[Ernst Bruinsma]
  - | Uitgeverij Manteau en het jongerentijdschrift Werk
 
Eerder verschenen in ZL. Literair-historisch tijdschrift, 1 (2001), 1 (april), p.13-27


Uitgeverij Manteau en het jongerentijdschrift Werk

In een brief aan de weduwe van de Nederlandse schrijver en journalist Nico Rost schreef Johan Daisne in 1969: ‘Net voor de oorlog heb ik Nico ook onder pseudoniem willen binnensmokkelen in het Vlaams-Hollandse tijdschrift Werk (ik was daarvan een der 4 redacteuren); het kwam uit en Mevr. Manteau is toen een tijdje boos op me geweest’. Achter dit ogenschijnlijk onschuldige zinnetje, dat haast als terloops met pen aan een lange getypte brief werd toegevoegd, gaat een vrij dramatisch verhaal schuil. In zekere zin luidde deze actie van Daisne het einde in van het tijdschrift Werk, waarmee de in 1938 begonnen uitgeverij Manteau zo graag had willen scoren. En mevrouw Manteau was daar begrijpelijkerwijs ‘een beetje boos’ over.

De uitgeverij van Angèle Manteau werd officieel op 1 april 1938 bij het handelsregister in Brussel ingeschreven. Bij de oprichting van het bedrijf werd Manteau, die sedert 1932 een importboekhandel in de hoofdstad had gehad, financieel gesteund door de Nederlandse uitgeverij H.P. Leopold. Literaire kwaliteit brengen is het credo van de nieuwe uitgeverij. Maar ook: zoveel mogelijk politiek neutraal blijven, net als de meeste andere uitgeverijen van dat moment. In de herfst van dat jaar maakte Manteau haar debuut als uitgever, hoewel ze voordien ook al enkele boeken in opdracht van andere uitgeverijen op de Vlaamse markt had uitgebracht met een aangepaste titelpagina. Haar eerste echte eigen titel was een herdruk van de roman Wrakken van Emmanuel de Bom. Deze bekende Van-Nu-en-Strakser zou dat jaar zeventig worden en dat vormde een mooie aanleiding om met een herdruk van zijn bekende roman te komen. De jonge Maurice Gilliams werd bovendien bereid gevonden om een inleiding voor de herdruk van Wrakken te schrijven.

Het uitgeven van literair-historisch werk zou een van de belangrijkste pijlers worden waarop uitgeverij Manteau werd gebouwd en in die zin is de herdruk van Wrakken symptomatisch te noemen voor het fondsbeleid van het bedrijf. Met name de groep rond Van Nu en Straks neemt een opvallende plaats in binnen het fonds van Manteau. Want naast werk van De Bom verscheen bij haar ook een bundel van Arnold Sauwen en de uitgeverij publiceerde voorts de verzamelde werken van Herman Teirlinck, August Vermeylen en Karel van de Woestijne. En tenslotte was Manteau aan het eind van de oorlog ook de beoogde uitgever van een nieuw tijdschrift dat de groep van Van Nu en Straks na Vlaanderen weer zou binden. Ik doel hier op het tijdschrift Diogenes dat uiteindelijk na de oorlog als Nieuw Vlaams Tijdschrift bij Ontwikkeling zou verschijnen.

De tweede pijler waarop het jonge uitgeversbedrijf wilde gaan bouwen moest worden gevormd door nieuw werk van jonge Vlaamse en Nederlandse auteurs. Om jong talent op te sporen maakt een uitgeverij over het algemeen graag gebruik van een literair tijdschrift en toen Robert Leopold, een neef van de bekende dichter Leopold overigens, werd benaderd voor een nieuw op te richten Vlaams-Nederlands jongerentijdschrift, zocht hij al snel de samenwerking met Manteau. Het idee was afkomstig van Jan Greshoff en de titel voor het blad was ook al bekend. Greshoff was een oude bekende van Manteau want via hem was ze eind jaren twintig, begin jaren dertig als jonge studente scheikunde in aanraking gekomen met de Nederlandse literatuur en tot 1934 had ze bij hem in huis gewoond. De oprichting van het tijdschrift zou overigens een van de laatste wapenfeiten van Greshoff in Europa blijken te zijn, want de inmiddels vijftigjarige literaire duizendpoot verliet mei 1939 het oude continent om zich in Zuid-Afrika te gaan vestigen. Het eerste nummer van Werk verscheen in januari 1939 en Greshoff heeft dus vermoedelijk een vijftal nummers redelijk van nabij kunnen volgen. Na zijn vertrek werd al snel duidelijk dat het tijdschrift geen lang leven meer beschoren zou zijn en het doek viel definitief in begin december 1939. Onder redactie van Ed. Hoornik, Adriaan van der Veen, Jan Schepens en Johan Daisne had het jongerentijdschrift het toen precies twaalf nummers volgehouden.

