[Johan Vanhecke]
  - | De trap van steen en wolken
 

De trap van steen en wolken

Op 9 augustus 1940 kwam Johan Daisne terug uit Zuid-Frankrijk, waar hij na het uitbreken van de tweede wereldoorlog een tijdje als verbindingsofficier van het Belgische Leger gelegerd was. Hij had een gedrukte roman bij, Aurora, die hij ginder afgewerkt en gezet had, en het manuscript van een nieuw verhaal, Renée, dat hij in het Zuid-Franse Pomas geschreven had. Bij een van zijn eerste bezoekjes aan Angèle Manteau bezorgde hij haar beide verhalen. Ze was heel enthousiast, maar om een of andere reden publiceerde ze alleen Renée, terwijl Aurora herdrukt werd bij Snoeck-Ducaju dat ook al Maud Monaghan uitbracht.

In februari 1941 heeft Johan Daisne een nieuw verhaal af, Blankenheym, een van de aangekondigde verhalen uit de Dr. G.M. reeks. Het typoscript is 52 pagina's lang en onderverdeeld in tien hoofdstukjes, waarvan het zevende en het achtste samen een kort toneelstukje vormen, het spektakelspel "Als de goden ontwaken". Hij is er zelf zeer tevreden over en ook het slot vindt hij zeer geslaagd. Manteau leest het verhaal in april en vindt dat er "sublieme passages" inzitten. Toch vindt ze het geen probleem dat hij het aan Jaak Veltman van uitgeverij Strengholt doorstuurt. Wanneer op 12 juli het antwoord komt dat de heer Strengholt Blankenheym minder geschikt vindt voor zijn fonds, is Daisne al vergevorderd met zijn nieuwe project, de roman Paradeigmata, die uiteindelijk als De Trap van Steen en Wolken de naam van Daisne als prozaschrijver definitief zal vestigen.

Jammer genoeg is over het ontstaan van deze roman weinig terug te vinden. De briefwisseling met thuis - tijdens de oorlogsperiode een van de belangrijkste informatiebronnen - biedt ditmaal maar weinig informatie, behalve dat hij op 19 februari schrijft: "Mijn gróóte roman (De Sedgwicks) vordert ontzettend makkelijk! Na 't geknoei van dezen winter straal ik er van. Zou het de lente zijn?" Eind augustus werkt hij het laatste hoofdstuk af en op 28 augustus gaat bij Angèle en Frans de laatste bladzijden brengen. De laatste week zit hij trouwens ziek thuis, en kan hij rustig werken.

Opvallend is dat Daisne in dat half jaar slechts drie gedichten schrijft: een gedicht voor de geboorte van het dochtertje van Gaston Moorkens, een rouwdicht bij het overlijden van zijn oom Henri en een bewerking van een gedicht van Goethe. Normaal schrijft Daisne gemiddeld tien gedichten per maand. Hij moet dus zeer intens aan Paradeigmata geschreven hebben en er alles ingelegd hebben dat hem die zes maanden beziggehouden heeft. Maar over het schrijfproces hebben we verder het raden. Er is geen plan van de roman bewaard en van het handschrift is enkel het vijftiende hoofdstuk van het tweede deel overgebleven.

De voornaamste anekdote die af en toe opduikt is dat Daisne tijdens het schrijven van z'n roman wou leren paardrijden. Michel Thiery herinnert zich dat hij als ontspanning "een tijdlang om 6 uur in de ochtend met zijn uitgeefster Angèle Manteau op stap [ging], om er in een manege paard te (leren) rijden. Maar in feite was Herman niet zo sportief. Dit paardrijden was veelmeer een vorm van escapisme en hij hield het dan ook niet lang vol." Uit de brieven met thuis wordt dat laatste bevestigd, maar de rijlessen vonden wel 's avonds plaats. De eerste les heeft plaats op 12 mei. "Gist. avond ben ik dan met Angèle Manteau naar onze eerste hippo-les gegaan, met de lichte broek en de laarzen. We hebben gerammeld van plezier & sportieve deugd." Vele jaren later, wanneer in de Bijenkorf in Amsterdam het dertigjarig bestaan van uitgeverij Manteau wordt gevierd, haalt Daisne in zijn gelegenheidstoespraak herinneringen aan die tijd op. "Na vier lessen wist ik er theoretisch genoeg van om mijn boek verder te schrijven. En daar ik niet rijk was, heeft Angèle mijn abonnement overgekocht, zodat zij een perfecte ruiter was toen ze De Trap van Steen en Wolken heeft uitgegeven." Een bijkomende reden voor het beperkt aantal lessen is dat Daisne alleen op dinsdagavond les kon volgen, terwijl men op de manege liever zou hebben dat hij meer dan eens per week kwam, maar wellicht lag het paardrijden hem gewoon niet, zoals je kan afleiden uit de redenen die hij aanhaalt om niet naar de les te moeten gaan. "Ik ging niet rijden vanwege mijn verkoudheid (toch veel beter). Angèle heeft overigens haar voet verzwikt." De uitbater van de manege zou aan Angèle Manteau eens gezegd hebben dat Daisne op een paard zat "als een klont boter op een hete aardappel."

Hoewel hij een narede bij het boek schrijft die belangrijke elementen voor de interpretatie aanreikt, is het toch interessant om de samenvatting van de roman te lezen, zoals Daisne die gaf in zijn lezing over eigen werk in 1943. "[H]et boek bestaat uit twee delen, vertikaal, en uit twee delen, horizontaal. M.a.w. er zijn eigenlik twee verhalen in, die parallel naast elkaar lopen van het begin tot het eind, in de twee op elkaar volgende delen van het 'boek. Het eerste verhaal is het levensrelaas van een bioloog, assistent op een universiteitslaboratorium, waar hij een bekrompen bestaan lijdt, zonder mogelikheid om zich daaruit binnen afzienbare tijd te bevrijden. Een andere mislukking van zijn leven is zijn liefde voor een vrouw, die hij eens heeft verloren door zijn angst voor de daad (aanknopingspunt met "Aurora"); zij heeft een andere man getrouwd en hoewel ook zij Evert nog liefheeft wil ze haar man trouw zijn. In het leven van de assistent verschijnt dan een meisje dat hij aanvankelik alleen maar begéért, en voor wie hij daarna - als ze hem weerstreeft - respect en zusterlike genegenheid gaat voelen. Op dat ogenblik - want zij houdt werkelik van hem - geeft ze zich vrijwillig. Die liefde doet Evert schrikken: ze is te echt, te menselik; het is niet wat hij had gedroomd met die andere, voor hem onbereikbaar geworden vrouw, en hij wil eerlik zijn.

