Kleine baten, grote zorgen

Een decennium brieven van Angèle Manteau aan Herwig Hensen (1939-1949)

Op 20 maart 1939 schrijft Manteau aan de 'zeer geachte Heer' Hensen: 'Met genoegen hebben wij zoo juist van den heer Reimond [sic] Herreman vernomen dat U bereid is ons de uitgave van Uw laatste verzenbundel toe te vertrouwen.' [1] Die zogenaamd laatste bundel is de vierde van de auteur en de eerste die hij bij de Brusselse uitgeverij zou publiceren. In 1935 debuteerde hij met Verzen, dat net als de opvolger, De vroege schaduw (1936), in 'een beperkte oplage van honderd exemplaren' verscheen. [2] Hensen beschouwde die werken blijkbaar niet als voldragen, aangezien hij ze nooit in zijn officiële verzamelde werken zou opnemen. Zijn derde bundel, De cirkel tot Narkissos (1938), verscheen bij Buschmann en was nog lang niet uitverkocht op het moment dat Herreman Hensen binnenbracht bij Manteau. Wel werd het boek bekroond met de Pol de Mont-Prijs.

Wat bezielde Angèle Manteau om een dichter uit te geven die niet echt bekend was, op kwalitatief gebied nog geen grootste dingen had gepresteerd en op financieel vlak geen grote inkomsten voor de uitgeverij in het vooruitzicht stelde? Misschien ging ze blindelings voort op Herreman, die de manuscripten van Hensen kritisch doornam en die zelfs over de lay-out een woordje mee mocht spreken. [3] Zeker in het begin van de samenwerking tussen Manteau en Hensen was het Herreman die de manuscripten van de dichter voorstelde aan de uitgeefster. [4] Voor de dichter zelf zal Herreman steeds een referentie blijven. Hij draagt werk aan hem op, [5] en wanneer hij in 1946 zijn essay over de dichtkunst aanbiedt, schrijft hij: 'Gister zond ik een kopij aan Herreman. Ik wacht nu zijn oordeel af.'[6]

Maar er zullen nog wel andere overwegingen meegespeeld hebben bij de beslissing om Hensen uit te geven. Misschien leek de Pol de Mont-Prijs een garantie dat het hier om een beloftevolle investering zou gaan. Jong talent voor een jonge uitgeverij, die met Hensens nieuwe bundel slechts aan haar negende publicatie toe was. [7] Zoals ik nog zal laten zien, heeft Manteau inderdaad aanzienlijk veel tijd, geld en energie geïnvesteerd in haar jonge belofte. Ze zal zich in de komende jaren heel wat inspanningen getroosten om Hensens boeken op een behoorlijke manier uitgegeven te krijgen, terwijl ze wel kon vermoeden dat ze er niet echt rijk van zou worden.

Dat stelt uiteraard de vraag naar de soort van return on investment die Angèle verwachtte. Misschien had ze met Hensen niet zozeer een vergroting van het economische kapitaal op het oog, als wel van het symbolische kapitaal: de faam, het prestige, de reputatie. Dat zou dan kloppen met het imago dat de directeur voor haar uitgeversmaatschappij wou scheppen: 'Angèle Manteau's adagium als uitgever is altijd geweest dat ze "literaire kwaliteit" op de markt wilde brengen.' [8] Met de publicatie van Hensen balanceerde Manteau regelmatig op de grenzen tussen literaire kwaliteit en financiële haalbaarheid, tussen symbolisch rendement en economisch verlies. Soms leek het ene het andere te compenseren, soms leek de investering te groot en de opbrengst - van welke aard dan ook - te klein.

Die evenwichtsoefening wil ik hier kort in kaart brengen. Ik bespreek eerst de financiële aspecten, dan de moeite die Manteau zich getroostte voor het werk van Hensen. Een groot probleem in de oorlogsjaren was uiteraard de kwaliteit en beschikbaarheid van het papier, wat ik in een derde hoofdstukje zal behandelen. Daarna kijk ik naar de inspanningen die zowel Hensen als Manteau leverden om het werk van de dichter ook buiten Vlaanderen enige bekendheid te geven. En tot slot bekijk ik de ideologie en de poëtica die uit Manteaus brieven spreken. Vooral op dat laatste vlak is de oogst erg schraal: het adagium over literaire kwaliteit wordt in deze brieven zogoed als nergens toegelicht. Ongetwijfeld is dat een van de meest opvallende (en voor mij meest ontgoochelende) aspecten bij de lectuur van dit pak brieven: voor een literaire uitgeefster schrijft Angèle Manteau erg weinig - eigenlijk zogoed als nooit - over literatuur.

Van dichters comt mi cleine bate

De bundel waarmee Hensen in 1939 bij Manteau debuteert, heet Hamlet in den spiegel. Hoewel het in die tijd al niet meer makkelijk was om boeken te publiceren, wordt dit werk erg snel afgeleverd. Het contract wordt getekend in maart, en in juni 1939 verzendt Manteau de tien contractueel vastgelegde auteursexemplaren aan Hensen. [9] De schrijver had Buschmann als drukker had voorgesteld, maar uiteindelijk wordt de bundel in Tongeren gedrukt - meer bepaald bij G. Michiels-Broeders [10] - omdat de uitgeefster Buschmann 'tamelijk duur' vond. [11] De oplage bedraagt 250 exemplaren, die aangeboden worden 'tegen den verkoopprijs van fr 25,-'. [12] Als honorarium ontvangt Hensen 10 procent van die verkoopprijs. Een afrekening van juli 1941 vermeldt dat er op dat moment negen exemplaren van de bundel verkocht zijn, 'zoodat wij U verschuldigd zijn: 22, 50 fr.' [13]

Blijkbaar waren die negen exemplaren op het eind van 1939 nog niet verkocht. Hensen heeft dan al een nieuwe bundel klaar, die Manteau zonder morren accepteert.[14] Maar even later meldt ze hem dat ze de oplage van dit nieuwe werk, De dubbele vaardigheid, reduceert van 250 tot 200, 'omdat ons bij de stokopname begin Januari gebleken is, dat wij nogal wat exemplaren van Uw eersten bundel hebben overgehouden'. [15] Er zijn blijkbaar grenzen aan de economische offervaardigheid van een uitgever. Iets soortgelijks gebeurt een paar jaar later. Van het toneelstuk Antonio (1942) laat Manteau 500 exemplaren drukken,[16] maar dat blijkt weer wat optimistisch, zodat ze voor de volgende toneeltekst, Don Juan (1943), het aantal reduceert tot 300 - 'want uit ons ervaren is gebleken dat de oplaag van Antonio te hoog was'.17 Bij de Gentse opvoering van Antonio verkoopt Manteau 'hoogstens een vijftiental exemplaren' van het werk. [18] In de sinjorenstad gaat het beter: 'De opvoering van "Antonio" in Antwerpen heeft wel den verkoop van het boek bevorderd. Het wordt nog steeds regelmatig nabesteld.' [19]

Ongetwijfeld speelt het literaire genre een grote rol in de kleine verkoop. Hensen publiceert bij Manteau dichtbundels, toneelstukken en, in 1947, het essay Over de dichtkunst. Dergelijke tekstsoorten worden zelden of nooit commerciële successen, in tegenstelling tot de roman, die voor de literaire markt een veel commerciëlere keuze is. Misschien speelde, naast het genre, ook de verkoopprijs mee. Die was niet echt laag, al laat Manteau nooit iets vallen dat in die richting zou wijzen. Voor Antonio rekende ze 50 frank voor de ingenaaide versie, '65 of 70 fr' voor de 'gebonden exemplaren'.[20] Ook Don Juan kostte 50 frank.21 Dat zou nu, in 2002, ongeveer 50 euro zijn. [22] Hoeveel lezers van vandaag zouden zoveel geld uitgeven aan een niet al te volumineuze toneeltekst?

