels en onverkoopbaar

 

Dankzij de Krynprijs maakte Boon via de hoofdingang zijn entree in de Vlaamse letteren. Naast een uiterst welkome tienduizend frank bracht de bekroning hem haast onmiddellijk naambekendheid op. Vanuit een strikt economisch oogpunt bleek de auteur evenwel al snel niet winstgevend. Om goed te verkopen was zijn debuutroman te somber en voor zijn uitgeefster was zijn tweede boek op het eerste gezicht dan ook een flinke streep door de rekening. Abel Gholaerts oogde namelijk nóg somberder dan De voorstad groeit. Tot overmaat van ramp bleken ook heel wat critici ditmaal niet bereid om het boek zomaar te laten passeren, zo gortig vonden ze het proza vanVolksschädling uit Aalst. Veel te zwart, volstrekt uitzichtloos en nog decadent ook, zo werd in de overwegend collaboratiegezinde pers geoordeeld. De ene criticus wenste de ontaarde auteur "een snelle dood door zelfmoord" toe, een andere eiste dat "het schrijversras waartoe Boon behoort, moet uitgeroeid worden als het voor gezondmaking onvatbaar is."[9]

         Manteau liet zich door die kritiek niet afschrikken en negeerde "het hysterische gebral".[10] Een flinke aanvaring met de ideologische waterdragers van de Duitse bezetter kon in het licht van de nakende bevrijding geen kwaad en bovendien zag ze ondanks zijn zogenaamde miserabilisme en decadentisme mogelijkheden voor Boon, zelfs in het buitenland. In haar kringen gold de schrijver-gevelschilder als een oer-Vlaamse en enigszins ongecultiveerde neef van toenmalige grootheden als Sinclair Lewis, Upton Sinclair en John Dos Passos. Peegee van Hecke, die Boon kort na zijn indiensttreding bij Manteau uitbundig gefeliciteerd had met De voorstad groeit, was een kenner van de Amerikaanse letteren, evenals de erudiete François Closset, die Boon vermoedelijk op het spoor gezet heeft van Faulkner. Raymond Herreman tenslotte, Manteaus misschien wel meest invloedrijke adviseur, was beduidend minder goed ingevoerd in de Angel-Saksische letteren, maar hij beschouwde Boon als een geniale proletariër, een ruwe parel des volks. Dat de schrijver hem had gevraagd zijn derde boek Vergeten straat wat bij te slijpen, streelde bovendien zijn eigenheid. Kortom, in de ogen van zijn uitgeefster en haar entourage vertegenwoordigde Boon in 1944 een aanzienlijk cultureel kapitaal. Met name Angèle Mle Manteau zelf was ervan overtuigd dat zijn werk als een belangrijke troef zou zou kunnen worden uitgespeeld op de naoorlogse Vlaamse, Nederlandse en wellicht ook internationale markt. Ze had grote plannen met haar bedrijf. Daarom investeerde ze tijdens de bezetting in een Franse vertaling van De voorstad groeit.[11] Ondertussen hield ze Boon met voorschotten op zijn honorarium aan het schrijven.

         Bij al haar internationale ambities verloor Manteau ook de binnenlandse markt niet uit het oog. Begin 1944 was haar uitgeverij betrokken geraakt bij de plannen om na de bevrijding een nieuw blad te beginnen, dat Diogenes zou gaan heten. Mede-initiatiefnemer en bezieler August Vermeylen stond een algemeen-cultureel periodiek voor ogen, pluralistisch van strekking en met grote aandacht voor literatuur en maatschappelijke vraagstukken. Zonder zich daarom helemaal uit dit prestigieuze project terug te trekken, besloot Manteau omstreeks november 1944 evenwel stevig te investeren in een eigen blad dat de actualiteit meer op de voet zou volgen.[12] Zondagspost moest een onafhankelijk weekblad voor politiek en cultuur worden, zoals de ondertitel luidde, en het zou zich richten zich tot de progressieve intelligentsia.[13] De dure onderneming berustte op de stoutmoedige verwachting dat men een aanzienlijk aantal lezers aan blad en uitgeverij zou kunnen binden. Hoofdredacteur werd dichter, kunstcriticus en galerijhouder Paul-Gustave van Hecke, een groot promotor van de avant-garde, die er in de jaren dertig bovendien in geslaagd was de cultuurrubriek 'Het Geestesleven' van Vooruit uit te bouwen tot een spreekbuis van het antifascisme.[14] Naast Van Hecke maakten van de 'kernredactie' onder anderen deel uit de Manteau-adviseur Raymond Herreman, voor de oorlog al de meest invloedrijke criticus uit de socialistische zuil, alsook de echtgenoot van de uitgeefster, François Closset. Opvallend was het aantal betrokkenen dat als vrijmetselaar bekend stond. Zondagspost werd echter vooral gekleurd door zijn grote loyaliteit aan de Grote Alliantie tegen het fascisme. Tegelijk klonk vanaf het allereerste begin sympathie door voor de sociaal-democratie, wat na verloop van tijd zou uitmonden in onverholen steun voor het nieuwe socialistische boegbeeld Achille van Acker. Naast enkele socialistische politici als Gust de Muynck en Hendrik Fayat werkten aan Zondagspost een hele reeks min of meer linkse schrijvers mee, die voor het merendeel al tot de literaire stal van Manteau behoorden. Boon, die zich nog niet openlijk tot het communisme had bekend en voor wie men een mooie literaire toekomst in het verschiet zag liggen, mocht natuurlijk niet ontbreken. Op 20 november 1944 ontving de veelbelovende Manteau-auteur een uitnodiging om eens over zijn medewerking aan het nieuwe blad te komen praten.

         Zoals gezegd waren 'Gust' van Hecke en Raymond Herreman de romancier Boon buitengewoon gunstig gezind en die zal zich wel gevleid hebben gevoeld door de invitatie. Hij verkeerde trouwens niet in de positie om te bedanken voor de eer. Boon was vastbesloten om zijn brood te gaan verdienen als schrijver en dus kon hij zijn literaire vrienden maar beter niet voor het hoofd stoten. Want vooralsnog hoorde hij nergens echt bij, zelfs niet bij het Onafhankelijkheidsfront, waarmee hij zoals we intussen weten wel openlijk sympathiseerde. In geestelijke verbondenheid met zijn 'broeders' uit het linkse verzet, van het Front National in Frankrijk over de partigiani van het Clnai in Noord-Italië en Tito's partizanen tot de Griekse andartes, wachtte hij het moment af dat de burgerlijke orde plaats zou maken voor iets Anders. Mogelijkheden om zijn radicale politieke opvattingen te verzoenen met een betaalde baan als schrijver dienden zich echter niet aan. In afwachting van meer aantrekkelijke voorstellen kon Van Hecke de arme schrijver in elk geval een bescheiden aanvulling op zijn voorschotten bieden. Bovendien zou Zondagspost een mooi forum voor de schrijver kunnen worden, die daar intussen steeds meer behoefte aan had. Wat had Boon eind november 1944 evenwel in portefeuille dat voor publicatie in dit nieuwe blad geschikt bevonden kon worden? Zondagspost was geen literair tijdschrift maar een soort krant, en daarin paste een dagboek of een persoonlijke kroniek, wellicht iets in de trant van de stukjes die Johan De Maegt voor de oorlog in Het Laatste Nieuws had gepubliceerd. De grote tijdroman Madame Odile, waar Boon in de herfst van 1943 aan begonnen was, kwam hiervoor in elk geval niet in aanmerking. Anders was het gesteld met 'Vertellingen over den oorlog', de opzet voor een heuse Bible de la Guerre, een tweede Le Feu zelfs. Met het oog op dit project hield Boon sinds de lente van 1944 notities bij, ter ondersteuning van zijn stelling dat de mens tijdens deze laatste oorlog een nulpunt inzake menselijkheid had bereikt en derhalve rijp was voor Opstanding.[15] In het najaar van 1944 bestond het ambitieuze Boek dat hem voor ogen stond voor het merendeel alleen nog maar uit in de ik-vorm geschreven kanttekeningen bij het alledaagse oorlogsleven, bekeken vanuit het perspectief van de kleine man. Het leken wel cursiefjes, gesneden brood dus voor Van Hecke, en Boon zond dan ook enkele proeven van zijn oorlogsvertellingen naar de hoofdredacteur van Zondagspost.

         Op 5 december 1944 stuurde Gust van Hecke de auteur een enthousiaste brief: de ingezonden kopij is "precies wat wij hebben moeten en van U verlangden".[16] Boon moest vooral stukjes van zijn oorlogskroniek blijven inzenden, zonder zich iets van de chronologie aan te trekken: "M.i. hoeft er geen volgorde te bestaan bij deze kronieken. Geef ze zoo maar door mekaar. Dat kan U dan de gelegenheid geven er nu en dan een zeer actueele tusschen te voegen." Wederom blijkt hoeveel belang het Manteau-weekblad Zondagspost aan de actualiteit hechtte, ook in de literaire bijdragen.

         'Roode nacht' werd op 24 december 1944 in Zondagspost gepubliceerd als eerste aflevering van de reeks 'Mijn kleine oorlog', op de achtste pagina van het nulnummer.[17] In totaal zouden er drieëndertig afleveringen van Boons zogenaamde kroniek verschijnen. Mogelijk liet de auteur zich bij de keuze van de titel inspireren door Hilarion Thans' herinneringen aan de Groote Oorlog, Mijn oorlog (1921).[18] In elk geval koos hij niet voor een variant op notitie 144 uit 'Vertellingen over den oorlog', hij nam integendeel afstand van zijn oorspronkelijke idee om de lezers te confronteren met een "Bijbel van den oorlog". Dat zou zoals gezegd ook geen pas hebben gegeven in Zondagspost.

         Begin 1945 kreeg Boon het werkelijk lastig om financieel het hoofd boven water te kunnen houden. Na vijf jaar van oorlog en bezetting was het spaargeld op, de schrijver vond maar geen werk (naar zijn gading) en een experiment met een uitleenbibliotheek kende geen succes. In die periode tekende Boon voor het eerst een naoorlogs standaardcontract van de firma Manteau, voor de uitgave van zijn derde roman Vergeten straat (1946). Het bevatte het door de vele polemische aandacht tegenwoordig roemruchte 'artikel 14': "De auteur verleent den uitgever een voorkeursrecht voor de uitgave van zijn toekomstige prozawerken, hetzij onder zijn naam, hetzij onder een pseudoniem. [...] Het voorkeursrecht is uitgeput zoodra de uitgever tien werken aangenomen heeft, met uitzondering van die, welke bestemd zijn om te verschijnen in uitgaven van beperkte oplage, en die het voorwerp uitmaken van bijzondere overeenkomsten."[19] Later zou Boon zich deze overeenkomst bitter beklagen, zoals we zullen zien. Ofschoon het nieuwe standaardcontract evenals de vorige door Boon gesloten overeenkomsten de rechten van de uitgever in de tijd beperkte, voelde hij zich aan handen en voeten aan de laatste gebonden. Waarom had hij dit 'wurgcontract' op 17 april 1945 dan ondertekend? Dreef zijn weinig rooskleurige financiële situatie hem daartoe?

         Gelukkig bracht de publicatie van 'Mijn kleine oorlog' in Zondagspost een beetje extra geld in het laatje. Literair gesproken rendeerde 'Mijn kleine oorlog' evenwel niet voor Boon. De idee om in de voetsporen van Henri Barbusse een Bible de la Guerre te schrijven had hij intussen opgegeven, 'Mijn kleine oorlog' beschouwde hij thans als een proeve van literatuur in mineur, die het lezerspubliek moest confronteren met een schrikbarend 'waardenloze' en absurde wereld. De publicatie in Zondagspost sorteerde evenwel een heel ander effect: men consumeerde Boons bijdragen als gewone 'hoekjes' (cursiefjes) en van een schok van herkenning was alleen sprake in zoverre sommige lezers bepaalde personages met zichzelf of met deze of gene uit hun buurt meenden te kunnen identificeren. Ook de leiding van Zondagspost was intussen, om heel andere redenen, niet meer zo tevreden over 'Mijn kleine oorlog'. Boons navrante vertellingen wekten namelijk irritatie op bij de lezer, die al die oorlogsverhalen stilletjes aan beu werd als koude pap. In zijn Memoires van Boontje zou Boon hoofdredacteur Gust van Hecke opvoeren als spreekbuis tegen wil en dank van die onvrede: "Vrouwen wilden, na de bevrijding, mooier kleren dragen, maar mannen wilden na de oorlog geen oorlogsverhaaltjes meer lezen zoals ik er schreef.// 'Kunt ge niet eens wat anders bedenken?' wou hij [Van Hecke] weten."[20] De laatste aflevering van 'Mijn kleine oorlog' werd gepubliceerd op 12 augustus 1945. Vervolgens startte Boon met een nieuwe reeks, 'Gij zult slechts meenemen wat ge dragen kunt', waarvan de eerste aflevering verscheen op 23 september 1945.