Het is oorlog, hij verdwijnt en men heeft alle redenen om aan te nemen dat hij gedurende een bombardement is omgekomen. In het tweede deel vinden we Jeanne en het kindje dat ze van Evert heeft terug op het landgoed van Evert's ouders. Een van Evert's broers, Lotar, vat eveneens liefde op voor de jonge vrouw, waartegen ze zich uit trouw voor de dode verzet. Lotar vertrekt naar de kolonie, de ouders sterven. Evert's andere broer, Kees, gaat ook van Jeanne houden, maar sterft voordat hij zich daarvan bewust is geworden en heeft gesproken. Gedurende al die tijd heeft Jeanne het landgoed recht gehouden en is ze, voorbeeldig van schone levensaanvaarding, een zon in het leven van het hele gezin geweest. Op het eind van het boek wordt ze het slachtoffer van een auto-ongeval; ze wordt naar een kliniek gebracht en verzorgd en gered door een pas uit de kolonie weergekomen geneesheer, in wie ze Evert herkent .... tenware het Lotar is, want het is mogelik dat het auto-ongeval een trauma in haar heeft veroorzaakt. Er is niemand meer om het geheim op te lossen, dat trouwens voor haar niet bestaat, want ze trouwt met hem die ze als Evert beschouwt, en is gelukkig.

Dat is het bovenste of het onderste van de twee parallelle verhalen, zoals u verkiest. Het andere is een verhaal dat Evert, in de tijd dat-ie op het laboratorium werkt, is beginnen te schrijven, als een poging tot ontvluchting uit de narigheid van zijn alledaagse leven, en dat Jeanne na zijn verdwijning, in zijn geest heeft voortgezet. Het speelt in een wild oord ergens in Amerika. Een man en een vrouw wonen daar samen in een blokhuis. Ze noemen zichzelf Gun en Ra Sedgwick (herinnering aan Eileen Sedgwick uit de heroïese film zaliger - en zijn vluchtelingen uit de Oude Wereld - u herkent dadelik Evert en de -voor hem verloren vrouw, beide getransponeerd volgens de verlangens van Evert's verbeelding. En alles wat nu volgt, heel de intrige in dat Wild-West-kader, is net zo een transpositie van Evert's realiteit en van zijn verlangsten (sic)." Op een mooie dag ontmoet Gun Sedgwick een geheimzinnige blanke Indiaanse, het meisje Lovelace, dat hem meesleept in een fantastisch avontuur in een oude Aztekentempel - en het is natuurlik, op het andere plan, de projectie van het avontuur met Jeanne. En het eind is een net zo jammerlike ineenstorting van alles als Evert's verhouding met Jeanne is geweest. Gun en Ra Sedgwick verlaten de woestijn en keren naar het leven en in de wereld terug; Gun heeft deemoed geleerd en zal zijn leven opnieuw beginnen, van onder aan af, desnoods als vaatwerkwasser in een restauratie."

Zoals in zijn vorige Dr. G.M. verhalen, zijn de personages in De Trap zijn naar het leven getekend. Pipa is Daisnes vader, Mams zijn moeder en Kees en Lothar zijn de twee jongere broers. Evert is uiteraard een afsplitsing van Daisne zelf, net zoals Dr. G.M., die we al kennen uit de verhalen. De vrouwen zijn allemaal aspecten van de ideale vrouw: "Jeanne is Schwesterlein, Hermine ook, maar later, de gepassioneerde Lovelace is een uitgewerkt pendant van de schilderes Leonore. Ieder vindt zijn tegenwicht, en er zijn nog andere spelingen: Lovelace is geprefigureerd in de jonge Jeanne, etc. En zoals gezegd : boven die uitersten van passie en zusterlijkheid, staat Ra bijna als een Egyptische godin. [...] Of ik vier vrouwen nodig had om een volmaakt beeld van de vrouw te vormen? In het gewone leven heeft elke vrouw meestal iets aparts, je vindt zelden alles samen in één persoon. Daarmee wil ik geen pleidooi houden voor polygamie, maar de kunst is wel een uitweg door de spelingen die ze toestaat." Ra is uiteraard Aurora, Suzanne Herremans, die we al kenden uit het gelijknamige verhaal. "Schwesterlein" Jeanne/Hermine is gemodelleerd naar Helene "Leuchen" Köhler, een jonge Duitse die ook een kamertje huurde in de Maria-Theresiastraat nr. 9 te Brussel, waar Daisne sinds september 1940 woonde. "In het begin van de oorlog kregen we van de hospita nog een licht ontbijt in haar kelderkeuken. Daar leerde ik dat Duitse meisje kennen. Zij legde zich toe op het Frans en ik profiteerde ervan om mijn Duits bij te werken. Wij zijn, tot haar vertrek na enkele maanden, vrienden geweest", herinnert hij zich in het televisieprogramma Ten Huize Van. Jaren later zal hij van haar een briefje ontvangen: "Hoffentlich kannst Du Dich noch an mich erinnern und an die Zeit im Winter 40/41, wo wir in der Pension in Brüssel Sprachstudien trieben." Hij stuurt haar op 30 oktober 1956 een exemplaar van De Trap op dat zij in het Nederlands, met de hulp van een woordenboek zal lezen. "Ich hatte es nie für möglich gehalten, daß die Tage und Wochen, die wir miteinander vor 15 Jahren verlebten, mit solcher Deutlichkeit wieder vor mir erstehen würden, als sei es erst gestern gewesen. [...] Dein Stübchen, Deine Schreibtafel und vor allem Du, mein liebes Dichterlein, wie ich Dich damals oft nannte, in Morgenrock und mit der Schnapsflasche, das alles erstand zo deutlich wieder vor meinen Augen. Vielen dank, lieber Herman, für die Erinnerung an glückliche Stunden der Jugendzeit. [...] Der Abschied damals von Dir ist mir zo schwer gefallen wie Du es ja auch in Deinem Buch "Die Treppe aus Stein und Wolken" schreibst." Daisne heeft van haar een foto bewaard, met een opdracht aan de achterzijde: "Meinem lieben Dichter, / einde kleine Erinnerung / an schöne Stunden / von Seinem Leuchen / Brüssel, am 2. Februar 1941." Waarschijnlijk heeft ze hem die bij het afscheid gegeven en is Daisne onmiddellijk daarop aan zijn Paradeigmata begonnen.