Wie de verkoop van Hensens werk via de brieven en afrekeningen van Manteau bekijkt, merkt dat de auteur weliswaar nauwelijks literaire inkomsten heeft in de eerste helft van de jaren veertig, maar dat die situatie verbetert rond 1945. Zo bedraagt het honorarium dat Hensen 'gedurende het kalenderjaar 1941' mocht ontvangen 115 frank. [23] 'Gedurende het tweede halfjaar 1942' ontvangt Hensen 525 frank, [24] terwijl het voor de tweede helft van 1945 oploopt tot het dubbele en voor de eerste helft van 1946 zelfs tot het driedubbele. [25] Rond het midden van de jaren veertig vinden zowel Manteau als Hensen dat de inkomsten eigenlijk niet zo veel te wensen overlaten. 'De verkoop valt nog goed mee, vindt U ook niet?' schrijft de uitgever op 12 juli 1944, en de schrijver meldt op 28 juni 1946: 'De verkoop, hoe gering ook in Uw ogen, verbaast mij telkens opnieuw. Want ik reken mij vast en zeker tot de minst-gelezen, en nog minder-gekochte auteurs.'

Maar dan kantelt de fortuin opnieuw. Het gaat financieel blijkbaar erg slecht met de uitgeverij aan het eind van 1946 en het begin van 1947. Dat noopt Manteau tot enkele drastische voorstellen. Eerst vraagt ze Hensen af te zien van elk honorarium voor zijn toneelstuk Lady Godiva. Dat stuk verschijnt samen met Koningin Christina en Polukrates in november 1946. [26] Aangezien het om delicate zaken gaat, worden ze mondeling, buiten de correspondentie geregeld. Op 28 december 1946 schrijft Manteau Hensen een kort briefje: 'In verband met de zeer hoge kostprijs van Uw werk: Lady Godiva...., zou het ons aangenaam zijn mocht u gelegenheid hebben in de loop van de volgende week op ons kantoor te komen om de kwestie van de auteursrechten voor deze uitgave nader te bespreken.'

Hensen reageert toegeeflijk: 'Ik weet inderdaad hoe hoog de kosten kunnen oplopen, en vergeet niet hoe bereidwillig U zich telkens inspant voor alle werken die ik U aanbied.' [27] Het mondelinge onderhoud heeft dan ook het gewenste resultaat, want in een brief van 7 januari 1947 bevestigt Manteau dat Hensen afziet 'van alle auteursrechten voorzien in ons contract, op de huidige eerste oplage van voornoemde uitgave'. Ironisch genoeg is het net voor deze publicatie dat Hensen in 1949 de Driejaarlijkse Staatsprijs Toneel mag ontvangen. Eind 1949 feliciteert de uitgever haar auteur: 'Zojuist verneem ik het verheugende nieuws dat U de Staatsprijs voor Toneel is toegewezen voor uw stuk "lady Godiva" en ik haast mij U hiermede, ook namens mijn man, van harte geluk te wensen.' [28]

Dat is niet de enige financiële toegeving die Hensen in de tweede helft van de jaren veertig moet doen. Er is ook de publicatie van de tweedelige verzamelbundel Gedichten, die geldelijk gezien uitloopt op een regelrecht debacle. Die bundel kent een lange en moeizame ontstaansgeschiedenis. Nog tijdens de oorlog, in februari 1944, stelt Hensen voor om alle bundels die hij tot dan toe heeft gepubliceerd in één boek uit te geven. Aangezien hij de eerste twee bundels niet meerekent, komt hij tot zes: De cirkel tot Narkissos, Hamlet in den spiegel, De dubbele vaardigheid, Oefeningen naar binnen (1940), Het voorbeeldige bestand (1941) en Het onvoorwaardelijke begin (1942). Manteau houdt de boot af en zegt dat er geen papier is voor zo'n grote uitgave. [29]

Na de bevrijding wil Manteau het boek wel publiceren, maar op 4 september 1946 schrijft ze: 'De kostprijs van Uw "gedichten" wordt door zijn grotere omvang zo hoog dat wij wel verplicht zijn U voor te stellen Uw honorarium te bepalen op 10 % van de ingenaaide verkoopprijs.' Voor de bundels Het onvoorwaardelijke begin en Lof der gereedheid (1945) was de gewone 10 procent opgetrokken naar 15; nu werd die dus weer naar beneden gehaald. Maar het werk aan de verzamelde gedichten vordert trager dan voorzien, onder meer doordat de Nederlander Van Krimpen, die verantwoordelijk is voor het omslagontwerp, traag en niet foutloos werkt. [30] Bovendien dijt het boek uit tot twee delen, wat de kosten verveelvoudigt.

In 1947 verschijnen de twee volumes, het eerste (Gedichten. Eerste deel) in mei, het tweede (Gedichten. Tweede deel) in augustus. In maart had Manteau Hensen al om een financiële toegeving gevraagd: 'In verband met de hoge kosten die de uitgave van de Gedichten met zich meebrengt en het grote risico dat hieraan onder de huidige omstandigheden verbonden is, wil ik U voorstellen de eerste 750 exx van deze oplage vrij van auteursrechten te verkopen, terwijl van de laatste 250 exemplaren de netto-opbrengst, gerekend van de ingenaaide prijs, voor de helft aan U zou toekomen en voor de helft aan ons.' [31]

Ook nu weer stemt Hensen toe. Blijkens de reactie van Manteau hierop, heeft hij slechts twee vragen. De tweede gaat over de motivering van de berekening: waarom wordt de netto-opbrengst berekend op de ingenaaide prijs? Interessanter is de eerste, want die heeft rechtstreeks te maken heeft met de argumenten voor Manteaus besparingen. 'Ten gevolge van de buitengewoon moeilijke omstandigheden waarin het boekbedrijf op het ogenblik verkeert zijn wij helaas genoodzaakt geweest aan enige auteurs, wier uitgaven zeer hoge aanmaakkosten met zich mede brengen die door de geringe verkoop geenszins worden gedekt, voorstellen te doen om ons in de verliesposten enigszins tegemoet te komen. (...) Wij hopen van harte dat de malaise niet te lang zal aanhouden.' [32] Er zijn dus minstens drie oorzaken voor de financiële problemen: de malaise in het boekbedrijf; de hoge aanmaakkosten en de geringe verkoop.

'Gering' is nog een voorzichtige kwalificatie voor de verkoop van de twee delen. In een brief van 27 april 1948 maakt Manteau de balans op: 'Ik ben tot de conclusie gekomen dat er op eind December 1947 in België resp. 31 deel I en 32 deel II verkocht waren. (...) In Holland waren er 15 exemplaren verkocht (...). Later heeft het Ministerie 65 ing. exemplaren van elk deel gekocht.' [33] Op het eind van 1949 zijn er nog steeds meer dan 800 exemplaren over van elk deel. [34] Op een oplage van 1000 is dat niet echt bemoedigend.

Geen wonder dat Manteau in april 1948 voor de eerste keer negatief reageert op een manuscript van Hensen. Die biedt nieuwe gedichten aan, en hoewel zijn uitgever zegt dat ze alles geprobeerd heeft om die toch in haar fonds op te nemen, kan ze niet blind zijn voor het fiasco van de verzamelde gedichten: 'Totaal-opbrengst van elk deel bedraagt dus nu 11.3000 frs., terwijl de kostprijs zonder honoraar en zonder bandberekening voor elk deel 45.000 frs. bedraagt. (...) Elk deel vertegenwoordigt dus voor ons een zeer groot verlies, zodat ik het met de beste wil van de wereld niet kan verantwoorden dat verlies door de uitgave van een nieuwe bundel nog te gaan verhogen.' [35] Toch verschijnt deze bundel, getiteld Daidalos, als een uitgave van Manteau. Hensen laat 400 exemplaren bij Exelsior drukken, [36] en Manteau koopt die, 'naarmate de verkoop vordert', van hem: 'De verkoopprijs van 60 fr. lijkt mij goed en ik stel U voor ons de exemplaren met 50 % korting te leveren.' [37] Op 1 september 1948 meldt Manteau goede ontvangst van de bundel, die er volgens haar 'inderdaad keurig' uitziet.

Zo blijft Manteau haar best doen voor een auteur die haar financieel niets oplevert. Dat had ze blijkbaar al vroeg beslist. In een brief van 9 februari 1943 schrijft ze: 'U moet zich trouwens geen zorgen maken over den verkoop. Wij zijn altijd blij Uw boeken uit te geven en verwachten er geen winst van.' Maar deze nobele gedachte wordt meteen gerelativeerd: 'Wij zijn er van overtuigd dat wij binnen een 15-tal jaren aan Uw boeken nog "schandalig" veel zullen verdienen, en het is dus niet uit philantropie dat wij ze uitgegeven hebben.' Dus toch gewoon zakelijk instinct? Of is die voorgespiegelde 'schandalige' winst slechts een bemoedigend schouderklopje voor een auteur die niet verkoopt? En gaat het niet om geldzaken maar om prestige?