         Omstreeks dit tijdstip moet Boon op grond van de notities die 'Vertellingen over den oorlog' vormen en de in Zondagspost verschenen afleveringen van 'Mijn kleine oorlog' begonnen zijn aan de redactie van zijn oorlogsboek. Conform zijn gewijzigde opvattingen over het werk, heeft Boon in de eerste boekuitgave van Mijn kleine oorlog bijna alle hoofdletters in de tekst weggelaten, terwijl zijn vertelling op heel wat plaatsen harder is gaan klinken. Naast ingrepen die terug te voeren zijn op de filosofische en ideologische bijstelling van zijn oorspronkelijke project, valt vooral op dat Boon zijn Zondagspost-kronieken chronologisch gerangschikt heeft in zijn boek en de stukjes heeft aangevuld met een aantal cursief gezette passages. Het merendeel ervan heeft hij ontleend aan 'Vertellingen over den oorlog'. Het gaat om schijnbaar losse invallen, dagboekachtige notities en zure oprispingen van de chroniqueur (een chronisch maaglijder), aangevuld met kleine observaties en enigszins lukrake citaten uit het dagelijkse oorlogsleven. In de regel worden de tekstjes getypeerd door een aforisme-achtige beknoptheid en een oppervlakkigheid die juist niets met het aforisme van doen heeft. Vaak blijft het verband tussen deze korte fragmenten met de in romein gezette tekstdelen waar ze op volgen   of of waar ze aan voorafgaan? onduidelijk. Daardoor krijgen ze iets van een geïmproviseerde reeks snapshots die in hun uitdagende willekeur het gebrek aan logische samenhang doen oplichten die het leven sinds het uitbreken van de oorlog regeert. Het 'geheel' verleent aan Mijn kleine oorlog een gesyncopeerd, bijna jazzy ritme: het ritme van "een kapotte tijd". Waar overigens wel sprake is van een expliciete relatie tussen kroniek en cursief 'commentaar', belemmert de laatste doorgaans het verlangen om een globale betekenis toe te kennen aan de oorlog.[21]

         Boons kleine oorlogsboek zal uiteindelijk nog weinig blijken te hebben van een pseudo-bijbelse profetie die geschraagd wordt door een apocalyptische dialectiek van ondergang en opstanding. Samen met zijn pen lijkt de gefrustreerde schrijver-god ook de conventionele grammatica van het literaire boek stuk te slaan, van de conventionele indeling in hoofdstukken over de idee van een zich logisch ontwikkelend en coherent verteld verhaal tot de klassieke volzin. Het is alsof Mijn kleine oorlog de desintegratie van de burgerlijke orde fysiek ervaarbaar wil maken op het moment dat de restauratie in volle gang is.

         In principe had Boon hier erg ver in willen gaan, zoals hij een jaar na de publicatie van Mijn kleine oorlog zou verklaren in De Vlaamse Gids. Aan de stukjes uit Zondagspost had hij eigenlijk "dagbladknipsels [willen toevoegen], leugenachtige berichten over de fronten... 'van de ene pan in de andere gehakt'... radio-uitzendingen die steeds nieuwe hoop gaven, waanzinnige gedichten over het oostfront, enzovoort..."[22] Materiaal daarvoor werd al in 'Vertellingen over den oorlog' aangeleverd, maar merkwaardig genoeg heeft Boon het bij de redactie van zijn roman niet ten volle laten redeneren. Ofwel zijn beloftevolle aanzetten ([#11], [#59], [#85]) gewoon genegeerd, ofwel werden ze nauwelijks verder uitgewerkt ([#95] > p.148). En van nieuwe vondsten op dit gebied is geen sprake. Dat Mijn kleine oorlog niet helemaal de complexe montageroman werd die Boon naar eigen zeggen had willen publiceren, heeft hij zelf in verband gebracht met tijdgebrek: "[H]et is niet nodig dat iemand iets over dat boek zegt: och, ik weet zelf genoeg wat er aan ontbreekt... want hoe is het weeral gegaan?: veel te vlug. Ik schreef het binst de oorlog op, met ernaast aanmerkingen, pijlen en strepen [...]. En almeteens vraagt een stomme uitgeverij mij naar dat onafgewerkte ding en staat het daar gedrukt... en het is iets geworden van 'geef dat kind zijn speelgoed terug'".[23]

         Dat Boon Mijn kleine oorlog voortijdig uit handen heeft gegeven, blijkt ook uit een reeks 'slordigheden' en 'nalatigheden'.[24] In elk geval staat vast dat de schrijver de eerste druk van Mijn kleine oorlog enigszins tussen de bedrijven door heeft samengesteld. Na een drietal maanden als bureauredacteur te hebben gefungeerd, begon Boon op 8 oktober 1945 literatuur- en kunstkritische bijdragen te publiceren in De roode vaan en bovendien werd hij verantwoordelijk voor de wekelijkse cultuurrubriek 'Kunst en Letteren'. Voorts werd hij occasioneel als reporter het veld ingestuurd, in de hoop dat hij zou uitgroeien tot een Vlaamse Egon Erwin Kisch. In zijn weinige vrije uren hield hij zich bezig met Madame Odile, zijn gooi naar absolute literaire faam. Blijkbaar beschouwde Boon Mijn kleine oorlog als een werk-in-uitvoering dat te zijner tijd wel uitgegeven zou worden. Aan dat onbepaalde karakter van zijn project kwam bruusk een einde toen Nico Rost zich in het voorjaar van 1946 met de zaak ging bemoeien.

         Hoewel hij nooit officieel lid zou worden van de KP, was de Nederlander Nico Rost een overtuigd communist die zich in de jaren dertig ten volle had geëngageerd in de anti-fascistische acties van de Komintern en vooral in Vlaanderen bedrijvig was. Als medewerker van de door P.G. van Hecke geleide rubriek Het Geestesleven van Vooruit, was hij er halverwege de jaren dertig zelfs in geslaagd in de schoot van dit sociaal-democratisch partijblad een communistisch netwerkje uit te bouwen.[25] In 1939 kon Angèle Mle Manteau nog net verhinderen dat de onvermoeibare propagandist zich met de hulp van Herman Thiery alias Johan Daisne ook in het tijdschrift Werk zou nestelen, haar kweekvijver voor jong talent. Maar tijdens de bezetting duldde ze Rost als corrector en vertaler in de uitgeverij.[26] In nog altijd niet opgehelderde omstandigheden werd de Nederlander in de lente van 1943 door de Duitsers gearresteerd en belandde uiteindelijk in Dachau. Rost keerde in mei 1945 naar België terug. Nauwelijks van zijn kampbeproevingen hersteld, hernam hij zijn mollenwerk. Via het jongerentijdschrift De Faun wist hij zich binnen te wringen in de uitgeverij Het Kompas, een Vlaamse dochtermaatschappij van de Nederlandse firma L.J. Veen.[27] Op 20 februari 1946 meldde Rost op samenzweerderige toon aan kameraad Daisne: "Ik ben dit voorlopig onder ons adviseur voor 'Het Kompas'. Tenminste iets dat er op lijkt."[28] Vanuit die positie droeg Rost er het zijne toe bij om de naoorlogse cultuur te democratiseren, democratie gemakshalve gelijkstellend met de leer van Moskou. Hij had er geen problemen mee om voor de goede zaak auteurs af te snoepen van de firma Manteau. Zo had hij zijn oog laten vallen op Johan Daisne, die aan een grote roman werkte over de collaboratie en de bestraffing ervan. Ook Boon, op dat moment de toonaangevende 'communistische' criticus, stond bovenaan zijn lijstje. Daisne hapte niet toe. Boon wel.

 

 

Een faux-pas: Boon en uitgeverij Het Kompas

 

In maart 1946 moet de schrijver van Mijn kleine oorlog voor het eerst hebben kennisgemaakt met de geheime adviseur van Het Kompas. Rost ging met enige voortvarendheid te werk en stookte Boon op om zijn vriend Elsschot onverwijld een voorwoord te vragen voor bij zijn boekje, dat hij wel eens even zou uitgeven. Op 1 april stuurde Elsschot het gevraagde.[29] Intussen bleef onduidelijk wie eigenlijk tot een uitgave kon beslissen. Men kan zich moeilijk voorstellen dat Kompas-directeur dr. Kálmán Kollár zomaar op advies van Nico Rost een werk zou hebben uitgegeven zonder eerst grondig te overleggen met Mies Veen, zijn echtgenote, die tenslotte directeur was van het gelijknamige familiebedrijf. En ook al stond mevrouw Kollár-Veen bekend als een eigenzinnige dame, het lijkt toch bijzonder onwaarschijnlijk dat zij en haar man geen rekening zouden hebben gehouden met de Vlaamse medewerkers van de uitgeverscombinatie Het Kompas-Veen en met de redacteuren van De Faun, het tijdschrift dat Kompas-auteurs moest gaan promoten. De Faun-redacteuren koesterden echter groot voorbehoud ten aanzien van Boons proza en ook Het Kompas aarzelde omdat "de tusschenteksten van Boon wat choqueerend en politiek nogal fel zijn".[30] In de schoot van de Antwerpse uitgeverij kon geen eensgezindheid bereikt worden en daarom besloot directeur Kollár het manuscript maar door te sturen naar zijn vrouw, die het beslissende woord zou krijgen in de zaak. Op 21 mei ontving Rost een, geruststellend, antwoord van Veen-adviseur Van der Woude: "Dank je voor je brief over het manuscript Boon. Mevr. Kollár vond het goed; wij zullen het wel uitgeven."[31] Maar het zou helemaal anders lopen.

         In feite was Boon dankzij Nico Rost in een verschrikkelijk wespennest terechtgekomen. Een al langer sluimerende ruzie in het Veen-Kompas-huishouden kwam tot uitbarsting. Op 15 juni zou Johan van der Woude op verzoek van de aandeelhoudersvergadering tijdelijk zijn aangesteld als commissaris van Het Kompas, en blijkens een nogal cryptische brief van Rost aan Van der Woude van 25 juni 1946 wilde het personeel in Antwerpen dr. Kollár graag kwijt. Uiteindelijk hield 'Amsterdam' grote schoonmaak. Ook regelneef en intrigant Rost werd bedankt voor de goede diensten. Als we Boontje in De Kapellekensbaan mogen geloven, stelde men de auteur van Mijn kleine oorlog in extremis nog een regeling voor, die echter niet voldeed: "Een uitgeverij vroeg of ge niets voor hen had, maar achteraf bleek het, dat men iets tegen het ingezonden manuscript had... het stond vol van die, heu... enfin... maar zeer kordaat weigerdet ge iets te schrappen of te veranderen [...] en ge schreeft hen terug: och kom, geef dat manuscript maar terug. En plots had men geen bezwaar meer, dit en dat... en men schermde met hoge woorden en onbegrijpelijke termen en men wou dadelijk beginnen drukken... maar als ge verlangdet dat men eerst de financiële kwestie in een contract zou vastleggen, zaagt ge dat men u een pater schilderen wou [...]: gedrukt op maar zoveel exemplaren, en met een percent die haast niet te vernoemen was."[32] Veen had dus vermoedelijk geen geld meer vrij voor een literair avontuur in Vlaanderen.

