[Ernst Bruinsma]
  - | Manteau, niet voor Vlaanderen alleen
 
Manteau, niet voor Vlaanderen alleen

Dames en heren,

Traditioneel fungeert een uitgever als iemand die het kaf van het koren scheidt en die al zijn marketingstrategieën aanwendt voor de lancering van een boek. Hij is de ‘gatekeeper’ in het literaire veld en selecteert wat er terechtkomt op de markt, de (inter)nationale cultuurstroom. Overwegingen die daarbij een rol spelen zijn van juridische, economische en zeker ook van persoonlijke aard. Juist dat laatste aspect speelt nu veel minder dan vroeger een rol. Door de steeds hogere productie- en distributiekosten heeft er een behoorlijke commercialisering en verschraling plaatsgevonden in het boekenvak. Enigszins gechargeerd zou men kunnen zeggen dat de maandelijkse verkooplijsten, meer dan vroeger, de favoriete lectuur vormen van uitgevers. Er lijkt alleszins definitief een einde te zijn gekomen aan de persoonlijke wijze van uitgeven zoals we die kennen van bijvoorbeeld Gaston Gallimard, Max Perkins, Geert van Oorschot of Angèle Manteau. Stuk voor stuk markante persoonlijkheden die vaak via de liefde voor het boek in het vak zijn gerold en op improviserende en persoonlijke wijze hun weg hebben gevonden. Zij waren uitgevers in een tijd toen men nog boeken maakte voor een gelijkgestemd publiek.

Toch komen er mogelijk weer nieuwe kansen voor dit type uitgever, die voor alles literaire kwaliteit willen uitgeven, wat ze daar ieder afzonderlijk ook mee mogen bedoelen. Vorig jaar verkocht de Amerikaanse thrillerauteur Stephen King als allereerste schrijver zijn boek The Plant rechtstreeks aan een wereldwijd lezerspubliek via internet. Hij rekende daarbij op een vrijwillige bijdrage van één dollar van de bezoekers van zijn site. Die konden dan vervolgens de tekst met enkele eenvoudige toetsbewegingen ‘downloaden’ naar hun huiskamer. Wegens een gebrek aan inkomsten moest King zijn actie in het najaar uiteindelijk stopzetten, maar toch heeft deze stunt zijn effect niet gemist. Het betekende een revolutionaire ontwikkeling in het boekenvak, die qua impact al is vergeleken met de komst van de paperback. Nu is immers de eerste stap gezet waarbij een schrijver zonder uitgeverij zijn weg naar het lezerspubliek vindt. De schrijver wordt in het meest extreme geval zijn eigen uitgever die, net als vroeger, precies uitgeeft wat hij zelf leuk vindt of zelf geschreven heeft. Het zal allicht in de praktijk allemaal meteen zo’n vaart niet lopen, de grote bezuinigingen begin dit jaar bij internetboekhandel Amazon en de aarzelende handel in e-books geven dat ook al aan. Maar dat de huidige rol van de uitgever onder druk komt te staan staat wel vast.

Dankzij internet en technische innovaties als ‘printing on demand’ zal er de komende jaren vermoedelijk nog veel meer veranderen. Zo valt bij voorbeeld te verwachten dat een goede fondslijst opnieuw van essentieel belang zal worden voor een uitgeverij omdat met de huidige technische mogelijkheden titels in principe altijd leverbaar zullen blijven. En een uitgeverij, ook in Vlaanderen of Nederland, is door het wereldwijde web niet langer aan een taal gebonden. Dat betekent dat vertalingen, die traditioneel voor uitgeverijen in kleine taalgebieden broodnodig zijn voor een goede economische bedrijfsvoering, minder noodzakelijk of zelfs wenselijk zullen worden. De chique Nederlandse uitgeverij Coppens & Frenks, die ruim vijftien jaar lang bijzondere en verzorgde uitgaven op de markt bracht van Luigi Pirandello, Guy de Maupassant, Roberto Arlt en vele anderen, durft het nu al aan om via internet Engelstalige boeken uit te brengen. Het bedrijf bespaart zich daarmee enorme vertaalkosten en ook boekhandelkortingen zijn niet langer aan de orde. Daarmee hoeft een literaire uitgeverij in een klein taalgebied niet meer noodzakelijk alleen of zoveel mogelijk alleen in de taal van zijn eigen land uit te geven.

