> Voorwoord  
<HOME >    
[Kevin Absillis]
- Een kleine uitgeverij van stand. A. Manteau (1938-1970)
 


I. “U geeft boeken uit die ik zelf graag had uitgegeven.”

Op 18 oktober 1968 werd in het Amsterdamse grootwarenhuis De Bijenkorf het dertigjarige bestaan van de uitgeverij A. Manteau gevierd. Om de plechtigheid extra luister bij te zetten, had men de Nederlandse uitgever Geert van Oorschot geïnviteerd. In zijn feestrede prees deze door de wol geverfde causeur het beleid van Angèle Manteau, oprichtster en al dertig jaar ook directrice van de jubilerende firma. “U geeft boeken uit die ik zelf graag uitgegeven zou willen hebben”, aldus Van Oorschot. De faam van de redenaar bezorgde het compliment een ruime weerklank. Omstreeks 1968 was Geert Van Oorschot zowat de meest prestigieuze literaire uitgever van het Nederlandse taalgebied. Hij had baanbrekend werk uitgegeven van Gerard Reve en Willem Frederik Hermans, was eigenaar en redacteur van het alom geprezen tijdschrift Tirade en oogstte lof met vertalingen van gerenommeerde Russische auteurs. Ook zijn uitgebreide poëziefonds dwong bewondering af en respect. De schrijver Jeroen Brouwers, die van 1964 tot 1970 secretaris was van Angèle Manteau, had in die tijd naar eigen zeggen maar één ambitie: “zo goed te schrijven dat mijn boeken ooit bij Van Oorschot zouden verschijnen.” [Brouwers 1989: 11]

Geert van Oorschot ging er prat op dat hij alleen uitgaf wat hijzelf goed vond en dat ‘gemakkelijk’ commercieel succes hem niet interesseerde. Voor precies dezelfde kwaliteiten feliciteerde hij in zijn feestrede Angèle Manteau. Ook zij had volgens hem altijd haar eigen zin gedaan, zonder daarbij in de eerste plaats aan verkoopcijfers te denken. [1] Van Oorschot stond model voor een ook toen al wat verouderd type van uitgever: de gentleman art dealer, die zich schijnbaar belangeloos inzette voor de verrijking van het culturele patrimonium. “Ik word niet gedreven door winstbejag”, “Beschouw mij niet als een ordinaire zakenman” of “De waarde van een boek, althans de waarde van het ‘Goede Boek’, valt niet in geldbedragen uit te drukken”, zijn geijkte zinsneden uit het discours van dergelijke uitgevers. Ook Angèle Manteau, “de Grand Dame van de Vlaamse literatuur”, had gepoogd zich het imago van ‘kwaliteitsuitgever’ aan te meten. Klaarblijkelijk met succes, want ze stond al jaren bekend als een verfijnde zakenvrouw met een exquise smaak en benijdenswaardig veel Fingerspitzengefühl; naar verluidt wist ze feilloos echte artiesten te onderscheiden van amateurs en ware kunst van huisvlijt. Zoals bekend vatte ze zelf haar uitgavenbeleid graag samen onder het motto: “Literaire kwaliteit is de enige norm.”

Uiteraard waren zowel Van Oorschot als Manteau maar wat blij met een onverbiddelijke bestseller. Als hun boeken niet werden verkocht, dan ging hun zaak op de fles: zo simpel was dat. Maar het stond niet chique en het paste evenmin bij hun zorgvuldig opgebouwde imago om zulks met zoveel woorden toe te geven. Gert Jan de Vries stelde in Ik heb geen verstand van poëzie: G.A. van Oorschot als uitgever van poëzie (1994) vast dat de beeldvorming over de legendarische uitgever van de vroege Reve en W.F. Hermans lang niet altijd strookte met de werkelijkheid. Het ‘literaire’ gehalte van zijn fonds was gedurende hele periodes bijvoorbeeld vrij gering. Bovendien was Van Oorschots beleid lang niet altijd zo coherent als de uitgever zelf vaak suggereerde [De Vries 1994: 14]. De fondslijst van uitgeverij Manteau toont aan dat ook het discours van de Grande Dame van de Vlaamse letteren niet altijd overeenstemde met haar officiële beleid. Zo blijkt dat tal van bij de firma Manteau uitgegeven werken niets of nauwelijks iets met literatuur hebben te maken, laat staan dat het label ‘literaire kwaliteit’ eraan toegekend zou kunnen worden. Suzanne Dussart-Debèfve, bijvoorbeeld, wordt in geen enkel literair naslagwerk vermeld, maar ze staat wel met maar liefst twaalf publicaties (herdrukken inbegrepen) in de Fondslijst Uitgeverij A. Manteau/Editions Lumière 1938-1970; dat zijn er evenveel als Clem Schouwenaars en meer dan onder anderen Chris Yperman, Jan Walravens of de al eerder vermelde Jeroen Brouwers. Dussart-Debèfve schreef Duitse handboeken en Manteau verkocht die aan het Waalse onderwijs. Eigenlijk beschikte de Brusselse uitgeverij zeker in het begin van de jaren zestig over een heus schoolboekenfonds. Andere uitgaven bestemd voor het onderwijs waren bijvoorbeeld: Progressive Course Technical English van L.M. Mauquoi (1962), Traité de sténographie commerciale van Jean Gérard & Walter Franquet (1962), La Dactylographie rationelle. Méthode aveugle des dix doigts van P. Fostroy & E. Delhaxe (1964). Naast schoolboeken heeft Manteau ook prentenboeken en wetteksten gepubliceerd. Het hoeft niet te verbazen dat de uitgeverij zelf weinig ruchtbaarheid gaf aan haar ‘nevenactiviteiten.’ Haar imago werd er immers enigszins door geschaad. Op zich was het allesbehalve een schande schoolboeken uit te geven, maar ‘literaire kwaliteit’ was toch wat anders. In Jaar in jaar uit, een speciaal ter gelegenheid van het dertigjarig jubileum samengestelde fondslijst, kwam dan ook alle aandacht te liggen op de literaire raspaardjes uit de Manteau-stal: dus Chris Yperman, Jan Walravens, Jeroen Brouwers… Hoewel ze economisch gesproken van het allergrootste belang waren voor het bedrijf, werden de vele school- en prentenboeken nauwelijks vermeld. En ook in de toespraken werd zedig gezwegen over de niet-literaire uitgaven van Manteau.