         Toen duidelijk werd dat van een uitgave van Mijn kleine oorlog door Het Kompas/Veen niets terecht zou komen, stapte Boon met zijn onfatsoenlijke boekje alsnog naar Manteau. Volgens de schrijver was het zaakje snel beklonken: "Ge liet dit [de weigering door Het Kompas] aan uw gewonen uitgever weten, en die antwoordde: 'och, stuur mij dat maar, van u kan men zoiets verdragen, men weet dat ge het er toch maar uitflapt.'"[33] Dit lijkt een wel erg apocriefe versie van de feiten. Zo zal Boon bijvoorbeeld wel zo verstandig zijn geweest om de geschiedenis met Het Kompas te verzwijgen; de reeds met Manteau afgesloten contracten verbonden hem er immers toe nieuw werk "érstérst aan zijn vaste uitgeefster aan te bieden.[34] Voorts kan men zich bezwaarlijk voorstellen dat een pientere zakenvrouw als Angèle Manteau er niet even diep over zou hebben nagedacht alvorens zich aan de publicatie van nieuw werk van Boon te wagen. Kort voordien was er immers al een boek van Boon in productie gegaan, namelijk Vergeten straat, dat op 2.000 exemplaren werd gedrukt, waarvan er 1800 voor de handel waren bestemd. Toen de roman in het najaar verscheen, zou al snel blijken dat die oplage veel te ruim bemeten was. Boon had al nooit goed verkocht. Maar tot overmaat van ramp waren in het Vlaamse boekbedrijf intussen een aantal structurele problemen aan de oppervlakte getreden, die de situatie voor 'moeilijkere' auteurs zoals hij helemaal hopeloos dreigden te maken.

         1946 bleek voor de firma Manteau financieel weliswaar een topjaar te zijn, maar er was een eind gekomen aan de tijd dat men als uitgever niet voldoende papier kon 'organiseren' om aan de enorme vraag naar boeken te voldoen. De boekverkoop in eigen land slabakte en liep vervolgens drastisch terug. Bioscoop-, restaurant-, caf - en- en danszaalbezoek waren ook tijdens de bezetting populair geweest, maar thans hoefde niemand meer voor bommen te vrezen, de verduisteringsmaatregelen waren opgeheven, de avondklok was afgeschaft en men begon opnieuw mobiel te worden. Ook de diverse sportcompetities floreerden als nooit tevoren en de radio verschafte entertainment zonder onwelkome propagandistische bijbedoelingen. Als bron van vertier kregen boeken dus opnieuw te maken met geduchte concurrentie. Tegelijkertijd kwamen er opnieuw meer verbruiksartikelen op de markt, waaraan in verhouding veel geld werd gespendeerd. Door de hoge productiekosten werd het boek bovendien een luxeproduct, terwijl de economie maar langzaam aantrok. Wederom gingen niet onbemiddelde en hoger opgeleide zoekers naar zuiver-esthetisch genot en geestelijke verheffing het leespubliek domineren, dat in geen tijd inkromp tot zijn vooroorlogse omvang.

         De relatief hoge prijs van het Vlaamse boek, dat toentertijd gemiddeld anderhalve keer zoveel kostte als een gelijkaardig Nederlands product, zette ook een rem op de verkoop in het buitenland. Bovendien bleek het voor een kleine en onbekende Belgische uitgeefster welhaast onmogelijk om op te boksen tegen het Parijse uitgeversestablishment, terwijl men in Nederland af te rekenen had met een verhuld protectionisme.[35] In de zomer van 1945 had de Nederlandse regering namelijk beslist dat de import van boeken en tijdschriften geregeld zou worden door een speciale commissie binnen de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB). De overheid bepaalde hoeveel deviezen ter beschikking konden worden gesteld en betaling aan buitenlandse uitgevers zou geschieden via een daarvoor in het leven geroepen Betalingsbureau. De VBBB-Importcommissie werd nog een keer omgevormd tot een stichting Boeken Import Bureau (BIB) en trad begin 1946 eindelijk in werking. Maar voor literaire uitgevers viel er weinig te rapen: "Een van de richtlijnen voor het B.I.B. zal [...] zijn, dat voor de meeste landen moet gelden, dat van de import 80% wetenschappelijke tegenover 20% andere uitgaven zal moeten zijn. Hier rust een verantwoordelijkheid op den boekhandel, anderzijds is echter voor hen hierin een taak gelegen! Hier kan de boekhandel een waardevolle bijdrage leveren voor den wederopbouw, een voorlichtende, tevens dienende functie."[36]

         Voor uitgeverij A. Manteau betekende het BIB een flinke streep door de rekening. Zondagspost fulmineerde: "[I]n een vak, dat het goede voorbeeld van internationale samenwerking zou moeten geven, in een vak dat zo prat gaat op zijn afkeer voor engen concurrentiegeest en op zijn rol als verdeeler van geestelijke waarden, is dit verschijnsel bedroevend en zelfs beangstigend".[37] De devaluatie van de frank begon nu zwaar te wegen. Het papier bleef schaars, de lonen in België waren hoog in vergelijking met de buurlanden, de opslag van voorraden kostte meer dan begroot want in afwachting van nieuwe exportmogelijkheden had men lange tijd te veel en te dure boeken geproduceerd, de lezers lieten het afweten, kortom, een catastrofe wenkte voor de Vlaamse uitgevers. Een teken aan de wand was de situatie van het weekblad Zondagspost. De kritische en vooruitstrevende intelligentsia waar men zich op richtte, bleek al snel een te kleine groep te vormen om het tijdschrift financieel overeind te kunnen houden. Zondagspost was zwaar verliesgevend en dat maakte de firma Manteau extra gevoelig voor de crisis in het boekbedrijf. Nadat het blad eind 1945 al drastisch was afgeslankt, werd het in april 1946 noodgedwongen stopgezet.

         Halverwege 1946 leek even verbetering in de situatie te komen, toen in de marge van een nieuw handelsverdrag tussen België en Nederland ook een nieuw cultureel akkoord werd gesloten. Van Nederlandse zijde werd evenwel snel benadrukt "dat de met België overeengekomen regeling slechts beoogt om den invoer in Nederland van oorspronkelijk werk van Belgische auteurs en den invoer in België van Nederlandsche auteurs te stimuleeren".[38] Men had duidelijk valse hoop gewekt en bij Vlaamse uitgevers stak nu een gevoel van malaise de kop op. Manteau-adviseur Herreman schreef erover in Vooruit en Boon wijdde er op 18 augustus zijn eerste bijdrage aan in het weekblad Front. Terwijl er behalve "de laatste best-seller" nauwelijks nog boeken werden gelezen, zo constateerde de auteur van Mijn kleine oorlog, floreerden de literaire tijdschriften als nooit tevoren. Niet alleen leek de literaire commentator belangrijker te worden dan wat hij becommentarieerde en had volgens Boon elke hond met een hoed op wel zijn mening over een boek, "zij lezen allen hetzelfde exemplaar dat van hand tot hand gaat, en... een presentexemplaar is, geschonken door de uitgeverij, en waar de schrijver geen enkele % aan heeft." Niet te verwonderen dus dat "de uitgeverijen hem [de schrijver] met een oog vol afgrijzen en angst zien naderen."[39]

         Iets van dat afgrijzen en die angst moet Boon ook in de ogen van Angèle Mle Manteau hebben ontwaard, toen hij haar na zijn mislukte Kompas-avontuur het typoscript van Mijn kleine oorlog aanbood. Medio 1946 stond het animo om Boon te promoten immers op een laag pitje. Kort na de stopzetting van Zondagspost had Manteau zich gedwongen gezien de maandelijkse voorschotten op te schorten die de auteur sedert de ondertekening van het contract voor De voorstad groeit werden uitgekeerd.[40] Voorts was duidelijk geworden dat de Franse vertaling van Boons debuutroman niet meer binnen afzienbare tijd zou verschijnen. In het algemeen begon men nu haast alle projecten zonder kans op onmiddellijk commercieel succes te schrappen; in elk geval werden ze op de lange baan geschoven. Zo wees Manteau ondanks gedane beloftes een essay van Toussaint van Boelaere af, terwijl de zijn uitgeefster zo trouwe, maar ook ongemeen productieve Johan Daisne te horen kreeg dat hij voor zijn filmessayistiek beter naar een andere firma uitkeek. Kenschetsend was ook de bejegening van Hubert Lampo, die het manuscript van zijn roman De ruiter op de wolken had ingezonden voor de Krynprijs 1946. Het contract voor deze roman werd begin 1947 getekend. Meer dan twee jaar later pas verscheen het boek, en de Krynprijs 1946 werd niet toegekend. Aan een eigen auteur wilde men de prijs liever niet spenderen, en bij de andere inzenders bespeurde de uitgeverij te weinig 'literaire kwaliteit' om er veel kosten voor te gaan maken.[41] Overigens niet het verdubbelde prijzengeld op zich, maar de verplichting om het bekroonde werk uit te geven en tot bij de lezer te begeleiden, woog in de gegeven omstandigheden erg zwaar. Toch stemde Manteau blijkbaar zonder morren in met de uitgave van Mijn kleine oorlog, proza nochtans dat het publiek van Zondagspost helemaal niet had kunnen bekoren. Geloofde Boons uitgeefster op dat moment nog dat het minder miserabilistische Vergeten straat het tij ten gunste van haar meest getalenteerde fondsauteur zou kunnen doen keren? Zeker is dat op 12 augustus 1946, precies rond de tijd dat Vergeten straat in de winkels kwam te liggen, in Brussel een contract voor Boons oorlogsroman werd ondertekend. Hoogstwaarschijnlijk op verzoek van de auteur verbond de uitgeefster "er zich [toe] 'Mijn kleine oorlog' einde December 19 zes en veertig te laten verschijnen".[42] Het werk zou verschijnen in een oplage van "minimum 1000 exemplaren", waarvan er 900 bestemd waren voor de handel. Risico's kon Boons uitgeefster zich jammer genoeg niet meer permitteren.[43] Uiteindelijk zouden er van Mijn kleine oorlog meer exemplaren gedrukt werden dan het contract stipuleerde. Een inventaris van 30 juni 1947 vermeldt een voorraad van 1449 exemplaren van Boons oorlogsroman, te verkopen tegen 50 frank het stuk.[44]

         Vermoedelijk heeft Boon Mijn kleine oorlog speciaal overgetikt voor Manteau. Elsschots voorwoord maakt immers integraal deel uit van het door de uitgeverij benutte typoscript, terwijl Boon begin april 1946 bij Nico Rost informeerde of Elsschot het manuscript toch wel zeker, samen met diens pas geschreven voorwoord, naar Het Kompas had gestuurd.[45] Het valt inderdaad op dat het bewaard gebleven typoscript erg 'schoon' is. Op een reeks hoofdletters na, zijn de weinige correcties waarschijnlijk door Boon zelf aangebracht met een fijne zwarte pen.[46] Daarmee schreef de auteur ook de fameuze slotwoorden van de eerste druk: schop de menschen TOT ZIJ EEN GEWETEN KRIJGEN.

         Eind 1946 belandde Mijn kleine oorlog bij drukkerij Erasmus te Ledeberg. De auteur ontving drukproeven en een proef van het omslag. Er was kortom alle reden tot tevredenheid, zou men kunnen denken. Niet dus. Meteen schreef Boon een brief op hoge poten om zich bij zijn uitgeefster te beklagen: "Ik zag de omslag van Mijn kleine oorlog, en hoe ik ook mijn hart en geest tot zwijgen trachtte te brengen, het staat me absoluut niet aan."[47] In schril contrast met de door hemzelf ontworpen voorpagina, werd de Manteau-editie namelijk versierd met een nogal poëtische tekening van de hand van... Gust van Hecke. Ze stelde de viskom voor uit 'De Goudvisschen', maar in schril contrast met de teneur van het betreffende stukje, zeker in combinatie met het erop volgende cursieve fragment, suggereerde de tekening haast iets huiselijks. Er was een klein ongelukje gebeurd, twee vissen naast een omgevallen kom, plom-plom: Louis groette 's morgens de dingen. Op de achtergrond ontplofte de Bom.

         Op de ommezijde van zijn brief stelde Boon als alternatief een opvallend strak en sober ontwerp voor: titel, auteursnaam en daaronder een in verhouding vrij klein en leeg kadertje. Wellicht had daarin (een variant op) de potloodtekening moeten komen die thans in het Boonmuseum te Aalst hangt: een in puin geschoten woning, een trap die nergens meer heen leidt en een lijk dat uitgestrekt ligt op wat ooit een overloop was. De schaamteloze doorkijk naar een verwoeste archetypisch-Vlaamse huiskamer met Leuvense stoof en kruisbeeld aan de schouw, vormt het decor waarin een wezenloze figuur   shell-shocked? afdaalt in het niets. Een bed met ijzeren spijlen verzinkt in de afgrond die zich onder deze 'wereld van gisteren' heeft geopend. De stille waanzin van het bijna allegorische tafereel is doordrenkt van een onuitsprekelijke weemoed. Het vooroorlogse gevoel van geborgenheid en burgerlijke intimiteit is ruw verstoord, de oude waarden zijn flink door elkaar geschud en alles is kaputt. Als het spook van Hamlets vader doemt de vraag op hoe het nu verder moet.