Wanneer het manuscript zijn voltooiing nadert, laat hij het - zoals gewoonlijk - aan zijn ouders lezen. Hun reacties behoeven weinig commentaar. Pipa schrijft: "Ik kom daar even je hoofdstuk XI (waarin ik een rol speel) te lezen. Ik ben er diep onder den indruk door en écht geroerd. Die enkele bladzijden zijn waarlijk schitterend, voor dat melancholiek portret van 'mams en Pipa'.
Het portret en de handelwijze van Kees is 'n ware zedenles, maar zoo iets spontaans, warm, zonder pretenties en vooral geschreven door iemand - en dat voelt men - door iemand die veel houdt van Kees! Die wijze van verhalen is zoo écht, zoo niets gemaakt of geaffecteerd, los en toch aangrijpend - en boeiend -
Dit werk wordt een echt succes en ik zou er op aandringen om je niet te laten uitgeven bij een of andere knul als Ducaju en C°. Geef het uit in Holland (Manteau - of andere groote firma) en zoo zij het durven weigeren, leg het opzij en wacht... Het wórdt een succes en het zál vertaald en gelezen worden, daar kan je op aan! [...] Hoe verlang ik er niet naar het eens gedrukt en gebonden te zien. Een dikkertje (500 blz. of meer) op mooi papier als Rebecca en met een zwierigen naam. Om de laatste reden vind ik het mooist het boek 'De Sedsjwicks' of zoo te noemen en niet 'Schwesterlein', wat een zeker Germanistisch karakter draagt en niet altijd goed begrepen zou worden."

En Mams schrijft in dezelfde trant: "Nu ik heb je boek geëindigd en ook de inleiding heb ik gelezen, ik ben blij het zo geschikt te hebben om te meten in hoever ik je werk begrepen heb en ik geloof te mogen zeggen dat ik tot op den draad je inzicht gevolgd heb. 'k ben er zoo innig blij en fier op. 't Heeft wel wat lang geduurd ten 1e door het vele werk en de zóo moeilijke levensomstandigheden en ten 2e omdat ik niet verslinden wil en alles wil begrijpen en genieten. Menige bladzijde heeft me een traan gekost, een traan der dankbaarheid voor zooveel stille genegenheid en zooveel tot in de diepe vezels aanvoelen van écht attachement. Als Pa het leest zie ik hem stellig bij vele passages slikken om niet zwak te schijnen. Ik heb hem een deel van je voorwoord voorgelezen en toen ik geëindigd had zag ik zijn blik verafgedwaald en o zóo goedig gelukkig. Ik hoop zóo oprecht dat Vestdijk je mooi werk zal appreciëeren. Kon ik telepatisch op hem werken dan zou ik hem toch doen aanvoelen al die honderden détails die het boek zóo rijk, zoo fantastisch en toch zoo écht van de menschen doet zijn, passages die alleen een braaf zeer gevoelig mensch kan schrijven. Ik ben overtuigd dat het de meeste lezers niet kan ontgaan dat innige, waarvan toch veel lezers houden en dan dat fantastische reële dat je apart stelt in de literatuur."

Het is Daisnes bedoeling om De Trap op te dragen aan Simon Vestdijk. Dat idee komt eigenlijk van Angèle Manteau's echtgenoot, Frans Closset. Op vier augustus is Daisne 's avonds bij de Clossets uitgenodigd om een stukje te eten en wat te praten over zijn boek. Hun algemene indruk over Paradeigmata is zéér goed en de kritiek die ze hebben gaat enkel over details. Maar ze hebben niet de indruk dat het een succesboek voor een groot publiek zal worden. De kosten zullen dus hoog liggen wat een gelijktijdige uitgave in Nederland noodzakelijk maakt. En zo ontstaat de idee om een autoriteit als Dr. Simon Vestdijk als "promotor" te vragen. Daisne is op dat moment niet met het werk van Vestdijk vertrouwd, maar hij krijgt van Frans Closset de raad Rumeiland te lezen. "Ik heb het gedaan en er zeer mee gedweept; gelukkig niet vroeger: ik had De trap nooit durven schrijven als ik Rumeiland daarvoor had ge lezen, want er is inderdaad verwantschap." Daisne had wel ooit Frans Clossets bespreking van Vestdijks roman in het pedagogisch tijdschrift Revue des Langues vivantes gelezen en vond het thema toen zodanig interessant dat hij een exemplaar aan Suzanne Herremans cadeau deed voor haar verjaardag. Nadat hij het boek gelezen heeft, schrijft hij in oktober een uitgebreide brief aan Vestdijk, vol gemeende lof, en vraagt toelating om zijn roman aan hem op te dragen en belooft hem het typoscript toe te sturen. De brief doet Vestdijk veel genoegen en hij aanvaardt de opdracht onvoorwaardelijk. Hij krijgt het manuscript liever niet op voorhand onder ogen. "Het is immers niet denkbaar, dat ik op grond van de lectuur ervan weerbarstig zou worden, en wanneer het boek gedrukt is en dus zijn definitieve vorm heeft aangenomen, zal die lectuur wellicht aangenamer en stimuleerender zijn."

Ondertussen moet het manuscript nog overgetikt worden. Gelukkig volgt men op de Landsbond met veel interesse de literaire carrière van hun adjunct-directeur. Aangezien er tijdens dit seizoen niet veel te doen is, mag een van de bediendes een nette kopij tikken. Het is Henny Beretz, een Hollandse jodin die door Daisne tijdens de oorlog geholpen werd. Hij voorziet dat dit werk een maand in beslag zal nemen.

Heel de maand november verbetert Daisne 's avonds ijverig aan zijn eerste deel, maar heeft alle moeite om 10 blz. per dag te doen. Het telefonische bericht halfweg die maand van Angèle Manteau dat zij het boek zal uitgeven, zal ongetwijfeld stimulerend gewerkt hebben en op 26 november kan hij aan thuis schrijven: "Deel I is nu gansch herzien en zoogoed als gansch overgetypt - dezen avond ga ik er meede naar de Closset's, waar ik ook soupeer." Drie weken later deelt Angèle hem mee dat Raymond Herreman, occasioneel lector bij uitgeverij Manteau, dit eerste deel zeer goed vindt. Ze heeft echter nog één belangrijk probleem, want hoezeer ze ook van het boek houdt, met de titel Paradeigmata kan ze het niet verkopen. "Ik zie ons nog zitten in de Brusselse 'Taverne du Passage', reeds oude vrienden, vooral door haar man, prof. dr. Franz Closset. Ik knik begrijpend, blader in mijn manuskript en op de laatste bladzijde valt mijn blik op de regel : 'Harmonie! Als een trap van steen én wolken...' Dat is ons leven en in die zin zat heel de formule van het magisch realisme. Mevrouw Manteau was er zo voor gewonnen."