In het tweetalige België ligt de situatie natuurlijk net weer iets gecompliceerder. Hier wordt immers al lang in minstens twee talen uitgegeven, maar is de markt erg klein en wordt altijd de dreigende druk vanuit Frankrijk en Nederland gevoeld. Daar zijn uitgeverijen veel groter en kan men vaak veel efficiënter werken. Toch zijn er vreemd genoeg niet veel Belgische uitgevers geweest die een zorgvuldig opgebouwd, tweetalig fonds hebben nagestreefd. Een van de grote uitzonderingen op die regel was de veelbesproken uitgeefster Angèle Manteau. In de huidige beeldvorming bestaat, terecht naar ik meen, een beeld van Manteau als de uitgeverij die bijzonder veel Vlaamse schrijvers van betekenis uit de twintigste eeuw heeft uitgegeven en die bovendien kan bogen op een indrukwekkende stoet van debutanten. Daarom is de geschiedenis van dit uitgevershuis van groot belang voor de geschiedenis van de literatuur in Vlaanderen. Maar ik hoop in deze bijdrage te kunnen laten zien dat Manteau aanvankelijk nooit de bedoeling heeft gehad om een echte Vlaamse uitgeverij te worden zoals bijvoorbeeld Lannoo of De Nederlandsche Boekhandel. Angèle Manteau heeft voor, tijdens en na de oorlog een aantal strategieën ontwikkeld die duidelijk maken dat ze aanvankelijk de hoop heeft gekoesterd, vanaf 1938 met haar Vlaamse uitgeverij en vanaf 1943 met haar Franstalige uitgeverij Les Editions Lumière, om ook buiten de grenzen van België een rol van betekenis te spelen.

De geschiedenis van uitgeverij Manteau begint in de jaren dertig. Hoewel dankzij de toenemende vernederlandsing van het onderwijs er meer dan ooit kansen lagen voor Vlaamse uitgeverijen, was de situatie in het boekenvak niet eenvoudig door de economische crisis. Het laat zich dan ook gemakkelijk raden voor welk een zware taak een Franstalige jongedame van 21 jaar oud stond, die nog relatief onervaren was en Nederlands sprak met een Hollands accent. Bovendien was het aanbod zeer beperkt. Alle grote en bekende schrijvers werden immers al in Nederland uitgegeven: Streuvels bij Veen, Van Dishoeck bracht de Van-Nu-en-Straksers Buysse, Teirlinck en Van de Woestijne; Nijgh & Van Ditmar ‘had’ Roelants, Walschap, De Pillecyn, Matthijs, Minne en Herreman en uitgeverij Van Kampen tenslotte, publiceerde het werk van Willem Elsschot en Felix Timmermans. Verder was er ook niet zoveel te doen voor een Vlaamse uitgeverij: het percentage Nederlandstalige boeken op de gehele Belgische productie nam na de Eerste Wereldoorlog weliswaar gestaag toe, maar was nog altijd relatief gering en schommelde al sedert medio jaren twintig rond de dertig procent.

Dat was ook exact de reden waarom bijna alle Vlaamse uitgeverijen zich genoodzaakt zagen buitenlandse (Nederlandse) fondsen te vertegenwoordigen. Omdat de Nederlandse boekenwereld veel beter georganiseerd was, veel exporteerde en weinig importeerde, was het voor Vlaamse uitgevers en boekverkopers extreem moeilijk de grote massa te bereiken met het Vlaamse boek. Dat er ondanks de crisis en de hegemonie van de Nederlandse uitgevers toch goed verkocht werd en de boekenmarkt in Vlaanderen een behoorlijke ontwikkeling doormaakte, is volgens Ludo Simons in zijn Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen vooral te danken aan mensen als Maurits de Meyer, directeur van de Standaard Boekhandel in Antwerpen, Eugène de Bock van uitgeverij De Sikkel (opgericht in 1919), Albert Pelckmans, die in 1934 als opvolger van Herman Oosterwijk directeur was geworden van De Nederlandsche Boekhandel, en tenslotte ook aan Angèle Manteau.