         Natuurlijk verscheen Mijn kleine oorlog niet met Boons onbehaaglijk stemmende schets op het omslag, maar met Van Heckes omgevallen viskom, alsof het hier ging om een bijzonder aardige verzameling cursiefjes over het leven tijdens de bezetting. Geen genre-aanduiding zou de titelpagina trouwens sieren, al zijn er aanwijzingen dat Boon zijn Kleine oorlog graag expliciet als een roman aan de lezer had gepresenteerd.[48] Weliswaar geschreven door een goddeloos romanschrijver en kwalijk gereputeerd nihilist, werd het 115 pagina dikke, op 70-gramspapier van sobere kwaliteit gedrukte boekje aan het publiek gepresenteerd als onschuldig zondagswerk: een verzameling kroniekjes zonder literaire pretentie, haastig verzameld en als het ware op  één dag (bijvoorbeeld zondag 23 september 1945) aan elkaar geplakt. Wie desondanks niet overtuigd was van de onschuld van het werkje, kon op de binnenflap nog een geruststellend citaat lezen van de onverdacht katholieke criticus André Demed Demedts: "Het gebeurt zelden bij ons, dat door een jong auteur een werk als het zijne wordt geschreven, dat zoo vol ontgoochelde levenskennis, zoo boeiend en ontroerend is, zoo rijk aan feiten en personen, die ieder hun eigen karakter bezitten en hun eigen levensweg verder gaan..."[49]

Begin 1947 kwam Mijn kleine oorlog van de binder, op 14 februari dankte Elsschot de uitgeefster voor de twee hem toegezonden auteursexemplaren: "Een alleraardigst boekje dat goed verkocht zal worden, geloof ik. Het zou mij zeer aangenaam zijn indien mijn inleidend woord daar werkelijk zou kunnen toe bijdragen."[50] Dat was buiten de critici gerekend. Onder de omineuze titel 'Pijnlijke vergissing op de boekenmarkt' verscheen op 12 maart 1947 de eerste echte recensie van Boons oorlogsroman in Het Nieuwsblad, de zogenaamde volkseditie van De Nieuwe Standaard.[51] De anonieme auteur ontzegde Boon resoluut de toegang tot het literaire forum: "Met literatuur heeft Mijn kleine oorlog niets te maken", zo luidde het categorisch. Volgens deze commentator werd de lezers van dit werkje namelijk geconfronteerd met een ziekelijke uitwas van het miserabilisme dat reeds De voorstad groeit zo grondig had verpest. "[H]et gansche boek is "één aaneenschakeling van ontmoedigende en deprimerende levensbeelden", aldus de naamloze criticus, die in zijn heftige afwijzing van zoveel onfraais eveneens Willem Elsschot betrok. Diens voorwoord bij Boons roman was hem duidelijk in het verkeerde keelgat geschoten: "Als Boon dit boekje moest uitgeven om ons te bewijzen dat hij " zoo zooals de inleider zegt een idealist is, dan zijn we blij dat er niet meer idealisten zijn. Een scatologisch pamflet als Mijn kleine oorlog is Goddank geen geijkt criterium om het idealisme af te meten." Deze eerste criticus van Mijn kleine oorlog bleek niemand minder te zijn dan Paul de Ryck, voormalig hoofdredacteur van het populaire katholieke dagblad Het Nieuwsblad.

         De redelijk desastreuze ontvangst van Mijn kleine oorlog in met name de katholieke pers zou ervoor zorgen dat Manteau definitief afknapte op Boon, al liet ze zich aanvankelijk troosten met de waardering voor het boekje die de ex-katholiek Gijsen publiekelijk en priv  uit uitte.[52] Op 1 april 1947 maakte de auteur van Het boek van Joachim van Babylon zijn bewondering voor de eruptieve kracht van het werk kenbaar in een persoonlijk schrijven aan de auteur en negen dagen later schreef diens uitgeefster aan Jan Greshoff: "J'avais envoyé à Marnix Gijsen le nouveau Boon préfacé par Elsschot: Mijn kleine oorlog. Nous venons de recevoir de lui une carte postale adressée à Boon et dans laquelle il lui écrit: 'Las Uw Kleine Oorlog. Van harte bravo. Laat u door niemand iets wijsmaken hoe ge zoudt moeten schrijven en wat, ge weet het goed. Uw kleine oorlog is een groot boek. Droeg ik een hoed, ik zou hem voor U afdoen.' J'en suis bien heureuse d'entendre enfin un son élogieux au sujet des livres de Boon, car même en Hollande on s'effraie des audaces de cet auteur, et les bourgeois acheteurs de bouquins le rejettent, aussi bien en Hollande qu'en Flandre."[53] In die dagen was Greshoff op verzoek van uitgever Bob van Kampen het manuscript van Madame Odile aan het lezen, hoogstwaarschijnlijk nadat Boons vaste uitgever de lijvige roman voor publicatie had geweigerd. Ook Van Kampen besliste om Madame Odile niet uit te geven " med mede op advies van Greshoff, zo mag men veronderstellen en het werk zou de lezer uiteindelijk bereiken als onderdeel van De Kapellekensbaan. Twee jaar na de publicatie van die laatste roman kwam Jan Greshoff tot een, in het licht van deze hele voorgeschiedenis, redelijk verrassend oordeel. Boontjes kanttekeningen bij het naoorlogse leven ("onsmakelijke onzin") vond hij onverteerbaar. Maar uitgerekend voor de geschiedenis van Ondine, voorheen Odile Bosmans ontstak hij in geestdrift: "een meesterwerk in de ware en volle zin des woords"![54]

         De hypothese lijkt gerechtvaardigd dat Greshoffs afwijzing van Madame Odile in 1947 in belangrijke mate werd gemotiveerd door zijn lectuur van Mijn kleine oorlog. In elk geval nagelde hij de door Marnix Gijsen zo welwillend besproken schrijver een jaar na het verschijnen van zijn ophefmakende boek aan de schandpaal in het Haagse dagblad Het Vaderland. "Boon is op het érge uit", aldus Greshoff.[55] "Het kan hem niet erg genoeg zijn en hij gelijkt daarin op een opgeschoten blaaskaak, die vloekt en vuilbekt om de volwassen man uit te hangen. [...] Wij hebben hier te doen met een ergerlijke opzettelijkheid, met een opzichtige flinkheid van de koude grond." Volgens de fijnzinnige criticus hing Mijn kleine oorlog van "letterkundige foefjes" en "lelijke mooischrijverij" aan elkaar. Helaas was Boon geen proletariër die "fris, onbevangen en eenvoudig" schreef, "met alle bekoring van wat vers uit de bron ontspringt". Hij was gewoon een proleet die, "volleerd in alle goedkope truuks en truukjes van de meest letterkundige letterkundige van een jaar of twintig geleden", zich schromelijk te buiten ging aan "verveeld en vervelend gedrentel-in-drek". Uit dit alles zou een zeer beperkte ervaring en kennis van de wereld blijken: "Als men bij Boon nu maar eens "één wezen tegenkwam, dat natuurlijk niet geheel fatsoenlijk, toch ergens één onbezoedeld plekje bezat." Daarmee herhaalde Greshoff haast letterlijk het voorbehoud dat in 1942 in het voorts zo lovende juryverslag van de Leo J. Krynprijs was geslopen: "Sommige juryleden missen noode in de geaardheid van den auteur den zin, die in de somberste belevenissen ook af en toe een helderen voedingsader doet ontdekken".[56] Boon ging niet zomaar terug naar af, hij leek zijn laatste kans op literaire erkenning te hebben verprutst en zou ook nooit langs de bank passeren.

         De zo al lichtgeraakte schrijver voelde zich zwaar gepakt en was uit op wraak. Een van zijn eerste slachtoffers was de immer enthousiaste Gust van Hecke, die de schrijver van Mijn kleine oorlog al die tijd luchtkastelen had voorgetoverd en die het omslag van zijn boek had verpest met een onnozele kindertekening. In het socialistische weekblad Parool schilderde Boon de arme Van Hecke af als een poseur die slechts uit was op aandacht en glamour.[57] Ook de zetter van zijn oorlogsroman "een of andere idioot" kreeg het hard te verduren. Helemaal onbegrijpelijk was dat niet want het 13,5 op 20,5 cm grote boekje oogde, behalve braaf, ook tamelijk slordig. Zo stond op het stofomslag boven de titel en Van Heckes viskom de auteursnaam "Louis P. Boon" gedrukt, terwijl de titelbladzijde van het werk "Louis-Paul Boon" vermeldde.[58] Erger nog was het feit dat de gedrukte tekst opvallend meer punten telde dan het typoscript. Ook bleven eigennamen en namen van steden in het boek weliswaar met een kleine letter gespeld, maar in de in romein gezette stukjes en in de cursieve fragmenten was door de zetter na een punt telkens een hoofdletter ingelast. Het zwaarste tilde Boon echter aan de manier waarop die fragmenten in het boek terecht gekomen waren: "de cursieve tekst mocht niet steeds aan een verhaaltje zijn vastgeknoopt, maar moest, in deze verscheidenheid van lettertype, een doorlopende tekst hebben gevormd".[59] Vermoedelijk stond Boon, beïnvloed door de lectuur van Paul van Ostaijen en John Dos Passos, een montage voor ogen van in diverse letters en corpsgrootten gezette tekstdelen.[60] Maar hoe Mijn kleine oorlog er volgens hem precies had moeten uitzien, wordt niet helemaal duidelijk. Wellicht hadden ook de titels van wat nu ten onrechte afzonderlijke hoofdstukjes lijken, moeten ondergaan in een kunstmatige plas, een zee, een chaos van woorden.

         Uiteindelijk niet minder belangrijk voor de verdere tekstgeschiedenis van Mijn kleine oorlog dan Boons ongenoegen over het zetwerk van de eerste druk, was zijn verhulde kritiek op het voorwoord. Nog voor de publicatie van zijn boek had hij zich van Elsschots laudatio proberen te distantiëren. Bij wijze van spreken wilde de schrijver na die legendarische zondag 23 september 1945 liever niet meer worden versleten voor een "idealist", hoe lovend zijn vriend De Ridder die titel ook bedoelde. Mocht hij soms al lijken op iemand "die de larven van het onrecht, de leugen en de schijnheiligheid heeft willen vertrappen", aldus Boon in het weekblad van het Onafhankelijkheidsfront, dan was hij toch ook en vooral "iemand die altijd in konflikt is met iemand anders, is het de ene niet het is de andere, en die op den duur zijn gat aan België zou gaan vagen en naar Erembodegem gaan wonen om een hoop papier vol te schrijven en toch iemand te hebben die hem gelijk heeft: hijzelf".[61] Het was een van de eerste keren dat Boon uitdrukking gaf aan zijn veelbesproken reservaatverlangen, de aandrang om zich strategisch terug te trekken uit een wereld waar dwaasheid en wanbegrip regeerden ten einde de strijd tegen die dwaasheid en dat wanbegrip beter voort te kunnen zetten. Weldra zou blijken dat het 'wanbegrip' over Mijn kleine oorlog, behalve door Elsschots voorwoord, in de hand gewerkt werd door het prominente karakter van de slotzin en een aantal andere resten van Boons oorspronkelijke, op Le Feu geënte "Bible de la guerre". Jaren later pas zou dit idealistisch residu uit de tekst worden verwijderd, toen een tweede druk van Mijn kleine oorlog (1960) verscheen, ditmaal in 'zakformaat' en duidelijk gericht op een ander publiek dan Boon aanvankelijk voor ogen had gestaan. Intussen had de schrijver zijn tweede debuut beleefd, in Nederland deze keer, maar van de firma Manteau had hij zich toch nog niet helemaal kunnen losmaken.

