143;al.1;3
- M1b:
<de>>den> zot
- M2a:
de<-n> zot
- M2b:
de<+n> zot
143;al.1;4-5
- M1b:
en met hunne rug tegen de vlakte, tegen den openen wind van de<+n>
stroom ginder achter en de braakliggende gronden.
- M2b:
<-en> met hun<-ne> rug tegen de vlakte, tegen den open<-en>
wind van den stroom <-ginder achter> en de braakliggende gronden.
143;al.2;1
- M1b:
<En ne>>Enne> man
- M2a:
<Enne>>Een> man
143;al.2;2-3
- M1b:
zoodat niemand <hem>>zich> dat eigenlijk aantrekt.
- M2a:<+,>
zoodat niemand zich dat eigenlijk aantrekt.
143;al.2;3-5
- M1a:
en ne jonge [x]notneus die niets te doen heeft als op den
bijgang te zitten met zijnen rug tegen den muur,
- M1b:
en <ne>>een> <[x]>>s>notneus die
niets te doen heeft <als>>dan> op den bijgang te zitten
met zijnen rug tegen den muur,
- M2b:
en een jonge snotneus die niets te doen heeft dan op den bijgang te
zitten met zijn<-en> rug tegen den muur,
- D: en
een jonge snotneus die niets te doen heeft dan op de<-n> bijgang
te zitten met zijn rug tegen den muur,
143;al.2;5-6
- M1b:
kijkt van de-werk weg met <ne>>een> grimlach op zijn gezicht.
- M2a:
kijkt van <de->>de> werk weg met een grimlach op zijn
gezicht.
- D: kijkt
van <de>>het>werk weg met een grimlach op zijn gezicht.
143;al.2;7
- M2a:
met een klein<+e> aa<n>>[x]> hare
rok.
- M2b:
met een kleine aa<[x]>>n> <hare>>haar>
rok.
143;al.2;7-8
- M2a:
<+"> En staat toch stil, Elieken <+"> ,
zegt ze,
- M2b:
<-"> <-En> <s>>S>taat toch stil, Elieken
<-"> , zegt ze,
- D:
<+ -> Staat toch stil, Elieken, zegt ze,
- VW:
[- -] Staat toch stil, Elieken, zegt ze,
143;al.3;1
- M1b:
<-En> <a>>A>an een poortjen
143;al.3;2-3
- M2b:
waarover een balleken <-rond>wipt.
143;al.3;3
- M1b:
, <ne>>een> snotter
- M2b:
<,>>.> <e>>E>en snotter
143;al.3;7-8
- M1b:
<- En> <i>>I>n de root vliegt er een deurken open
<,>>:> aai, ons Bernardeken, een vrouw vliegt
buiten
- M2b:
In de root vliegt <- er> een deurken open <-:> <a>>A>ai,
ons Bernardeken, een vrouw <vliegt>>stormt> buiten
- D: In
de root vliegt een deurken open <+:> Aai <,>>!>
ons Bernardeken, een vrouw stormt buiten
143;al.3;9-10
- M1b:
, ze schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in hare<+n>
mond wringen.
- M2a:
<,>>.> <z>>Z>e schreit en wil alle
twee haar vuisten tegelijk in haren mond wringen.
- M2b:
. Ze schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in <haren>>haar>
mond wringen.
143;al.3;10
- M1b:
{Ne/Een} kasseilegger
- M2a:
<{Ne/Een}>>Een> kasseilegger
143;al.5;1-3
- M1a: in die de hemelweetwat uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan vas[?] zitten.
- M2a: in <+,> die de <hemelweetwat>>hemel-weet, wat> uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan <- vas> zitten.
- M2b:
in, die de <hemel-weet, wat>>hemel-weet wat> <+,>
uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg <-
geweest> zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon
leven gaan zitten.
- D: in,
die de <hemel-weet wat>>hemel-weet-wat>, uitgestoken hebben,
maar het zal toch erg genoeg <+ geweest> zijn, want ze moeten
dertig jaar van hun schoon leven gaan zitten.
143-144;al.5-al.1;3-1
144;al.1;2
- M1b:
Ze staan in <ne>>een> lange<+n> witte<+n>
gang
- D: Ze
staan in een lange<-n> witte<-n> gang
144;al.1;3
- M2a:
<uunaiskens # punaiskens>
144;al.1;3
- M1b:
<Ne >>Een> man in een uniform
- D: Een
man in <- een> uniform
144;al.1;4-5
- M2a:
, <e>>[x]>n twee ander geuniformden op hun hielen,
duwen hen onverschillig voort.
- M2b:
, <[x]>>e>n twee ander geuniformden <- op
hun hielen>, duwen hen onverschillig voort.
- D: ,
en twee ander<+e> geuniformden <-,> duwen hen onverschillig
voort.
144;al.1;6-7
- M2a:
is het laatste dat <ze>>of> van de wereld hooren.
- M2b:
is het laatste dat <of >>ze> van de wereld hooren.
144;al.1;7-8
- M2a:
, <z>>Z>e krijgen <ne>>een> num<-m>ero
en nu zijn we dood <+,> peinzen ze.
- M2b:
, Ze krijgen een <numero>>nummer> <+.> <e >>E>n
nu zijn we dood, peinzen ze.
- D: <,>>.>
Ze krijgen een nummer. En nu zijn we dood, peinzen ze.
144;al.1;11-12
- M2b:
vallen <+,> en een ijzeren deurken achter hen toeslaat.
144;al.2
- D: [-X]
Al wat ze nu te doen hebben
- VW: [+X]
Al wat ze nu te doen hebben
144;al.3;1
- M1a:
een komme/kanne [?] water
- M2a:
een <komme/kanne [?]>>komma> water
- M2b:
een kom<-ma> water
144;al.3;3
- M1b:
hunne<+n> mond
- M2b:
hun<-nen> mond
144;al.3;4
- M1b:
hunne<+n> eenderen angst
- M2b:
hun<-nen> eenderen angst
144;al.3;6
- M1b:
hunne<+n> kop
- M2b:
hun<-nen> kop
144;al.3;7-8
- M1a:
dat daar iemand naar gewacht heeft, dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd
of <dat er # dat> een verborgen machien de minste hunner gedachten
opschrijft, want
- M1b:
dat daar iemand naar gewacht heeft, dat hen een onzichtbaar
oog bespioneerd of dat een verborgen machien de minste hunner gedachten
<opschrijft>>opgeschreven heeft>, want
- M2b:
dat daar iemand naar gewacht heeft, <- dat hen een onzichtbaar
oog bespioneerd of dat een verborgen machien de minste hunner gedachten
opgeschreven heeft>, want
- D: dat
daar iemand <naar>>op> gewacht heeft, want
144;al.3;8-9
- M2b:
eene met een karabijn aan zijn<-e> schouder
- D: <eene>>iemand>
met een karabijn aan zijn schouder
144;al.3;9-10
- M1b:
Ze staan weer in die<-n> lange<+n>gewitte<+n> gang
- M2a: Ze staan <- weer in> die<+n> langen gewitten gang
- M2b:
Ze staan <+ weer in> dien langen gewitten gang
- D: Ze
staan weer in die<-n> <- langen> gewitte<-n> gang
144;al.4;1-2
- M1b:
Ze snijden hun haar af, rats tegen hunne<+n> kop, ze passen
hen een kostumeken rood en wit gestreept <+,> en <ne>>een>
man
- M2b:
<Ze>>Men> <snijden>>snijdt> hun haar af, rats
tegen hun<-nen> kop, <ze>>men> <passen>>past>
hen een kostumeken rood en wit gestreept, en een man
- D: Men
snijdt hun haar af, rats tegen hun kop < , >> . >
<m>>M>en past <hen>> hun> een
kostumeken rood en wit gestreept, en een man
144;al.4;4
144;al.4;5-6
- D: omdat
hij zijn handen <wil in zijn broekzakken>>in zijn broekzakken
wil> steken.