Angèle Manteau weet hem er ook van te overtuigen om zijn voorwoord achter in het boek op te nemen als een narede. Dat voorstel was misschien mee ingegeven door het oordeel van Herreman, die het voorwoord verwaand en misplaatst vond. Maar de roman zelf vindt Herreman "een knap, sterk werk. Zoo spannend, dat ik na het eerste deel, werkelijk verlang spoedig het tweede deel te lezen. Niet enkel Ra en Gun (met Curumilla en Wence en Lovelace) boeien mij onophoudend, maar ook Evert interesseert voortdurend, en tegelijk is mij het spel aangenaam en deze wisselwerking tusschen de werkelijkheid-Evert en den onwaarschijnlijken roman-Gun-en-Ra." Hij meent dat de verzonnen gedeeltes veel sterker zijn, dan wat Daisne als werkelijkheid wil doen doorgaan, en vooral bij de familiescènes voelt hij ergernis. "Er is behalve de onechte wereld, ook nog een ander gebied, waar ik Daisne zeer groot acht te zijn, ik zou durven zeggen magistraal. Het is het gebied van de ontleding van zekere gebaren, van zekere gedachten. In zekeren zin dus de filosofie, de diepere inhoud van het boek doet mij altijd een geniaal begaafd schrijver in Daisne verraden. Zoo komen er hier en daar een 20- of 30-maal in den roman, annotaties, bladzijden, overwegingen in dezen roman voor, die van een ontledingsvermogen, "een schouwen" die van antennes getuigen, zooals niemand in onze literatuur die bezit, waarbij ik aan de beste werken van de wereldliteratuur denk. Om deze bladzijden alleen reeds ben ik voor dit geheele werk geestdriftig en als ik op eenige fouten (volgens mij) wijs, dan vergeet ik geen oogenblik, dat deze roman in zijn geheel genomen, en voor zoo ver het tweede deel op dezelfde hoogte blijft en mij ook betreffende de avonturen van Gun-en-Ra en van Evert niet onbevredigd laat, dat deze roman ver uit het beste werk van Daisne is en van het beste in de hedendaagsche litteratuur Ik houd er veel meer van dan van Rhum-eiland, en Daisne, die mij verzonnen avonturen vertelt, heeft mij veel directer dan Vestdijk die met clinische zorg zijn Rhumeiland en zijn personen teekent. [...] Onder de meesterlijke bladzijden reken ik o.m.: in hoofdstuk II, de opmerkingen over de auscultatie. In hfst.3 De Middagteek. Hfst.5: Evert, die moeilijk schrijft. Hfst.10 Het ontwaken van Evert. Hfst. 12 of 13 De lente bij Ra en Gun, de passage over de omhelzing. hfst.14, de afstand tusschen Evert en Ra enz. [...] En eenige fouten: De inleiding, zooals ik reeds zei. Misschien een overdaad van cigaretten al rook ik er zelf veel, maar in een roman die 365 dagen duurt hoeft men geen 365x 40 cigaretten te laten rooken door den held; of men doet beter éénmaal te zeggen dat hij 14600 cigarettes per jaar rookt. Een fout acht ik ook nog te zijn, dat men sporadisch hoort van den oorlog. "Tiens", zegt men dan, Daisne heeft ineens bedacht dat er ook zooiets als een wereldoorlogsken aan den gang was, alsof hij ons ergens zou mededeelen, dat rond die tijd juist Leopold III hertrouwde. Min of meer ontstemt mij ook het spel van Daisne met andermans romans, Eline Vere, Ariel, Rebecca enz. Daar wordt te veel of te weinig over gezegd. Daisne-vervalt hier in de fout, die hij vroeger maakte met zijn filmen, zijn reukzeep en zijn "eenige" tandpasta; het geeft wat den indruk als of Daisne weet wat er te lezen is en de lezer, die niet juist dezelfde boeken evengoed kent, een volslagen idioot is. Ik schrijf dit op rekening van een geaccentueerd egocentrisme van Daisne, dat hier nochtans minder ergert dan in vorig werk. Ik durf niet als fout aanzien de bijna onontwarbare verstrengeling van de personages; zij geeft wel spanning en ook een intellectueel genot; maar misschien is zij wat al te ver gedreven, gelijk in een niet goed ontwarden detectiveroman, en is dat een van de oorzaken waarom dit en ander werk van Daisne niet 'aan de ribben blijft hangen'."

Het eerste deel van De Trap reminisceert ook uitgebreid aan Daisnes leven te Brussel tijdens het eerste oorlogsjaar. Het kamertje waarin Evert woont is, zoals Helene Köhler al aangaf, het pensionkamertje drie-hoog-voor in Brussel, aan de Maria-Theresiastraat 9. De universiteit is die van Gent. De nogal hatelijk voorgestelde professor Boslé werd gemodelleerd naar J.J.A. Van de Velde, een professor in de voedingswaren bij wie haringen verkoold moesten worden om er de calorieën van te berekenen, maar eigenlijk verwijst het naar Daisnes afstompende administratieve werk als Vlaams adjunct-directeur bij de Belgische Landsbond der Bouwbedrijven en Openbare Werken.

Daisne beschrijft hoe hij samen met Schwesterlein geregeld het Italiaans restaurant 'Cherino' bezoekt, nadat het vorige met het orkestje te luidruchtig was gebleken. In het vijfde hoofdstuk krijgen we een gedetailleerde beschrijving van de inboedel en de atmosfeer van de koffiewinkel, waar Daisne na zijn middagrestaurant pleegt te vertoeven en af en toe een stukje schrijft. En 's avonds op zijn kleine kamer maakt hij koffie en rookt sigaretten. Dat roken is o zo belangrijk voor hem. Het krijgt heel wat aandacht in De Trap, maar ook een speciale vermelding in brieven, bv. als hij van een Slavische vriend (Tsarev [?]) uit het Brusselse "een doos echte sigaretten (met mondstuk)" krijgt. Ersatz-tabak is aan hem niet besteed. "Het gaat zeer slecht met de tabak; ik rookte de eerste "nationale" sigaret - afschuwelijk."

De publicatie van De Trap van Steen en Wolken zal nog een hele tijd op zich laten wachten. Op 29 januari 1942 overhandigt Daisne, tijdens een etentje bij de Clossets, de laatste gecorrigeerde pagina van het typoscript. Hij heeft er dagelijks aangewerkt, tot 's middags, in het restaurant toe, terwijl hij als ontspanning tussendoor Thaïs van Anatole France las. Een voorstel van Alice Vrebos om De Trap te illustreren, wordt afgeketst omdat de kosten daarvoor te hoog oplopen. Het is nu wachten op de drukproeven, die nogal lang wegblijven "vanwege gebrek aan gas voor het lood der letters, maar Angèle stelt me gerust dat het kòmt. Ondertussen ligt Franz Closset te bed, waarschijnlijk met blindedarmontsteking."