De uitgeverij van Angèle Manteau werd officieel op 1 april 1938 bij het handelsregister in Brussel ingeschreven. Bij de oprichting van het bedrijf werd Manteau, die sedert 1932 een importboekhandel in de hoofdstad had gehad, financieel gesteund door de Nederlandse uitgeverij H.P. Leopold. Manteau zou de boeken voor deze uitgeverij blijven importeren en verdelen voor België en Leopold zou ‘wederkerig’ de titels van Manteau in Nederland vertegenwoordigen. Daar ligt de kern van alle inspanningen die Manteau zich zou getroosten als uitgever, haar streven naar ‘wederkerigheid’. Literaire kwaliteit brengen werd het credo van de nieuwe uitgeverij en in de herfst van 1938 maakte Manteau haar debuut als uitgever. Wel had ze voordien al enkele boeken in opdracht van andere uitgeverijen op de Vlaamse markt uitgebracht met een aangepaste titelpagina. Haar eerste echte eigen titel was een herdruk van de roman Wrakken van Emmanuel de Bom. Deze bekende Van-Nu-en-Strakser zou dat jaar zeventig worden en dat vormde een mooie aanleiding om met een herdruk van zijn bekende roman te komen. De jonge Maurice Gilliams werd bovendien bereid gevonden om een inleiding voor de herdruk van Wrakken te schrijven.

Het uitgeven van literair-historisch werk zou een van de belangrijkste pijlers worden waarop uitgeverij Manteau werd gebouwd en in die zin is de herdruk van Wrakken symptomatisch te noemen voor het fondsbeleid van het bedrijf. Met name de groep rond Van Nu en Straks neemt een opvallende plaats in binnen het fonds van Manteau. Want naast werk van De Bom verscheen bij haar ook een bundel van Arnold Sauwen en de uitgeverij publiceerde voorts in de jaren veertig en vijftig de verzamelde werken van Herman Teirlinck, August Vermeylen en Karel van de Woestijne. En tenslotte was Manteau aan het eind van de oorlog ook de beoogde uitgever van een nieuw tijdschrift dat de groep van Van Nu en Straks na Vlaanderen weer zou binden. Ik doel hier op het Nieuw Vlaams Tijdschrift dat aanvankelijk als Diogenes bij Manteau zou verschijnen maar na de oorlog door Ontwikkeling werd uitgegeven.

De tweede pijler waarop het jonge uitgeversbedrijf wilde gaan bouwen moest worden gevormd door nieuw werk van jonge Vlaamse en Nederlandse auteurs. Om jong talent op te sporen maakt een uitgeverij over het algemeen graag gebruik van een literair tijdschrift en toen Robert Leopold, een neef van de bekende dichter Leopold overigens, door Jan Greshoff werd benaderd voor het nieuw op te richten Vlaams-Nederlands jongerentijdschrift Werk, zocht hij al snel de samenwerking met Manteau. De schrijver en journalist Greshoff was een oude bekende van Manteau want via hem was ze eind jaren twintig, begin jaren dertig als jonge studente scheikunde in aanraking gekomen met de Nederlandse literatuur en tot 1934 had ze bij hem in huis gewoond. Het tijdschrift bood haar de mogelijkheid om met haar jonge uitgeverij een brug te slaan tussen Nederland en Vlaanderen en aldus nieuw Nederlands en Vlaams talent voor haar nog zo kleine fonds te werven.

De derde pijler waarop het uitgevershuis Manteau werd gegrondvest wordt gevormd door non-fictie. Robert Leopold had altijd veel succes gehad met goede non-fictie en publiceerde populair-wetenschappelijke boeken van onder meer de filosofen Antoon Vloemans, Henri Bergson en Ortega y Gasset, maar ook van de Zweedse schrijver en ornitholoog Bengt Berg en de astronoom James Jeans. In navolging van dit fonds streefde Manteau eveneens naar goede een mix van fictie en non-fictie voor haar eigen bedrijf. In 1939 ging ze daarom van start met een serie essays onder de naam >Basisreeks=. Deze reeks stond onder redactie van Raymond Herreman, Paul de Keyser, Frans Smits en François Closset. Tot de auteurs behoorden niet zoals bij Leopold, internationaal vermaarde wetenschappers en filosofen, maar de reeks was wel een succes. Er verschenen tot en met 1947 dertig deeltjes en van de Franstalige pendant, ‘Collection Savoir’ verschenen in de periode van 1944 tot en met 1948 vijftien deeltjes.