De woorden van lof die Van Oorschot tot Angèle Manteau richtte, zullen de uitgeefster ongetwijfeld hebben doen gloeien van trots. Zij had veel bewondering voor haar Nederlandse collega, in wie zij een zielsverwant meende te herkennen. In 1966 had zij hem nog gefeliciteerd met de uitgave van het tijdschrift Tirade, dat zij “voortreffelijk” vond en waarop ze zich dan ook prompt had geabonneerd. [2] Bovendien was Van Oorschot een Nederlander. Niet alleen voor een Vlaamse auteur, ook voor een Vlaamse uitgever gold erkenning boven de grote rivieren toentertijd zowat als het hoogste goed. Opdat Manteau als ‘merk’ in Nederland van de grond zou komen, liet de directrice haar boeken vaak drukken bij Nederlandse drukkers en werd de lay-out ervan verzorgd door Nederlandse vormgevers als Jan van Krimpen, Stefan Mesker, Aldert Witte, Karel Martens en Jeannette Kossmann. Binnenkomende manuscripten werden toevertrouwd aan Nederlandse lectoren, in de jaren veertig en vijftig Bep Eenhoorn, in de jaren zestig de Friese schrijver-psycholoog Theo Oegema van der Wal. Voor publicatie aanvaarde boeken werden doorgaans door diezelfde lectoren zorgvuldig geredigeerd. Daarnaast heeft Manteau zich vreselijk hard ingespannen om Nederlandse auteurs in haar fonds op te nemen. De uitgeefster zal dus wel in haar nopjes zijn geweest over het feit dat ze zo fijn gehuldigd werd in Amsterdam, het onbetwiste centrum van de Nederlandse uitgeverswereld. [3]


Geert van Oorschot was in 1968 niet de enige spreker op de jubileumviering van de firma Manteau. Namens de fondsauteurs hield Manteaus trouwe vriend Johan Daisne een bijzonder emotionele toespraak, waarin hij de uitgeverij “een haard van bezieling” noemde en de directrice in het Frans voor alles bedankte: “Très, très chère Angèle, je te remercie de toute mon affection émue, au nom de nous tous. Nous te devons tout, sans toi nous ne serions pas.” [Daisne 1969 : 83] Aan het slot van het feest nam Angèle Manteau zelf het woord. In plaats van met nostalgie en weemoed achterom te kijken verkoos ze, strijdvaardig als immer, vooruit te blikken: “Voor mij is het beste boek altijd weer het boek dat nog moet komen.” [Roggeman 1968] De toekomst zag Manteau overigens vol vertrouwen tegemoet en daar had ze ook alle reden voor. 1968 was een onvervalst topjaar voor haar firma. Maar liefst zevenenvijftig boeken werden uitgegeven, waaronder nieuw werk van golden boys Jos Vandeloo (De coladrinkers) en Ward Ruyslinck (Het ledikant van Lady Cant). Van dezelfde auteurs, en voorts ook van Johan Daisne, Françoise Sagan, Maurice Roelants en Felix Timmermans, verschenen herdrukken in de succesvolle Marnixpocketreeks. Jef Geeraerts vestigde definitief zijn naam met Gangreen I: Black Venus, een werk dat met zijn vele gewaagde passages flink wat stof deed opwaaien en Manteaus grootste bestseller werd. Klap op de vuurpijl was de lancering van de ‘Vijfde Meridiaan’, een ambitieuze paperbackserie die geredigeerd werd door de destijds zeer gevreesde polemist Julien Weverbergh en waarin experimenteel werk van jonge, veelal debuterende Vlaamse en Nederlandse auteurs gepubliceerd werd. Zo verschenen in 1968 in één keer, een onvervalst huzarenstukje, de eerste vijf delen: De ondertrouw van Hans Plomp, De mutant van Daniël van Hecke, Scherpschuttersfeest van Marcel van Maele, Het geluid van Herman J. Claeys en De maagden, een reportageroman van Enno Develing, die vooral door de erin afgedrukte pikante foto’s vlot verkocht zou worden.