144;al.4;9
144;al.4;11-12
- M2a:
met een galerij boven <+,> waarover uniformen op hun doô
gemakken rondstappen.
- D: met
een galerij boven, waarover uniformen op hun doô gemak<-ken>
rondstappen.
144-145;al.4-al.1;13-1
- M1b:
hunne<+n> kop
- M2b:
hun<-nen> kop
145;al.1;2
- M1b:
hunne<+n> vinger
- M2b:
hun<-nen> vinger
145;al.1;2-3
- M1b:
aan dat trekkerken <- nekeer> komen om ikweetniet hoeveel dooden
te hebben daar beneden in de zaal, waar
- M2a:
aan dat trekkerken komen om ikweetniet hoeveel dooden te hebben daar
beneden in de zaal <,>>.> < w>>W>aar
- D: aan
dat trekkerken komen om ik<+ ->weet<+ ->niet<+ ->hoeveel
dooden te hebben daar beneden in de zaal <.>>,> <W>>w>aar
145;al.1;5-6
145;al.1;7-8
- M2b:
op <nen>>een> dag van tien uren werken
- D: op
een dag van tien <uren>>uur> werken
145;al.1;9
- M1b:
eene zijne<+n> vinger
- M2b:
eene zijn<-en> vinger
- D: een<-e>
zijn vinger
145;al.1;10
- M1b:
zijnen num<-m>ero
- M2b:
zijn<-en> numero
- D: zijn
<numero>>nummer>
145;al.1;10-12
- M1b:
<Ne>>Een> luidspreker galmt eentonig zijn bevelen en roept:
nummer honderdveertien
- M2b:
Een luidspreker galmt eentonig zijn bevelen <-en roept>: <n>>N>ummer
honderdveertien
145;al.1;12-13
- M1b:
en spoedt hem naar latrine waar ze altijd met vijven moeten zitten
en <nen>>een> bewaker achter hen die naziet of het wel
serieus is.
- M2b:
<+,> en spoedt hem naar de latrine <- waar ze altijd met
vijven moeten zitten en een bewaker achter hen die naziet of het wel
serieus is>.
- D: ,
en spoedt <hem>> zich> naar de latrine.
145;al.2
- M2b:
[X] De drie nie<+u>we
- D: [-X]
De drie nieuwe
- VW: [+X]
De drie nieuwe
145;al.2;6
145;al.2;6-7
- M1b:
Marche en avant. Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal,
op twee rijen de een achter de andere allemaal met hun gezicht naar
de<+n> grond.
- M2a:
Marche en avant. Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal,
op twee rijen <+,> de een achter de andere <+,> allemaal
met hun gezicht naar den grond.
- M1b:
<- Marche en avant.> Een twee, een twee, en ze gaan naar een
ander zaal, op twee rijen, de een achter de andere, allemaal met hun
gezicht naar den grond.
- D: Een
twee, een twee, en ze gaan naar een ander<+e> zaal, <op>>in>
twee rijen, de een achter de<+n> andere, allemaal met hun gezicht
naar den grond.
145;al.2;7-8
- M2b:
<- maar> met houten kommen op.
- D: met
houten kommen <+ er> op.
145;al.2;9
- M1b:
En ieder krijgt <ne>>een> pollepel
- M2b:
<- En> <i>>I>eder krijgt een pollepel
145;al.3;1
- M2a:
[+X] En aai <+,> er is er een te vroeg stille gevallen
met zijn voeten.
- M2b:
[X] En aai, er is er een te vroeg stil<-le> gevallen
met zijn voeten.
- D: [X]
En aai, er is er een te vroeg stil gevallen <- met zijn voeten>.
145;al.3;2
145;al.3;2-3
- M1b:
hij geeft me dien<-e> sukkelaar <ne>>een> slag van
zijne<+n> geweerkolf in het gezicht,
- M2b:
hij geeft <- me> dien sukkelaar een slag van zijn<-en>
geweerkolf in het gezicht,
145;al.3;4
- D: <achter
over>>achterover>
145;al.3;4-5
- M1b:
Met een straalken bloed dat uit zijne<+n> mond loopt over zijn
magere kin<-ne>.
- M2b:
<- Met> <e>>E>en straalken bloed <- dat> <+
loopt> uit zijn<-en> mond <- loopt><+,> over
zijn magere kin.
145;al.4;2
- M1b:
zetten ze <hen>>zich> neer
145;al.4;3
145;al.5;1-2
- M1b:
he<+e>lemaal de laatste
- D: heelemaal
de laatste<+n>
145;al.5;2-3
- M2b:
<- de> terdoodveroordeelden
145;al.5;4
- M2b:
<.>>,> Ook hun<-ne> lepel
- D: <,>>.>
Ook hun lepel
146;al.1;1
146;al.2;1
- M1b:
<de>>het> wippend<-e> balleken
146;al.2;2
- M2a:
<.>>,> De schijf is van Mark, kleine Mark
- D: <,>>.>
De schijf is van Mark, kleine<+n> Mark
146;al.2;4
- M2b:
<- en> nooit uit zijn lood
146;al.2;7-8
146;al.2;8
146;al.2;8-9
- D: Ze
<hebben>>zijn> in Nice geweest,
146;al.2;11
- M1a:
en rondwippend balleken <! # . >
- M2b:
en <+ een> rondwippend balleken.
146;al.3;1-2
- M1b:
[-X] Hij gaat er mee den hof in over <nen>>een>
ouden koer met plaveien waar mos op groeit en waar in perken met denneboomen
staan.
- M2a:
[+X] Hij gaat er mee den hof in over een ouden koer met plaveien
waar mos op groeit en waar in perken <- met> denneboomen staan.
- M2b:
[X] Hij er mee den hof in <+,> over een ouden koer met
plaveien waar mos <- op> groeit <- en waar in perken denneboomen
staan>.
- D: [X]
Hij gaat er mee den hof in, over een oude<-n> koer met plaveien
waar mos groeit.
146;al.3;3
- M1b:
<- En> <v>>V>uil kinderen
- D: Vuil<+e>
kinderen
146;al.3;7
- M2b:
dat hij <hun>>hen> afgezet heeft
146;al.3;8
- M1b:
het <poorteken>>poortje>
146;al.3;9
- D: en
<,>>:> stommeriken, roept hij.
146;al.3;9
- M1b:
En Jean die <hem>>zich>
- M2b:
<-En> Jean die zich
146;al.3;10
- M2a:
Smeerlap <+,> roept hij
146;al.3;12
- M2a:
<.>>:> Jean heeft gevloekt
146;al.3;13
146;al.3;14-16
- M1b:
Hij gaat <hem>>zich> neven dien anderen zetten op den
bijgang, dezen die van dewerk weg ziet met <nen>>een>
heimelijken grimlach rond zijne<+n> mond
- M2a:
Hij gaat zich neven dien anderen zetten op den bijgang, dezen die
van <dewerk>>de werk> weg ziet met een heimelijken grimlach
rond zijnen mond
- M2b:
Hij gaat zich neven dien andere<-n> zetten op den bijgang, deze<-n>
die van de werk weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijn<-en>
mond
- D: Hij
gaat zich neven dien andere zetten op de<-n> bijgang, deze<+n>
die van <de>>het> werk weg ziet met een heimelijken grimlach
rond zijn mond
146;al.3;17
- M1b:
<nen>>een> heelen tijd
146;al.3;19
146;al.3;21
- M2b:
den andere<-n>
- D: den
ander<-e>
146-147;al.3-al.1;22-1
- M1b:
<ne>>een> rijke<-n> besteelt altijd <nen>>een>
arme<-n>, hoe zouden ze anders rijk worden, jong?