Het stevige fundament dat Manteau reeds voor de oorlog voor haar bedrijf legde, kent tenslotte ook nog een vierde en laatste aspect en dat was dat ze, alweer naar het voorbeeld van uitgeverij Leopold, streefde naar het publiceren van goede literaire vertalingen. Als boekverkoper was mevrouw Manteau Belgisch vertegenwoordiger geweest van een aantal grote Nederlandse uitgeverijen. Bovendien importeerde ze Engelse en Duitse boeken waarmee ze niet alleen de Vlaamse maar ook de Franstalige boekhandels kon bezoeken. Deze ervaring had haar geleerd hoe belangrijk het was voor de opbouw van een fonds van literaire kwaliteit om naast auteurs uit eigen land ook buitenlandse auteurs in vertaling te kunnen brengen. Met zo’n interessant gemengd pakket was het voor de vertegenwoordiger van de uitgeverij eenvoudiger om de belangstelling en dus de kooplust van de boekverkoper op te wekken. Op dit vlak begon Manteau met een duidelijke achterstand want bij de oprichting van haar bedrijf waren daar stringente afspraken over gemaakt met Robert Leopold. Ik citeer Mevrouw Manteau: ‘Vanzelfsprekend werden de aankoop en de uitgave van buitenlandse rechten voor het Haagse bedrijf gereserveerd. Ik besefte gauw dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor een literair fonds door die restrictie nogal schraal waren’. Einde citaat.

Het literaire fonds van Manteau ontwikkelde zich gestaag vanaf oktober 1938. Het lukte de ambitieuze uitgeefster om de succesvolle jonge auteurs Herwig Hensen en Johan Daisne uit te geven, maar behalve een aantal deeltjes voor de Basis-reeks, verschenen er tot de oorlog verder niet veel opzienbarende boeken bij het nieuwe uitgevershuis. De mooie vertalingen lieten eveneens op zich wachten en bovendien had Brussel na het vertrek van Greshoff in 1939 een groot deel van zijn aantrekkingskracht voor Nederlandse schrijvers verloren. Omdat ook het jongerentijdschrift Werk en de bloemlezing In aanbouw van Kees Lekkerkerker niet tot het gewenste resultaat hadden geleid bleef de voortvarende Manteau vooralsnog met lege handen staan. Toen tenslotte in mei 1940 de oorlog uitbrak werd een fondsopbouw volgens de hierboven geschetste objectieven nog veel lastiger.

In de meidagen vluchtte Manteau met haar echtgenote François Closset naar Frankrijk en pas in augustus 1940 keerde het echtpaar terug. Manteau besloot toen haar uitgeverij door te zetten, maar haar goede contacten in Nederland waren inmiddels geminimaliseerd. Doeke Zijlstra, de onvervangbare directeur van Nijgh & Van Ditmar, was bovendien omgekomen bij een bombardement op Rotterdam en Mr. Robert Leopold bleek kort na de Duitse inval zelfmoord te hebben gepleegd. De export naar Nederland werd meteen ook veel moeilijker en tot overmaat van ramp had de nieuwe directie van Leopold minder belangstelling voor het werk van uitgeverij Manteau. Toch zou de firma juist tijdens de bezettingsjaren tot grote bloei komen. De Nederlandse uitgeverijen verloren in de periode 1940-1945 immers hun greep op Vlaamse markt en Manteau wist daar flink van te profiteren. Ze kreeg eind 1940 de rechten voor licentie-uitgaven van Nijgh & Van Ditmar en later ook van Van Kampen, waardoor ze schrijvers kon uitgeven die van oudsher in Nederland hun boeken lieten produceren en verdelen. Met het werk van Maurice Roelants, Willem Elsschot en Gerard Walschap bereikte Manteau enorme oplagen. Van Tsjip van Elsschot verschenen bijvoorbeeld 35.000 exemplaren. Er was immers een enorme vraag naar boeken. Bovendien lieten enkele jonge Vlaamse talenten tijdens de bezettingsjaren hun eerste boeken ook bij de jonge uitgeverij verschijnen. Naast de eerder genoemde Hensen en Daisne waren dat Piet van Aken, Louis Paul Boon, Bert Decorte en Hubert Lampo. Bijna allemaal auteurs die nu tot onze literaire canon worden gerekend. Ook hier werden hoge oplagen gehaald: van De trap van steen en wolken werden 2500 exemplaren geproduceerd en van De voorstad groeit 4000 exemplaren.