Dat prestige bouwt Hensen in de jaren veertig op. Hij is zowat de meest gelauwerde Manteau-auteur in die tijd. Naast de al vermelde Pol de Mont-Prijs en Driejaarlijkse Staatsprijs Toneel, ontvangt hij de Driejaarlijkse Staatsprijs Poëzie. Manteau feliciteert hem daarmee in een brief van 8 juni 1942. Voorts krijgt Hensen in 1944 de Sabam-prijs voor toneel, [38] waarvan echter geen spoor te bekennen valt in de brieven die Manteau aan hem schrijft. Een dergelijke reeks prijzen levert misschien weinig direct financieel nut op voor een uitgeverij, maar als symbolisch kapitaal telt ze wel mee. Nochtans moet het gezegd worden dat Manteau nooit dergelijke symbolische rekensommetjes maakt in haar correspondentie met Hensen. Ze klaagt niet - of zelden - over de financiële tegenvallers en pocht evenmin over het prestige van een uitgeverij die een zo vaak bekroonde schrijver onderdak biedt. Ze doet gewoon haar werk, zo lijkt het wel.

Loon naar werken

Herwig Hensen vond dat het literaire werk moest spreken zonder de hulp van de auteur. Hij wou geen publiciteit, hield zich ver van literaire clubjes en werd al bijna wanhopig als zijn uitgever hem om een foto vroeg voor een reclamefoldertje: 'Kan ik daar werkelijk niet aan ontsnappen? En waarvoor moet dergelijke foto dienen? Ik herinner mij nu een rondschrijven waarin U vraagt naar een "Goede, recente foto voor recensenten, enz." Ik heb steeds gedacht dat ik hierop niet hoefde te antwoorden omdat U reeds lang van mij wist, dat ik niet wens toe te geven op dit punt. Ik vind het een onuitstaanbare methode, artikels enz. "opgeluisterd" te zien met de facie van den betrokkene. Ik heb tot nog toe dan ook halsstarrig (zoals dit met mijn onmogelijk karakter overeenkomt) geweigerd aan dergelijk verzoek te voldoen.' [39]

Met zo'n auteur had Manteau er wellicht mee kunnen volstaan de boeken op de markt te brengen en voor de rest af te zien van enige promotionele inspanning. Maar zo werkt ze blijkbaar niet. Ze probeert voortdurend een middenweg te vinden tussen enerzijds het financiële belang van haar uitgeverij, die wel gebaat is bij promotie, en anderzijds de afkeer die Hensen van dergelijke activiteiten heeft. Veel speling heeft ze hier niet, zoals al gauw blijkt wanneer ze in haar tijdschrift Werk reclame laat opnemen voor de eerste bundel die Hensen bij haar publiceert. Hensen reageert scherp en Manteau haast zich hem gelijk te geven: 'Uw schrijven dd 3 dezer heeft ons wel ietwat verwonderd en toch kunnen wij het niet nalaten Uw houding ten zeerste te waardeeren. Het zal wel, sedert dat wij in het boekbedrijf zijn, de eerste keer zijn, dat een auteur ons verwijt te veel publiciteit voor hem te doen. Wij krijgen veel meer brieven waarin ons verweten wordt dat wij niet voldoende publiciteit maken. Toch vinden wij dat Uw houding de juiste is, en wij bekennen dan ook volstrekt dat wij verkeerd hebben gehandeld. Toch was het wel verleidelijk om in dit poëzie-nummer van WERK een advertentie te plaatsen voor Uw nieuwen verzenbundel, echter had ze wel wat eenvoudiger kunnen opgesteld worden.' [40]

De verleiding van de reclame is nooit ver weg. Het grootst is ze bij speciale evenementen, zoals een prijsuitreiking of een toneelopvoering. Dergelijke gelegenheden neemt Manteau dan ook graag te baat voor bijkomende publicitaire inspanningen. Zo komt ze in actie na de Staatsprijs Poëzie: 'Wij hebben onmiddellijk naar alle boekhandelaren een circulaire gestuurd en wachten nu op een antwoord. Wij hebben aangedrongen opdat ze Uw werk in hun etalages zouden plaatsen.' [41] Na de Staatsprijs Toneel stelt ze een persbericht op voor Vlaanderen en Nederland, en stuurt ze een circulaire naar de boekhandels. [42] Als Antonio in Gent wordt uitgevoerd, stuurt ze exemplaren naar 'alle Gentsche boekhandelaren'; [43] voor de première van Lady Godiva in de Vlaamse Schouwburg richt ze een Hensen-tentoonstelling in. [44] Ze neemt een van zijn gedichten op in een luxe-editie die als nieuwjaargeschenk dienst moet doen. [45] Ze stuurt zijn werk naar invloedrijke figuren als Garmt Stuiveling, [46] en raadt hem aan hetzelfde te doen. Zo suggereert ze Hubert Lampo en 'den heer Firmin Van Hecke' die voor 'de Staat een aantal exemplaren' van Hensens werk zou kunnen aankopen. [47] Dat komt allemaal bovenop de gewone inspanningen, zoals het versturen van recensie-exemplaren en het adverteren van nieuw werk van Hensen.

Die dringt zelf uiterst zelden aan op bijkomende inspanningen. Als het toch gebeurt, is dat meestal niet voor zijn reguliere werk, maar voor vertalingen of toneelopvoeringen in het buitenland. Zo vraagt hij herhaaldelijk of Manteau niet meer kan doen om in Parijs de Franse versie van Alkestis opgevoerd te krijgen. [48] Ook voor het boek van zijn vader vraagt hij om extra inspanningen. [49] En voor de uitvoer naar Nederland wil hij ook wel eens aandringen. [50] Voor het overige laat hij zich niet in met de publicitaire activiteiten die bij de uitgeverswereld horen.

Een terugkerend steekspelletje is de wervende flaptekst. Manteau vraagt Hensen herhaaldelijk om citaten uit lovende recensies, maar die weigert telkens opnieuw. In het beste geval stuurt hij recensiefragmenten voor het prospectus. [51] Inhoudelijke toelichtingen wil hij wel als flaptekst leveren. [52] Hij is niet geneigd zijn gedichten op te laten nemen in bloemlezingen zoals Vlaamsche Poëzie van André Demedts. Manteau stuurt hem dan een brief van Jos Philippen, directeur van Demedts' uitgeverij, waarin Philippen vraagt of zij haar auteur niet onder druk kan zetten. Zij voegt een briefje toe voor Hensen waarin ze schrijft: 'Ik wil U echter helemaal vrij laten in de houding die U wenscht aan te nemen in deze aangelegenheid.' [53]

Het dient gezegd dat Manteau ook in andere aangelegenheden Hensen alle vrijheid laat. Dat geldt bijvoorbeeld voor de lay-out. [54] De typografische en vormelijke wijzigingen die Hensen vraagt - hierop is hij redelijk strikt [55] - willigt ze meestal in.56 Ze eerbiedigt zijn wensen in verband met recensie-exemplaren: hij bepaalt meestal aan welke recensenten zijn nieuwe boeken verstuurd worden, [57] al doet Manteau hier uiteraard ook zelf suggesties. [58] Wanneer Hensen een andere uitgever zoekt voor zijn Daidalos, laat Manteau hem vrij. Eerder al, bij het uitbreken van de oorlog, liet Hensen zijn bundel Oefeningen naar binnen bij zijn vroegere uitgever Buschmann verschijnen, omdat Manteau van juni tot augustus 1940 niet bereikbaar was. Bij haar terugkomst bestelde Manteau een aantal exemplaren. [59] Nog daarvoor had Hensen een korte bloemlezing uit zijn gedichten laten drukken bij een stedelijke drukkersschool. Het ging slechts om 40 [veertig] exemplaren en Manteau had geen bezwaar, zolang die exemplaren maar niet in de handel werden gebracht. [60] Van dreigende taal over trouw of ontrouw aan een uitgever, valt in de correspondentie van deze periode niets te merken.