- M2b:
een rijke besteelt altijd een arme, hoe zouden ze anders rijk worden
<-, jong>?
147;al.1;1
147;al.1;3-4
- M1b:
en stapt <- bij hem> binnen
147;al.2;3-4
- M2b:
ligt daar nu <-,> te wachten
147;al.2;5
147;al.2;5-6
- M2a:
bestemd is <+,> blijven liggen.
147;al.2;6
147;al.2;6-7
- D: Kwestie
van <+ er>weer een<-en> te moeten minken.
147;al.2;7-8
147;al.2;9-10
- M2a:
liggen <+.> <a>>A>ls ze het maar niet in hare kop
- D: liggen.
Als ze het maar niet in <hare>>haar> kop
147;al.3;1-2
- M1b:
Elieken haar moeder, - de weef, zeggen ze, maar niemand weet of ze
eigenlijk wel getrouwd geweest is <,>> - > die
- M2a:
, - de weef <,>> - > zeggen ze, maar niemand weet of ze
eigenlijk wel getrouwd geweest is < - >>,> die
147;al.3;5-6
- M2a:
Let een beetje op de deur <+,> zegt ze, maar Elieken vaagt er
aan, ze zit <nen>> een> tijd stille te zien, kan die deur
nu niet op haar zelven letten? [-X] Ze trippelt
- M2b:
Let een beetje op de deur, zegt ze, maar Elieken vaagt er aan, ze
zit een tijd <- stille> te zien <-, kan die deur nu niet
op haar zelven letten?><+ .><+ En> <Z>>z>e
trippelt
- D: Let
een beetje op de deur, zegt ze <,>>.> <m>>M>aar
Elieken vaagt er aan <. >>,> <E>>e>n <- ze> trippelt
147;al.3;9-10
- M1b:
Maar het gauw weten zult ge niet, want als er iemand passeert, zwijgen
ze <- gauw>.
- M2a:
Maar <het gauw weten zult ge niet>>ge zult het niet gauw
weten>, want als er iemand passeert, zwijgen ze.
147;al.3;10
147;al.3;14-15
- M1b:
waar <ne>>een> vijver rondkronkelt met veel onkruid in.
- D: waar
een vijver rondkronkelt met veel onkruid <+ er> in.
147;al.3;15-16
- M1b:
<nen>>een> inham van de<+n> stroom
147;al.3;16
147;al.3;17
- M1b:
als misschien <nekeer>>eens> <ne>>een> lijnvisscher.
- D:
<als>>dan> misschien eens een lijnvisscher.
147;al.3;18
- M1b:
<nen>>een> heelen boukee
147;al.3;19
- D: <pisblommen>>pisbloemen>
147;al.3;20
- M1b:
Elie zegt: die <moogde>>moogt ge> voor geenen heiligen
zetten.
- M2b:
Elie zegt: die moogt ge voor geen<-en> heiligen zetten.
147;al.3;20
- M2a:
Mar<ia>>ai>ken <+,> die
- M2b:
Mar<ai>>ia>ken, die
147;al.3;22
- M1b:
Ze zetten <hen>>zich> neer op den barm
- M2a:
Ze zetten zich neer op den <barm>>berm>
148;al.1;1-2
- M1b:
Elieken met haar zwart haar op een calotjen en Mariaken met haar geel
haar op twee vlechtekens over hare<+n> rug.
- M2b:
Elieken met haar zwart haar op een caltotjen <+,> en Mariaken
met haar geel haar op twee vlechtekens over <haren>>haar>
rug.
- D: Elieken met haar zwart haar <op>>in> een calotjen, en Mariaken met haar geel haar <op>>in> twee vlechtekens over haar rug.
148;al.2
- M1b:
[+X] En ginder beneden
148;al.2;1
- M2b:
in <'t>>het> water < -,> spelen
148;al.2;2
- M1b:
Ze hebben <hen>>zich>
148;al.2;3
- M1b:
en in <nen>>een> be<-r>roeste<+n> pot gaan
gaan ze <hun>>de> vischkens doen.
148;al.2;4
148;al.2;5
- M1b:
met <hun>>de> handen
148;al.2;7
- M1b:
Jaja een stil water<+ken> heeft <nen>>een>
diepen grond.
- M2a:
Jaja <+,> een stil waterken heeft een diepen grond.
- M2b:
Ja<-ja>, een stil waterken heeft een diepen grond.
- D: Ja<+ja>,
een stil waterken heeft een diepen grond.
148;al.3;2
- M2b:
<het>>hun> laatste jaar
148;al.4;1-2
- M2a:
dicht <tegen een>>tegeneen>,
148;al.4;2-3
- M1b:
<- En> <e>>E>r komt iemand op handen en voeten in
de lommer
- M2b:
Er komt iemand op handen en voeten in de<+n> lommer
- D: Er
komt iemand op handen en voeten in <den>>het> lommer
148;al.4;5
148;al.4;5-6
- M1b:
diene valsche gremel hangt weer rond zijne<+n> mond.
- M2b:
die<-ne> valsche gremel hangt weer rond zijn<-en> mond.
148;al.4;9
- M1b:
<lawijd>>lawijt> want
- D: lawijt
<+,> want
148;al.4;11
- M1b:
hunne<+n> kop
- M2b:
hun<-nen> kop
148;al.4;12
- M2b:
beziet hij niet <,>>.> <h>>H>ij
148;al.4;13
148;al.4;15
- M1b:
en van vreemde <dingens>>dingen>
- M2b:
<+,> en van vreemde dingen
148;al.4;16
- M2b:
onder het water <- die rondekens vormen al maar wijder en wijder>.
148;al.4;17-18
- M1b:
duwt Sander, straks verdrinkt hij nog, wat <nen>>een>
heimelijken Judas is dat nu?
- M2a:
duwt Sander, straks verdrinkt hij nog, wat een heimelijken J<u>>[x]>das
is dat nu?
- M2b:
duwt Sander <,>>.> <s>>S>traks verdrinkt hij
nog, wat een heimelijken J<[x]>>u>das is dat
nu?
- D: duwt
Sander. Straks verdrinkt hij nog, wat een heimelijke<-n> Judas
is dat nu?
148;al.4;19-20
- M1b:
<dingens>>dingen> waar hij zelfs niet eens plezier van
heeft.
- M2a:
d<+r>ingen waar hij zelfs niet eens plezier van heeft.
- M2b:
d<-r>ingen waar hij zelfs niet eens plezier van heeft <.>>?>
- D: dingen
waar hij zelfs niet eens plezier <van>>in> heeft?
148;al.4;21
148;al.4;21
148;al.4;22-23
- M1b:
Hij schreit, speelt zijn dingen aan. Eerst <- nekeer> averecht
en dan al pressend het weer uitgespeeld en omgekeerd.
- M2b:
Hij schreit <-,> <+ en> speelt zijn <dingen>>kleeren>
aan. <- Eerst averecht en dan al pressend het weer uitgespeeld
en omgekeerd.>
148;al.4;23-24
- M1b:
recht naar huis, misschien dat hij zijne<+n> nood zal klagen
- M2b:
recht naar huis <,>>.> <m>>M>isschien dat
hij zijn<-en> nood zal klagen
148;al.4;26
- M1b:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
149;al.1;1-2
- M2a:
Waarom is hij <- nu> beschaamd?