Op één terrein wilde het tijdens de oorlog nog steeds niet erg lukken en dat was het terrein van de literaire vertalingen. Er verscheen in 1942 een vertaling door Bert Decorte en Leo Symoens van een roman door de Duitser Joachim von der Göltz en in 1943 verschenen vertalingen van Adalbert Stifter en Gottfried Keller door de Nederlandse communistische schrijver Nico Rost. Dat is al bij al geen indrukwekkende lijst en belangrijker was dan ook dat Manteau in 1943 een flink aandelenpakket in handen kreeg van Les Editions Lumière. Dat was een Franstalige uitgeverij die in 1925 in Antwerpen werd opgericht door Roger Avermaete. Bemiddelaar bij deze transactie was Frans Smits, een goede vriend van het echtpaar Closset-Manteau. Voor relatief weinig geld kreeg Angèle Manteau op die manier een meerderheidsaandeel in een mooie uitgeverij, die tenslotte in 1946 helemaal door haar werd overgenomen.

Reden voor deze opvallende overname was dat Manteau haar eigen auteurs ook in het Frans wilde uitbrengen. Ze liet bijvoorbeeld nog tijdens de bezetting Franse vertalingen maken door respectievelijk Denis Marion en Paul Méral van De voorstad groeit van Louis Paul Boon en De trap van steen en wolken van Johan Daisne. Deze vertalingen zijn overigens nooit verschenen, ook al niet omdat Méral door Daisne aan de kant werd gezet. Maar een aantal titels verschenen inderdaad zowel bij Manteau als bij Lumière. Een andere reden voor de overname was de oude wens om ook buitenlandse auteurs aan te trekken voor de uitgeverij. Dat lukte heel aardig want tijdens en ook na de oorlog (tot 1955) was 40% van haar Franstalige uitgaven van niet-Belgische origine. U moet daarbij denken aan auteurs als Colette, Elsa Triolet en Paul Eluard.

Amper hadden de Duitsers in september 1944 Brussel verlaten, of Angèle Manteau ondernam verdere stappen om meer buitenlandse auteurs in haar fonds onder te brengen. Ze was er bovendien heilig van overtuigd dat men in het buitenland ook haar eigen Vlaamse auteurs moest lezen en hoopte op basis van wederkerigheid contracten te kunnen afsluiten. Manteau probeerde in Parijs de aandacht te vestigen op haar belangrijkste auteurs, met name Johan Daisne en Louis Paul Boon. Ze klopte aan bij Les Nouvelles Littéraires, waar Frédéric Lefèvre hoofdredacteur was, bij de eerder genoemde Marcel Arland, en zelfs bij Les Lettres Françaises van Louis Aragon. Maar overal kreeg ze nul op het rekest. De genoemde redacteuren en uitgevers waren anderzijds wel zo handig om Manteau contracten te laten tekenen voor hun eigen werk, want bij Manteau/Lumière verschenen werken van onder meer Lefèvre, Arland en Elsa Triolet, de echtgenote van Aragon.

Manteau was er erg op gebrand om haar auteurs in het Frans te laten verschijnen omdat ze de hoop koesterde dat daarna de andere landen wel zouden volgen: Polen, Italië etc. Een Franse vertaling was, aldus Manteau, een soort literair kwaliteitslabel en een waarborg voor verkoopbaarheid en of leesbaarheid. Maar de Fransen hadden wel anders aan hun hoofd dan Vlaamse schrijvers: ze wilden eerst hun eigen auteurs drukken of herdrukken. En daarnaast was er door de aanwezigheid van geallieerden in Parijs beduidend meer belangstelling voor de Russische, Amerikaanse en Engelse literatuur. Manteau heeft achteraf dan ook toegegeven dat ze de situatie in Frankrijk destijds veel te rooskleurig heeft ingeschat en dat het naïef was om te denken dat Frankrijk, met alle financiële problemen van dien, interesse zou hebben voor haar Vlaamse schrijvers.