 

 

Boon, zijn Kapellekensbaan en de uitgevers

 

Achteraf bezien valt op dat Boon in zijn ijver om af te rekenen met iedereen die volgens hem het succes van Mijn kleine oorlog in de weg had gestaan, zijn uitgeefster aanvankelijk spaarde. Dat veranderde in 1949, toen Angèle Mle Manteau een boek waar hij zes jaar aan had gewerkt weigerde uit te geven. Ze kreeg Boons vroegere romans al niet aan de straatstenen gesleten en toen Boon haar confronteerde met het slordige pak papier dat De Kapellekensbaan of de 1ste illegale roman van Boontje was getiteld sprak ze kordaat: "Onverkoopbaar, en daarmee uit!". Bovendien deed ze de schrijver het in zijn ogen volstrekt oneerbare voorstel om zijn onverkochte boeken zelf op te kopen. Naar eigen zeggen verkeerde Boon in financiële problemen en het idee van zijn uitgeefster viel niet in goede aarde. Met ingehouden woede antwoordde hij: "daar kan ik niet aan denken. Graag zag ik echter een dezer dagen de cheque arriveren, met mijn tegoed van het voorbije jaar."[62] Wat Boon zich bij dit tegoed heeft voorgesteld, is niet duidelijk. Financieel gesproken was hij voor uitgeverij Manteau onbetwistbaar een verliespost. Bovendien waren de tijden er niet meer naar om investeringen op langere termijn en het verwerven van cultureel kapitaal zelfs maar te overwegen, in 1949 zou de firma voor het eerst in haar bestaan verlies boeken.[63] Niet minder sprekend is het feit dat Manteau in 1950 maar twee nieuwe titels zou uitbrengen. Balancerend op de rand van het bankroet, had de uitgeefster weinig keuze: de voorraad van Boons boeken werd afgestoten. Twee jaar nadat Manteau met Boons goedkeuring al De voorstad groeit en Abel Gholaerts op de markt gedumpt had, werden nu ook, zij het ditmaal zonder de uitdrukkelijke instemming van de schrijver, Vergeten straat en Mijn kleine oorlog verramsjt.[64] Later zou Boon begrip tonen voor de benarde situatie waarin zijn uitgeefster indertijd verkeerde.[65] Maar omstreeks 1950 waren begrip, medeleven en lankmoedigheid ver te zoeken. Op dat moment had Boon net onderdak gevonden bij het Amsterdamse uitgevershuis De Arbeiderspers en blijkbaar verwachtte hij een snelle doorbraak in en via Nederland.

         In 1952 verklaarde Willem Frederik Hermans in een interview: "Ik voel veel voor [...] de Vlaming Louis-Paul Boon. Zijn Mijn kleine oorlog is hier veel te weinig bekend."[66] Boon was op dat moment inderdaad nog een nobele onbekende in het Noorden. Zijn in 1943 verschenen debuutroman was tijdens de bezetting weliswaar in Nederland gedistribueerd, met een imprint van H.P. Leopold, maar op zeer beperkte schaal en bovendien had de kritiek het boek nauwelijks opgemerkt.[67] Abel Gholaerts werd kort voor D-Day gepubliceerd, een halfjaar voor de hongerwinter, en bereikte de Nederlandse markt pas veel later. Het heeft in elk geval verhinderd dat in het Noorden, dat een heel ander bezettingsregime kende dan België, het misverstand kon ontstaan dat Boon door 'legaal' te publiceren in de oorlogsjaren, met de Duitsers zou hebben geheuld. Voor zover iemand trouwens meende te moeten twijfelen aan het goede burgerschap van de schrijver, werd elke verdenking begin 1946 weggenomen door Nico Rost, die kameraad Boon in Critisch Bulletin introduceerde als de meest beloftevolle nieuwe Vlaamse schrijver.[68]

         Achteraf bezien valt echter op hoe weinig Nederlandse critici in die eerste naoorlogse jaren uit eigen beweging tot Boon kwamen. Zo werd Mijn kleine oorlog in de NRC besproken door de Vlaming Karel Leroux, die voordien ook al Vergeten straat aan het Nederlandse leespubliek had voorgesteld. Voorts reageerden van Nederlandse zijde alleen Henk Kuitenbrouwer en Nico Oosterbeek op Boons oorlogsboek. Kuitenbrouwer, die zich in de eerste oorlogsjaren ontpopt had als een pleitbezorger van een 'gezonde' kunst en cultuur, bevond zich op  één lijn met Rottiers en De Ryck: "Dit dagboek, deze lavastroom van drift, deze verwarde razernij van woorden als invretend zuur, leggen een wereld bloot van volstrekte verwording. De aarde is er in aangetast door een stinkende melaatsheid, de mensen kruipen er als in een infernale chaos. [...] Er is geen geestelijke kern, die deze verwarring regelt. Er is geen uitzicht in dit vertwijfeld ronddolen omdat er geen enkel vast punt te vinden is."[69] Oosterbeek was heel wat positiever, maar verwoordde als tolk van het deftige Holland niettemin enige reserve: "De gemiddelde Nederlandse lezer (de Vlaamse plegen het niet zo nauw te nemen) zullen er zeker door gechoqueerd worden [...]".[70]

         Moest de auteur van Mijn kleine oorlog voor de jaren vijftig nog worden ontdekt door de Nederlandse kritiek, dan bestond hij in het Noorden al helemaal niet voor het brede publiek. Toch hoort men wel eens beweren dat Nederland Boon heeft ontdekt. Die mythe heeft veel te danken aan de schrijver zelf, die als auteur van twee Amsterdamse uitgevershuizen buitengewoon verguld was met het succes dat hem in de jaren zestig te beurt zou vallen. Anderzijds had Boon een weergaloos talent om zich miskend te voelen en hij was werkelijk diep gekwetst en gegriefd door de reacties op zijn eerste romans in Vlaanderen. Ze hadden hem meteen bekend gemaakt, maar dan als een literaire wilde met een bedenkelijke voorliefde voor het miserabele en scatologische. "Specialist-stofwisseling", zo betitelde Boon zichzelf met dodelijke ironie.[71] Genegeerd door het Vlaamse volk en zijn politieke vertegenwoordigers, verketterd door de kerk en gebroodroofd door de inquisiteurs van Boekengids en Lectuur-Repertorium, niet serieus genomen in het literaire wereldje en alle prijzen door de neus geboord die hem als enige toekwamen: in Boons ogen was zijn schrijverscarrière gestrand nog voor ze goed en wel begonnen was. Die overtuiging had hij al snel gehad. Ze werd versterkt door de ontvangst van Mijn kleine oorlog en kreeg begin 1949 iets onwrikbaars toen Angèle Manteau, door de omstandigheden gedwongen, De Kapellekensbaan voor publicatie weigerde.[72] Boon was ten einde raad en wachtte op een wonder. Dat voltrok zich toen op vrijdag 9 december 1949 een chique slee met chauffeur de straat van de schrijver binnenreed en voor zijn deur stopte. Uit de auto steeg een rijzige man, die aanbelde en zich voorstelde: Reinold Kuipers, directeur van De Arbeiderspers.

         Kuipers bood Boon een mooie kans om een publiek aan te spreken dat ruimer was dan het Vlaamse, min of meer dezelfde taal sprak en er frissere opvattingen op leek na te houden. Aanvankelijk koesterde de gefrustreerde volksschrijver de hoop dat zelfs die onmogelijk dikke en chaotische Kapellekensbaan van hem zou kunnen verschijnen in de populaire ARBO-reeks van de AP, in een voor die serie gebruikelijk mega-oplage.[73] Het manuscript van deze 1ste illegale roman van Boontje had de schrijver zijn bezoeker die negende december 1949 helaas niet kunnen meegeven, dat dikke pak papier lag op dat moment nog bij de jury van de Leo J. Krynprijs 1950. Toen niemand zijn boek bleek te willen uitgeven, had Boon het ten einde raad ingestuurd, ook al had hij in 1942 als eerste laureaat de Krynprijs reeds in ontvangst mogen nemen. Men kan zich moeilijk voorstellen dat eender welke jury Boon voor een tweede opeenvolgende keer zou bekronen, dan kon men voortaan beter van de L.P. Boonprijs spreken. In werkelijkheid was de Krynprijs de Grote Prijs Manteau en de uitgeefster wilde er niet noodzakelijk jong, maar wel nieuw talent mee aantrekken. Zo had het ook moeten staan in het 'règlement organique' dat in de stichtingsakte in het vooruitzicht werd gesteld. Het heeft echter lang geduurd voor een dergelijk reglement openbaar werd gemaakt, en ook de aankondigingen in de kranten bleven op sommige punten vrij vaag. Pas voor de editie van 1954 zou worden gewerkt met een deelnemingsformulier waarbij een reglement was ingesloten. Onder punt 3 konden de inzenders toen lezen: "Wie reeds vroeger met de Kryn-prijs bekroond werd, kan niet voor een tweede maal in aanmerking komen". Voorts stipuleerde het reglement: "Op voorstel van de jury kan de prijs onder enige inzenders verdeeld worden".[74]

         Zonder zich te storen aan de voor iedereen vrij heldere, maar pas nadien expliciet geformuleerde voorwaarden van de Krynprijs, had Boon omstreeks juni 1949 het manuscript van het door Manteau voor publicatie geweigerde De Kapellekensbaan ingezonden. Hij ging er kennelijk vanuit dat de jury op strikt literaire gronden bezwaarlijk om zijn grensverleggende roman heen kon, waardoor zijn uitgeefster zijn 'onpubliceerbare' boek alsnog zou moeten publiceren. Want dit stond sedert 1942 als een paal boven water: bekroond worden met de Leo J. Krynprijs betekende gepubliceerd worden door de NV Manteau. Daarnaast moet Boon de hoop hebben gekoesterd dat hij op zijn minst zou kunnen delen in het prijzengeld, dat inmiddels 25.000 frank bedroeg. Maar natuurlijk hadden de uitgeefster en de jury van de Krynprijs weinig zin om het talent Boon een tweede keer te 'ontdekken'. De ontvangst van De Kapellekensbaan werd geregistreerd, alsmede de vermoedelijke kwade trouw van die onverbeterlijke lastpak uit Aalst, maar verder werden aan het geval geen woorden vuilgemaakt. Uit een document ter voorbereiding van de beraadslaging van 31 december 1949 blijkt dat het werk niet eens ter beoordeling naar de verschillende juryleden is gestuurd. Merkwaardig genoeg werd het de auteur echter niet per omgaande geretourneerd.[75] Boon, die smachtte naar een nieuwe start en wat slijk der aarde best had kunnen gebruiken, toonde zich weinig ingenomen met de hele gang van zaken. Zijn latente wrevel over de firma Manteau sloeg nu om in ergernis en in 1952 kwam er flinke ruzie van.

         Zelfs in 'Holland' was de belangstelling voor modernistische kunst en literatuur in de vroege jaren vijftig nog niet zo verschrikkelijk groot, zo had Boon tegen die tijd helaas moeten concluderen. Keer op keer werd de publicatie van De Kapellekensbaan namelijk uitgesteld en uiteindelijk oogde Boons lang verbeide Nederlands debuut nogal bescheiden toen in 1952, als eerste boek bij De Arbeiderspers, Boontje's twee spoken verscheen. Zo'n dun verhalenbundeltje van een ternauwernood bekend auteur kon vanzelfsprekend geen furore maken, maar toch ging de uitgave niet geheel onopgemerkt voorbij. Bovendien werd Boons beeld van het tolerante Holland bevestigd. In het behoudende Elseviers Weekblad sprak de katholieke schrijver Michel van der Plas de wens uit dat het boekje "aanleiding voor velen [moge] zijn om ook met Louis-Paul Boon's romans kennis te maken".[76]

         In de gegeven omstandigheden was het geen gekke uitgeversstrategie om Boons vroege en minder avant-gardistische werk in Nederland heruit te brengen en zo in bredere kring interesse op te wekken voor de auteur van De Kapellekensbaan. Men kon er wel van uitgaan dat er toen op de markt vraag was naar een roman als De voorstad groeit waarvan de epische kwaliteiten vergelijkingen hadden opgeroepen met zoveel ongecompliceerder vertellers als Antoon Coolen en Gerard Walschap. De rechten ervan berustten evenwel bij de firma Manteau, die na haar ervaringen met Mijn kleine oorlog niet stond te trappelen om Boon te herdrukken. Integendeel. In plaats van er de buitenlandse markt mee te veroveren, had 'ze' Boons vroege werk in Vlaanderen op de rommelmarkt gegooid, zoals de schrijver verbitterd opmerkte. Zijn frustratie hierover werd nog vergroot omdat het bijna legendarische 'punt 14' van Manteaus naoorlogse contracten hem verplichtte zijn eerstvolgende tien (10) prozawerken  éérst aan het Brusselse uitgevershuis aan te bieden.[77] Die ongebruikelijk forse optieclausule é een o een optie op het eerstvolgende werk gold als algemene regel was strikt in de tijd beperkt. Het contract van Mijn kleine oorlog bepaalde dat "de uitgever beschikt over een termijn van drie maanden om den auteur mede te deelen of hij al dan niet de uitgave zal ondernemen en in geval van aanvaarding over een termijn van twaalf maanden om het werk te laten verschijnen". Gezien de financieel wankele toestand waarin de firma nog altijd verkeerde en Boons desastreuze verkoopcijfers, was het bovendien onwaarschijnlijk dat Manteau snel gebruik zou maken van haar optie- of voorkeursrecht. Maar het bleef natuurlijk altijd mogelijk dat ze, na enkele boeken te hebben geweigerd, een graantje zou willen meepikken, mocht de marktwaarde van haar ontdekking opeens beginnen te stijgen.