In zijn Letterkundig Prentenboek uit 1943 beschrijft Jan Schepens hoe hij in een van de wintermaanden van 1938 werd uitgenodigd bij Jan Greshoff thuis in Brussel. De heren kenden elkaar overigens al langer, want ze zaten samen in de redactie van Kroniek van kunst en kultuur en Schepens werkte op dat moment druk aan een monografie over Greshoff. Het boekje verscheen later dat jaar bij de Maastrichtse uitgever Sanders Stols, toevallig eveneens een goede vriend van Greshoff. Toen Jan Schepens eenmaal was binnengelokt in het ‘Mekka der vriendschap’ aan de Aug. Reyerslaan 130, deed Greshoff hem zonder veel omhaal van woorden de plannen uit de doeken voor een nieuw tijdschrift voor jonge schrijvers. Als redacteur van Groot Nederland had hij gemerkt dat de generatie die na Forum debuteerde meer goed werk leverde dan Groot Nederland kon publiceren en daarom moest aan de jongeren een kans worden geboden. Adriaan van der Veen, op dat moment persoonlijk secretaris van Greshoff en redacteur van het Hollands Weekblad dat in Brussel verscheen, was al aangezocht voor de redactie en Jan Schepens zei ook zijn medewerking toe.

Om het plan een redelijke kans van slagen te bieden, schakelde Greshoff de hulp in van Frans Delbeke. Deze mecenas was directeur van een gloeilampenfabriek in Engeland en schrijver van enkele (overigens weinig gesmaakte) toneelstukken. Delbeke toonde zich erg enthousiast over het plan en wilde het jongerentijdschrift gelukkig ook graag financieel ondersteunen. Wel had hij bezwaren tegen de formule van een kwartaaltijdschrift. In zijn bedelbrief had Greshoff blijkbaar ook al over de beoogde redacteuren van het jongerentijdschrift gesproken en het bleek dat hij naast Van der Veen en Schepens ook al een derde naam op het oog had. Delbeke schreef namelijk aan Greshoff: ‘De vooruitgezette namen klinken goed. Thiery ken ik echter niet. Kortom ben ik principieel te vinden voor een plan hetwelk den saaien boel wat nieuw leven moet inpompen en zoals gezegd zie ik met belangstelling naar verder nieuws aangaande de onderneming’. De reactie van Delbeke is typerend voor die periode, want de literaire gemeenschap zat inderdaad met smart te wachten tot een nieuwe generatie (na Forum) schrijvers zou opstaan. En interessant is ook dat Greshoff de naam van Daisne blijkbaar al heeft genoemd terwijl die op dat moment nog maar zeer terloops was gecontacteerd en pas half mei volledig zou worden ingelicht over de plannen.

Het is mij nog niet helemaal duidelijk waarom Greshoff juist Daisne bij zijn plannen wilde betrekken. De jonge dichter uit Gent had in 1935 zijn debuut gemaakt als dichter en nadien al drie bundels uitgegeven bij uitgeverij Varior van Paul de Rijck in de reeks Cahiers van de Waterkluis. En in 1937 had hij zelfs al een eigen tijdschrift opgericht: Klaverendrie. Dit blad, met gedichten ‘uit en voor het leven’ maakte hij samen met zijn linkse kameraden Marcel Coole en Luc van Brabant en het driemanschap wist tot september 1939 het blad moeiteloos met eigen werk te vullen. Pas daarna werden ook andere schrijvers tot het blad toegelaten. Het ligt weliswaar voor de hand dat de ambitieuze dichter Daisne op enig moment contact heeft gezocht met Greshoff, op dat ogenblik immers een van de meest invloedrijke literaire figuren in België en Nederland, maar voorzover nu bekend hebben zij tot mei 1938 niet of nauwelijks persoonlijk contact gehad. Sterker nog: in maart 1938 had Daisne via Daan Boens zijn bundel Kernamout zonder resultaat opgestuurd naar Groot Nederland, nadat de bundel in december 1937 ook al was afgewezen voor De Vrije Bladen. Maar misschien is Greshoff overtuigd door Paul de Rijck, Jan Schepens of Raymond Herreman, die allen erg enthousiast waren over Daisnes gedichten. Bovendien was de onvermoeibare Gentse verzenmaker ook prominent aanwezig in het literaire leven in Vlaanderen door zijn radiolezingen en zijn talloze boekbesprekingen voor diverse tijdschriften. En tenslotte werden in mei uiteindelijk toch enkele gedichten voor Groot Nederland aanvaard en dat zal de verhoudingen definitief ten gunste van Daisne hebben doen keren. Andersom zal het aanbod van Groot Nederland ook Daisne beslist welwillend hebben gestemd om positief te reageren op het verzoek dat hem zou worden gedaan.

Op 17 mei 1938 werd Daisne namelijk door Greshoff ontboden voor een afspraak in de Taverne du Passage. Dit was een bekend koffiehuis in Brussel waar Greshoff gewoonlijk al zijn zaken en zijn drukke correspondentie afwikkelde. De heren spraken een half uurtje met elkaar en toen Daisne ’s avonds in pension Windsor in de Regentlaan terugkeerde, bracht hij zijn ouders onmiddellijk op de hoogte van het verloop van het gesprek. Uit deze brief worden enkele dingen duidelijk. In de eerste plaats was Greshoff ondanks Delbeke’s tegenwerpingen nog steeds van plan om het blad vier maal per jaar te laten verschijnen met een omvang van 160 pagina’s. Bovendien werd in deze brief ook al iets over de inhoud prijsgegeven: ‘Uitsluitend letterkundig, althans om te beginnen. Geen kleur, iedereen gewenscht. Geen kleine kritieken, maar ernstige studies. Voor het overige novellen, romans, poëzie. Voorbehouden voor jongere generatie, met uitsluiting van alle anderen’. Verder blijkt dat men in oktober al met een eerste nummer wilde komen. Daisne greep het aanbod met beide handen aan en schreef naar huis: ‘Ik denk wel dat je zult vinden dat ik goed gehandeld heb met me accoord te verklaren. Hier wordt gelegenheid geboden om op groote schaal te werken, ook in Holland’.