Als Hensen andere drukkers voorstelt, wijst Manteau die niet meteen af; wel rekent ze hem de kosten voor en beoordeelt ze of de offertes redelijk zijn. Dat laatste gebeurt onder meer bij de publicatie van Mens en maatschappij, een boek van Hensens overleden vader, dat eind 1946 verschijnt. Hensen laat het, op aanraden van Manteau, bij de Antwerpse firma Pressa drukken. [61] Hoewel Angèle eerst moeite doet om de financiële verwerking van de verkoop aan Hensen en aan diens moeder over te laten, [62] neemt ze later toch een deel van het werk op zich en laat ze het boek zelfs in Nederland verspreiden. [63] Ze had hem trouwens al eerder met de drukproeven van dit boek geholpen. [64] Volstrekt onbaatzuchtig is dat uiteraard niet: ze betaalt 100 frank van de 175 die het boek in de winkel kost en rekent Hensen voor (de schrijver heeft dit keer toch wat bedenkingen) dat dat erg schappelijk is. [65]

Manteaus financiële adviezen beperken zich niet tot de kosten van drukkers. Ze rekent Hensen ook voor wat hij als honorarium moet vragen wanneer hij gedichten in een bloemlezing laat opnemen: 'Als ik in Uw plaats was zou ik gewoonweg een honorarium van 15 à 20 fr. per bladzijde vragen. Dit zijn meestal de voorwaarden die in Nederland gelden.' [66] Ze helpt hem bij het bepalen van een honorarium voor vertalingen, [67] en regelt de uitvoervergunning voor een Duitse vertaling van gedichten die in 1949 bij de Zwitserse uitgeverij Speer verschijnt.[68]

Om kort te gaan: Manteau doet aardig wat moeite voor Hensen. Komt de auteur met een nieuw manuscript aandragen, dan verklaart de uitgever zich meestal meteen bereid het te publiceren. [69] De enige uitzondering hierop is de reeds eerder besproken bundel Daidalos, die Manteau een te groot risico vindt na het financiële debacle van de verzamelde gedichten. Ze overdrijft dus nauwelijks wanneer ze schrijft: 'Aan de uitgaven van Uw werk besteed ik steeds gaarne mijn beste zorgen.'[70] Veel klachten van Hensens kant zijn er blijkbaar niet. Uitzonderlijk signaleert hij dat zijn poëtisch werk niet verkrijgbaar zou zijn in Gentse boekhandels, maar Manteau antwoordt [in die gevallen] dat zijn bron wel wat overdreven zal hebben. [71] Voor het overige drukt Hensen herhaaldelijk zijn erkentelijkheid uit: 'Ik besef inderdaad dat u mij steeds helpt naar beste vermogens.' [72] Naar aanleiding van de publicatie van zijn essay Over de dichtkunst schrijft hij: 'Ten slotte dank ik U zeer hartelijk voor de goede zorgen die U, zoals overigens altijd, aan die uitgave besteed hebt.' [73] Grote conflicten in de relatie tussen schrijver en auteur vallen hier niet te ontdekken, tenminste niet in de jaren veertig. De globale indruk is er een van een vrij grote evenwichtigheid en tevredenheid.

Papier hier

Tijdens de oorlogsjaren publiceert Hensen niet minder dan zes boeken bij Manteau: De dubbele vaardigheid, Het voorbeeldige bestand, Antonio, Het onvoorwaardelijke begin, Don Juan en Lof der gereedheid. Hoe de uitgever in deze moeilijke jaren aan kwalitatief hoogstaand papier kwam, is een van de terugkerende raadsels in haar correspondentie met Hensen.

Nog voor de oorlog uitbreekt laat Manteau al weten dat de papiertoevoer erg gelimiteerd is en dat de auteur dus niet te moeilijk moet doen over het formaat van zijn uitgave. Bij de contractbespreking voor Hensens eerste Manteau-publicatie, schrijft ze: 'Wij geven echter den voorkeur aan het formaat 14 x 20 cm, daar wij papier op dat formaat hebben gekocht.' [74] Deze formaatbeperking duikt regelmatig op. In augustus 1942 gaat het over de bundel Het onvoorwaardelijk begin: 'We beschikken nog over houtvrij papier voor een 200 tal exemplaren, formaat 14,5 op 20,5 cm.' [75] Hetzelfde liedje klinkt aan het begin van 1943 voor Hensens toneeltekst Don Juan: 'Over het formaat van Don Juan heb ik nog geen beslissing genomen. Het hangt grotendeels af van het papier dat ik voor deze uitgave zal vinden. Ik zou ze gaarne nog op behoorlijk papier willen drukken en zal eens nakijken of ik in mijn voorraad niet een restantje vinden kan.' [76] Twee weken later verneemt Hensen het resultaat van Manteaus afdaling in het magazijn: 'Voor het drukken van Don Juan beschikken wij slechts over een restant papier van "Het Onvoorwaardelijk Begin". Het formaat zal dus hetzelfde zijn als dit werk.' [77]

'Ik zal eens nakijken of ik in mijn voorraad niet een restantje vinden kan.' Het is een merkwaardige formulering, niet alleen omdat ze suggereert dat Manteau niet goed wist wat ze in huis had, maar ook omdat deze haast nonchalante houding ten opzichte van papier erg verrassend is in oorlogsjaren. Bovendien blijft de vraag hoe Manteau haar voorraad aanlegde. Haar reguliere papierleverancier, waarover ze het soms heeft, kan blijkbaar niet altijd aan de vraag voldoen. Het papier voor het binnenwerk is blijkbaar nog niet zo'n groot probleem, maar als het gaat om het omslag of om een wikkel, wordt het problematisch. Zo'n wikkel wordt trouwens verboden door de Papiercentrale. Als Hensen in 1942 de Driejaarlijkse Staatsprijs Poëzie ontvangt, kan Manteau voor hem niet de gewenste publiciteit maken: 'De Papiercentrale verbiedt bandjes rond de boeken te plaatsen en wij weten trouwens, dat onze boekhandelaren zoo nalatig zijn, dat ze er niets zouden voor voelen deze bandjes rond de exemplaren van Uw werk die zij in voorraad hebben, te plaatsen.' [78]

Twee keer vraagt Manteau aan Hensen of hij zijn relaties niet kan gebruiken om aan papier te komen. De eerste keer probeert ze Hensens zwager in te schakelen. Het is januari 1942 en het probleem is het omslagpapier voor Hensens toneelstuk Antonio: 'Het valt wel een beetje uit het gewone genre, maar een tooneelstuk hebben wij ook tot nu toe nooit uitgegeven en daarvoor is een afwijkend formaat geen bezwaar. De kwestie is of wij het omslagpapier zullen kunnen vinden. Onze drukker heeft het niet en onze papierleverancier zal het ons vermoedelijk ook niet kunnen bezorgen. Kunt u zich soms herinneren waar Uw zwager dat papier gekocht heeft; daar de oplage toch niet groot is, zouden wij dat papier zelf bij een detailhandelaar kunnen aankoopen.'[79]

De zwager is 'Ir. L. Hendrickx' [80]. De man maakte het omslagontwerp voor Antonio, en dat beviel Manteau zo goed dat ze hem vroeg ontwerper te worden voor de uitgeverij: 'Wij zijn erg tevreden over het ontwerp dat Uw broer voor Uw tooneelstuk heeft gemaakt en zouden wel geneigd zijn hem voor auteurs uit ons fonds dezelfde opdrachten te geven. Denkt U dat hij daarvoor te vinden zou zijn en kan hij ons melden welke vergoeding hij daarvoor verwacht.' [81] Hendrickx zal vanaf dan de omslagen van Hensens werken verzorgen. [82]

Maar het omslagpapier voor Antonio kan Hendrickx blijkbaar niet bezorgen. Op 6 februari 1942 meldt Manteau: 'Hierbij vindt U een monster van het omslagpapier, dat wij gevonden hebben. Het lijkt mij ook wel geschikt.' Waar dat monster vandaan komt, blijft onduidelijk. Hensen is trouwens niet echt tevreden over het uiteindelijke resultaat, en, zoals meestal, is Manteau het met hem eens: 'Wij waren ook weinig tevreden over de uitvoering van het omslag van "Antonio".' Voor Manteau gaat het hier over het drukwerk, niet over de kwaliteit van het papier: 'Er zijn gelukkig slechts 20 exemplaren afgewerkt en de drukker kan dat alles nog veranderen. (...) Wij zijn echter blij, dat wij voor dit boek nog een goed vooroorlogsch houtvrij papier hebben gevonden.' [83] Of ook dit fraaie papier als restantje in de magazijnen lag te wachten, wordt niet duidelijk. Voor Hensen is niet alleen het drukwerk benedenmaats: hij vindt het papier voor het omslag gewoon te dun. Waarop Manteau reageert: 'Het dun omslag kan niet vervangen worden. Het is thans erg moeilijk aan behoorlijk omslagpapier te geraken.' [84]