149;al.1;4
149;al.1;5
- M1b:
de ander<+e> jongens
- M2b:
de ander<-e> jongens
- D: de
ander<+e> jongens
149;al.1;5
- M2b:
liever alleen is<.>>?>
149;al.1;5-7
- M1b:
Hij legt <hem>>zich> neer in het zand op zijne<+n>
rug met zijn knieën opgetrokken, al kijkend naar de meiwolken
die van ginder over de<+n> stroom komen
- M2b:
Hij legt zich neer in het zand op zijn<-en> rug <- met zijn
knieën opgetrokken>, al kijkend naar de meiwolken die van
ginder over den stroom komen
149;al.2;2
149;al.2;4-5
- M2b:
dat daar woont heeft eerst haar moeder <- vroeg> weten optrekken
- D: dat
<daar>>er> woont heeft eerst haar moeder weten optrekken
149;al.2;5-6
- M1b:
van zijn bedde naar zijne<+n> zetel trekt en zijn hoofdkussen
onder zijnen arm
- M2b:
van zijn bed<-de> naar zijn<-en> zetel <trekt>>sloft>
en zijn hoofdkussen onder zijn<-en> arm
149;al.2;7-8
- M2b:
een leven <!>>:> Iets lijk een vogelken in zijn kooi <,>>.>
<e>>E>n
149; al.2;9-10
- M2b:
dat <- nu> nooit om zoo te zeggen buiten geweest heeft.
- D: dat
nooit om zoo te zeggen buiten geweest <heeft>>is>.
149;al.2;10-11
- M1b:
iedere<+n> nacht en iedere<+n> dag met den angst op haar
lijf loopt
- M2a:
iederen nacht en iederen dag met den angst<+e> op haar lijf
loopt
- M2b:
iederen nacht en iederen dag met den angst<-e> op haar lijf
loopt
149;al.2;12
149;al.2-al.3;14-1
- M1b:
zoó groot [+X] Heer spaar hem
- M2a:
<zoó>>zóó> groot <+:> [X]
Heer <+,> spaar hem <+,>
149;al.3;2-3
- M1b:
<Savends>>'s Avends>gaat hij naar zijn bedde. Ze heeft
het eerst <nekeer>> eens > goed opgeschud.
- M2b:
's Avends gaat hij naar zijn bed<-de>. Ze heeft het eerst eens
goed opgeschud.
149;al.3;3-4
- M1b:
en <ne>>een> lepel, een glas water en de nachtvaas
- M2a:
en ne leel, een glas water en de nachtvaas <+,>
- M2b:
en een lepel, een glas water <- en de nachtvaas>,
149;al.3;5-6
- M2b:
aan de achterdeur <+.> <- en> <m>>M>et beetjes
seffens komt de valavend ginder <- van>achter
149;al.3;7
149;al.3;10
- M1b:
hare<+n> schouder
- D:
<haren>>haar> schouder
149;al.3;11-12
- M2b:
<- En><h>>H>et is Sander, weeral die <+,>
met zijn geheimzinnigheid.
149;al.3;13
149-150;al.3-al.1;13-1
150;al.1;1
150;al.1;1-2
- M1b:
En die <dingens>>iets> doet zeggen welke ge u later beklaag<d>>t>.
Hij vertel<d>>t>
- M2b:
En die iets doet zeggen <welke>>wat> ge u later beklaagt.
Hij vertelt
150;al.1;4
- M1b:
die van mij houd<+t>
150;al.1;5
- M2a:
die mij geern<+e> ziet,
- M2b:
die mij geern<-e> ziet,
- D: die
mij geern<+e> ziet,
150;al.1;6
150;al.1;10
150;al.1;13
- M2b:
dicht neven haar <- staan>
150;al.1;14
- M1b:
zijne<+n> knie
- M2b:
zijn<-en> knie
150;al.1;14-15
- M1b:
Haar hert <[xxxxx]>>klopt> wild en ze is onmachtig
om <ne>>een> stap te verzetten.
150;al.1;15-16
- M2b:
achter hare rug, ze zakte heel zeker op den grond <- en zou daar
van haar zelven gaan>.
- D: achter
<hare>>haar> rug, ze zakte heel zeker op den grond.
150;al.1;17-18
- M2b:
tegen de hare <,>>:> dat er iemand was die hem geern zag.
- D: tegen
de hare: dat er iemand was die hem geern<+e> zag.
150;al.1;19-20
- M1b:
er moest ons <nekeer>>eens> iemand zien.
150;al.1;20
- M1b:
En ze nijpt <- nekeer> in zijn arm.
150;al.1;21
- M1b:
geer<+n> zien maar
- M2a:
geern<+e> zien <+,> maar
150;al.1;22-23
- M1b:
ze gaat binnen, weeral met <ne>>een> last meer.
- M2a:
ze gaat binne<-n>, weeral met een last meer.
- M2b:
ze gaat binne<+n>, weeral met een last meer.
150;al.1;25
150;al.1;26-27
- M2a:
met zijne<+n> rug tegen de muur en zijn gezicht naar de<+n>
donkere<+n> locht.
- M2b:
met zijn<-en> rug tegen de<+n> muur en zijn gezicht naar
de<-n> donkere<-n> locht.
150;al.1;27-28
- M2a:
Diene grijnslach, neen, diene grimlach<+t>
- M2b:
Dien<-e> grijnslach, neen, dien<-e> grimlach<-t>
- D: Die<-n>
grijnslach, neen, die<-n> grimlach
150;al.1;29
- M1b:
als een masker, en er drupt <nen>>een> traan,<eenen>>éénen>,
uit zijn oog en rolt stillekens over zijn kaak.
- M2b:
als een masker <-, en er drupt een traan, éénen,
uit zijn oog en rolt over zijn kaak>.
150;al.2;2
- M1b:
een <heele>>heel> eind die ze
- D: een
heel eind <die>>wat> ze
150;al.2;4
- M2a:
blond haar <+,> terten
150;al.2;5
151;al.1;1
- M2b:
<- al> lang genoeg over <,>>:>
151;al.1;2
- M2a:
<+k>kan niet met zijn beentje, <ocharme>>och arme>.
- M2b:
<-k>kan niet met zijn beentje, och arme.
151;al.1;4
151;al.1;4
- M2b:
Zijn<-e> meester heeft al
- D: Zijn<+e>
meester <heeft>>is> <al>>reeds>
151;al.1;6
- M2a:
gaan te steken. Ja <+,>
- D: <-
gaan> te steken. Ja,
151;al.1;7
151;al.1;8
151;al.1;9
- M1b:
de ander<+e> jongens
151;al.2
- M1b:
[+X] De kruisbloemigen,
151;al.2;2
- M1b:
En de nachtschade, <n>>N>achtschade,
- D: En
de nachtschade < , >> . > Nachtschade,
151;al.2;3
151;al.2;4
151;al.2;7
151;al.2;7-8
- M1b:
en hebben <presies>>precies>
- M2a:
en <+ ze> hebben precies
151;al.2;8
- D: Hij
verstaat <hem>>zich>
151-152;al.2-al.2;9-3
- M1b:
, gaat een beetje buiten spelen, [*]zeggen ze. En hij gaat het deurken
uit, vermoedt niet dat het gemengde gevoel van kwaadheid, toorn en
plezier eigenlijk oudertrots is. En tusschen de kasseistenen die blijven
liggen zijn, spelen ze schoolken. Hij is de schoolmeester en geeft
les, Een veel schooner les dan die ze in de school zelf krijgen. Straffen
doet hij niemand en van zulke geheimzinnige dingen vertel<d>>t>
hij, dat de kinderen hem verdwaasd staan te bezien. En nu is het speeltijd,
hij klapt in zijn handen en ze lachen achter zijn<+en> rug.
Zot, zegt er eene, Het steekt lijk een lange naald door zijn herteken.
Niemand verstaat hem, niemand kan met hem spelen, hij zal altijd alleen
zijn. En Elieken zit daar ook op twee steenen. Elie, gij moet blijven
in de klas, zegt hij. Elie blijft, en zit hem met haar donker oogen
te bezien. Hij grabbelt in zijn<+en> zak en geeft haar zijn
beeldekens uit chokolade-reepen, waar hij nu al meer dan een jaar
aan spaart.