Opmerkelijk aan deze brief is dat de Nederlandse firma H.P. Leopold uit Den Haag blijkbaar de uitgever van het blad zou worden. Daar staat dan weer tegenover dat Angèle Manteau veertien dagen nadien een uitnodiging aan Daisne stuurde voor een eerste beraadslaging met Jan Schepens en Adriaan van der Veen. En spoedig daarna werd ook door Manteau en niet door Leopold een begroting gemaakt voor Werk. Daaruit wordt duidelijk dat de uitgevers op een oplage van vijfhonderd exemplaren mikken en rekenen op ongeveer tweehonderd abonnementen: honderd voor België en honderd voor Nederland.

Enkele weken later, op 19 juni 1938, werden de tot dan toe in het geheim voorbereide plannen plotseling wereldkundig gemaakt in een berichtje in het Algemeen Handelsblad: ‘Het blad [...] zal vier maal per jaar verschijnen, uitsluitend werk van jongeren bevatten, en een omvang hebben van 160 bladzijden per aflevering’. In het bericht wordt abusievelijk Importboekhandel Manteau slechts als redactieadres opgegeven, en wordt de naam genoemd van een tweede Nederlandse redacteur, namelijk Ed. Hoornik. Hoornik was overigens als journalist verbonden aan het Algemeen Handelsblad en heeft het bericht naar alle waarschijnlijkheid aan de redactie doorgespeeld. Hij was tevens de meest ervaren auteur op dat moment, en had al bijgedragen geleverd aan een hele reeks tijdschriften: Groot Nederland van Greshoff maar ook Het Venster, Forum, De Gemeenschap, De Nieuwe Gids, De Nieuwe Gemeenschap en Helikon.

Heel opmerkelijk is dat in het berichtje indirect aan Forum werd gerefereerd. Dat blad was immers opgeheven vanwege een onoverkomelijk verschil van mening tussen de Vlaamse en Nederlandse redactie. Het krantenbericht meldde nu: ‘Het tijdschrift zal niet in een Vlaamsch en Nederlandsch gedeelte worden gesplitst; de bijdragen zullen naast elkaar worden opgenomen’. De mannen van Forum zelf intussen, bleven afstand houden. Zij keken verwachtingsvol toe hoe eindelijk een nieuwe generatie opstond. Zo schreef Menno ter Braak enkele weken na het krantenberichtje aan Du Perron: ‘Wij hadden verleden week Van der Veen te logeeren, die erg geschikt wordt en nu met Hoornik een jongerentijdschrift gaat opzetten (uitg. Leopold). Hij ontwikkelde zijn plannen en ik voel me werkelijk oud. Dat is geen coquetterie’. Duidelijk is dus dat zowel Hoornik, getuige het krantenbericht, als Van der Veen vooral uitgeverij Leopold als de uitgever van het blad zien. Een miskenning van de Vlaamse inbreng die, zoals duidelijk zal worden, symptomatisch was voor het blad en ook het einde van het blad zou betekenen. Toch was Angèle Manteau wel degelijk al vroeg bij de plannen betrokken. Wanneer dat precies was, vermoedelijk ergens tussen half mei en begin juni, valt niet meer te achterhalen.

Het werd intussen ook hoog tijd dat de redacteuren elkaar eens zouden ontmoeten, want tot dan toe hadden zij alleen hun vriendschappelijke omgang met Jan Greshoff gemeen. Van der Veen schreef in dat verband aan Greshoff: ‘Het is natuurlijk noodig zoodra ik in Brussel terug ben met Schepens en Daisne te spreken. En ook Hoornik zal daarna te Brussel moeten komen. Er zijn duizelingwekkend veel dingen te doen. Hoornik kent Schepens’werk en waardeert het zéér. En hij wil, net als ik, graag met Daisne kennismaken. We zullen het goed met elkaar kunnen vinden en als we allemaal ons best doen is er iets heel goeds van Werk te maken. Van de ijver van Hoornik ben ik overtuigd en ik wil nu niets liever dan zoo gauw mogelijk met de Vlaamsche redacteuren overleggen en met mevr. Closset’. Mevrouw Closset-Manteau is inmiddels nauw betrokken bij de plannen en ze heeft ook overleg gevoerd met Delbeke aan wie ze eind juni 1938 een uitgewerkt plan voorlegt.