Wanneer Hensen aan het begin van 1944 voorstelt om zijn zes bundels in één boek uit te brengen, vraagt Manteau hem voor de tweede keer om hulp bij het zoeken naar papier: 'Ik wil het gaarne overwegen Uw zes bundels in één bundel uit te geven. Ik beschik echter thans niet over een geschikt houtvrij papier, maar zou de firma Buschmann niet een partij houtvrij papier tot onze beschikking kunnen stellen indien het werk door hun zorgen wordt gedrukt? Zou U het hen zelf niet eens willen vragen?' [85] Blijkbaar doet Hensen niet genoeg inspanningen, want tien dagen later schrijft Manteau: 'In aansluiting op Uw schrijven van 24 Februari haast ik mij U mede te deelen dat ik nog geen bericht heb gekregen van de firma Buschmann. Zoudt U zoo vriendelijk willen zijn bij deze firma no[g]maals aan te dringen?' [86] Voor dit goede doel kan een en ander zelfs zonder factuur geregeld worden: 'Wij begrijpen heel goed dat ze waarschijnlijk verplicht zullen zijn ons het papier tegen een hoogeren prijs dan den normalen prijs aan te rekenen en dat ze ons zulks niet zullen kunnen factureeren, maar wij zouden hiertegen geen bezwaar hebben. U kunt hun dat eventueel vertrouwelijk mededeelen.' [87]

Maar, net als Hendrickx, laat ook Buschmann het afweten, zodat Manteau eens te meer zelf op zoek moet: 'Ik heb echter zelf nog geïnformeerd naar papier voor een herdruk van al Uw bundels en heb nog niet alle hoop laten varen. Voor het drukken van Uw laatsten verzenbundel [Lof der gereedheid -BV] zullen wij in ieder geval wel papier vinden.' [88] Uiteraard zijn bepaalde uitgaven belangrijker dan andere, en soms lijkt het er wel op dat Manteau de papierschaarste gebruikt als excuus om alleen die boeken uit te geven die ze - op economisch of symbolisch vlak - opportuun acht. Geen verzameld werk, maar wel de nieuwe bundel. Ook voor de al eerder vermelde luxe-editie - de map met gedichten van Herreman, Daisne, Decorte en Hensen - is er papier: 'Deze map zou gedrukt worden op een 500-tal exemplaren, op goed houtvrij papier en een 40-tal exemplaren op luxe-papier pannekoek.'[89]

Zelfs na de oorlog blijft de papierschaarste een handig argument om te verantwoorden welke werken wel en welke niet gepubliceerd zullen worden. Op 23 mei 1945 schrijft Manteau: 'Wat de papiermarkt betreft, deze is er nog niet op verbeterd. De vooruitzichten zijn zeer slecht.' In september worden die slechte vooruitzichten gebruikt als verklaring voor Manteaus selectie: ze wil wel de nieuwe bundel doen, vraagt om uitstel voor de verzamelde gedichten, en weigert het boek van Hensens vader: 'Ik begrijp best dat U ongeduldig wacht op een beslissing van ons aangaande de uitgave van het werk van Uw vader en de heruitgave van Uw verzenbundels. Maar kunt U zich indenken hoe wij met ongeduld wachten op een papiertoewijzing? Sedert de bevrijding hebben wij geen kilogram papier toegewezen gekregen en alles wat nu bij ons verschijnt was reeds bij ons in voorbereiding genomen tusschen September en December 1944, toen wij in den waan verkeerden dat de bevrijding van ons land ons uiterlijk na twee of drie maanden in de gelegenheid zou stellen over papier te beschikken. (...) Het spijt mij dan ook U te moeten zeggen dat ik geen kans zie het werk van Uw vader uit te geven. Ik heb echter gehoord dat de drukkerij Excelsior in Antwerpen, door de uitgave van het blad "De Volksgazet", wel over papier beschikt. Zoudt U zich niet tot die firma kunnen wenden?' [90]

Uiteindelijk zal Hensen zijn vaders boek bij Pressa laten drukken in een oplage van 500 exemplaren.[91] Het verschijnt in eigen beheer in het najaar van 1946, terwijl Manteau bezig is met de voorbereidingen van drie nieuwe toneelstukken in één band, namelijk Lady Godiva, Koningin Christina, Polukrates. Die stukken achtte ze blijkbaar beter geschikt voor publicatie dan de verzamelde gedichten. In oktober 1945 schrijft ze: 'Ik zou er ook de voorkeur aan geven Uw drie toneelstukken samengebundeld uit te geven, en dan nog op goed papier. Ik voorzie toch dat er nu binnenkort behoorlijk papier tot onze beschikking zal gesteld worden. (...) Iets met zekerheid voorspellen aangaande het papier kan ik niet, maar U moogt er van overtuigd zijn dat ik voor Uw werk de eerste partij behoorlijk papier die binnenkomt, zal reserveeren.' [92] Toch duurt het nog een jaar voor de uitgave van de drukker komt. Op 27 november 1946 schrijft Manteau: 'De eerste exemplaren van Uw toneelstukken zijn vandaag binnengekomen.' De verzamelde gedichten zijn op dat moment in voorbereiding. De schaarste is nu immers geen argument meer - zelfs geen papieren argument: 'Zooals U weet is het papier nu geen vraagstuk meer.' [93] Maar de vraag hoe Manteau tijdens de oorlogsjaren aan goed vooroorlogs papier kwam, blijft onopgelost.

Buiten Vlaanderen

Hoewel Hensen bij zijn Manteau-debuut niet eens in Vlaanderen een bekende figuur was, wou Manteau van in het begin zijn werk ook in Nederland verspreiden. Al in haar eerste brief aan Hensen maakt ze duidelijk dat haar bedrijf een Nederlandse connectie heeft: 'De exploitatie van het boek voor Nederland zal door onze zorgen toevertrouwd worden aan de firma H.P. Leopold, uit Den Haag.' [94] Daar komt natuurlijk nog de Maastrichtse uitgever A.A.M. Stols bij, 'die haar in 1932 de mogelijkheid heeft geboden om zelfstandig boekverkoper te worden'. [95] Ook die buitenlandse connectie gebruikt ze om Hensen te overtuigen. Haar tweede brief aan haar nieuwe auteur bevat de volgende geruststelling: 'Wat de uitvoering betreft, daar kunt u er zeker van zijn dat wij er den grootsten zorg aan zullen besteden. Ondergeteekende heeft lang bij Stols gewerkt, toen hij nog in Brussel gevestigd was, en heeft veel waardeering en bewondering voor de typographie van Stols.' [96]

Ook de daaropvolgende brief hamert op de band met Nederland: 'Daar wij voor Uw bundel ook een Nederlandsche uitgave zouden willen vinden (het zal vermoedelijk de firma Leopold zijn, die reeds meer werken van ons overnam, en samen met ons het tijdschrift WERK uitgeeft), zouden wij gaarne aan deze firma enkele beoordeelingen van Nederlandsche recensenten of letterkundigen over Uw vorige verzenbundel willen voorleggen.' [97] Als ze naar Nederland reist, neemt ze werk van Hensen mee.[98] Maurice Roelants, die door zijn Forum-jaren over nogal wat Nederlandse relaties beschikte en ook werd uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar in Rotterdam, wordt hier ook voor gemobiliseerd. Bij de verschijning van Antonio schrijft Manteau: 'Voor den recensiedienst in Nederland sturen wij naar den heer Stols 10 ingenaaide exemplaren. Tevens zal de heer Roelants zelf aan enkele zijner vrienden gebonden exemplaren per post sturen.'[99]

Of alle vroege werken van Hensen in Nederland aangeboden worden, is niet echt duidelijk. Uit een brief van 4 augustus 1943 zou men kunnen afleiden dat de bundel Het onvoorwaardelijke begin en het stuk Antonio niet aan Nederland geleverd werden: 'Ingevolge Uw verzoek deelen wij U hierbij mede dat wij van "Oefeningen naar Binnen" nog 9 exemplaren in voorraad hebben, terwijl van "Het voorbeeldige Bestand" op 30 Juni slechts 3 exemplaren overbleven. Van deze beide werken werd een aantal exemplaren naar Nederland geleverd. Vandaar dat onze voorraad hiervan zoo gering is, tegenover Uw andere werken.' [100] Het is niet duidelijk of niet één van die andere werken aan Nederland aangeboden werd.

