Winst- en verliesrekening uitgeverij Manteau (1938-1950) [1]


De vennootschap A. Manteau werd opgericht op 1 april 1938, met een maatschappelijk kapitaal van 250.000 frank, waarin werd deelgenomen door Robert Leopold voor 100.000 frank, door Floris Hartig voor 50.000 frank en door Angèle Manteau voor 100.000 frank. Het eerste jaar lijdt de uitgeverij een klein verlies, het boekjaar 1938 wordt namelijk afgesloten met een tekort van 2638 frank. Dat verlies loopt het volgende jaar nog iets op naar een tekort van 10.971 frank. Maar in 1940 gaan de zaken beslist beter lopen want het tekort wordt geheel weggewerkt en cumulatief ontstaat er eind 1940 zelfs een kleine winst van 2.755 frank.
Op 26 mei 1941 wordt besloten de besloten vennootschap per 1 januari 1941 om te zetten in een naamloze vennootschap met een aandelenkapitaal van 310.000 frank waarin wordt deelgenomen door meerdere aandeelhouders: Angèle Manteau (100 aandelen), M.C. Loot (99 aandelen), Anne-Marten Loot (1 aandeel) en Theodoor Andriessen (50 aandelen), Jean de Clercq (25 aandelen), Maurice Roelants (10 aandelen) en Roger Genot (25 aandelen)[2]. De heer Genot was getrouwd met een zuster van Angèle Manteau. De heer De Clercq was zoon van een havenbaron uit Antwerpen, die groot is geworden door de import in tropisch fruit, met name bananen. Tijdens de oorlog richtte hij in Brussel (in de Koninklijke straat) een bedrijfje op dat zakenmensen van financieel advies voorzag. In die hoedanigheid speelde hij, volgens Angèle Manteau zelf, een grote rol bij mensen die niet wisten wat ze met hun zwarte geld moesten doen. Hij hielp hen bij het vinden van goede beleggingsmogelijkheden. Na de oorlog doekte De Clercq zijn kantoor weer op en keerde terug naar het bedrijf van zijn vader.[3]
Het eerste boekjaar van de nieuwe n.v. loopt van 1 januari 1941 tot en met 30 juni 1942, en er wordt een resultaat geboekt van 41.538 frank. Dit resultaat wordt toegevoegd aan de reserves.[4] Dat boekingsjaar, op 10 april 1942, kreeg Angèle Manteau voor 50.000 frank alle aandelen in handen van Onze Tijd, waarmee deze samenwerkende vennootschap heeft opgehouden te bestaan. Ze verkoopt vervolgens Onze Tijd aan Uitgeversmaatschappij A. Manteau. Op 4 mei 1942 wordt in een buitengewone vergadering van de aandeelhouders besloten dat Angèle Manteau de schuldvordering van 50.000 frank mag inbrengen ter volledige aflossing van haar honderd aandelen, die tot op dat moment nog maar voor de helft waren gestort.
Het daaropvolgende boekjaar (juli 1942 tot en met juni 1943), stijgt de winst naar 146.749. Ook die winst wordt geheel toegevoegd aan de reserves.[5] In het volgende boekjaar, wat achteraf bekeken het laatste oorlogsjaar blijkt te zijn geweest, wordt een winst geboekt van 269.419 frank, dat ook weer in zijn geheel aan de reserves wordt toegevoegd.[6] Opgemerkt moet wel worden dat in het boekjaar 1943-1944 het aandelenkapitaal is uitgebreid met 290.000 frank van 310.000 naar 600.000 frank, volgestort in contanten. Angèle Manteau kreeg 190 aandelen in handen waarmee haar totale aandelenpakket op (130+190) 320 komt en Jean de Clercq kreeg 100 aandelen in handen, waarmee zijn totale pakket op (25+100) 125 aandelen komt.[7]
Het boekjaar 1944-1945 sluit af met een minder goed resultaat, de winst is nog maar 53.014 frank, maar het batig saldo van de n.v. is nog altijd goed en bedraagt inclusief de overdracht van het vorige boekjaar 270.966 frank.[8]
Het jaar daarop stijgt de winst weer even, want in 1945-1946 wordt een resultaat behaald van 79.024 frank. Het batig saldo van de balansrekening bedraagt dat jaar 441.335.[9] Bovendien vindt dat jaar, op 15 mei 1946, de daadwerkelijke samensmelting plaats tussen Lumière en uitgeverij Manteau. De aandeelhouders van Lumière krijgen daarvoor 500 aandelen in uitgeverij Manteau en daarom wordt besloten tot een eerste kapitaalsverhoging van 500.000 frank. In totaal wordt het kapitaal dat jaar overigens verhoogd tot een totaal van 2.500.000 frank, waarbij Angèle Manteau nog eens 900 aandelen verwerft, die ze maar voor de helft volstort.[10]