Daaruit blijkt dat Werk een kwartaalblad alleen voor de jongste generatie moet worden en zich wat haar betreft, en dat past precies in haar beleid als uitgever, boven de partijen zou moeten stellen: ‘In Vlaanderen ziet het er, voor jongeren, nog minder rooskleurig uit, want langzamerhand hebben politieke en godsdienstige kwesties de overhand gekregen in de litteraire bladen. En toch is er een jonge generatie op komst, die talent heeft, produceeren wil, en weinig gelegenheid heeft om zich uit te spreken’. Elk nummer zou aan het begin van elk seizoen moeten verschijnen en met deze frequentie zou volgens Manteau een zekere kwaliteit gewaarborgd zijn. Literaire kwaliteit was immers waar zij als uitgever naar streefde: ‘Op die manier is men niet verplicht de eerste de beste bijdrage op te nemen, om een nummer te vullen, maar men heeft allen tijd om iedere opname zorgvuldig te overwegen’.

Dit uitgewerkte plan werd in Engeland besproken door Leopold en Delbeke en zij hadden wel wat kritiek op de opzet. Helaas zijn de brieven niet bewaard gebleven, maar enkele van hun bezwaren werden snel duidelijk en waren ook al uit Delbeke’s eerste brief aan Greshoff gebleken: de omvang van het tijdschrift en de verschijningsfrequentie moet anders en men struikelt over de naam. Uit een brief van Manteau aan Jan Greshoff wordt namelijk duidelijk dat niet alleen Schepens ontevreden was over de naam van het blad. Die schreef eerder aan Greshoff: ‘Werk klinkt té neutraal, alhoewel Kloek en gedurfd en rustig-zeker. Wellicht vinden we nóg iets beters’. En Leopold, die overwoog om te stoppen met De Vrije Bladen wilde deze naam om redenen van continuïteit op een of andere wijze aan dit nieuwe initiatief verbinden. Er zijn namen gevallen als De Vrije Bladen van Noord en Zuid en Werk, de nieuwe Vrije Bladen maar het bleef uiteindelijk gewoon Werk.

Over de omvang en de frequentie van het blad hadden Daisne en Schepens ook al overlegd. Aanvankelijk lag het zoals gezegd in de bedoeling het tijdschrift eens per kwartaal te laten verschijnen, maar in de zomer van 1938 zou Daisne hebben voorgesteld er een maandelijks tijdschrift van te maken. Jan Schepens schreef daarop aan ‘Beste Herman’ in dat hem zo typerende cryptische taalgebruik: ‘Tdschr elke m. In pl.v. 3-m.: Ja, wat moet ik daarover zeggen. Een maandel-uitgave heeft een tijdelijker karakter, is minder academisch (om Greshoffs woord te gebruiken) dan een quarterly review. We zullen de zaak in een verg. bij Manteau moeten in orde brengen’.

Bij Manteau waren na het berichtje in het Algemeen Handelsblad de eerste bijdragen al binnengestroomd. Het werd zo langzamerhand echt hoog tijd voor een bijeenkomst waarin de redacteuren kennis konden maken met elkaar en waarin de eerste nummers vastgesteld konden worden. Ook Delbeke en Leopold drongen daar op aan, zo schreef Manteau aan Greshoff, ‘La conclusion est que les rédacteurs doivent le plus tôt possible, mettre les deux premiers numéros et le manifeste sur pied, a fin de montrer ‘wat zij presteeren kunnen’, et alors la jeune rédaction pourra se montrer bien plus forte vis-à-vis de Delbeke et de Leopold. Mais comme vous le voyez, voilà bien des changements; â part cela, la revue est accueillie avec beaucoup de sympathie, sauf de la part de Gilliams, qui aurait sans doute voulu entrer dans la rédaction’. Manteau had goede contacten met Gilliams gekregen nadat hij zich bereid had verklaard om een voorwoord te schrijven voor de heruitgave van Wrakken van De Bom. Gilliams weigerde echter zijn medewerking aan het jongerentijdschrift: ‘Savez-vous que Gilliams est contre Werk, et qu’il a refusé d’y collaborer. C’est surtout la présence de Schepens dans la rédaction qui l’irrite’.

Een eerste vergadering heeft pas in augustus plaatsgevonden in Den Haag, in café Riche aan het Buitenhof. Van der Veen en Hoornik hadden enkele maanden eerder al een soort verlanglijstje gemaakt en dat zal daar wellicht besproken zijn. In een verslag aan Greshoff schrijft Van der Veen: ‘Een kort manifest door mij te schrijven en wat dan door de andere redacteuren van kantteekeningen kan worden voorzien; onderteekend Redactie. Zóó kort dat de bladen het heelemaal kunnen overnemen, géén grote woorden. Proza: van Schepens, essay over Vestdijk; Veen Novelle; Gomperts; Cola Debrot; essay – misschien over werk van Rudi van Lier; M. Gilliams; P. v. Steen; A. van Schendel Jr. ?; Johanna Herts ?; Stenfert Kroese; Theun de Vries (die pas 30 j. is). Poëzie: Hoornik; Daisne; Mok; Vasalis; V. Hattum; Gerard Achterberg; A. Morriën; E. v.d. Steen; H. Hoekstra; Noordstar. Natuurlijk zullen er afvallen en anderen vooral Vlamingen bijkomen. Het eerste nummer vooral moet geheel in evenwicht zijn; wij stellen ons van de abonnementen in Vlaanderen veel voor’.