In de tweede helft van de jaren veertig worden de contacten met Nederland systematischer. Om te beginnen is er 'den heer Huib van Krimpen' die in Amsterdam woont en voor de lay-out zorgt. Manteau neemt Hensens 'verzenbundels' mee naar Van Krimpen.[101] Maar, zoals al gezegd, de man doet zijn werk niet echt zoals uitgever en auteur hadden gehoopt. [102] Ten tweede is er het Haagse filiaal dat Manteau in mei 1945 opent, en dat ze in een brief van 24 april aan Hensen aankondigt: 'Ik heb het genoegen U hierbij mede te deelen dat ik met 1 Mei a.s. een filiaal in Den Haag zal openen, zoodat wij de exploitatie van ons fonds in Nederland zelf zullen kunnen behartigen. Ik ben er van overtuigd dat dit ook onze auteurs ten goede zal komen.' [103]

Vanaf dan worden alle publicaties van Hensen in Nederland aangeboden, zelfs het boek van zijn vader. [104] Zijn essayboek, dat van de persen rolt op 30 mei 1947, wordt in België meteen aangekondigd, via een 'tussentijdse aanbieding', terwijl het in Nederland even uitgesteld wordt: 'In overleg met de leiding van ons filiaal te Den Haag hebben wij daarom besloten deze uitgave voor Holland op te nemen in onze najaarsaanbieding, welke in September zal beginnen.' [105] Er worden recensie-exemplaren verstuurd naar grootheden als Vestdijk, Roland Holst en 'einde 1947'[106] ook naar Greshoff. Zelfs Zuid-Afrika duikt hier even op als mogelijke markt: 'Deze drie exemplaren zijn bestemd voor de professoren Nienaber en Coetzee en voor "Ons eie Boek".' [107]

Merkwaardig genoeg duikt het papier hier weer op, nu als verkoopsargument. Naar aanleiding van het boek van Hensens vader schrijft Manteau: 'De uitstekende, waarlijk vooroorlogse kwaliteit van het papier zal de Nederlandse boekhandelaren ongetwijfeld enthousiast stemmen, doch wij verwachten dat ze met de opmerking zullen komen dat de wikkel in verhouding tot de afmetingen van het werk en de goed verzorgde tekst, wel wat erg eenvoudig aandoet. Tevens is het wel noodzakelijk dat de rug van de band in linnen wordt uitgevoerd, met de opdruk van boven naar beneden, dus juist andersom, zoals op de wikkel.' [108] De minder dan perfecte lay-out en boekverzorging zouden dus een verklaring kunnen zijn voor de weinig succesvolle verkoop in Nederland.

Dat dat succes inderdaad uitblijft, ondanks alle inspanningen van Manteau, blijkt uit een bittere constatering in een brief van 6 november [1947]: 'Wat de opmerking van de heer Roest betreft, dat "de hele Vlaamse literatuur sinds 1940 voor Holland een gesloten boek is", moet het mij van het hart dat de schuld hiervan toch wel bij de Hollanders ligt. Onze boeken worden steeds ter recensie gezonden aan de belangrijkste Hollandse bladen, en aan alle Hollandse boekhandelaren persoonlijk aangeboden, wij gaven daarbij catalogi en prospectussen uit die in grote oplagen verspreid werden en wij weten feitelijk niet wat er nog te doen overblijft om de Hollanders er toe te brengen dat "gesloten boek" eens wat vlugger en met meer belangstelling te openen, laat staan, te doorbladeren!'

Zoals hierboven al gezegd, spant Hensen zich meer in voor publiciteit in het buitenland dan in het binnenland. Voor de opvoering van zijn toneelstukken in Nederland schakelt hij de Vlaamse regisseur Michel van Vlaenderen in.[109] Die zou Polukrates aanbevelen bij 'A. Van Dalsum (Directeur te Amsterdam)'; zelf stuurt Hensen zijn tekst naar 'Joh. de Meester (regisseur te Den Haag)'. [110] Maar net als Manteau, moet ook hij ondervinden dat 'de Hollanders' niet zitten te wachten op Vlaams werk. Stols is minder dan vriendelijk wanneer Hensen via hem probeert een Duitse vertaling van zijn gedichten gepubliceerd te krijgen: 'De brief van de heer Stols, die inderdaad niet overmatig vriendelijk is, sluit ik hierbij weder in. De firma's die hij bedoelt komen voor uitgave van gedichten minder in aanmerking, terwijl ons filiaal in Holland niet zelfstandig uitgeeft, hetgeen hij ongetwijfeld ook wel geweten moet hebben.' [111] In het rijtje van slecht functionerende Nederlandse connecties, schaart zich ook 'den heer Jansen', belast met 'de uitvoer' van Hensens bundel Daidalos.112 Ondanks herhaaldelijk aandringen van Hensen, levert de man de gevraagde 'Hollandse adressen' van bladen niet, wat Hensen bestempelt als 'chinezerij'.[113]

Niet de Chinese maar de Duitse en Franse markt worden door uitgever en auteur als een mogelijk afzetgebied gezien. Het resultaat is hier echter niet beter dan in Nederland. Het Franse verhaal is kort. Op 4 oktober 1946 belooft Manteau, onmiskenbaar als antwoord op een vraag van Hensen, dat ze zal informeren naar een Engelse en Franse vertaler. Die Engelse duikt niet meer op in de correspondentie. De Franse wordt gauw gevonden. Op 26 oktober schrijft Manteau: 'Tot mijn zeer grote verwondering, want ik weet dat hij overlast is met werk, zou mijn man er principieel toch bereid toe zijn U te helpen in de vertaling in het Frans van een van Uw toneelstukken. Wilt U hem, zodra U het kan doen, een exemplaar van het handschrift van Alkestis sturen en wilt U verder die zaak met hem afhandelen?'

Dat doet Hensen. Drie dagen later schrijft hij naar Closset: 'Mevrouw Closset heeft mij laten weten, dat U zich bereid verklaart mij te helpen met de vertaling van één mijner stukken in het Frans. Onnodig U te melden hoe Uw beslissing mij verheugt, niet enkel met het vooruitzicht op een Franse versie van mijn stuk, maar eveneens met het vooruitzicht op enige aangename werkstonden die ik met U zal doorbrengen.' Hij meent dat Alkestis 'zich het best leent tot export'. [114] In januari 1947 is de vertaling [van wie?] klaar, maar Parijs is blijkbaar al even ongeïnteresseerd als Amsterdam: 'Tot mijn spijt,' schrijft Manteau, 'kan ik U nog niets definitiefs mededelen omtrent de opvoering van Uw toneelstuk in Parijs; er was nog geen beslissing genomen.' Ze sust Hensen, die blijkbaar in deze kwestie wel aandringt, met de opmerking 'dat men dergelijke dingen niet kan forceren' en raadt hem aan 'een tweede exemplaar van het Franse manuscript' aan te bieden aan 'Claude Etienne voor het Brusselse toneel'. [115] In Parijs is het eerste exemplaar van de vertaling in handen van 'den heer Dulin'.[116]

Drie maand later is er nog steeds geen nieuws uit de Franse hoofdstad: 'Helaas heb ik uit Parijs nog niets vernomen over de Franse versie van Uw toneelstuk. Ik ga er echter de volgende week heen en zal dan nogmaals informeren.' Blijkbaar zou de vertaling hier en daar wat bijgewerkt moeten worden: 'Mijn man heeft geen bezwaar tegen de hertoetsing van zijn vertaling en indien u dat wenselijk acht moogt U gerust zijn naam noemen tegenover den heer Maret. Wij hopen beiden dat men tot een opvoering door de Tribune Dramatique zal overgaan, dit zou ongetwijfeld interessant zijn.' [117] Hensen probeert dus zelf, onder meer via 'den heer Maret', Parijs tot betere gevoelens te brengen, maar hij komt van een kale reis terug: 'Zeer tot mijn spijt kan ik U bij Uw demarches in Parijs van weinig hulp zijn: ik zie onder mijn persoonlijke relaties niemand die de door U genoemde personen een wenk zou kunnen geven.' [118] Einde van het Franse avontuur.