Half februari krijgt hij het kaftontwerp onder ogen, dat hem bevalt en waarvan hij vindt dat het goed de betekenis van het boek symboliseert. Hij verneemt van Angèle dat ze een oplage van 1.000 exemplaren wil drukken, wat de prijs op 50 frank zou brengen. Over zijn honorarium "nog steeds nichts Neues im Westen."

De avonden van de maanden april en mei gaan volledig op aan de correctie van de drukproeven: "ik vind altijd weer nog te verbeteren en te verfijnen. Eigenlijk doe ik dat werkje heel gaarne - spijtig maar dat het zoveel tijd vergt en ik er zo weinig aan heb."

Daisne toont zich bij het schrijven zeer begaan met zijn taalgebruik. Hij bestudeert grondig de grammatika van Rijpma en de nummers van het tijdschrift Onze Taal. Met de hoofdredacteur van dat maandblad, A.J.Schneiders, start hij een drukke correspondentie, waarin hij over allerlei woorden en uitdrukkingen om raad vraagt. Hij stuurt hem zelfs het hele typoscript op, wat hem niet alleen taalkundige hulp oplevert, maar ook een bijzondere literaire appreciatie: "De compositie ervan en het 'parallellisme' van personen en personnages is ongemeen en meesterlik". Hij bestudeert ook heel nauwgezet "potlood in de hand" Nederlands van Nu van Prof. Kruisinga. Hij vindt Kruisinga, die trouwens een vriend is van Schneiders, "lang niet zo orthodox als Onze Taal" en vindt het heel interessant die twee eens te vergelijken.

Felicitaties over zijn taal krijgt hij ook van de Nederlandse corrector van Manteau. Hij "vond de taal van mijn "Trap" voortreffelijk; hier en daar had-ie toch een opmerking, waarop ik soms heb geantwoord, en ook dat antwoord vond-ie heel interessant. Zo werk ik gaarne samen; voor een ieder is er dan te leren", schrijft Daisne aan het thuisfront.

In De Trap beschrijft hij de weekends thuis: hoe hij met de trein derde klasse (p. 117-121) huiswaarts gaat, zijn intieme relatie met zijn broers Lothar en Kees, in het echt Leo en Michel, en vooral de zondag, "de dag die volledig aan hem was" (I, p. 142), want de zaterdagvoormiddag ging op aan de les. "Hij begon met wat langer te slapen, dát wilde hij de natuur ten minste gunnen; dan verscheen hij in kamerjapon aan de ontbijttafel, [...] at met Kees (Mams was alweer in de keuken terwijl Pipa terug over zijn brailleboeken zat en Lo naar de sportclub was) en luisterde naar kerkorgelmuziek op de radio. Zij greep hem altijd aan, zuiverde hem, deed als iets in hem zwellen. Onmiddellijk begaf hij zich dan naar zijn schrijfkamer, vouwde het schrift open en schroefde zijn vulpen los." (Trap I, p. 142) Dat laatste situeert zich meestal rond half elf en tijdens het schrijven rookt hij (cf. Trap I, p. 140)."Op den gongslag van twaalf kwam het gezin in het salon samen" voor een aperitiefje en een babbeltje, "door de radio speelden nog altijd de kerkorgels hun Zondagshymnen. Na het glaasje ging men weer uiteen, Evert kon nog even voor zijn schrijftafel zitten tot kwart voor één, waarna hij zich haastig ging scheren en in saccopak kleedde voor de lunch op den stipten gongslag van één uur.
En zoo ging de dag verder: na het eten kwam het altijd zoete uurtje van het soezende gemijmer op het divanbed; om drie uur de heete, sterke koffie als nieuw vertrekpunt en om vijf de thee met oast, desgelijks. Toch, wanneer hij om zeven uur in het boudoir ging om toilet voor het avondmaal te maken, was Evert nooit tevreden: de hoop die hij had op den zondag had samengetrokken was niet in vervulling gegaan, hij had niet gedaan wat hij had gewenscht en een slagveld van peuken treurden in den aschbak." (Trap I, p. 143-144).

Op maandag 5 oktober, negen maanden na het inleveren van het typoscript, krijgt Daisne van Angèle Manteau het goede nieuws te horen dat De Trap er bijna is.

De publicatie van De Trap van Steen en Wolken heeft dus nog lang op zich laten wachten. Nijgh en van Ditmar, de co-uitgever van De Trap had in juli voor de Nederlandse markt 1500 exemplaren besteld. Daardoor kon Angèle Daisnes honorarium optrekken tot 20.000 frank. Daisne verwachtte dat het boek nu snel zou verschijnen, maar toen dat toch niet gebeurde hoopte hij heimelijk met zijn roman ook nog eens de 10.000 frank binnen te rijven die aan de Leo J. Kryn-prijs verbonden waren en waarvoor de manuscripten voor 1 september ingestuurd moesten worden. Daarna ging hij ervan uit dat het boek in ieder geval zijn voor midden oktober gepubliceerd zou zijn, want anders was het niet op tijd voor de boekenbeurs. Maar voor de uitgevers was de boekenbeurs tijdens de oorlogsjaren van minder belang, omdat ze niet in behoorlijke lokalen kon doorgaan en de normale kanalen voor een goede verkoop zorgden.

Toen Daisne eind oktober contact opnam met Manteau vernam hij dat ze naar Nederland was met het eerste verschenen exemplaar van De Trap. Waarom wist men niet, maar Daisne vermoedde dat ze het boek voor Vestdijk meegenomen heeft. Hij kreeg de verzekering dat de rest die week zou volgen.

Wanneer hij Angèle ziet op 3 november, heeft ze echter slecht nieuws. Het boek is er nog steeds niet "en het ligt ook niet op de Boekenbeurs. De "Propaganda-abteilung" in België en Holl[and] heeft, speciaal, een "Prüfingsexemplar" van mijn "Trap" gevraagd. Dat doen ze anders nooit. Wat moet dat betekenen? Een streek vanwege een ijverzuchtige collega? Nu ze kunnen het boek gerust lezen - er staat niets verkeerds in en het is zeker niet "decadent" - er waait toch frisse prairie-lucht door en is zéker Germaans. Daar staat "Schwesterlein" toch voor borg."