Daags nadien schreef Schepens aan Greshoff over de eerste gezamenlijke vergadering: ‘Dinsdagavond hadden de vier redakteurs van Werk een drukke vergadering, zoodat het 1e nr. en ook gedeeltelijk het 2e nr. ineenzit. V.d. Veen zal je wel geschreven hebben, meen ik. […] Hoornik viel me buitengewoon mee. Een knappe kerel. Iemand die mijn vriend zou kunnen zijn, moest hij dichterbij wonen’. Schepens verbleef op dat moment voor een aantal dagen in Scheveningen, waar hij enkele ontmoetingen had met Simon Vestdijk in verband met een groot essay dat hij voorbereidde over deze naast Arthur van Schendel op dat moment meest bewonderde Nederlandse romancier. Het was de bedoeling dat althans een gedeelte van dit essay in het eerste nummer van Werk zou verschijnen. Dat lukte niet, maar het verscheen wel later dat jaar. Ook Daisne toonde zich tevreden over die eerste beraadslagingen en kon zich vooral vinden in het uitgangspunt dat het jongerentijdschrift politiek neutraal zal blijven. Zo schreef hij aan Albert Westerlinck: ‘Ten einde een zoo ruim mogelijke samenwerking te verzekeren ten dienste van een zoo breed mogelijk geformuleerd menschelijk ideaal, door middel van scheppend letterkundig werk, zal WERK zich houden aan het intuïtieve criterium ‘goed’. In verband daarmee geeft het ook de voorkeur aan het creatieve boven het critiseerende’.

Uiteindelijk kan Manteau op 31 december aan Frans Delbeke melden, hij was volgens afspraak voor de helft eigenaar van het blad geworden en Leopold en Manteau voor de andere helft, dat het eerste nummer gereed is: ‘Wij hebben u gisteren doen toekomen een exemplaar van het eerste nummer van WERK, het letterkundig tijdschrift dat wij hebben kunnen uitgeven, dank zij Uw welwillende en daadwerkelijke belangstelling voor de Nederlandsche letteren’. In de inleiding van het eerste nummer, geschreven door Van der Veen en Hoornik, wordt nog eens beklemtoond dat de redactie geen vast omlijnd literair programma heeft en zich derhalve ook niet afzet tegen een vorige generatie. Men kiest er dan ook nadrukkelijk voor om ‘scheppende arbeid’ de voorrang te geven boven kritiek. De jongeren zien zich verenigd in hun ‘wantrouwen in en hun afkeer van groote woorden, holle phrasen en massaal hoera-geroep, waarmee men thans het intellect tot zwijgen poogt te brengen en het zuiver gevoel tracht te verwarren’. De gevoelige harten kiezen er dus voor om aan het ‘werk’ te gaan zonder programma: ‘De afwezigheid van een principe bewaart ons voor slavernij aan dit principe. Ons eenige criterium is kwaliteit’.

De vraag is nu natuurlijk waar die kwaliteit in de praktijk precies voor stond. Een antwoord op die vraag is niet zo eenvoudig te geven want in de eerste plaats is Werk gewoon een anthologisch tijdschrift. Er hebben in die twaalf nummers ruim zeventig auteurs aan Werk bijgedragen en slechts een vijfde van hen was Vlaming. Het principe van gelijke verdeling werd dus lang niet gehaald. Aan essayistiek heeft het blad zich, conform de uitgangspunten, inderdaad nauwelijks bezondigd: er verschenen slechts acht kritische bijdragen in de gehele jaargang, tegenover één toneelstuk, ruim dertig prozabijdragen en meer dan driehonderd gedichten. Als we het ene toneelstuk van Jan de Hartog dat bijna een geheel nummer vulde even niet meerekenen behoren Jan Schepens, Adriaan Morriën en Johan Daisne tot de auteurs die het grootste aantal bladzijden hebben gevuld. Als we de genres afzonderlijk bekijken dan scoren bij de poëzie behalve Johan Daisne vooral de Nederlanders het hoogst: ik noem Maurits Mok, L. Th. Lehmann, Van Hattum, Gerrit Achterberg en Ed. Hoornik. Bij het proza is Schepens nog altijd onbetwiste leider, op de voet gevolgd door Adriaan Morriën en Kees Greshoff, inderdaad, de zoon van…. Juist dat ene verhaal van Kees Greshoff, vierendertig pagina’s lang, heeft uiteindelijk, samen met de actie van Daisne die Rost wilde binnensmokkelen, voor grote problemen gezorgd.