Nem, en hij legt ze in het smalle handje, de koele vingeren komen
tegen zijn hand, en zijn bloed slaat om, het vreemd gevoel dat goed
op verdriet trekt en wat toch dat niet is, begint hem weer te nijpen.
Hij wordt zoo rood als een kollebloem, draait <hem>>zich>
beschaamd om en loopt binnen.
[X] Van af den dag dat kleine Mark ruzie kreeg met zijn
roulette, beziet hij de kinderen uit de zeven huizekens niet meer.
Hij speelt in den hof alleen. Gij zit hier en[*] gij zit
daar, zegt hij,
- D:
<,>>.><Gaat>>Ga> een beetje
buiten spelen, [hele passage tussen [*] (...) [*]
valt weg] gij zit daar, zegt hij,
- M3:
VW:<,>>. >< Gaat>>Ga> een beetje buiten spelen, zeggen ze. En hij gaat <het>>her # het> deurken uit, vermoedt niet dat het gemengd<-e> gevoel van kwaadheid, toorn en plezier eigenlijk oudertrots is. En tusschen de kasseistenen die <blijven liggen zijn>>zijn blijven liggen>, spelen ze schoolken. Hij is de schoolmeester en geeft les, <E>>e>en veel schooner les dan die ze in de school zelf krijgen. Straffen doet hij niemand en van zulke geheimzinnige dingen vertelt hij, dat de kinderen hem verdwaasd staan te bezien. En nu is het speeltijd<,>>.> <h>>H>ij klapt in zijn handen en <ze>>zij # ze> lachen achter zijn<-en> rug. Zot, zegt er een<-e><,>>.> Het steekt lijk een lange naald door zijn herteken. Niemand verstaat hem, niemand kan met hem spelen, hij zal altijd alleen zijn. En Elieken zit daar ook op twee steenen. <Elie>>elie # Elie>, <gij>>ge> moet blijven in de klas, zegt hij. Elie blijft, en zit hem met haar donker<+e> oogen te bezien. Hij grabbelt in zijn<-en> zak en geeft haar zijn beeldekens uit chokolade-reepen, waar hij nu al meer dan een jaar aan spaart. [-X] <Nem>>Neem>, en hij legt ze in het smalle handje, de koele <vingeren>>vingers> komen tegen zijn hand, en zijn bloed slaat <om>>op> <,>>.> <h>>H>et vreemd gevoel dat goed op verdriet trekt en wat toch dat niet is, begint hem weer te nijpen. Hij wordt zoo rood als een kollebloem, draait zich beschaamd om en loopt binnen.
[+ witregel][X]Vanaf den dag dat kleine Mark <ruzie>>rusie # ruzie> kreeg met zijn roulette, beziet hij de kinderen uit de zeven huizekens niet meer. Hij speelt in den hof alleen. Gij zit hier en gij zit
daar, zegt hij
152;al.2;5
152;al.2;6-7
- M1b:
een heimelijke<+n> lach
- D: een
heimelijke<-n> lach
152;al.2;8
- M1b:
zijne<+n> zak
- D: zijn<-en>
zak
152;al.2;8-9
- D: ander<+e>
kinderen <,>>?> vraagt Mama.
152;al.2;9
- M1b:
zijne<+n> kop
- D: zijn<-en>
kop
152;al.2;10
- M1b:
En mama draait <haar>>zich> om,
- D: En
<m>>M>ama draait zich om,
152;al.2;11
- M2a:
serieus <.>>,> <G>>g>e moogt
- D: serieus
<,>>.> <g>>G>e moogt
152;al.3;2
152;al.3;6
- D: hoeveel
was dan zijn beginkapitaal <.>>?>
152;al.3;6-7
- M1a:
zijn vingers jeuken ,/. [?] Hij doorziet
- M2a:
zijn vingers jeuken <,/. [?]>>,> Hij
doorziet
- D: zijn
vingers jeuken <,>>.> Hij doorziet
152;al.3;7
153;al.3;9
- M1b:
<zondagsenten>>zondagcenten>
152; al.3;13
- M1b:
<zondagpree>>zondaggeld>
152;al.3;14
- M1b:
de<+n> volgende<+n> trimester
152;al.3;17-18
- M1b:
Allons, allons Mark. En ze roept er hare<+n> biechtvader bij,
<ne>>een> pastoor die geen een arme<+n> mensch kent.
- D: <-
Allons, allons Mark. En> <z>>Z>e roept er <haren>>haar>
biechtvader bij, een pastoor die geen een armen mensch kent.
152;al.3;20
153;al.1;1
- M2a:
Ja, daar verstaat hij <hem>>zich> niet uit.
153;al.2;1
- M2b:
<+ De> Doktoor <- Groffen>
- D: De
<D>>d>oktoor
153;al.2;1-2
- M2a:
verstaat er hem zooveel te beter<+[x]> uit.
- M2b:
verstaat er hem zooveel te beter<-[x]> uit.
- D: verstaat
er <hem>>zich> zooveel te beter uit.
153;al.2;4-5
- M1b:
<spaarsenten>>spaarcenten>
153;al.2;5
- M2b:
van wat gaat ze hem dan betalen <.>>!> ach
- D: van
wat gaat ze hem dan betalen! <a>>A>ch <+,>
153;al.2;6-7
- M2b:
<- Is hij boven? en> <h>>H>ij stommelt den trap
op.
- D: Hij
stommelt de<-n> trap op.
153;al.2;8
- D: weet
dat <aleens niet>>niet eens> meer.
153;al.2;9
- M1b:
<lawijd>>lawijt>
- D: <lawijt>>lawaai>
153;al.2;9-10
- M1b:
en pakt de<+n> pols, binst staart hij door het vensterken alover
het veld
- M2b:
en pakt den pols vast, binst staart hij door het vensterken <-
al>over het veld
- D: en
pakt de<-n> pols vast, binst staart hij door het vensterken
over het veld
153;al.2;12-13
- M2b:
Ja, wie weet <- er> nu
- D: Ja,
wie weet <+ er> nu
153;al.2;13
- M1b:
Hij weer<d>>t> hem
- D: Hij
weert <hem>>zich>
153;al.2;16
- M1b:
Er <[xxxxx]>>brandt>
153;al.2;19-20
- M2b:
Met morgen <v>>V>rijdag <- mee>, is het <- nu>
drie weken
- D: Met
morgen <V>>v>rijdag, is het drie weken
153;al.3;1
153;al.3;2
153;al.3;4
- M2b:
<p>>S>sst <+...> Jean <,>>.> <- en>
<h>>H>ij komt
- D: <Ssst>>Psst>...Jean.
Hij komt
153;al.3;5
- M1b:
hare<+n> slets
- M2b:
<haren>>haar> slets
153;al.3;5
- M1b:
hare<+n> mond
- M2b:
<haren>>haar> mond
153;al.3;6
- M2b:
doet <hem>>haar mond> weer toe
153;al.3;7
- M2b:
Wat is <'t>>er>? En nu wil ze <- zoo> onnoozel
153;al.3;9
- M2b:
Sander <,>>?> vraagt Jean.