Het volgende boekjaar (juli 1946-juni 1947) wordt een verlies geleden van 297.904 frank, waarmee de ingehouden winsten van de voorgaande jaren grotendeels zijn verdampt.[11] Er was 365.059 overgedragen, dat betekent een netto resultaat van 67.155 winst. In een verslag van de beheerraad wordt aangegeven dat de verkoop sterk is teruggelopen en dat de kostprijzen erg gestegen zijn. Men heeft bezuinigingsmaatregelen genomen, 'terwijl voor de aanmaak en inkoop eveneens beperkingen zullen toegepast worden in die zin dat nog uitsluitend contracten zullen afgesloten worden voor uitgaven die niet het minste risico opleveren en verzekerde afzetmogelijkheden bieden'. Het batig saldo wordt net als in voorgaande jaren overgedragen op het volgende boekjaar.
Ook in de volgende jaren is sprake van verliezen. De balans per 30 juni 1948 leert ons dat de overdracht winstsaldo van het vorig boekjaar (67.155) nodig is om het verliessaldo van het boekjaar (35.316) te dekken. Er blijft over: 31.838 frank en dat bedrag wordt gewoontegetrouw door de beheerraad overgeboekt naar het volgende boekjaar.[12] De conclusie moet volgens de beheerraad luiden dat het verlies beperkt is gebleven ten opzichte van het vorige boekjaar, maar toch is voorzichtigheid geboden: 'Al geven de resultaten van het afgelopen boekjaar nog een verliessaldo, toch mogen wij ons er in verheugen dat een aanzienlijke vooruitgang is geboekt ten overstaan van de resultaten van het boekjaar 1946-1947, spijts de crisis die in het boekbedrijf is blijven heersen en die eigenlijk geen verbetering heeft ondergaan in 1947-48. De van toepassing zijnde bezuinigingsmaatregelen en uiterste voorzichtigheid bij inkoop en aanmaak zullen voor het lopende jaar zo mogelijk nog verscherpt worden'.
Het jaar daarop (1948-1949) is het verlies toch weer toegenomen: 66.045 frank. Het overgedragen winstsaldo van het vorig boekjaar voorkomt erger, maar het verliessaldo bedraagt toch 34.207 frank. De beheerraad schrijft in een toelichting: 'Dat dit resultaat een achteruitlopen betekent tegenover het vorig boekjaar is in hoofdzaak toe te schrijven aan de nog heersende moeilijke afzetmogelijkheden en de uitvoering van enkele uitgaven waarvoor reeds vroeger werd gecontracteerd en die niet meer konden worden vernietigd. Op de algemene onkosten werd besparing tot het uiterste doorgedreven, wat niet zelden een bijzondere krachtsinspanning eiste van het personeel en de directie'.[13]
In het jaar daarop kan eindelijk weer wat winst behaald worden. De balans per 30 juni 1950 meldt namelijk dat een resultaat geboekt is van 35.626 frank. Tel daar het verlies van het vorig boekjaar bij op en je krijgt een nettoresultaat van 1.419 winst. In een toelichting wordt melding gemaakt van de nadelige gevolgen die het bedrijf ondervindt van de wisselkoersen die onder druk staan door de devaluatie. Verder is sprake van hogere kosten: 'ook de onkosten voor onze vertegenwoordigingen in het buitenland zijn gestegen ten opzichte van hun omzet, wat in hoofdzaak te wijten is aan het ontbreken van nieuwe uitgaven en de moeilijke afzetmogelijkheden van het bestaande fonds'.[14]
Er tekent zich evenwel langzaam maar zeker een stijgende lijn af, want op 30 juni 1951 wordt een kleine winst geboekt van 5.215 frank, aangevuld met de overgedragen winst van het vorig boekjaar levert dat een batig saldo van 6.634 frank op. In de toelichting door Angèle Manteau aan het adres van de beheerraad wordt dit keer uitvoeriger stilgestaan bij het geboekte resultaat en ik citeer hier in extenso:
'Dit resultaat is helaas negatief te noemen, als men daartegenover stelt het belegd kapitaal. Wij verzoeken u echter, bij de beoordeling van dit resultaat, rekening te houden met:
de nog toegenomen verkoopsmoeilijkheden tegenover de vorige jaren, in hoofdzaak te wijten aan de verminderde koopkracht van het publiek, waardoor het boek op de laatste plaats komt en als luxe-artikel bestempeld wordt;
hieruit is ook onmiddellijk gevolgd dat de voorraad Òoud fondsÓ zeer in waarde is verminderd, zoveel zelfs dat vele titels, waarvan nog behoorlijke voorraden aanwezig zijn, nog slechts als waarde de waarde van hun gewicht als oud papier vertegenwoordigen, zodat de waardevermindering van de stocks ook voor een groot deel schuld heeft aan de slechte resultaten van het afgelopen boekjaar. Vele titels zijn trouwens nog gedrukt op slecht papier, andere hebben hun actualiteit verloren, en – in het algemeen – is een boek dat meer dan drie jaar geleden verscheen, niet meer gewild door het publiek;
de algemene onkosten worden hoe langer hoe zwaarder, niet alleen in de sector sociale wetten, maar evenzeer op gebied van allerlei benodigdheden, reiskosten, verpakkingskosten, enz. In dat verband weze aangestipt dat wij er toe hebben moeten besluiten een eigen besteldienst in te richten, waardoor weliswaar een post autokosten is ontstaan, maar waardoor wij aanzienlijke besparing hebben kunnen doen in de verzendkosten, terwijl aan de dringendheid waarmee een bestelling moet worden uitgevoerd, daardoor meteen is verholpen.
In juli 1949 hebben wij gemeend een behoorlijke oplossing te hebben gevonden voor de vertegenwoordiging van ons fonds in Nederland. De ondervinding heeft echter geleerd dat ook die oplossing nog te hoge onkosten met zich bracht, zodat wij op dit ogenblik al de beslissing hebben genomen de exploitatie van onze uitgaven zelf in Nederland te behartigen door rechtstreekse levering van uit Brussel. Wij weten van te voren dat de resultaten van de verkoop daardoor niet beter zullen worden, maar hierdoor zullen de vaste onkosten van een vertegenwoordiging ter plaatse voor een groot deel verdwijnen. Het is ons nl. niet mogelijk de verkoop in Nederland op te geven, omdat wij aldaar op de markt moeten blijven en onze naam bewaren tegen de tijd dat gunstiger verkoopsmogelijkheden zich zouden voordoen.
Na kennisneming van hetgeen voorafgaat is natuurlijk de indruk gewekt dat de zaak er zeer slecht voor staat. Het tegendeel aanvoeren zou onverantwoord zijn, maar toch kan een zeker optimisme doorbreken indien men er rekening mee houdt dat de huidige crisis niet zal blijven duren en inmiddels toch objecten aanwezig zijn die het verlies van andere uitgaven compenseren. De waardevermindering van oudere uitgaven zal trouwens de volgende jaren minder zwaar op de resultaten gaan drukken, zodat, indien met voorzichtigheid aan nieuwe uitgaven wordt gewerkt, stilaan een klare toestand kan worden verwacht die behoorlijke resultaten kan opleveren'.[15]

De toestand verbetert nog niet in 1950, want dat jaar verschijnen bij de uitgeverij slechts twee delen van het Verzameld werk van Karel van de Woestijne. Het daaropvolgende jaar ziet het er al beter uit met een totaal van elf titels, waaronder De Metsiers van Claus en De huid van Malaparte. Deze laatste roman, samen met de 'steady seller' België in 200 beelden dat met succes aan diverse ambassades werd verkocht, zorgt voor wat meer financi‘le armslag en allicht ook voor wat meer aanzien. En zo wordt ook duidelijk dat Angële Manteau zich financieel gesproken in 1949 de uitgave van De Kapellekensbaan absoluut niet kon permitteren, ze zat aan de grond en kon daarom ook het prijzengeld van de Leo J. Krynprijs voor De Metsiers maar moeilijk missen.

Wordt vervolgd...