Achteraf is door zowel Manteau als Schepens als Van der Veen benadrukt dat de redactie uiteen viel vanwege de grote onderlinge ruzies en Van der Veen en Hoornik hebben ook wel gesuggereerd dat de redactionele inbreng van de Vlamingen te gering was en dat ze het blad vooral gebruikten om hun eigen werk te publiceren. De eerder genoemde cijfers geven hen in zekere zin gelijk, maar de ‘waarheid’ is zoals gebruikelijk natuurlijk veel prozaïscher. In feite ontstonden al na enkele maanden grote problemen en, hoe wreed is het lot, indirect door initiator Greshoff zelf. Want wat was er aan de hand? Tijdens de voorbereidingen was afgesproken dat de redacteuren allemaal hun zegje mochten doen over alle inzendingen, ook over elkaars kopij. Als er twee stemmen tegen waren, zou niet tot plaatsing worden overgegaan. In maart werd die regeling plotseling veranderd en het nieuwe reglement fungeerde als splijtzwam in de redactionele gelederen. Nu mochten de Nederlandse redacteuren de Nederlandse inzendingen beoordelen en Daisne en Schepens de Vlaamse inzendingen. Er ontstond meteen ook al een praktisch probleem omdat Greshoff een Franstalige novelle van zijn Nederlandse zoon Kees had ingestuurd, zeer goed wetend dat in elk geval Van der Veen enthousiast was over de bijdrage. Hoornik verwachtte dat met name het Frans een probleem zou zijn, want eerder had Schepens al anderstalige gedichten afgewezen, maar toch schreef hij Greshoff dat hij één lijn wilde trekken met Van der Veen. Of Schepens en Daisne toen echt tegen waren is niet meer te achterhalen, Manteau was dat in elk geval wel. In een brief aan procuratiehouder M.C. Loot van uitgeverij Leopold maakte ze haar ongenoegen kenbaar: ‘Wat betreft de nieuwe regeling aangaande het goedkeuren van de bijdragen betreft, ik zou haast zeggen: ‘Nu komt de kat uit de mouw’. Ik ontving nl. Zaterdag namiddag een bijdrage in het Fransch van Kees Greshoff ter goedkeuring van de redacteuren. Deze novelle heeft K.G. ongeveer 3 jaar geleden geschreven, het werd eerst gezonden naar verschillende Fransche bladen, die het vanzelfsprekend weigerden, omdat het veel te veel onder invloed staat van André Gide en Louis Guilloux. Het is wel interessant, maar erg jong, en tevens ouderwets, want in de jonge Fransche letterkunde is men toch wat verder geraakt dan André Gide’. Bovendien zei Manteau, ‘Een bijdrage in het Fransch hoort m.i. in ons tijdschrift niet thuis’. Problematisch is alleen dat ze dit niet aan Greshoff heeft meegedeeld en zoals achteraf bleek zelfs voor diens vertrek naar Zuid-Afrika afspraken heeft gemaakt om het stuk tòch op te nemen.

Het feit dat Manteau en niet de redactie zo’n brief op hoge poten naar Den Haag stuurde, is kenmerkend voor haar toenemende bemoeienissen met redactionele aangelegenheden. Manteau was het geruzie tussen de redacteuren na enkele maanden flink beu. Ze heeft in die periode serieus overwogen om zelf ook maar in de redactie te gaan zitten. Greshoff heeft haar dat uiteindelijk uit het hoofd weten te praten. Manteau vond bovendien dat de redactionele kosten voor het blad te hoog opliepen en dat was extra vervelend omdat de toegezegde halfjaarlijkse betaling van Delbeke maar niet binnenkwam. Tenslotte bleek tot haar groot verdriet dat ze vooralsnog erg weinig jonge Vlaamse schrijvers aan haar fonds kon toevoegen omdat er in Vlaanderen blijkbaar een zeker wantrouwen tegenover het tijdschrift bestond of omdat Daisne en Schepens te weinig hun best deden. In elk geval werden haar partijdige bemoeienissen met het redactionele werk door Van der Veen en Hoornik als zeer irritant ervaren. Zij verwierpen ook de kritiek dat de onkosten voor het blad te hoog opliepen vanwege de frequente redactievergaderingen. Anders dan bij voorbeeld bij Groot Nederland het geval was, waar bijdragen meestal op verzoek werden ingestuurd, moest bij Werk gewoon beraadslaagd worden over alle inzendingen. Bovendien vonden ze de partijdige opstelling van Manteau niet terecht omdat juist de Vlaamse redacteuren, althans volgens Hoornik, ernstig tekort schoten. Hoornik schreef aan Manteau: ‘Of Vlaanderen heeft geen behoefte aan een jongeren-tijdschrift, om de eenvoudige reden, dat er geen schrijvers zijn, òf de Vlaamsche redacteuren weten mèt die schrijvers geen contact aan te knoopen, zijn gespeend van initiatief, en gebruiken Werk alleen voor eigen bijdragen, die de critiek voldoende heeft gequalificeerd!’ Dat is ferme taal en Hoornik durfde nog wel een stapje verder te gaan. Hij wist namelijk zeker, getuige de recensies in de kranten, dat er jonge schrijvers in Vlaanderen te vinden waren en concludeerde: ‘Als Daisne noch Schepens kans zien die aan Werk te verbinden, als ze geen spoor van activiteit in die richting ontplooien, bezetten ze een plaats, waar ze niet thuis hooren’. Tenslotte werd de hoogoplopende ruzie uitgepraat en ook Manteau werd wat minder nerveus toen Delbeke op 24 april 1939 eindelijk met geld over de brug kwam. Hij stuurde Manteau een cheque ter waarde van 600 gulden en toonde zich zeer tevreden over de inhoud van het blad en de keurige typografische verzorging.