Er is inderdaad geen probleem, maar het nieuwe uitstel ondermijnt toch blijkbaar een beetje zijn zwakke gezondheid. Veel later zal hij zich in een brief aan Angèle Manteau herinneren: "Drieëntwintig jaar geleden was ik ook ziek. Je bent toen naar Gent gekomen en hebt bij ons gelogeerd. Je had het eerste exemplaar van de Trap mee..."

Over de juiste datum van verschijnen blijven we nog in het ongewisse, maar op 11 november schrijft Daisne aan de Marthe Dugard, met wie hij nauw bevriend is: "Mon roman vient de sortir." Drie dagen later schrijft Marcel Coole dat de Trap hem diep heeft getroffen".

Fritz Francken reageert al voor hij het boek helemaal uit heeft: "Ik ontving uw trap en ben al in de wolken, al beklom ik tot dusver slechts de eerste treden. Het verkwikt eindelijk eens iets anders te lezen dan wat doorgaans op onze boekenmarkt komt. Met één ruk staat ge in de voorste gelederen van de schrijversbent. [...] Het proza dat ge brengt is zuiver van geut: er doorheen klinkt de stem van een mensch."

De Trap brengt ook Jan Schepens en Daisne terug bij mekaar. Na het débacle van Werk had Schepens meer dan drie jaar niets meer van zich laten horen, op een kort briefje in oktober 1940 na. Maar op 3 november vraagt hij Daisne naar een aantal publicaties omdat hij een boek moet voorbereiden over de Gentse dichters van 1918-1940. Hij wil blijkbaar terug vriendschapsbanden aanknopen en schrijft: "Het zou me genoegen doen moest ik u eens te Brugge of te Gent ontmoeten, om onze oude zaakjes ordelijk te likwideeren. Met elk wat water in zijn wijn te doen, zal dit wel gaan, meen ik. Maar daarvoor moeten we eens rustig kunnen praten. Daarover schrijven gaat niet zoo goed." Daisne stuurt een brief en een week later een exemplaar van De Trap. Met oudejaar krijgt Daisne Schepens' oordeel te lezen. Hij vindt het Daisnes beste, degelijkste, flinkste, zijn centrale werk. "Het "Amerikaanse" gedeelte vind ik minder dan de heerlijke Wilgenfamilie-roman. En wat de personages betreft, de figuur van Pipa, die het meest critisch wordt bekeken, heeft het sterkst tot mijn geest en gemoed gesproken." Eerder al had Schepens, na ontvangst van het boek, alles bijgelegd. "Ja, we moeten het verleden liquideeren. Feitelijk hebben we onze geschillen reeds geliquideerd. Dat het met mijn bloedrijk temperament niet gemakkelijk is gegaan, dit kan de vriend Coole getuigen. Hij is het die me reeds in '41 ervan overtuigde dat ik moest kunnen vergeten. Dit naar aanleiding van mijn Letterkundig Prentenboek, waarin heel wat Vl[aamse] Schrijvers als personages optreden en waarin ik je wat al te hardhandig had aangepakt. Later heb ik het zodanig gewijzigd, dat jouw "portret" er thans niet méér gechargeerd in voorkomt dan dat van anderen. En wanneer ik in Maart-April a.s. met de studie over jou zal aanvangen, zal ik ze met een volkomen nieuwen geest behandelen, juist omdat ik me van den last van vroeger heb verlost. Je zult er zo brillant uitkomen als Coole. Ik denk je eens te komen bezoeken 3e of 4e week van December. Ten ware dat het weder te bar zou zijn. Ik verwittig je nog.
We blijven, maar nu voor goed, zooals vroeger afgesproken, in de generatie van jonge Gentenaars de G[oethe] en Sch[iller]-vergelijking verder getrouw."

De eerste recensie van De Trap van Steen en Wolken verschijnt op sinterklaasdag in Volk en Staat. Zwarte Piet van dienst is Jeanne de Bruyn. Ze breekt het werk tot op de grond af. Bij Daisne wordt men 'heen en weer gerukt tusschen ergernis en kwade vermoedens', schrijft ze en ze vraagt zich af of Daisne misschien een surrogaat heeft willen leveren voor de schaars wordende 'pikante en gesuikerde Angelsaksische literatuur', maar kan dat moeilijk geloven. 'Heel de geschiedenis van de Sedgwick's doet denken aan den wenschdroom van een Angelsaksische oude vrijster, een zeer geëmancipeerde, die de romans van Rider Haggar (sic) gelezen heeft. Met die voortdurende letterkundige reminiscenties, met dien overvloed aan zijden hemden en luxe-sigaretten en radio's in de woestijn en fijne wijnen en avondkostuums op een slede, zou men het gaan beschouwen als een parodie op een bepaalden levenstrant en bepaalde swing-idealen.' Maar ook dat lijkt haar weinig waarschijnlijk. Daarom vermoedt de auteur dat Daisne gestalte heeft willen geven aan jongelingsdromen, en de conclusie wordt als volgt geformuleerd: 'DE TRAP VAN STEEN EN WOLKEN maakt ons begeerig naar een litteratuur die niet sportief maar sterk, niet lieflijk-amoureus maar oerdriftig, niet innig en stemmig maar diep zou zijn. Bij het bastaardtaaltje van Daisne gaat men zijn hart uit zijn lijf verlangen naar iets echts, iets levends, iets dat niet van papier zou wezen.

Zeker, deze auteur kan wat, zijn geestesverwanten in het Noorden kunnen nog meer. Maar WAARHEEN VOERDEN ZIJ HUN VOLK? Naar de volledige vervreemding, naar het nationale en menschelijke niets, naar den dood door verstikking in kunstmatigheid.'

Jeanne de Bruyn zou na de oorlog ijlings naar Argentinië verhuizen. Volk en Staat was voor de oorlog spreekbuis van het VNV en werd tijdens de bezetting gedrukt op de persen van de Volksgazet, die het zwijgen was opgelegd.

Daisne stuurt het knipsel onmiddellijk op naar Gent en lucht zijn hart: "Ik had het wel verwacht, dat de poppen aan 't dansen zouden gaan omheen dit boek - en men herhaalt altijd zichzelf dat men er nú immuun tegen is, maar - de steken dragen altijd, als je met zoveel liefde zolang over iets hebt gewerkt en wéét dat het goed is! Het artikel van Jeanne de Bruyn is zeker intelligent; die kan lezen en schrijven, die vrouw. Maar 't is toch een wijf, en ik signaleer het den broers want het is een fenomeen in zijn aard, dat hun medies niet onverschillig kan laten: een vrouwelike kloot, van vier dimensies! Waarom? Omdat ze me afspiegelt, schijnbaar literair, maar in de grond om een levensbeschouwing die ze niet heeft begrepen en niet kan begrijpen. Ze wil dit boek "rot" zien en haalt alleen aan wat haar boerinne-indruk een glimp van waarheid kan geven. Over de rest - de grote rest - geen woord. Mams, Pipa enz.: Angelsaksies ongezond? Ik lach me dood. En Evert is niet tuberculeus! Er steekt politieke chantage in dit artikel. Maar 7 kolommen van zo'n asfaltboek wijden - is dat op zichzelf geen lof? En dat ik ersatz moet zijn voor zekere literatuur? Nu, de "aristocraat" Couperus werd ook zo afgerost. Weldoen en niet ommezien. Alles heeft zijn tijd."