         Tegen die achtergrond ging Boon zijn uitgeefster in de jaren vijftig zien als een gier die boven zijn schrijftafel cirkelde, in de hoop uit hoofde van 'artikel 14' haar klauwen te kunnen slaan in een lekker verkoopbaar boekje. Van haar kant neigde Angèle Mle Manteau ertoe haar meest getalenteerde maar minst commerciële auteur te beschouwen als een ondankbare proleet, die jarenlang had geprofiteerd van haar financiële tegemoetkomendheid om naar de Hollandse concurrentie over te lopen nu het de firma niet meer voor de wind ging.

 

 

De heruitgave van Boons vroege werk

Dat het Manteau ernst was met haar optierecht, bleek reeds eind januari 1952, kort voor het verschijnen van Boontje's twee spoken. Boon had zijn Van de vos Reinaerde ter publicatie aangeboden aan Nijgh & Van Ditmar, die daar prompt zijn Vlaamse uitgeefster van op de hoogte stelde.[78] Manteau liet het betreffende manuscript stante pede naar zich toesturen. Boon vernam dit en verduidelijkte op 18 januari dat het boek een bewerking was van de Reinaert-stukjes uit zijn enkele jaren voordien door Manteau geweigerde 1ste illegale roman. Verontwaardigd vroeg hij waarom het manuscript niet gewoon naar de auteur zelf terug was gestuurd, maar naar een uitgeefster die nota bene reeds meerdere boeken van zijn hand had geweigerd en die hem in 1950 op de koop toe schade zou hebben berokkend door hoogstpersoonlijk zijn kandidatuur voor de tweede Leo J. Krynprijs ongeldig te verklaren.[79] Manteau reageerde gekrenkt: "Ik heb er eerlijk gezegd niet aan gedacht om het manuscript 'van de vos Reinaerde' de omweg over U te laten maken, omdat ik meende dat onze verhouding toch wel zodanig was dat een dergelijk heen en weerzenden overbodig zou zijn. Ik betreur het dat u dit blijkbaar niet met mij eens bent." Nu haar vroegere auteur zo op zijn rechten stond, wilde zijn eerste uitgever hem toch ook even aan zijn plichten herinneren. Dat hij zomaar 'artikel 14' naast zich zou kunnen neerleggen, kon Boon maar beter vergeten: "[I]k ben nog altijd optimistisch genoeg om te hopen op een wederopleving van de zaken in de boekenwereld en bovendien is het ene boek van Louis-Paul Boon wellicht beter 'verkoopbaar' dan het andere!// Ik verzoek u dus al Uw toekomstige werk in de eerste plaats aan mij ter lezing te zenden. Afgezien van de contractuele verplichting meen ik toch hierop recht te hebben, daar ik steeds alles gedaan heb wat in mijn vermogen lag om U in uw schrijversloopbaan te steunen."[80]

         Een brief van 4 april 1952 wekte de indruk dat alles opeens weer koek en ei was tussen Manteau en Boon. De laatste, snakkend naar wat honorarium, scheen er best mee te kunnen leven dat zijn eerste uitgever zich over zijn Reinaert-roman ontfermde: "Zouden wij ons akkoord kunnen stellen dat, bij eventuele uitgave in uw fonds, een contract kan opgesteld worden in de loop dezer drie volgende maanden, alsook toekenning van voorschot op honorarium? Zeer hartelijk, uw dw Boon".[81] Ook voor Boon was het hoofdstuk Manteau blijkbaar nog niet helemaal afgesloten. Of plooide de schrijver zich bij nader inzien toch maar liever naar het tenslotte door hem ondertekende wurgcontract, in de veronderstelling dat Manteau er uiteindelijk toch geen gebruik van zou maken? Van een Brusselse uitgave van Van de vos Reinaerde zou inderdaad niets in huis komen en een jaar later vroeg Boon zijn manuscript terug: "Daar ik met dit paasverlof enkele dagen ter mijner beschikking heb, zou ik het manuscript liefst met kerende post ontvangen, om er nog enkele details aan te veranderen".[82] Tenslotte zou Boons bewerking van het middeleeuwse dierenepos onder de titel Wapenbroeders (1955) verschijnen bij De Arbeiderspers. In het voorjaar van 1953 kreeg Boons Nederlandse uitgever het manuscript in handen. Vermoedelijk was Kuipers toen niet op de hoogte van onderhandelingen met Nijgh & Van Ditmar. En al evenmin zal hij weet hebben gehad van het feit dat Boon hetzelfde werk ook al aan Van Oorschot aangeboden had.[83] Erg standvastig was Boons liefde voor zijn 'redder' Reinold Kuipers in elk geval nog niet.

         De publicatie van De Kapellekensbaan was duidelijk een testcase voor Boon en toen De Arbeiderspers zijn onmogelijke roman in maart 1953 'eindelijk' publiceerde, hoopte hij op een spoedige doorbraak in Nederland. Tevens probeerde de schrijver nu voorgoed onder zijn oude Manteau-verbintenissen uit te komen. Maar blijkbaar zag ook de Brusselse firma thans nieuwe mogelijkheden in Boon en men begon een herdruk van zijn debuutroman voor te bereiden. Dit voornemen verhinderde De Arbeiderspers om op korte termijn eventueel de mogelijkheden te benutten die een heruitgave van De voorstad groeit bood, terwijl Boon het zeker zal hebben betreurd dat hij met zijn debuut geen financiële klapper kon maken door opname van het boek in de populaire ARBO-reeks. Kennelijk oordeelde de schrijver echter dat hij zich wel moest neerleggen bij de plannen van zijn eerste uitgever, waarbij hij merkwaardig genoeg voorbijging aan de passage in het oorspronkelijke contract van De voorstad groeit die stipuleerde dat het recht op heruitgave door Manteau "vervalt indien hij [de uitgever] er geen gebruik van maakt binnen de drie jaar nadat de vorige uitgave uitverkocht werd".[84] Wederom viel op hoe Boon, ook nu De Kapellekensbaan was gepubliceerd, eigengereid en tamelijk kortzichtig te werk bleef gaan. Klaarblijkelijk zonder overleg met zijn nieuwe uitgever nam hij genoegen met een flink voorschot op zijn honorarium voor een Vlaamse herdruk en voorts kreeg hij van Angèle Mle Manteau gedaan dat ze afstand deed van het optie- of voorkeursrecht. Haar rechten op het bij haar uitgegeven werk wilde Boons eerste uitgever evenwel onverkort handhaven. In een brief van 10 mei 1954 verklaarde Boon zich hiermee akkoord.[85] Op 22 juni 1954, anderhalve maand nadat de zaak beklonken was, informeerde Reinold Kuipers bij zijn auteur: "Kunt u mij al iets meedelen omtrent de herdruk van 'De voorstad groeit'. Ik zou het op prijs stellen te vernemen of u al een regeling met Manteau hebt gemaakt en zo ja, welke?"[86]

         Je moet het ijzer smeden als het heet is, zo dacht een schijnbaar grijpgrage Boon in 1954. En nu hij 10.000 frank voorschot voor een heruitgave van De voorstad groeit op zak had gestoken, kon hij zijn uitgeefster misschien ook wel bewegen tot een herdruk van zijn andere drie romans. Dat bleek niet het geval te zijn en toen De Arbeiderspers twee jaar later, naast vier afleveringen van Boontje's reservaat (1954-1957), nog zeven andere van zijn werken had uitgebracht, ontstond opnieuw een fikse ruzie tussen Boon en zijn eerste uitgever.[87] In november 1956 informeerde hij tamelijk kortaf of het in Manteaus "bedoeling zou liggen, in de eerstkomende maanden van mijn beide werken 'Vergeten Straat' en 'Mijn kleine oorlog' een herdruk te bezorgen."[88] Volgens de beschikbare correspondentie moet Manteau hierop negatief hebben gereageerd, zich beroepend op de voor haar onbegrijpelijk slecht verkopend herdruk van De voorstad groeit (19542). In zijn antwoord betreurde de schrijver het dat zijn eerste uitgever maar niet begreep waarom ze de herdruk van De voorstad groeit in Nederland niet gesleten kreeg.

         Het lijkt een uiting van machteloze woede, maar Boons brutale opmerking wint wellicht aan betekenis als men weet dat het chique uitgevershuis Manteau, volgens zijn Nederlandse concurrenten, in die tijd vrij dure maar ouderwets ogende en vaak onaantrekkelijk boeken uitgaf.[89] Ook waren verspreiding en promotie met name in Nederland verre van optimaal. Het was in elk geval een feit dat de tweede druk van De voorstad groeit, die 4.000 exemplaren bedroeg, in 1954 over de toonbank moest gaan voor 65 Bf/ƒ 4,90 en dat was niet goedkoop.[90] Nu hij zou kunnen doorbreken op de Nederlandse markt, was Boon van oordeel dat door Manteaus halsstarrige vasthouden aan zijn oude contracten, ook Vergeten straat en Mijn kleine oorlog voor hem "een enorme verliespost" gingen betekenen.[91] Op 4 december 1956 ontkende Manteau dat haar beleid het succes van De voorstad groeit in de weg zou staan en repliceerde met dodelijke ironie: "Ik betreur het wel, dat U Mijn kleine oorlog en Vergeten straat als een 'enorme verliespost' beschouwt. Ik zie ze voor U meer als een indirecte winstpost: hadden wij destijds niet deze en Uw andere boeken uitgegeven, dan zoudt U niet in staat geweest zijn, met Uw latere uitgaven bij Uw Hollandse uitgever zulke enorme winsten te behalen." Toch wilde ze, gedecideerd als ze was, niet onredelijk lijken: "Mocht ik zelf niet tot een heruitgave van de 2 genoemde boeken kunnen besluiten, dan zou ik hoogstens bereid zijn, deze voor een eenmalige licentiedruk aan een andere uitgever af te staan. Een beslissing hierover zal ik zo spoedig mogelijk nemen, d.w.z. zodra ik mij een juist idee heb kunnen vormen van de mogelijkheden voor deze heruitgaven."[92] Vier jaar later kwam het tot een akkoord over zo'n eenmalige licentie-editie met de uitgeverij Em. Querido, die Boons kleine oorlogsroman graag wilde opnemen in haar succesvolle Salamanderreeks.

         Het mag betekenisvol heten dat bij uitstek ontluisterende literatuur als Mijn kleine oorlog voor een heruitgave in een populaire pocketreeks in aanmerking kwam. In de tweede helft van de jaren vijftig bleek in Nederland en Vlaanderen een nieuwe generatie lezers aan te treden. Ofschoon ze nog waren opgevoed met de Grote Vertellers, de Felix Claesen en Antoon de Mans die circuleerden in kloeke boekdelen en andere omnibussen, waren ze cultureel op zoek naar iets nieuws en bovenal moderns. De leden van deze intelligentsia in spe kwamen namelijk tot de constatering in menig opzicht fundamenteel te verschillen van 'de vorigen', spaarzaam levende wederopbouwers, die onherroepelijk getekend waren door de bestaansonzekerheid tijdens de vooroorlogse crisisjaren, de bezetting en de onmiddellijke naoorlogse periode. Hoezeer deze adolescenten onderling ook verschilden qua afkomst en scholingsgraad, op de een of andere manier worstelden ze samen toch met een gevoel van benauwdheid in het traditionele gemeenschapsleven. Dat laatste was in de late jaren vijftig nog altijd sterk nationaal, religieus en levensbeschouwelijk gekleurd. De duffe hokjesgeest en de geur van kleinburgerlijke braafheid die aan het culturele leven hingen, als de odeur van de 'goede kamer' die alleen des zondags betreden werd na het verplichte kerkbezoek, vormden een wel erg scherp contrast met de opwindende beelden (Marilyn M., James D.) en wilde klanken (beebabalooba)die van over de Grote Plas kwamen aanwaaien. Voor het eerst sedert lang ging de economische toestand er bovendien wat minder zorgwekkend uitzien en nu het woord 'expansie' niet van de lucht was, kozen de jongeren voor een heel ander levensritme dan hun ouders, die in hun ogen vaak te benepen waren om uit het naoorlogse sleurleven te durven breken.