De relatieve rust keerde weer en de volgende nummers werden in betrekkelijke harmonie gemaakt. Tot eind augustus de bom nogmaals barstte en ditmaal op twee fronten tegelijk. Op 24 augustus schreef Manteau aan Daisne dat ze het hem zeer kwalijk nam dat hij een bijdrage van ene Leo Meter voor Werk had aangenomen en dat zelfs al een voorschot op diens honorarium werd uitbetaald: ‘wij moeten U mededeelen dat U de andere redacteurs hadt moeten verwittigen dat Leo Meter een pseudoniem was van den heer Nico Rost, en ze hadden U kunnen antwoorden dat Nico Rost zeker niet tot de generatie van Werk behoort, en in Nederland zijn proza in geen behoorlijk blad kan geplaatst krijgen’. Rost stond dus niet voor de literaire kwaliteit die Manteau op het oog had en deze actie is Daisne duur komen te staan. Want Manteau weigerde nu om van het verhaal Gojim, in juni in Werk verschenen, een aparte uitgave (met een tekening van Frits van den Berghe) te maken. Bovendien werd Johan Daisne bijna uit de redactie verwijderd. Dat laatste was te danken aan Schepens die zulks op hoge poten had geëist in een briefkaart aan Daisne: ‘De weinig oprechte manier, waarop u een onbenullig artikel van Nico Rost in Werk hebt proberen te introduceeren, heeft mij in de gelegenheid gesteld uw ‘vriendschap’ naar haar juiste waarde te leren schatten. Dit is dus de tweede maal dat u achter mijn rug konkelt. De eerste maal door aan Paul de Rijck de kaften te bezorgen met het redactioneele oordeel van ons viertal. De tweede maal: het geval van den Vlaamschen Meter, die een Holl. Rost is. De derde maal zult u de gelegenheid niet meer krijgen, want ik heb Hoornik en Van der Veen voor de keuze gesteld: gij uit de redactie of ik…’. Een beetje boter op zijn hoofd had Schepens eigenlijk wel want uit een brief van Daisnes moeder blijkt dat hij wel degelijk van tevoren wist wie Meter in werkelijkheid was. Dat was ook wel logisch want Rost en Schepens waren, evenals Jan Greshoff overigens, allebei zeer actief betrokken bij Kroniek van kunst en kultuur.

Daisne heeft zich wel verweerd tegen de aantijgingen van Schepens en Manteau door fijntjes op te merken dat het onthullen van een pseudoniem niet tot zijn taken behoorde en dat Rost zeker niet te oud was omdat tenslotte ook Basiel de Craene, die zestien jaar ouder was dan Rost, mocht meewerken aan Werk. Hij mocht uiteindelijk wel deel uit blijven maken van de redactie, dit op aandringen van Leopold en Manteau die geen schandaal wilden. Maar de redactie zou wel worden uitgebreid met Kees Lekkerkerker, die zich ook met de administratieve rompslomp in Brussel zou gaan bezighouden. Blijft de vraag natuurlijk waarom Manteau en Schepens zo fel tegen de bijdrage van Rost waren? Ik vermoed dat dit, naast het punt van het generatieverschil, misschien toch ook te maken heeft met diens communistische sympathieën. Manteau streefde immers met Leopold een zekere neutraliteit na in haar fonds. Schepens mocht als ambtenaar ook niets te maken hebben met het communisme en had zich tijdens zijn langdurige polemiek met Toussaint van Boelaere ook al eens bezorgd om zijn carrière getoond toen die hem en Greshoff verweet voor een communistisch blaadje te schrijven. Met dat blaadje werd Kroniek van kunst en kultuur bedoeld.

Intussen dreigde er een nog veel groter gevaar voor de redactie, want in diezelfde periode dreigde ook Van der Veen met opstappen. Dit maal niet in verband met Rost, maar vanwege de aanslepende kwestie rond de novelle van Kees Greshoff die in maart ook al tot problemen had geleid. Manteau bleek namelijk aan Greshoff haar bezwaren helemaal niet kenbaar te hebben gemaakt. Het stuk werd ook aanvaard door de redactie, maar tenslotte toch tegengehouden door Manteau. Ook nu het verhaal op verzoek naar het Nederlands was vertaald door Fred Batten, een intieme vriend van Eddy du Perron. Greshoff kon zo’n ingreep van de uitgever op zichzelf wel billijken, maar voelde zich onbehoorlijk behandeld omdat hij vlak voor vertrek nog afspraken had gemaakt voor overdrukjes en Helmut Salden zelfs al een ontwerp had gemaakt voor het omslag. Hij meende dat Manteau toen haar bezwaren al kenbaar had moeten maken. Van der Veen dreigde met opstappen vanwege deze handelwijze van Manteau maar bleef uiteindelijk toch zitten. En de novelle van Kees Greshoff, toepasselijk getiteld ‘De nutteloze komedie’, verscheen uiteindelijk in het decembernummer. Van der Veen kreeg trouwens naar aanleiding van deze hele zaak wel een fikse reprimande van Greshoff, die zich vanuit Zuid-Afrika uiterst ontevreden toonde over het niveau van Werk: ‘wanneer je geen kans ziet betere nummers te maken, dan bewijst dit of jou [sic] onbekwaamheid als redactie-secretaris, of, dat er niets onder de jeugd van eenig belang aanwezig is. In beide gevallen moet er iets gebeuren. In het eerste moet er een bekwamer man de leiding nemen en in het tweedegeval moet het blad zoo spoedig mogelijk verdwijnen’.