Een Duitse vertaling blijkt uiteindelijk meer succesvol, al heeft ook zij een erg moeizame ontstaansgeschiedenis. Niet verwonderlijk begint die tijdens de bezetting. In mei 1942 blijkt dat een Duitse vertaler, Heinz Graeff, geïnteresseerd is in Hensens 'verzenbundels en Antonio'. [119] Maar de uitgeverij die de man in zijn achterhoofd heeft, bevalt Manteau niet: 'De brief van Heinz Graeff heb ik nog niet gelezen. Ik verneem echter op de Propaganda-Staffel, dat deze firma geen belangrijke uitgeverij is en zeer clericaal georiënteerd. Zoudt U er bezwaar tegen hebben indien wij voor een eventuele Duitsche uitgave van Uw werk ons in verbinding stellen met Diederichs Verlag in Jena?' [120] Zoals gewoonlijk had Hensen geen bezwaar. Op 15 juni schrijft Manteau naar Diederichs; op 19 november bericht ze aan Hensen dat de Duitse uitgeverij Hensen zal proberen onder te brengen in een anthologie van hedendaagse Vlaamse poëzie.

Dan blijkt dat er nog een tweede vertaler interesse heeft, Wolfgang Cordan, die het toneelstuk Antonio wil vertalen. De man is een oude bekende van Manteau, hij 'heeft vroeger aan een internationaal poëzietijdschrift door Stols uitgegeven "Centaur", meegewerkt'. [121] Hij heeft een bloemlezing gepubliceerd en Manteau vraagt Hensen de naam van de uitgever.122 Die blijkt, alweer, niet mee te vallen. Manteau spreekt van 'het geval W. Cordan'. [123] Dat is merkwaardig, want na een telefonisch gesprek tussen Manteau en Cordan blijkt het om Diederichs te gaan, de uitgeverij die Manteau zelf had aanbevolen. Ondertussen is haar mening over die firma echter wat bijgesteld: 'Door de ervaring die ik met de firma Diederichs opgedaan heb, sta ik eerder wantrouwend tegenover het plan van den heer Cordan. Op haar eigen verzoek heb ik aan deze firma op 16 September een onzer uitgaven met een optie tot einde Dec. 42 gestuurd en op 10 November een andere uitgave met een optie tot einde Februari 43. Thans na resp. 9 en 7 maanden en ondanks mijn herhaalde reclamaties, heb ik van deze firma nog niets definitiefs vernomen.'[124]

Bovendien geeft die firma bedenkelijke boekjes uit. Manteau zendt een door Diederichs uitgegeven 'verzenbundel van Bodo Schütt' op, en voegt daar ironisch aan toe dat ze dat doet 'pour votre édification personnelle'.[125] Ze beweert dat er veel én interessantere Duitse belangstelling is voor haar uitgaven: 'Dit ergert mij des te meer daar er geen week voorbij gaat zonder dat we van de eene of de andere Duitsche uitgeverij aanvraag krijgen om boeken uit ons fonds in Duitsche vertaling uit te geven. Wij zijn in relaties met een viertal goede Duitsche firma's.' De namen van dat viertal volgen in een brief twee dagen later: 'Ik ben er van overtuigd dat er andere Duitsche uitgevers zijn die vlugger dan de firma Diederichs kunnen werken, o.m. Insel Verlag, Langen und Müller, Holle und C°, Droste Verlag, enz.' [126] In diezelfde brief haalt ze nog eens uit naar 'de tendenz' van Schütt's bundel.

En toch raadt Manteau Hensen aan niet meteen weg te lopen bij Diederichs: 'Wat de Duitsche vertaling van Don Juan betreft; stel ik U toch voor eerst het definitieve voorstel van Diederichs af te wachten voordat wij met een anderen Duitschen uitgever in contact komen. Ik ben werkelijk benieuwd te zien of Cordan van hem meer spoed verkrijgen kan dan wij. Het kan echter mogelijk zijn dat landgenooten onder elkaar niet zooveel lakschheid durven vertoonen.'[127]

Uit dezelfde brief blijkt dat ook de eerste vertaler, Heinz Graeff, nog steeds zijn best doet voor Hensen. Hij wil namelijk vertaalde gedichten van Hensen in Duitstalige tijdschriften plaatsen: 'De bladen of tijdschriften waarin de Heer Heinz Graeff vertalingen van Uw werken zou kunnen plaatsen, zijn U wel honorarium verschuldigd. Wij raden U aan hem te verzoeken zich voor deze honorarium-kwestie met ons in verbinding te stellen.'

Manteau schrijft zelf naar Diederichs op 22 juni 1943. Ze wil weten wie van de twee vertalers de voorkeur van de uitgever geniet. Het antwoord komt een maand later en is nogal twijfelend: 'Ich übersehe natürlich nicht, wie hier die Verhältnisse liegen und welchem Uebersetzer Sie den Vorzug geben.' Maar toch voelt Diederichs zich gebonden aan Graeff, die immers als eerste met het voorstel van een Hensen-vertaling kwam: 'Ich selber fühle mich natürlich durch die erste Anfrage Herrn Graefs [sic] gebunden.' [128] Manteau probeert tevergeefs Cordan in Nederland te contacteren, [129] en dat is ongeveer het laatste wapenfeit. We moeten wachten tot het einde van de oorlog voor er weer sprake is van Cordan en een Duitse vertaling. Graeff komt niet meer in het stuk voor.

De draad wordt weer opgenomen wanneer Hensen in een brief van 16 oktober 1946 vraagt of Manteau geen bezwaar heeft tegen een vertaling door Cordan. Zij antwoordt op 26 oktober: 'In principe heb ik er geen bezwaar tegen dat Cordan een twintigtal verzen van U in Duitse vertaling laat verschijnen. Wilt U hem echter verzoeken zich met mij in verbinding te stellen aangaande de kwestie van de overnamerechten. Het ligt zeker toch wel in zijn bedoeling honoraar te betalen op deze uitgave?' Dat blijkt een verkeerde inschatting. Begin 1947 verschijnen de gedichten in Cordans vertaling: 'Wat de verschijning van Uw gedichten in de "Kentaurdrucke" betreft: de heer Wolfgang Cordan deelde ons in November 1946 mede dat U er geen bezwaar tegen had indien een twintigtal van Uw gedichten met vertaling in deze reeks werd opgenomen, in een oplage van 200 exx., en dat U zich financieel gedesinteresseerd had verklaard, daar het hier een bibliophiele uitgave betreft. Wij hebben den heer Cordan daarna meegedeeld dat wij in dit geval eveneens van een vergoeding afzagen, mits er in de uitgave vermeld werd dat zij geschiedde met onze toestemming. Er werd dus geen contract voor opgemaakt.'[130]

Eens te meer blijkt dat economische overwegingen niet echt de doorslag geven. Noch Manteau noch Hensen worden rijk van dergelijke vertalingen. Het gaat waarschijnlijk meer om de internationale verspreiding - hoe klein ook - en om het prestige dat hiermee samenhangt.

Cordan blijft zich inspannen voor Hensen. Zo publiceert hij een artikel over de schrijver [waar dan?], dat voor Manteau een goede aanleiding vormt om bij haar publiciteitsschuwe auteur nog eens naar een foto te informeren: 'Er werd een tijdje geleden een goede foto van U gepubliceerd bij een artikel van Wolfgang Cordan. Zoudt u ons niet voor Donderdag een afdruk van deze foto willen toezenden?' [131] Voorts heeft Cordan nog altijd niet de hoop opgegeven een toneelstuk van Hensen te vertalen.[132] Hij probeert vertalingen van Hensens gedichten te slijten aan het Origo-Verlag, wat mislukt.[133] Volgens Manteau zijn nochtans de vertalingen én de korte inleiding die Cordan erbij geschreven heeft, zonder meer 'uitstekend'. [134]

Het ligt dan ook niet aan de teksten. Het ligt aan de toestand in de uitgeverswereld: 'Helaas zie ik in dit alles niet veel licht. Uit hetgeen ik van buitenlandse collega's verneem blijkt wel dat de toestand in de uitgeverij nergens zeer rooskleurig is en ik vrees dat het wel erg moeilijk zal zijn een uitgever te vinden die zich nog de luxe kan veroorloven om gedichten uit te geven.'[135] Hensen mag zich dus gelukkig prijzen dat hij nog zo'n onbaatzuchtige uitgever heeft. Manteau suggereert in dezelfde brief dat Cordan er goed aan zou doen zijn Zwitserse relaties aan te spreken, en dat blijkt succes te hebben. Het in Zürich gesitueerde Speer-Verlag verklaart zich in augustus 1949 bereid de gedichten te publiceren.[136] Pressa verzorgt het drukwerk, Manteau zorgt voor de uitvoervergunning en op 12 december bedankt zij Hensen 'voor het gebonden exemplaar van de Duitse uitgave van Uw gedichten'. Het boek verscheen echter al eerder, waarschijnlijk was het drukwerk al eind september klaar.[137] Het heet Lob der Bereitschaft maar is geen vertaling van Lof der gereedheid. In een persmededeling omschrijft Manteau het boek als 'een Duitse vertaling van een keuze uit zijn gedichten'.[138] Deze publicatie lijkt de opmerkelijkste stap die het werk van Hensen in de jaren veertig buiten Vlaanderen zet.