Behalve in Parijs probeerde Manteau na de oorlog ook weer vastere voet aan de grond te krijgen in Nederland. Eenvoudig was dat niet want de boeken in België waren inmiddels twee keer zo duur geworden als in Nederland omdat daar nog vooroorlogse prijzen werden gehanteerd en omdat men in België te snel, te veel en te duur produceerde. Bovendien werden in Nederland na de oorlog die bedrijven bevoordeeld, die zich op de export toelegden en werd de import aan strenge regels onderworpen. Bij import van boeken werden door een zogenaamde importcommissie strenge richtlijnen gehanteerd. Zo kreeg het wetenschappelijke boek voorrang boven literaire boeken in een verhouding van 80% en 20%. De landen waarvoor speciaal valuta voor werden vrijgemaakt waren Amerika, Engeland, Zweden en België. Er werd bovendien in het bijzonder geld beschikbaar gesteld voor boeken waar direct behoefte aan was. De aankoop van gehele of gedeeltelijke oplagen, ook wanneer iemand als mede-uitgever van zulke uitgaven optrad, of de invoer van oplagen die men in het buitenland had laten drukken vielen hier dus niet onder. Dat was bijzonder lastig voor Manteau die juist haar overschotten van Nederlandse auteurs als Fabricius en Corsari wilde verkopen in Nederland en die delen van de oplage van Boon, Daisne, Lampo etc aan Nederland wilde slijten.

Op 18 november 1945 verscheen in het weekblad Zondagspost, ook een uitgave van uitgeverij Manteau, onder de kop ‘Waarom geen wederkeerigheid?’ een artikel tegen de protectionistische regelingen in Nederland. Vlaamse uitgevers hadden, vooruitlopend op de naoorlogse vraag naar Vlaamse boeken in Nederland, grote partijen van hun oplagen gereserveerd voor Nederland. Die import bleef uit, terwijl Nederland wel volop naar België exporteerde. De schrijver van het stuk, vermoedelijk François Closset, besloot zijn artikel als volgt: ‘Dat dergelijke practijken in voege zijn in andere branches van het internationaal economisch leven, is jammer genoeg niet te loochenen, maar waar het gaat om cultuurverspreiding, en in een vak, dat het goede voorbeeld van internationale samenwerking zou moeten geven, in een vak dat zo prat gaat op zijn afkeer voor engen concurrentiegeest en op zijn rol als verdeeler van geestelijke waarden, is dit verschijnsel bedroevend en zelfs beangstigend’. Einde citaat. Later kwamen er door nieuwe handelsverdragen tussen Nederland en België wel meer mogelijkheden, maar ook toen bleef het onmogelijk om vertalingen die gemaakt waren in Vlaanderen en om de boeken van een Nederlandse auteur die in België was gedrukt naar Nederland te importeren. De regeling beoogde namelijk om de invoer in Nederland van oorspronkelijk werk van Belgische auteurs en de invoer in België van Nederlandse auteurs te stimuleren. Pas eind jaren veertig werd de zaak min of meer genormaliseerd al bleef de administratieve rompslomp nog lang een probleem.

Het bleek voor Manteau kortom bijna onmogelijk om in Parijs en Nederland boeken aan de man te brengen. Daar komt nog bij dat in eigen land de vraag naar literatuur sterk afnam. Ik citeer nogmaals Mevrouw Manteau: ‘Direct na de bevrijding had in Vlaanderen niemand meer interesse voor lectuur, tenzij voor de schaars verschijnende dagbladen. Alle aandacht ging naar nieuwe kleren en schoenen, men durfde dromen van koelkasten, auto’s, zelfs van verre reizen. Aan een “schuilplaats” had men geen behoefte meer, letterlijk noch figuurlijk.’ Einde citaat. Er brak een bijzonder moeilijke periode aan voor de uitgeverij en de productie liep hard achteruit: van achtenvijftig titels in 1944 naar drie titels in 1950. Alleen 1946 was nog een topjaar. De mooie plannen verdwenen in de kast en het aantal nieuwe titels werd tot een minimum teruggebracht. Wel was Manteau verplicht om de contracten die ze al tijdens en direct na de oorlog had getekend na te komen en ook de loodzware en kostbare klus van het verzamelde werk van Karel van de Woestijne moest tot een goed einde worden gebracht. De auteurs die ze in bezettingstijd in licentie had uitgegeven keerden terug naar hun oude uitgeverij en de jonge auteurs liepen zoetjesaan ook allemaal weg naar Nederland. Allemaal, behalve Johan Daisne. Deze ontwikkeling van het bedrijf stemt overigens geheel overeen met de algemene verschuivingen in het boekenvak in België na de oorlog. Als we de statistische gegevens erbij pakken die ik heb verzameld aan de hand van Het Boek in Vlaanderen, dan zie je dat de totale boekenproductie in Vlaanderen keldert van 1119 titels in 1946, een topjaar, naar 438 in 1952, een dieptepunt dat het niveau van de productie terugwierp naar 1934. In Nederland viel er wel een redelijke stijging te noteren tussen 1938 en 1950, maar die stijging is voornamelijk te danken aan het grote aantal herdrukken.