153;al.3;10
- M1b:
hare<+n> schoen
- D: <haren>>haar>
schoen
153;al.3;11
- M1b:
hare<+n> kop
- D: <haren>>haar>
kop
153;al.3;13
- M2a:
Merci, zegt ze <+,> en
153;al.3;14
153;al.3;14
- M2b:
Waarom zegt ze nu merci <.>>?>
154;al.2;1
- M2a:
De av<e>>o>ndzonne
- M2b:
De avondzon<-ne>
- D: De
av<o>>e>ndzon
154;al.2;3-4
- M1b:
zoo eene, die op <ne>>een> goeie<+n> morgen weg
is, en niemand
- M2b:
zoo eene, die op een goeien morgen weg is, <- en> niemand
- D: zoo
een<-e>, die op een goeien morgen weg is, niemand
154;al.2;6
154;al.2;7
- M1b:
zijne<+n> wrange<+n> lach
- M2b:
zijn<-en> wrangen lach
154;al.2;8
- M1b:
de<+n> nare<+n> en belachelijke<+n> droom
154;al.2;10-11
- M1b:
om iedere<+n> avend hetzelfde te bidden ./, [?] Om
iedere<+n> avend aan het poortje te staan en weer zijne<+n>
knie te voelen,
- M2a:
om iedere<-n> avend hetzelfde te bidden <./, [?]>>.>
Om iederen avend buiten <aan>> [x]an> het poortje
te staan en weer zijnen knie te voelen,
- M2b:
om iedere<+n> avend hetzelfde te bidden. Om iederen avend buiten
<[x]an>> aan> het poortje te staan en weer zijn<-en>
knie te voelen,
- D: om
iederen av<e>>o>nd hetzelfde te bidden. Om iederen av<e>>o>nd
buiten aan het poortje te staan en zijn knie weer te voelen,
154;al.2;12
- M2b:
haar <- smalle en> huiverende heupen
154;al.2;13
- M1b:
twee oogen. Kus me lispelt ze. Kus me en ze opent hare<+n> mond
- M2a:
twee oogen <.>>,> <K>>k>us me <+,> lispelt
ze <.>>,><K>> k>us me <+ ,> en ze opent
haren mond
- D: twee
oogen <,>>.> <k>>K>us me, lispelt ze, kus
me, en ze opent <haren>> haar> mond
154;al.2;14
- M1b:
<nekeer>>eens> komt, is Jean.
- M2b:
eens komt <-,> is Jean.
154;al.2;19
- D: kan
hij het <hem>>zich> niet wachten.
154;al.2;20
- M1b:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
154;al.2;21-22
- M1b:
draait <hem>>zich> met zijne<+n> rug
- M2b:
draait zich met zijn<-en> rug
154;al.2;23
154;al.2;24
154;al.3;1
- M2a:
[+X] Hij alleen kan <met>>[xx]et>
- M2b:
[X] Hij alleen kan <[xx]et>>met>
154;al.3;2-3
- M2b:
<- Maar ook> <h>>H>ij alleen kan
154;al.3;4
154;al.3;6
154;al.3;7-8
- M1b:
verlang<d>>t><+.><e>>E>n meteen <ne>>een>
kwellenden angst voelt dat hij daar over beginnen zal.
- D: verlangt.
En <meteen een kwellenden angst voelt>>tevens voelt ze een
kwellenden angst> dat hij daar over beginnen zal.
154;al.3;8-9
- M1b:
Ze vraagt <haar>>zich> zelven af of diene snotneus dat
nu geriekt.
- M2b:
Ze vraagt zich zelven af of dien<-e> snotneus dat nu geriekt.
- D: Ze
vraagt zich zelve<-n> of die<-n> snotneus dat nu <-ge>riekt.
154;al.3;10
- D: waar
<ge>>ze> geen windeken hoort
155;al.1;1
- M2a:
uit hare<+n> mond. En met den daver
- M2b:
uit haren mond <.>>,> <- En> met den daver
- D: uit
<haren>>haar> mond, met den daver
155;al.1;3-4
- M2a:
bleek lijk de dood <+,> maar hij gebaar<d>>t> hem
onverschillig
- M2b:
bleek <- lijk de dood>, maar hij gebaart hem onverschillig
- D: bleek,
maar hij gebaart <hem>>zich> onverschillig
155;al.1;7-8
- M2b:
uitgezongen heeft <,>>.><h>>H>aar poppen,
haar lappendoozen en haar beeldekens<-doozen>
155;al.1;10
155;al.1;10
- M2b:
Ah, dag Jean <.>>,> <T>>t>e naaste week
155;al.1;11-12
- M1b:
de<+n> stiel te leeren. Een fabriek is toch maar een fabriek
- M2b:
den stiel te leeren<.>>,> <E>>e>n fabriek
is toch maar een fabriek
155;al.1;13
- M2a:
Ja, dat is het <.>>,> <H>>h>ij heeft
155;al.1;13
- M2b:
<- En> <h>>H>ij nijpt
155;al.1;15
155;al.1;16
- M2b:
dichter neven haar <- staan> en
155;al.1;17-18
155;al.1;19
- M2b:
zijn borst geklemd hangt <-, of is het iets veel zwaarder, dat
pijn doet en dat men wee noemt> ?
155;al.1;20
- D: staan
<zien>>kijken>, het doet immers meer <om>>en>
meer pijn.
155;al.1;23
- M1b:
de<+n> <[xxxxx]>>grond>
155;al.2;1-2
155;al.2;3-4
155;al.2;4
155;al.2;5-6
- M2b:
En zie eens: Mark stapt het ook af. Met <ne>>een> knecht
achter hem
- D: En
zie eens: Mark stapt het ook af <.>>,> <M>>m>et
een knecht achter hem
155;al.2;7
- M2b:
dezelfde school gaan <.>>:> Jean om hard te leeren
155;al.2;10
- M2a:
dat ne rijke jongen <student is>>studeert> voor een tijd.
- M2b:
dat <ne>>een> rijke<+n> jongen studeert < - voor
een tijd>.
- D: dat
een rijke<-n> jongen studeert.
156;al.1;1
156;al.1;3
- M2a:
en met zijne<+n> kop naar de<+n> grond
- M2b:
en met zijn<-en> kop naar den grond
156;al.1;4
156;al.1;6
156;al.1;6-7
- D: een
<aristokraten gebaar>>aristokratengebaar>
156;al.1;7
156;al.1;11
156;al.1;12
- M2b:
wat die andere vertel<d>>t>, gemaakte mannekens.
- D: wat
die andere vertelt, gemaakt<-e> manneken<-s>.
156;al.1;14
- M2a:
nie<+u>we waren
- M2b:
nieuwe <waren>>zijn>
156;al.2;2
156;al.2;4
- M2a:
<wat>>was> het met Elie
156;al.2;4
- M2b:
in een<-e> keer
- D: in
een<+en> keer
156;al.2;5
- M2a:
En nu komt <- hij> tusschen
- M2b:
En nu komt <+ hij> tusschen
156;al.2;6
156;al.2;6-7
- M2b:
met dien<-e>verren oorlog. Het zit er ginder <- verre>
op, zei zijn<-e> pa soms.
156;al.2;7-9
- M2a:
hij tegen klapt knikt met zijne<+n> kop. Ja <+,> het zit
er ginder op, en ze beginnen over iets anders.
- M2b:
hij tegen klapt<+e> knikt<+e> met zijn<-en> kop.
Ja, het zit er ginder op, en ze beginnen over iets anders.
- D: hij
tegen klapte knikte <- met zijn kop> <.>>:>
Ja, het zit er ginder op<,>>.> <e>>E>n ze
<beginnen>>begonnen> over <iets>>wat> anders.
156;al.2;11-12
- M2a:
<ne>>een> rauwen klank in zijn keel <,>>;>
en zijn kameraden spreken ook over dienen oorlog.
- M2b:
een rauwen klank in zijn keel; en zijn kameraden spreken ook over
dien<-en> oorlog.