         Nog voor er sprake was van maatschappelijke contestatie, eiste de nieuwe generatie het recht op om minstens in haar vrije tijd te ontsnappen aan de greep van het productie-apparaat en een eigen bestaan te kunnen leiden. De goesting van de jongeren naar een ruimer leven, tot uitdrukking gebracht in 'eigen', door de Nieuwe Wereld aangereikte vestimentaire en muzikale codes, werd nog gestimuleerd en in nieuwe culturele banen geleid door het onderwijs, dat in deze jaren tegelijk moderner en democratischer werd. In die sfeer gedijden 'het' existentialisme, 'Parijs' en de jazz. Door deze nieuw-culturele drie-eenheid beroerd, diende zich een ander soort publiek aan op de literaire markt dan de traditionele zoekers naar het ware, het schone en het verhevene. De normafwijkende schrijver van het bijzonder stoute Mijn kleine oorlog (1947) had werkelijk alles om uit te groeien tot een held van de ontluikende jaren zestig. Hoewel relatief jong, deelden Boons potentiële nieuwe lezers ë die die ook de lezers waren van onder anderen Hugo Claus, Harry Mulisch en de Vijftigers bovendien al voldoende in de fors toenemende welvaart om zich 'massaal' te kunnen storten op goedkopere boeken. Achteraf bezien lag een pocketuitgave van Boon voor de hand, al bestond er bij literaire uitgevers zelf nog een grote weerstand tegen het fenomeen. Men mag niet vergeten dat Querido-directrice Tine van Buul in 1965 nog verklaarde dat ze geen pocketfabriek wilde worden.[93] En pas in 1962 heeft Manteau haar eerste Marnixpocket in druk gegeven.

         Door in te stemmen met een licentie-uitgave van Mijn kleine oorlog in de Salamanderreeks kon de firma Manteau aanknopen bij de pocketrevolutie zonder haar goede naam op het spel te zetten en met een zeer beperkt financieel risico. Dat alles bleek uiteindelijk op te wegen tegen de idee dat Boons vroege werk deels uit handen gegeven werd. Voorlopig ging het trouwens om een eenmalige gebeurtenis   Man Manteau behield het exclusieve recht om alle edities van Mijn kleine oorlog uit te geven en de gelegenheidspartner was bovendien geen vreemde. Tussen januari 1953 en januari 1957 had Querido de belangen van het Brusselse uitgevershuis in Nederland behartigd en ook sedert de opening van een eigen Manteau-kantoor in Scheveningen waren er nauwe contacten tussen beide firma's. Als vertegenwoordiger van Querido in Vlaanderen had Angèle Manteau haar Nederlandse collega-directrice Alice van Nahuys bovendien beter leren kennen. Om de deal tot eenieders tevredenheid af te sluiten, werd de schrijver wijselijk buiten de onderhandelingen gehouden, Alice van Nahuys en Angèle Manteau regelden de zaken onder elkaar.[94] Afgesproken werd dat Boons oorlogsroman in 1960 in een eerste oplage van 15.000 exemplaren zou verschijnen als zeventigste Pocketsalamander van Em. Querido te Amsterdam met een imprint van A. Manteau NV te Brussel, dat zoals gezegd het copyright behield. Voorts werd bepaald dat voor de eerste 25.000 exemplaren van de Salamander-pocketuitgave het honorarium 7% bedroeg van de particulierenprijs (Ä 1,75), voor de volgende exemplaren was dat 10%.[95] De helft van dat bedrag kwam de auteur toe, de andere helft de uitgeefster, die beiden in ieder geval een niet terugbetaalbaar voorschot ontvingen van Ä 612,50. Want dat van Mijn kleine oorlog minstens 10.000 pockets zouden worden verkocht, daar leek eind jaren vijftig geen twijfel meer over te bestaan.

 

 

Manteau en Querido: een gezamenlijke heruitgave van Mijn kleine oorlog

 

Omstreeks 1960 berichtte Manteau haar auteur dat zij met de firma Querido tot een akkoord was gekomen over een pocketuitgave van Mijn kleine oorlog. Met het oog op zijn literaire status en bankrekening was dat goed nieuws, en opgetogen schreef Boon aan Tine van Buul, mededirecteur van Querido: "Ik bewerk het [boek] nog even (nieuwe spelling, wat meer punctuatie en wat minder schunnige woorden) en zal hiermee binnen een tiental dagen klaar zijn."[96]

         Al snel realiseerde de averechtse moralist zich evenwel dat een heruitgave niet zo onproblematisch was. De wereld waarin deze tweede druk terechtkwam verschilde immers drastisch van zondag 23 september 1945, toen Boon de westerse mens, in diens ijver om de vooroorlogse orde te herstellen, blindelings had zien afstormen op de nucleaire ondergang. In 1960 was de Bom nog altijd niet ontploft, al had het er lang benard uitgezien en was het gevaar volgens Boon allerminst geweken. Zijn angst voor een atoom-incident was evenredig aan de menselijke dwaasheid die hij als seismograaf in zijn romans registreerde. Hij zag hoe de Koude Oorlog zich vermomd had als een universele economische en technologische prestigestrijd, terwijl het absolute geluk verhandeld werd in de vorm van massaal geproduceerde verbruiksgoederen. Het paradijs was op aarde neergedaald in de vorm van een Grote Vrolijke Supermarkt en bij de jongeren leek even lurken aan de hoorn des overvloeds uit te groeien tot een alles verterende ambitie. Eind 1959 woonde ook Boon zelf niet in een regenton. Precies zeven jaar al huisde hij in een villa in het groen, 'ver weg' van de stinkende fabrieksstad Aalst. Gemak diende de mens en in Boons 'reservaat' ontbraken koelkast, televisie, transistorradio, stofzuiger en andere huishoudelijke apparaten niet. Zoveel luxe gunde de schrijver zijn vrouw wel, onmiddellijk na de oorlog had ze genoeg te lijden gehad van zijn schrijverschap. Vanaf 1959 bewoog Jeanneke, de trotse bezitter ook van een nepnerts, zich zelfs door het leven achter het stuur van een blitse Karmann Ghia. Die persoonlijke en tegelijk het tijdsgewricht typerende gegevens verwerkte Boon in de pocketuitgave van Mijn kleine oorlog. Ter actualisering van zijn oorlogsroman voegde hij aan de eerste druk van zijn oorlogsboek een epiloogje toe, 'Vijftien jaar later' getiteld.[97]

         Door een stukje aan zijn oorspronkelijke boek toe te voegen, stonden de oude slotwoorden automatisch al niet meer aan het eind van de tekst. Die liep nu uit op een pijnlijke confrontatie met het verleden en dat thema werd door Boon hernomen in twee cursieve passages die hij aan 'Vijftien jaar later' toevoegde. In het tweede mocht Ondine Bosmans nog  één keer de les samenvatten die ze aan het eind van de bij de Arbeiderspers gepubliceerde boeken over de Kapellekensbaan uit haar mislukte leven had gedestilleerd: "Wat heeft het alles voor zin?" Deze laatste woorden werden door de zetter in kapitaal gezet en in hetzelfde corps als de oude slotwoorden. Zo zorgde Boon bij monde van madame Ondine voor een tegenwicht tegen de 'laatste roep' die vijftien jaar voordien aan zijn lippen (zijn angstige hart, zijn gevoelige maag) was ontsnapt en die samen met het voorwoord van Willem Elsschot, vijftien jaar lang de reacties op zijn oorlogsboek in idealistische zin had gestuurd.

         Belangrijk voor een goed begrip van Mijn kleine oorlog als werk-in-uitvoering is het gegeven dat Boon de oorspronkelijke slotzin van zijn boek in de tweede druk niet heeft geschrapt, in tegenstelling tot andere 'idealistische' passages. Zeker na de heftige reacties op de eerste druk hechtte hij aan zijn furieuze woorden, alleen al om zich te onderscheiden van de gelovige intellectueel, type Paul de Ryck, en al die andere estheten. Dezen gingen zelfs na de Bom nog deemoedig op zoek naar harmonie in een voor eens en altijd geschapen wereld! Boon wilde de loop van die barbaarse wereld juist beïnvloeden en daarbij drukte het woord 'schoppen' de woede uit die hij ook echt had voelen opwellen bij het zien van de burgerlijke restauratie en de ten hemel schreiende dwaasheid van de naoorlogse mens. Hoewel later geschreven, droeg het slot van Mijn kleine oorlog (1947) duidelijk het stempel van zondag 23 september 1945. Boon heeft zelf op die gedateerdheid gewezen in een kleine, maar vinnige polemiek met Raymond Brulez, die hem zijn agressieve toon verweten had.[98] "[H]et is mogelijk dat de schrijver zich op sommige ogenblikken al te zeer heeft laten meeslepen door de heilige gramschap,die zo een oorlog meebrengt", aldus Boon.[99] Ook wilde hij best toegeven dat diezelfde schrijver zo kort na de oorlog de werkelijkheid "veel te eenzijdig aan de witte kant bekeken" had, zoals een 'zwarte' hem verweten had in een brief die eveneens in Tijd en Mens werd afgedrukt en die in deze editie in bijlage is opgenomen. Ze hebben gelijk, die goede oude Brulez en de anonieme 'zwarte', bekende Boon. En toch was hij blij het allemaal "zo te hebben geschreven, in mijn woede, in mijn haat, in mijn verachting, zelfs als het nu blijkt dat ik te eenzijdig en te bitter ben geweest".[100]

         In 1953 klonk het laatste woord van Mijn kleine oorlog voor Boon niet als een leugen, maar als een gedateerde waarheid die bovendien ten dele nog altijd gold. Want niet alle fascisten paradeerden in ganzenpas door de straten, zo betoogde the angry young man Boon, en het onuitroeibare kwaad had zich intussen nieuwe maskers voorgezet. Had zijn om alles ironisch glimlachende vriend Brulez soms niet in de krant het verhaal gelezen van de beer die een jong meisje meevoerde naar zijn hol en het eten gaf en een bedje van droge bladeren, tot men het dier vond en zonder pardon doodschoot. Nog altijd slaagde de mens er klaarblijkelijk niet in om zich in de ander te verplaatsen, bijvoorbeeld in die on-mens van een beer die zich vergiste en een kind verzorgde als was het zijn eigen berenjong: "Schieten maar, vernietigen maar, doden maar! Dat is de leuze."[101]

         Nog eens zeven jaar later bereikte bij de schrijver van Mijn kleine oorlog het besef dat zijn 'laatste woord' gedateerd was, een hoogtepunt. Vijftien jaar na die legendarische zondag in september 1945 kwam Boon tot het inzicht dat de oorlogsjeugd met plezier zelf de beer uit zijn verhaaltje had doodgeschoten en compleet immuun was voor zijn schoppen. Daarom zorgde hij voor een nieuw laatste woord: uit liefde voor de jongste generatie, die hij waarschuwde voor hun blinde onverschilligheid zoals hij in 1945 hun ouders-wederopbouwers gewaarschuwd had voor naderend onheil. Het beoogde effect van zijn laatste woord was niet veranderd, alleen de retorische strategie. Om zijn nieuwe publiek te kunnen overtuigen, heeft Boon ervoor geopteerd een ander dan hijzelf het laatste woord te laten: madame Ondine. De oorspronkelijke complexiteit van haar complexe levensroman werd daarbij herleid tot de symbolische beknoptheid van een parabel. Niet minder treffend is dat Boon niet eens meer heeft geprobeerd om zijn lezers te confronteren met de montageroman die hem oorspronkelijk voor ogen stond. Na al het 'wanbegrip' dat hem met de eerste druk te beurt was gevallen, leek de schrijver zich thans volledig te concentreren op de 'boodschap' die hij met zijn oorlogsboek wilde overbrengen. Woorden als 'gironummer' wezen erop dat de ontvangers van die boodschap in hoofdzaak ten noorden van Roosendaal woonden. Niets mocht volgens Boon de communicatie met zijn nieuwe publiek verstoren en om vooral luid en duidelijk over te komen, verwijderde hij alle 'onzuiverheden' uit de tekst. Hij kuiste zijn boek en daarbij genoot hij, als we zijn eerste uitgever mogen geloven, de steun van Querido-directeur Van Nahuys, die "altijd al bezwaren [had] gehad tegen Boons tekst, zowel vanuit een esthetische als taalkundige bekommernis. Het boek moest maar een beetje 'gezuiverd' worden".[102] Dat kwam dan goed uit want zoals zal blijken stond ook co-uitgever Angèle Mle Manteau niet afwijzend tegenover een kleine poetsbeurt. Zelf was Boon zich intussen pijnlijk bewust van het feit dat zijn weinig academische taaltje op de gemiddelde Vlaamse 'cultuurdrager' en verdediger van het Algemeen Beschaafd Nederlands werkte als een rode lap op een stier. En had de in Nederland op handen gedragen stilist Elsschot zich in zijn voorwoord soms niet verplicht gevoeld de mantel der liefde te spreiden over de vele "onhollandsche uitdrukkingen", de "gallicismen" en de "overtollige of ontbrekende of gebrekkige punctuatie" in Mijn kleine oorlog. Ook de snoeiharde kritiek van de 'Hollander' Greshoff lag de schrijver nog vers in het geheugen.