Kenmerkend voor de sfeer in het bedrijf, op dat moment, was het haast euforische verslag van adjunct-directeur Jos Vandeloo over de RAI-boekenmarkt, die van 11 tot en met 20 oktober in Amsterdam plaatsvond:

“[...] Ik meen [...] te mogen zeggen dat wij tijdens deze wel bijzonder lange en vermoeiende dagen ons uiterste best hebben gedaan om onze firma in alle opzichten te dienen. [...] De verkoopsresultaten van de Belgische stand lagen om en nabij de f. 5.000, dus zowat 70.000 Brfs. Er waren een tiental uitgevers uit ons land. Ik meen dat Manteau niet alleen veruit het meest verkocht heeft – misschien wel de helft, d.w.z. zoveel als de negen andere tesamen? – maar dat Manteau ook het grootste morele en prestigesuccès heeft behaald. De stand werd gewoon de Manteau-stand genoemd. [...] Drie jaar geleden ben ik er ook een paar keer geweest, maar nu was er een hemelsbreed verschil. De Manteau-boeken zijn nu algemeen bekend, de belangstelling was hartverwarmend en ik ben blij dat ik er was om de verkoop te pousseren en te stimuleren, zodat de liefde voor ons fonds niet alleen beperkt bleef tot een platonische genegenheid.” [4]

Kortom, het dertigjarig jubileum van het uitgevershuis Manteau werd gevierd onder een bijzonder gunstig gesternte. Nooit eerder scheen de firma er zo goed voorgestaan te hebben en men kon de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. In het exemplaar Jaar in jaar uit dat ze aan haar rechterhand Jeroen Brouwers schonk, schreef Angèle Manteau: “Voor Jeroen Brouwers [...] met de uitdrukkelijke wens dat hij er in de komende jaren nog veel meer zal verzorgen (boeken bedoel ik) en dat we samen, in 1988, -- dan ben ik pas 77 -- ons met vergrijsde hoofd kunnen buigen op een Manteau Jaar in jaar uit 1938-1988 of Manteau vijftig jaar; en met de hoop dat het bedrijf, dankzij zijn medewerking, uitgegroeid zal zijn tot een kwalitatief hoogstaand en zakelijk renderend uitgeversfonds”. [5] Niemand kon op dat moment vermoeden dat de zelfverklaarde uitgeversknecht Brouwers nauwelijks anderhalf jaar later zou worden afgedankt. De in het najaar van 1968 nog zo triomfalistisch klinkende Jos Vandeloo zou zelfs al in februari 1969 het bedrijf verlaten. En Angèle Manteau zelf sloeg in december 1970, amper twee jaar na de luisterrijke jubileumviering, de deuren van haar uitgeverij met een oorverdovende knal achter zich dicht. Daarmee leek een voortijdig einde te komen aan een in ‘literaire kwaliteit’ gespecialiseerde firma zoals Vlaanderen er nooit voordien een had gekend. Hoe had het in godsnaam zover kunnen komen!

Wordt vervolgd...

Geraadpleegde literatuur

Brouwers, Jeroen. Het tuurtouw: Ter herinnering aan Geert van Oorschot. Amsterdam: G.A. van

Oorschot, 1989.

Daisne, Johan. ‘Angèle Manteau: Waalse uitgeefster van Nederlands werk.’ In: De vrouw en haar

huis, januari 1969: 82-83.

Manteau, Angèle. ‘De crisis in het boekbedrijf: Een uitgeefster aan het woord.’ In: Snoeck’s Grote

Almanak 1951. Gent: Snoeck-Ducaju, 1951: 176-177.

Roggeman, Willem. ‘Uitgeverij A. Manteau viert 30-jarig bestaan.’ In: Het Laatste Nieuws, 21

oktober 1968.

Vries, Gert Jan de. Ik heb geen verstand van poëzie: G.A. van Oorschot als uitgever van poëzie. Amsterdam:

Van Oorschot, 1994.