156;al.2;13-14
- D: En
wie <- dat> er gelijk
156;al.2;14
156;al.2;16-17
- M2b:
En er vloekt er eenen dat het dedju een schande is, een smet op onze<+n>
naam
- D: <-
En> <e>>E>r vloekt er een<-en> dat het dedju
een schande is, een smet op onzen naam
156;al.2;19-20
- M2a:
heel dicht gaan bij staan en vragen <.>>:> <V>>v>ertel
me daar nog wat van, zeg er mij alles van <!>>.>
- D: heel
dicht <- gaan> bij staan en vragen: vertel me daar nog wat van,
zeg er mij alles van.
156;al.2;20
- M2a:
een serieu<s>>z>e mensch
- M2b:
een serieuze<+n> mensch
156;al.2;22
156;al.2;22
- M1b:
ophad<+t>
- M2b:
ophad<-t>
157;al.1;1
- M2b:
lijk hij is <+,> wordt
157;al.1;2
157;al.1;2
- M2a:
<Snachts>>'s Nachts>
157;al.1;5-6
- D: die
<+ waart> door mijn woelige gepeinzen <- waart>.
157;al.1;6
- D: en
woelig<+e> schrapt hij,
157;al.1;10
157;al.1;10-11
- M2a:
<eén>>één> oor, en <ne>>een>
klis
157;al.1;11
157;al.1;12
- M2b:
Met een volle tas boeken komt hij naar huis. <- De dichter in de
voorstad>
- D: Met
een volle <tas>>tasch> boeken komt hij naar huis.
157;al.1;12-13
- D: Hij komt <hem>>zich> eens laten bewonderen
157;al.1;14
- D: iets
veel belangrijker<+s>
157;al.1;16
157;al.1;18
- M2b:
ze zien hun oogen uit <,>>:>
- D: ze
zien hun oogen <uit>>niet>:
- VW: ze zien hun oogen [niet]]uit]:
157;al.1;20
- D:
<ikweetniet waar>>ik-weet-niet-waar>
157;al.1;21
- M2a:
<c>>s>hef van de bende ketst
- M2b:
<s>>c>hef van de bende ketst
- D: chef
van de bende ketst <+,>
157;al.1;23-24
157;al.1;24
- M2a:
<ne>>een> weg trekken dwarsdoor
- D: een
weg trekken <dwarsdoor>>dwars door>
157;al.1;25
- M2a:
Maar ze gaan toch zeker niet <zóo>>zoo>
- D: <-
Maar> <z>>Z>e gaan toch zeker niet zoo
157;al.1;26
157;al.1;27-28
- M2a:
maar allemaal tegelijk voelen ze dat men hun weer bezig is met <ne>>een>
kol te passen.
- M2b:
maar allemaal <-te>gelijk voelen ze dat men hun weer bezig is
met een kol te passen.
- D: maar
<allemaal>>allen> gelijk voelen ze dat men <- hun>
weer bezig is <- met> <+ hun> een <kol>>col>
te passen.
157;al.1;29
- M2a:
met zijn boekentas, met zijn<-e> lok haar
- D: met
zijn boekentas<+ch>, met zijn lok haar
157;al.1;30
- M2a:
Ja <+,> die staat daar ook in het veld te zien.
- M2b:
Ja, die staat daar ook in het veld <- te zien>.
157;al.1;31
157;al.1;32
- M2a:
En <+ hij> wandelt ook eens langs daar, omdat iedereen daar
staat te zien
- M2b:
En hij wandelt <- ook> eens langs daar, omdat iedereen daar
staat <- te zien>
- D: En hij wandelt eens langs daar, <omdat>>opdat> iedereen daar staat
- VW: En hij wandelt eens langs daar, [opdat]]omdat]
iedereen daar staat
157;al.1;33-35
- M1b:
Hij passeert Elie en een ander meisken dat ne zijden zwarte<+n>
voorschot aan heeft, waarin een vol hart spant. En met zacht blond
haar gepermanent.
- M2a
: Hij passeert Elie en een ander meisken dat <ne>>een>
zijden zwarten voorschot aan heeft, waarin een vol hart spant. En
met zacht blond haar gepermanent.
- M2b:
Hij passeert Elie <+,> en een ander meisken dat een zijden zwarten
voorschot aan heeft <-,> waarin een vol hart spant. En met zacht
blond haar <+,> gepermanent.
- D: Hij
passeert Elie, en een ander meisken dat een zijden zwarten voorschot
aan heeft waarin een vol hart spant <.>>;> <E>>e>n
met zacht blond haar, gepermanent.
157;al.1;36
- M2b:
Wie is dat <- nu>?
- D: Wie
is dat <+ nu>?
157;al.1;36
158;al.1;1
- M2b:
te zien <,>>:> hij kan
158;al.2
158;al.2;1
- D: eens
zien <+,> Elie, vraagt hij <.>>,> Waarom?
- VW: eens zien, Elie, vraagt hij [ , ]] . ] Waarom?
158;al.2;1-2
- M2a:
Ja <+,> is dat nu ook een vraag, waarom. Hij bijt op zijn tanden
<+,> loopt
- M2b:
Ja, is dat nu ook een vraag, waarom <.>>?> Hij bijt op
zijn tanden, loopt
158;al.2;3
- D: <plakskens>>plankskens>
- VW: [plankskens]]plakskens]
158;al.3;1
- M2a:
<Savends>>'s Avends>
158;al.3;5
- M2b:
hoe groot ze was toen<-tertijde>.
- D: hoe
groot ze <was toen>>toen was>.
158;al.3;5
- M2a:
hare<+n> kop
- D: <haren>>haar>
kop
158;al.3;6
- M2a:
hare<+n> mond
- D: <haren>>haar>
mond
158;al.3;7
- D: Dat vraagt hij <hem>>zich> af.
158;al.3;13
- M2b:
Zoodat hij het <afdruipt>>afdrupt> met hangende
armen <+,> en
- D: Zoodat
hij <- het> afdrupt met hangende armen, en
158;al.3;14
158;al.3;15
158;al.3;17
- D: hij vergelijkt <hem>>zich>
158;al.3;18
158;al.3;19-20
- M2a:
de<+n> winterkant en het word<+t> vroeg donker. Elie ziet
hij niet <+,>
158;al.3;22
- M2b:
en eigenlijk <- hem> zeer doet.
158;al.3;23
- M2b:
in een donkere<+n> hoek
158;al.3;24
- D: En
hoe ongelukkig <ze is>>is ze>,
158;al.3;25
- M2b:
<Die>>De> vlijmscherpe pijn
158;al.3;26
- M2b:
Zijn bloed klopt <- zoo> wild.
158;al.3;28
- M2a:
Zulke harde borsten die ge hebt <+,>
- M2b:
Zulke harde borsten <die>>welke> ge hebt,
158;al.3;29-30
- D: Ziet
ge het <.>>,> <N>>n>u spannen
159;al.1;1
159;al.1;1
159;al.1;3
159;al.1;3-4
- M2a:
<op een>>opeen> klemt. En wat leest hij daar? Het is <presies>>precies>
"Das kapital". Ja <+,> het leven
- M2b:
opeen klemt. <- En wat leest hij daar? Het is precies "Das
kapital".> Ja, het leven
159;al.2;1
- M2a:
<Smorgens>>'s Morgens>
159;al.2;2
- D: een
<laag>>lang> stoelken
- VW: een
[lang]]laag] stoelken
159;al.2;5
- D: Een
echte<-n> denkerskop.
159;al.2;5
- M2b:
Jean blijft <- er bij> staan en zoekt
159;al.2;6
159;al.2;7-8
- M2a:
zijne<+n> mond bitter laat zakken en <wieweet>>wie
weet> welke gedachten
- M2b:
zijn<-en> mond bitter laat zakken <+,> en wie weet welke
gedachten
159;al.2;9
- D: Jean
zet <hem>>zich> neer
159;al.2;9
159;al.2;10-11
159;al.2;12-13
- M2b:
nachtelijke gepeinzen <.>>;> <A>>a>ls Bernardeken
159;al.2;14
- M2a:
slapen zulle Bernardeken. Ja <+,> moeken <+,> zegt hij
<+,>
- D: slapen
<+,> zulle Bernardeken. Ja, moeken, zegt hij,
159;al.2;16-17
- M2b:
die van langsom minder <- iets van> het leven en de menschen
begrijpt.