Vrienden en collega's zijn al even verontwaardigd. "Je boek is minstens twintig jaar vooruit op wat hier nog moet verwezenlijkt worden", schrijft André Minne. "Na de lectuur van 'Mijn Roman' heb ik pas je mooie, zuivere taal naar volle waarde kunnen schatten. Ook dàt is misschien tè Hollandsch voor menschen die gewoon zijn Westvlaamsch te lezen...
Proficiat voor het innige, stemmige (en met zooveel liefde geschreven) beeld van je huiskring. Je Mams en Pipa zijn heerlijke typen! Voor menschen als ik, die je ouders en de tweeling kennen, wordt het een buitengewoon genot deze bladzijden te lezen (en te herlezen). Alle vier zijn hèèl raak en psychologisch juist geteekend."

Het was de eerste in een reeks van twintig recensies die zouden verschijnen ter gelegenheid van die eerste druk. Dat op zich wijst op de diepgaande impact van het boek. Er waren nog een paar negatieve besprekingen, maar ook die verschenen in de collaborerende pers.

De uitgebreide bespreking van Guido Eeckels in Le Nouveau Journal was getiteld "Remarques sur un grand roman manqué". Toch was Daisne er niet zo ongelukkig over. "Voor de criticus van die kollaborerende krant moest er iets aan mijn roman haperen. Het was oorlog en ik stond in het andere kamp: hij verweet me dan ook «joodse» trekken en «Amerikaanse» tendenties! Maar het bleef dus toch «un grand roman», waarmee ik al heel gelukkig was."

Evenmin vleiend was "Het intellectuele Arrivisme in acuut stadium", het artikel van Herman Oosterwijk in Het Vlaamsche Land, een blad dat het standpunt van DeVlag verdedigde en dat tijdens de oorlog gedrukt werd op de persen van De Vlijt omdat De Gazet van Antwerpen niet wou meewerken met de bezetter, en dus verboden was. De conclusie luidde: 'Dit boek en heel de drukke bedrijvigheid van jonge-Johan Daisne heeft geen sikkepit met litteraire kunst te maken. Hij blijft met al zijn ingebeelde phantasie verre beneden het peil van een middelmatig feuilletonschrijver. Ja, ik geef u de verzekering dat Courths Mahler stukken beter is!' Hij vergelijkt ook met het detectiveverhaal Chinesche Handwassching van Anton Roothaert. 'Bij het lezen van zo'n pretentieloos boek [...] denkt men dikwijls: wat weet die man veel, en hoe juist zegt hij de dingen. En bij jonge-Daisne verzucht men op iedere bladzijde: wat bluft dat ventje misselijk en wat kletst hij gek.'

Daisne kreeg het knipsel op een avond toegestoken door Coole, als dessert na een maaltijd en hij stuurde het opnieuw naar thuis. "Nogal een beetje gepeperd, he, zo'n lik uit de pan? [...] Het ligt er, voor mijn gevoel, al te dik op (nog dikker als bij Julienne DeBruyne) dat het vooringenomenheid is, opdat ik het me aan zou trekken. Ik troost me met de wetenschap dat Couperus, Byron, Molière, Balzac even erg zijn uitgescholden geworden. Als iemand zich zó warm maakt - c'est qu'il y a de quoi. Oosterwijk stelt het taal- (beter: stijl)probleem trouwens verkeerd. Al die speciale woordjes en uitdrukkingen zijn inderdaad "kwajongenstaal" maar Gun Sedgwick is een kwajongen. Natuurlik is er nu niets zo erg en verfoeilijk als Hollywood. Nu, Men[eer] Oosterwijk krijgt dat alles wel eens weer op zijn muil, en zo'n artikel kan ook nog een hele aanbeveling zijn, en d'autres temps et lieux.".

Karel Horemans, die zelf recensent poëzie en theater van het collaborerende Volk en Staat is, relativeert de recensie: "Oosterwijk wordt gelukkig door weinigen gelezen en au sérieux genomen." Hij schrijft dat Daisne zich niet moet storen aan "de kleine miezerigheid van sommige recensenten" en dat ook in het "actieve" kamp heel wat elementen zitten die Daisne niet veroordelen, maar zijn werk hoog schatten. Eerder had hij Daisne ook al verzekerd dat niet iedereen het eens is met Jeanne de Bruyn. Net als Paul Lebeau en Johan Vercammen erkent hij dat de Trap zeker voor wat de conceptie aangaat een revelatie is. Hij heeft van allerlei brokstukken die fraai geschreven zijn genoten en hoorde van een TBC-lijder die "sterk geschokt" zou geweest zijn door de passage over Everts TBC. Sommige stukken vindt hij te verliteratuurd maar over 't algemeen trof hem "de scherpe intelligentie en menige hooge lyrische ... romanvlucht van Daisne." Hij legt verbanden met Gide en Huxley.

Paul Hardy noemt Daisne in Volk & Kultuur (27.2.1943) een '20-eeuwschen intellectueelen "flat"-bewoner, die zich van eenige verbondenheid met zijn volk niet meer bewust schijnt en er in het diepst van zijn wezen slechts een soort geestelijke minachting voor over heeft.'

Toch is het merendeel van de twintig recensies die naar aanleiding van de eerste druk verschijnt eerder aan de positieve kant. Verschillende recensenten refereren aan Vermeylens oude roep om "more brains" in de letteren.