Viel er dan helemaal geen enkel lichtpuntje meer te noteren na de succesvolle oorlogsperiode? Het is misschien wat wrang om achteraf te moeten vaststellen dat Manteau in de eerste naoorlogse jaren op één terrein wel vooruitgang boekte, en dat was met literaire vertalingen. Ik noemde eerder al enkele Franse boeken en dankzij de bemiddelende rol van Vernon Mallinson van de Universiteit van Reading was Manteau er eveneens in geslaagd een redelijk aantal Engelse boeken vast te leggen voor haar bedrijf. Bij Manteau en Lumière verschenen na de oorlog, tot 1955, twintig boeken die oorspronkelijk in Amerika of Engeland waren verschenen. Dat is een kleine tien procent van het totale naoorlogse aanbod van Manteau. Analyse van de fondslijst voor de periode 1938 tot 1955 leert verder dat weliswaar slechts vijftien procent van het totale aanbod van 421 titels van niet-Belgische oorsprong was, maar in de jaren 1945-1948 lag dit percentage rond de dertig procent.

Dat de uitgeverij uiteindelijk niet helemaal ten onder is gegaan is te danken aan de vele wetteksten die Manteau na de oorlog uitgaf, aan enkele fotoboeken over België die gretig werden opgekocht door ambassades en ministeries en door de vertalingen van de beroemde schrijver Curzio Malaparte. Van hem gaf Manteau met succes Kaputt uit en De huid. Ook Françoise Sagan die in de jaren vijftig aan het fonds werd toegevoegd in vertalingen van Hubert Lampo was een groot succes, maar dat gebeurde op een moment dat de uitgeverij er eigenlijk al weer bovenop krabbelde. Na het dieptepunt in 1950 wist de uitgeverij vijf jaar later namelijk al weer met negentien nieuwe titels te komen. Naast Sagan dient vooral het ‘debuut’ tussen aanhalingstekens van Jos Vandeloo speciaal vermeld te worden en natuurlijk de bloemlezing Waar is de eerste morgen? van Jan Walravens. Deze laatste titels tonen aan dat de uitgeverij het contact met een nieuwe generatie weer had opgepikt. In de decennia die volgden beleefde de uitgeverij zijn tweede grote bloeiperiode.

Ik begon deze lezing met de verwachting uit te spreken dat er nu meer dan ooit ruimte komt voor kleine uitgeverijen in kleine taalgebieden omdat het gemakkelijker zal worden om in meerdere talen uit te geven. In België heeft Angèle Manteau zestig jaar geleden een flinke poging gedaan om, op persoonlijke en haast intuïtieve wijze, een tweetalige uitgeverij uit de grond te stampen die internationaal zou kunnen opereren. Voor Manteau bestond niet zoiets als ‘literatuur in België’, van meet af aan zag zij het allemaal internationaal. België als zodanig bestond niet voor haar, wel Amsterdam, Parijs, Londen, Praag en Brussel. Haar oorspronkelijke ambities staan echter in schril contrast met de praktijk. De cijfers liegen niet. Weliswaar was 25% van haar totale productie tussen 1938-1955 in het Frans, maar slechts een gering aantal auteurs waren van Franse origine. Van de 75% Nederlandstalige boeken was nog geen half procent afkomstig uit Nederland, de rest was Vlaams. Tussen droom en daad stonden letterlijk wetten in de weg en heel veel praktische bezwaren, of in de woorden van de uitgeefster zelf: ‘Je weet toch wel dat de resultaten en de financiële problemen een grote rol spelen in de evolutie van een uitgeverij? Dat je heel wat projecten moet laten varen, omdat je ze niet tot stand kunt brengen? Dat wordt wel eens vergeten in de geschiedenis van de literatuur’.

Ik dank u.