Leven en letteren

Zoals ik al aan het begin van mijn overzicht suggereerde, geven de brieven die Manteau in de jaren veertig aan Hensen schrijft de indruk van een grote en nogal droge zakelijkheid. Er is weinig plaats voor literaire beschouwing en voor persoonlijke anekdotiek. Je komt in deze brieven weinig te weten over het leven van de uitgever en haar auteur, en al even weinig over haar literaire voorkeuren of haar appreciatie van Hensens werk.

Die appreciatie moet er wel degelijk zijn, gelet op de inspanningen die Manteau zich getroost voor het werk van Hensen. Maar ze wordt zelden rechtstreeks geuit en nooit ofte nimmer beargumenteerd met literaire analyses of toelichtingen. Zoals al gezegd, ontvangt ze zowat alle manuscripten van Hensen met open armen, maar wat er nou precies goed is aan die teksten wordt nooit gezegd. In algemene termen spreekt ze enkele oordelen uit, maar die tref je pas aan vanaf 1943 - blijkbaar moest ze Hensen eerst leren kennen voor ze zich zulke oordelen durfde permitteren - en ook dan blijven ze uiterst spaarzaam en bijna nietszeggend.

Over Antonio spreekt ze zich uit na een opvoering: 'Ik wil u eerst nogmaals gelukwenschen met de succesvolle opvoering van Antonio. Ik had er wel nooit aan getwijfeld dat het stuk zeer speelbaar was, maar ik was bang voor de vertolking. Het geheel is werkelijk zeer geslaagd.' [139] Maar nog geslaagder is het volgende stuk: 'Wij hebben zoo juist het handschrift van Don Juan gelezen en het is ons erg meegevallen. Het is o.i. levendiger en rijper dan Antonio.' [140] Met een zeldzame ironische overdrijving schrijft Manteau op 26 juli 1944 aan haar jonge dichter: 'De uitgeefster van de werken van één der meest begaafde jonge dichters van Vlaanderen acht het als een eer aan den auteur, wiens werk het sieraad is van haar uitgeverij, een gebonden exemplaar aan te bieden van Dr. Vloemans: Voorbereiding tot de Wijsbegeerte.' Voorts heeft ze het af en toe over het succes dat het werk van Hensen in feite zou verdienen, maar daar blijft het zo ongeveer bij.[141] Dat Manteau echt gelooft in Hensens werk, moet de welwillende lezer afleiden uit haar daden, niet uit haar woorden.

Manteau citeert af en toe anderen die zich lovend over het werk van Hensen hebben uitgelaten. Ongetwijfeld zijn dat de vervangende schouderklopjes die de uitgever zelf slechts zelden uitdeelt. 'Van Gerard Walschap die een exemplaar van al onze uitgaven toegezonden krijgt ontvingen wij den volgenden brief: "Naar mijn meening is Hensen één der op één hand te tellen Vlaamsche dichters dien naam waardig."' [142] Van Roelants citeert Manteau zijn uitspraak dat Het onvoorwaardelijke begin 'nog beter [is] dan Uw vorige bundels'.[143] Van Teirlinck stuurt ze een brief door, die ongetwijfeld lovend is voor het werk van Hensen.[144] Ze schrijft in dit verband: 'Het verheugt mij te vernemen dat Teirlinck in Uw werk zooveel belang stelt.' [145] Ook Jonkckheere stelt belang in Hensens werk: 'Karel Jonckheere (...) vraagt ons een volledige bibliographie, met datum van verschijnen van Uw verschillende werken. Zou hij ook met het plan loopen een studie over U te schrijven?'[146]

Ook de geleerde professoren zijn lovend over de jonge dichter: 'Enkele dagen geleden ontving mijn man een brief van Prof. Dr. Baur, waarin deze met veel lof sprak over Uw werken.'[147] Emmanuel de Bom looft met de schrijver meteen de uitgever: 'Reeds krijg ik een ontvangstbericht van Emmanuel De Bom, die mij het volgende schrijft: "Die Don Juan ziet er bepaald geestvol uit. - Wat een driftige productie, bij Flor Mielants' zoon, die ik me, als klein blonde snuggere en schichtige knapen-verschijning op den zolder van de Volksgazet nog herinner... 'k Lees het, met verbaasde bewondering, om het Spaansch-tumultueuse, het Shakespearsche euphuïsme, het ontembare woord-vernuft. We moeten zijn vlucht al meer en meer met aandacht gâ slaan... Als Uitgeefster komt U - nu ook weer om deze fraaie uitdossching - alle eer toe."'[148] Dergelijke literaire oordelen en aanduidingen van literaire verwantschap vloeien nooit uit de pen van Manteau.

Over persoonlijke kwesties en biografische gegevens schrijft Manteau weinig of niets. Vooral in de beginjaren van de correspondentie blijkt ze nauwelijks op de hoogte van Hensens leven. Zo wist ze niet eens dat Hensen in augustus 1942 gehuwd was.[149] Er is wel herhaaldelijk sprake van ontmoetingen en bezoekjes, maar van enige vriendschappelijkheid, toenadering of intimiteit valt ongeveer niets te merken. Persoonlijke mededelingen blijven beperkt tot erg korte, haast verplicht klinkende observaties over Hensens gezondheidsproblemen,[150] de geboorte van zijn zoon Peter, [151] en zijn afgelaste reis naar Parijs.[152]

Wie op zoek is naar Manteaus diepste ideeën en gevoelens, zal die niet vinden in haar correspondentie met Hensen. Alles is hier redelijk onpersoonlijk. Haar persoonlijke literaire voorkeuren blijven onaangeraakt, net als de gebeurtenissen uit haar persoonlijke leven. Ook haar ideologie komt nauwelijks aan bod, tenzij dan haar bekende afkeer van het paapse volkje. Zo schrijft ze op 6 november 1947: 'Daar De Maasbode een katholiek blad is hebben wij met opzet niet Uw Essay ter recensie gezonden.' De katholieken blijken bekrompen uitgevers. Als Pressa voor het boek van Hensens vader nogal veel aanrekent voor het bindwerk, stelt Manteau voor 'een prijsofferte in Turnhout' te vragen, maar: 'Er is hier echter wel een bezwaar aan verbonden, nl. dat Turnhout geen boeken meer aanneemt die van anti-godsdienstige of onzedelijke strekking zijn. Het zelfde geval zal zich trouwens ook voordoen bij alle andere groote Belgische binderijen, die meestal hoofdzakelijk op het binden van kerkboeken zijn aangewezen en dus een uitgesproken katholieke directie en katholiek personeel hebben.'[153]

Een hoogst persoonlijke confessie kan dit bezwaarlijk genoemd worden, en wie deze brieven doorneemt krijgt herhaaldelijk de indruk dat de kiesheid van Manteau zo ver gaat dat ze vele belangrijke zaken liever mondeling regelt. Meer dan eens tref je in haar brieven ontwijkende formuleringen aan in de aard van: 'Ik zou er de voorkeur aan geven de verschillende punten van Uw brief mondeling met U te behandelen. Zou het U niet mogelijk zijn deze week of volgende week even langs te komen?' [154] Helaas is het de geïnteresseerde brievenlezer niet mogelijk even langs te komen. Zijn reconstructie blijft dan ook een verhaal, vol lacunes en veronderstellingen. In het beste geval scheert dat verhaal even langs de werkelijkheid.