Vermeylen zelf is ook in de wolken en denkt aan hetzelfde wanneer hij aan Daisne schrijft: "...ik kan u niet zeggen met welke vreugd ik uw monumentaal boek gelezen heb. Dit is nu eens een Werk, een gróót! Waar is de tijd, dat ik voor onze letteren wat meer "brains" wenschte?
Ik ben nu zoo, dat ik voor mezelf van wat meer concentratie houd, maar het is dan juist zoo merkwaardig, dat hier de details me voortdurend genot hebben gegeven, - want dat zeer eigenaardig samenspel van scherpe waarneming en genuanceerd in-zicht, strikte werkelijkheid en avontuurlijke fantasie, het lééft, - het lééft op iedere bladzij, en ik ken geen deugdelijker deugd.
Toch moet ik u bekennen, dat ik bij de filmachtige wonderwereld in de tweede helft, die fantasmagorie die ik met den besten wil niet geheel au sérieux kan nemen, mijn critische wenkbrauwen nu en dan bedenkelijk optrok. Er is daar iets dat me - permitteer! - een essentieele fout lijkt: namelijk, dat er geen voldoend verband tusschen de realiteit en de verbeelding is: leven en droom blijven náást elkaar staan, zonder innig contact, zonder dat het een in het ander opgaat. Zoo is toch mijn indruk... Kwestie, of ik me in uw bedoelingen niet vergis? Dat belet trouwens niet, dat ik alles bijeengenomen het geheel zéér bewonder."

Voor André Demedts betekent De Trap een keerpunt. Hij vindt de Vlaamse letterkunde te zeer door Scandinaafse en Russische voorbeelden beïnvloed en merkt dat Daisne het roer naar het Westen heeft gekeerd. 'Zijn roman heeft ons bijna voortdurend aan sommige moderne Engelsche en Amerikaanse boeken doen denken, waarin de mensch op een heel andere manier, dan bij ons gebruikelijk is, gadegeslagen en uitgebeeld wordt, hem beschouwende van uit het standpunt van den intellektueel van dezen tijd, die trots zijn cynisme, keerzijde van een jongensachtige overgevoeligheid, op zoek is naar een nieuwe levenssynthese.'

Demedts was goed bevriend met Daisne, die een grote bewondering had voor diens werk. Ze hielden ook geregeld contact met elkaar. Vermoedelijk stuurde Demedts zijn eerste bedenkingen bij De trap aan Daisne, want die verantwoordt zich: "ik heb niet willen raden "het leven als avontuur" op te vatten, noch heb ik christelik goed en kwaad willen uitschakelen. De erfzonde erken ik en dat we moeten meewerken voor onze verlossing staat voor mij vast. De levenshouding die U - terecht - wraakt, is die van mijn held in het eerste gedeelte v.h. boek. In het 2de gedeelte heb ik dan precies, punt voor punt, het verkeerde van dergelijke houding willen doen uitkomen: Evert komt van zijn avontuur - echt of gedroomd - terug; hij leert dat hij gezondigd heeft met en tegen Schwesterlein en zijn terugkeer naar de wereld (met de idee Ra) is zijn boetedoening."

Een andere vriend uit katholieke hoek, Jozef Muls, noemt De Trap "een gebeurtenis van belang in de geschiedenis van de Vlaamsche Letterkunde. Het is zoo splinternieuw, zoo frisch, zoo jong, zoo rijk aan verbeelding, zoo wijs aan levenservaring. Een soortgelijk geluid hadden wij in Vlaanderen nog niet vernomen. / Ik vind den opzet van uw werk zoo prettig. Het leest zoo gemakkelijk. Het is aldoor zoo boeiend. Die voortdurende afwisseling van de Far West stemming met wat ik zou willen noemen de Gentsche atmosfeer en het geestelijk door elkaar verwerken van verbeelding en werkelijkheid, dat alles houdt den lezer voortdurend in spanning en verstrikt hem tevens in een mysterie waarin hij elkaar meent te zien en dat hem toch niet ten volle wordt ontsluierd. [...] Maar ik moet u zeggen dat hoe spannend ook het avontuur in het Indiaansch paleis moge wezen, de nochtans rijke schoonheid ervan niet opweegt tegen de stille sfeer van het Vlaamsch familieleven dat in uw boek geschetst wordt. / Ik zie in U den auteur die ons voor goed uit de boerennovelle, uit het kleinsteedsche en antikwarische onzer literatuur verlost, die ons den psychologische roman van een fijnere klasse kan geven in al hare gave schoonheid, vrij van de abnormaliteiten van een Mauriac of een Walschap.
Gij hebt U een beschaafde taal gesmeed waarmee zelfs onnoembare dingen worden gezegd met fatsoen. Dat veronderstelt een hoogen graad van wellevendheid en voornaamheid."

De recensie waar ze de familie Thiery het meest enthousiast over is, is een Franstalige, van de hand van R.F. Lissens in Cassandre van 18 april 1943, omdat ze de meest literaire is.

In augustus 1943 is De Trap van Steen en Wolken uitverkocht, althans toch het gedeelte dat door Manteau verdeeld wordt. "Met de 'Trap' zit het zo: ik verneem dat Nijgh de boeken wat 'in petto' heeft gehouden om er op een commerciëel ogenblik mee voor de dag te komen (nu 't najaar, vermoed ik). Intussen is hier alles uitverkocht en moet ik een herdruk persklaar maken. Ik denk dat die 2de druk circa 15 Oct. zal uitkomen - ik zal u dan dadelik een ex. sturen. Wellicht zal 't u intresseren dat ik die 2de druk in de vereenvoudigde stel (de vereenvoudigde die u mij weet te schrijven: zeer integraal, geloof ik). Mocht u Holl. vrienden hebben die zich voor De Trap intresseren, dan zou ik willen vragen dat u ze aanzet bij Nijgh aan te dringen - ik vind het helemaal niet leuk dat mijn boek daar zo lang wordt ingehouden; die 'commerciële' overwegingen zijn niet mijn zaak!"

Voor dit persklaar maken neemt Daisne een exemplaar van de eerste druk en brengt daarin verbeteringen en aanvullingen aan in zwarte en groene inkt. Hij zet de tekst ook om in zijn geliefkoosde vereenvoudigde spelling. François Closset leest het eindresultaat na en stelt nog een aantal wijzigingen voor. Het merendeel daarvan brengt Daisne aan, maar bij een aantal wijzigingen heeft hij zijn bedenkingen en die voert hij niet door.

Het contract voor de herdruk wordt Daisne toegestuurd op 15 oktober, samen met dat van Zes Domino's voor Vrouwen, waarvan hij de proeven in september al verbeterd heeft. Van dat laatste boek kan de "grootheid van de oplage [...] voorlopig niet vastgesteld worden, daar deze afhangt van de aanbieding aan den boekhandel en van de toelating tot uitvoer naar Nederland. De verkoopprijs kan evenmin nog niet betaald worden, daar deze van de oplage afhankelijk is." Het contract voorziet verder in 100 recensie-exemplaren; vijf gebonden en tien ingenaaide auteursexemplaren, en een honorarium van 15 %.