         In de jaren vijftig was Boon eraan gaan twijfelen of Nederland echt wel zo ruimdenkend was als hij eerst had gedacht. Al in 1950 werd hij enigszins ontnuchterd door de reactie van een christelijk-gereformeerde zetter op zijn bijdrage 'Een averechtse verkenning'. Pas toen hij enkele schunnige uitdrukkingen had geschrapt, kon dit stukje Kapellekensbaan in het avant-gardetijdschrift Podium verschijnen. Een veel grotere impact had de rechtszaak die in 1952 naar aanleiding van de voor katholieken beledigende roman Ik heb altijd gelijk werd aangespannen tegen Willem Frederik Hermans. Boon was geschokt.[103] In vergelijking daarmee was het optreden in 1953 van een PVDA-bestuurder en commissaris van De Arbeiderspers haast komisch te noemen. De brave borst had aanstoot genomen aan het onkuise karakter van De Kapellekensbaan.[104] Maar dergelijke incidentjes bleven zich in Boons voorstelling wel opstapelen. In 1956 verhinderden werknemers van het 'technisch bedrijf' van De Arbeiderspers dat in hun ogen schunnige illustraties werden opgenomen in Boons roman Niets gaat ten onder. Uit vrees dat de tweede druk van Mijn kleine oorlog de weg van de eerste zou gaan, nam Boon het initiatief om zijn boek te 'fatsoeneren'. En niemand die van nabij met deze heruitgave te maken had, remde hem daarin af.

         In zijn eigen exemplaar van de eerste druk herspelde Boon in zwart potlood de tekst, hij bracht wat punten en komma's aan, laste enigszins met de natte vinger hoofdletters in, schrapte enkele vieze woorden en verving links en rechts al te Vlaamse uitdrukkingen door wat hij, niet zelden ten onrechte, voor Algemeen Nederlands hield. Mede door tijdsdruk, maar ook omdat zijn ontegenzeggelijk sterk regionaal gekleurde taalgevoel hem weinig houvast bood, ging Boon weinig systematisch en zorgvuldig te werk. In feite herhaalde de geschiedenis zich. Evenals destijds het redigeren van de eerste boekuitgave, moest thans het 'opschonen' van Mijn kleine oorlog even op  én vén vrije zondag afgeraffeld worden.[105] Doordat Boon er bovendien op stond zijn werk aan te passen aan de nieuwe historische context, draaide het noodgedwongen uit op half werk. Aan H.U. Jessurun d'Oliveira, die op 6 maart 1960 een interview met hem afnam voor het tijdschrift Tirade, zou de schrijver vertellen: "Mijn kleine oorlog gaan ze nu opnieuw uitgeven, en nu ben ik verplicht geweest van het te herzien, maar ik had het liefst helemaal herschreven: ik was niet akkoord met het slot, en met heel wat andere dingen. Ik heb het gemilderd, en op andere plaatsen toegespitst." (mijn cursivering)[106]

         Op 12 januari 1960 had Boon de klus geklaard. Opgetogen liet hij Tine van Buul weten: "De meeste vieze woorden zijn zoekgeraakt; dat zal de Salamander-lezer wel genoegen doen".[107] De vrucht van zijn noeste arbeid stuurde Boon zonder verder te treuzelen naar Angèle Mle Manteau, die de kopij zes dagen later aan Alice van Nahuys bezorgde: "Met gelijke post stuur ik je aangetekend de definitieve copie van 'Mijn kleine oorlog'. De auteur heeft de typografie op ons verzoek wat normaler gemaakt en heeft tevens enkele uitdrukkingen gemilderd. Er viel hier en daar een stuk weg en er kwamen een paar stukken bij als slot." (mijn cursivering)[108] Het lijkt er haast op dat Boon zich eind 1959 per se heeft willen conformeren aan een publiek dat hij zich voorstelde als buitengewoon deftig en politiek correct.[109]

         De tweede, herziene en uitgebreide druk van Boons oorlogsroman verscheen eind augustus 1960.[110] Op het omslag stond een nauw bij de tekst aansluitende tekening van Theo Kurpershoek: een soldaat op een hoge fabrieksmuur, waarachter een opgeheven sein de aanwezigheid van een spoorweg verraadt. Laag boven de fabrieksstad hangt een vliegtuig, op de voorgrond bevindt zich een groepje mensen: een burgermannetje, arbeiders, enkele haveloze figuren en een kind dat misschien wel bombardementje aan het spelen is.[111]

         Mijn kleine oorlog (19602) was een eclatant succes, in  één jaar tijd zouden er meer dan 11.000 exemplaren van aan de man worden gebracht. Reinold Kuipers, die op 1 oktober 1960 bij De Arbeiderspers was vertrokken om samen met zijn vrouw Tine van Buul de firma Querido te gaan leiden, complimenteerde Boon in een brief van 6 januari 1961. Volgens hem bewezen het bovenvermelde gesprek met Jessurun d'Oliveira in Tirade en een interview in Vrij Nederland dat de auteur van Mijn kleine oorlog naam maakte in Nederland.[112] Nu hij in de Salamanderreeks zat, leek het voor Boon inderdaad erg snel te gaan. Belangrijk in dit verband is dat Manteau zich ook iets soepeler ging opstellen. Al in het voorjaar van 1961 kwam het tot een akkoord met Boons eerste uitgever over de opname van Vergeten straat in Querido's populaire pocketreeks, en in juli van hetzelfde jaar stelde Manteau zelf voor om haar nog altijd slecht verkopende editie van De voorstad groeit van de markt te halen: "daar Querido vast en zeker geïnteresseerd is in een pocketuitgave van dat boek, hebben wij besloten de aanwezige voorraad aan een Belgische koper van restanten te verkopen."[113] In ruil voor het nog verschuldigde honorarium mocht Boon "vrij beschikken over de auteursrechten voor een pocketeditie".

         Het was een grootmoedig gebaar, ook al omdat de regeling leek te preluderen op het ontbinden van de overige contracten die Boon nog aan de firma Manteau verbond. Goed gemutst deelde de schrijver het nieuws aan Kuipers en Van Buul mee: "Angèle (le (betekent dat echt Engel?) Manteau laat in een brief aan mij doorschemeren dat ook 'De voorstad groeit' in een Salamander-pocket zou kunnen komen, en meer zelfs, dat zij daarbij afziet van alle honorarium. Zou zij een slag op het hoofd hebben gekregen?"[114] In 1962 liet Boons eerste uitgever evenwel via haar redacteur Jos Vandeloo weten dat haar ruimhartigheid grenzen had, Boon kon het natuurlijk niet allemaal cadeau krijgen. Geheel conform de door Boon in respectievelijk 1945 en 1946 aangegane verbintenissen kondigde ze een herdruk van Mijn kleine oorlog en Vergeten straat aan in haar eigen, gloednieuwe Marnixpockets-reeks. Querido en Boon, bijzonder onprettig verrast, speelden het nu hard. Na consultatie van Kuipers en Van Buul liet de schrijver Angèle Mle Manteau op 10 december 1962 weten dat de Nederlandse firma "nog steeds het zetsel van deze werken bezit en reeds een herdruk ervan in zicht heeft. Ook gaf ik haar reeds toelating om een nieuwe druk ervan op de markt te brengen."[115] Begin 1963 volgde de ijskoude reactie: de uitgeverij A. Manteau NV, zich beroepend op artikel 13 van haar standaardcontract, had de zaak in handen gegeven van haar rechtskundig adviseur.[116] Het klonk als een oorlogsverklaring, maar juridische schermutselingen bleven tenslotte uit.

 

 

De laatste banden doorgeknipt

Na bijna twee jaar stilte aan het front ondernam Boon op 30 oktober 1964 opnieuw een poging om zijn vroege werk vanonder Manteaus vleugels weg te halen, ditmaal met hoog Calimerogehalte poserend als het onschuldige slachtoffer van een vete tussen twee Grote Firma's: "Ik begrijp dat er moeilijkheden tussen de beide uitgeverijen zijn opgerezen, die ik alleen maar betreuren kan, doch waarvan ik niet wil geloven dat een auteur er het slachtoffer van zou worden.// Graag vernam ik dan ook van u, of u zich tegen een herdruk in de Salamander-reeks verzet."[117] Omdat een antwoord uitbleef herhaalde de schrijver op 30 oktober 1964 zijn verzoek, maar voegde er geslepen aan toe: "Mocht ik in de loop dezer week geen tegenbericht van U ontvangen, dan beschouw ik daaruit dat U mij geen verdere last en schade wilt berokkenen, door verzet aan te tekenen tegen deze herdrukken, als salamander-pockets, van mijn werken Vergeten Straat en Mijn Kleine Oorlog."[118] Na rijp beraad deed Manteau een ultiem tegenvoorstel: Waarom beide titels niet eerst nog een keer laten heruitgeven als Marnixpockets?[119] In feite vroeg zijn eerste uitgever Boon een allerlaatste kans om te kunnen bewijzen dat ook met een in Vlaanderen uitgegeven boek succes geoogst kon worden in het hele Nederlandse taalgebied. Maar de schrijver hield nu voet bij stuk en Manteau voegde zich uiteindelijk naar zijn wensen. Boons zakelijke optreden duidde op constant overleg met Querido en een open oorlog met haar voormalige vertegenwoordiger in Nederland had ze er niet voor over.[120]

         In 1965 verschenen Boons derde en vierde roman opnieuw als Salamander, en voor het eerst zonder Manteau-imprint, in een monsteroplage van respectievelijk 17.000 en 16.830 exemplaren. Tussen 1960 en 1964 had Boon de omzet van zijn boeken al gevoelig zien stijgen. Nu hij er eindelijk in geslaagd was om Vergeten straat en Mijn kleine oorlog helemaal bij het uitgevershuis Manteau weg te halen, ging de verkoopcurve van zijn werk zelfs tekenen van lichte hyperventilatie vertonen. Ook de verkoop van zijn romans bij De Arbeiderspers liep steeds beter. 'Louis Paul Boon' was een succesverhaal geworden, zowel commercieel als in termen van cultureel kapitaal. Dat Boons doorbraak in Nederland Angèle Mle Manteau lange tijd bitter heeft gestemd, valt licht te begrijpen. Hij confronteerde de uitgeefster met haar kapotte dromen van buitenlands succes. Evenals Claus was Boon voor haar een spectaculair mislukte, en mede door de bovenvermelde omstandigheden wellicht ook tot mislukken gedoemde poging gebleken om terzelfder tijd te investeren in literaire kwaliteit en de boel toch draaiende te houden.