Verdwijnen deed het blad nog niet, hoewel het nu toch niet erg lang meer kon duren. Want niet alleen viel het Vlaamse deel van de redactie uiteen, het rommelde ook in Nederlandse fractie, ondanks het nakende redacteurschap van Kees Lekkerkerker. Adriaan van der Veen was namelijk redacteur geworden van Het Vaderland en trof ook voorbereidingen voor zijn vertrek naar Amerika. Hij had zijn hoofd dus bij andere zaken en daar kwam nog bij dat Van der Veen, nadat hij twee boekjes bij Leopold had uitgegeven, eigenlijk terug wilde naar Stols. Hoornik, die overigens ook al de poëziekroniek van Groot Nederland verzorgde, was bovendien in september in gesprek geraakt met uitgever John Meulenhoff die zijn fonds een meer literair karakter wilde geven en daarom een literair tijdschrift wilde oprichten. Hoornik accepteerde Meulenhoffs voorstel om met Cola Debrot en Han Hoekstra het blad Perspectief te vormen, dat uiteindelijk in maart 1940 als Criterium ter wereld kwam. Daarnaast zou hij, nadat hij eerst al door Querido was gepolst om leiding te geven aan een nieuwe reeks gedichtenbundels, vanaf 1940 ook de poëziereeks Helikon van Stols gaan leiden. Volgens Johan Daisne kwam daar nog bij dat Manteau vanaf de tweede jaargang geen honorarium meer kon uitkeren en daar hadden Hoornik, die al niet veel verdiende, en Van der Veen geen trek in. ‘Wat kaasventen!’, was het commentaar van Daisne.

Vermoedelijk was Manteau niet of nauwelijks op de hoogte van al deze ontwikkelingen en tot haar grote verbazing moest ze in december 1939 in de krant lezen dat Hoornik en Van der Veen beiden waren opgestapt. Haar echtgenoot, François Closset schreef hierover op 11 januari 1940 in een brief aan Greshoff: ‘Puis un beau matin, ma femme lit dans le Vaderland et dans le Rotterdammer et l'Algemeen Han-delsblad que Hoornik et Van der Veen donnent leur démission et quelques heures après elle reçoit une lettre de Hoornik (qui le jour avant ou deux jours avant avait une conversation téléphonique avec Leopold et qui semblait d'accord pour conti-nuer sur les nouvelles bases) signée van der Veen annonçant qu'ils ne pouvaient accepter. Schepens annonçait lui aussi sa démission, mais par le voie de la presse quelques jours après. Et alors Angèle et Leopold ont décide de ne pas continuer la publication de Werk’.

Voor Angèle Manteau waren de druiven wel bijzonder zuur. Het tijdschrift had haar immers de mogelijkheid geboden om met haar jonge uitgeverij een brug te slaan tussen Nederland en Vlaanderen en aldus nieuw talent voor haar nog zo kleine fonds te werven. Een belangrijke pijler voor haar bedrijf dreigde met de opheffing van Werk grotendeels te worden weggeslagen en dat verklaart misschien ook wel waarom ze, waarschijnlijk tegen beter weten in, haar uiterste best heeft gedaan het blad in leven te houden terwijl de eerste spanningen al na enkele nummers merkbaar waren. Behalve Johan Daisne, die haar zijn hele leven trouw zou blijven, leverde Werk en de eveneens in 1939 verschenen bloemlezing In aanbouw, Manteau alleen een overdrukje op van Polyfoto van Schepens en in 1940 een bundel gedichten van Jan D’Haese. De enige jonge auteur die Manteau naast Daisne op dat moment tot haar fonds mocht rekenen was Herwig Hensen en die was haar door Raymond Herreman toegespeeld. De ruzie met Daisne zou overigens kort maar hevig zijn, want begin 1940 publiceerde Manteau zijn gedichtenbundel Het einde van een zomer. Tijdens de oorlog zou Manteau wel aansluiting vinden bij de jongste generatie, toen ze werk mocht gaan uitgeven van Piet van Aken, Louis Paul Boon en Hubert Lampo. Maar dat is weer een ander verhaal.



Geraadpleegde literatuur

Ernst Bruinsma & Jan Stuyck, Literaire kwaliteit was de enige norm. Fondslijst Uitgeverij A. Manteau /

Les Editions Lumière 1938-1955, L.P. Boon-documentatiecentrum, Antwerpen, 2000.

S. Hoogerhuis, Werk & Criterium. Bibliografische beschrijvingen, analytische inhoudsopgaven, indices, B. De Graaf, Nieuwkoop, 1981. [LTN]

K. Lekkerkerker [ed.], In aanbouw. Letterkundig werk van jongeren, Manteau, Brussel, 1939.

J.J. Oversteegen, In het schuim van grauwe wolken. Het leven van Cola Debrot tot 1948, Meulenhoff, Amsterdam, 1994, p.275-279.

H. Renders, ‘De harde romantiek van Werk’. In: Optima, V (1987), 1, p.59-81.

R. Roemans & H. Van Assche, Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften, 5, Hasselt, 1962.

Jan Schepens, Het letterkundig prentenboek, bevattende de avonturen van Don Quichote Greshoff en Sancho Panza Schepens in het Vlaamsche literatuurland, Uitgave Roya, Brugge, 1943.

Greta Seghers, Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau, Prometheus, Amsterdam, 1992.

Johan Vanhecke, ‘Johan Daisne en Simon Vestdijk’. In: Vestdijkkroniek 79 (juni 1993), p.49-58.