- D: die
<- van> langsom minder het leven en de menschen begrijpt.
159;al.3;2
- M2a:
zoo iets ziet <,>>;> en de doktoor
159;al.3;3
159;al.3;3-4
- M2b:
Hij legde het been in de plaaster <- met een draineerbuisken door,
om de zever te laten naar buiten komen>. Zes weken.
- D: Hij
legde het been in de <plaaster>>pleister> <.>>,>
<Z>>z>es weken.
159;al.3;4-5
- M2b:
Als de plaaster er af is <+,> zet dien<-e> mensch, nu
ja, een doktoorsgezicht, <- het kan moeilijk anders, > een wetenschappelijk
masker.
- D: Als
de <plaaster>>pleister> er af is, zet die<-n> mensch,
nu ja, een doktoorsgezicht, een wetenschappelijk masker.
159;al.4
159;al.4;1
- D: staan
op te <zien>>kijken>
159;al.4;2-3
- M2a:
in de plaaster <+,> zes weken.
- D: in
de <plaaster>>pleister>, zes weken.
159;al.4;3
159;al.4;4
- D: zit
<naar>>op> te wachten.
159;al.4;5
159;al.4;6
159;al.4,6
159;al.4;7
- M1b:
no<+o>dig hebben gehadt om de wereld te schapen.
- M2a:
noodig hebben gehad<-t> om de wereld te schapen.
- D: noodig
hebben gehad om de wereld te <schapen>>scheppen>.
159;al.4;7-8
159;al.4;8
- M2b:
Het is afschuwelijk <- om zien>.
159;al.4;9
- M2a:
Mijne man zaliger zijn broer heeft ook zoiets gehad<-t>
- M2b:
Mijn<-e> man zaliger <- zijn broer> heeft ook zoiets gehad
159;al.4;10
160;al.1;1
160;al.1;2-3
- M2b:
Zijn<-e> pa doet hem,
- D: Zijn
pa doet <hem>>die>,
160;al.1;4
- M2b:
geen enkele<+n> mensch
160;al.1;5
160;al.1;10
160;al.1;11
- M2a:
<presies>>precies> of hij het <ál>>al>
ziet.
160;al.2;1
- M2a:
<Smorgens>>'s Morgens>
160;al.2;1-2
- M2b:
buiten <ziet>>kijkt>
160;al.2;4
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
160;al.2;4-5
- M2b:
buiten.Weet ge het al? <- En> <w>>W>watte?
- D: buiten
<.>>:> <W>>w>eet ge het al? <Watte>>wat>?
- VW: buiten: weet ge het al? [w]]W]at?
160;al.2;5
- M2a:
Ze wijzen met hunne<+n> kop. Hij daar
- M2b:
Ze wijzen met hun<-nen> kop <.>>:> hij daar
- D: Ze
wijzen met hun kop <:>>!> hij daar
- VW: Ze wijzen met hun kop [ ! ]] : ] hij daar
160;al.2;-56
- M2a:
En de andere spert zijn oogen open en fronst zijn voorhoofd. Serieus!
Ja <+,>
- M2b:
En de andere spert zijn oogen open <- en fronst zijn voorhoofd>
<.>>:> Serieus! Ja,
160;al.2;7
- M2b:
de<+n> laatste<+n> keer
- D: de<-n>
laatste<-n> keer
160;al.2;10
160;al.2;11
- M2a:
hare<+n> kop
- D: <haren>>haar>
kop
160;al.2;14
- M2a:
hunne<+n> kop
- M2b:
hun<-nen> kop
160;al.2;15-16
- M2a:
Ja <+,> en het wordt moeilijk om hare<+n> kop boven te
houden
- M2b:
Ja, <- en> het wordt moeilijk om haren kop boven te houden.
- D: Ja,
het wordt moeilijk om <haren>>haar> kop boven
te houden.
160;al.2;17
- D: in
de week <,>>.> <i>>I>n het oude huis daar
rechtover <-,> bij Mark zijn <M>>m>ama.
160;al.2;17
- M2a:
<Savends>>'s Avends>
160;al.2;18
- M2a:
hare<+n> kop
- D: <haren>>haar>
kop
160;al.2;19
160;al.2;20-21
- M2a:
dat hij <+,> die nu bij Hem is die niemand kent,
- M2b:
dat hij, die nu bij Hem is <die>>welke> niemand kent,
160;al.2;22
- M2a:
hare<+n> kop in haar handen en bidt, bidt.
- D: <haren>>haar>
kop in haar handen en bidt, bidt <.>>...>
160;al.2;23
160;al.2;24
161;al.1;1
- M2a:
moet zien <+,> waar wij
161;al.1;2
- M2a:
ziet iets <-,> en hij wil <méer>>meer> zien,
- M2b:
ziet iets en <- hij> wil meer zien,
161;al.1;4
- M1b:
het <ho[xxx]>>hooge> noorden dat huizen heeft
- M2a:
het hooge noorden <+,> dat huizen heeft
161;al.1;4-5
- M1a:
vervrozen/vervroren [?] visch
- M2a:
<vervrozen/vervroren [?]>>vervroren> visch
- D: <vervroren>>bevroren>
visch
161;al.1;5-6
- M2a:
een noenzonne, zwartgebrand is <+,> en
- D: een
noenzon<-ne>, zwartgebrand is, en
161;al.1;8
- M2b: niets te doen hebben dan naar hun<-nen> navelbuik te <zien>>staren>.
- D: niets te doen <hebben>>hadden> dan naar hun navel<-buik> te staren.
161;al.1;9
- M2a:
<ne>>een> moment staan zien <+,> schudde zijne<+n>
kop
- M2b:
een moment staan zien, schudde zijn<-en> kop
161;al.1;10
- M2a:
verschillend<+e> geloof
- M2b:
verschillend<-e> geloof
161;al.1;10-11
- M2a:
Ieder had<-t> zijne<+n> God apart.
- M2b:
Ieder had zijn<-en> God apart.
161;al.1;11-12
161;al.2;1-2
- M2a:
[+X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen, het is ginder
oorlog. Ginder heel verre,
- M2b:
[X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen <,>>:>
het is ginder oorlog. Ginder heel verre,
- D: [X]
Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen: het is ginder oorlog <.>>,>
<G>>g>inder heel verre,
161;al.2;3
- M2b:
<de vermassakreerde massa>>het vermassakreerde volk>
161;al.2;4
161;al.2;4
161;al.2;5-6
- D: om
<- hem> uit te leggen
161;al.2;7
- D: <hare>>haar>
rechtspraak
161;al.2;8-9
- M2b:
maar <- die> kon niet meer, hij hing <- al> aan zijn gezicht
vastgeroest.
161;al.2;9
- M2a:
zijne<+n> mond
- M2b:
zijn<-en> mond
161;al.2;10
- M2a:
Een raar masker <+,> voorwaar.
161;al.2;11
- M1b:
iedere nie<+u>we weg die hij nu ging
- M2b:
iedere nieuwe weg die hij <- nu> ging
- D: iedere
nieuwe weg die<+n> hij ging
161;al.2;13-14
- M2a:
<tragieser>>tragischer>. En heimwee en vertwijfeling sneed<-t>
- M2b:
tragischer. <- En> <h>>H>eimwee en vertwijfeling
sneed
161;al.3;2
- M2b:
die hij <-vroeger> in zijn schoonste droomen had gekend,
161;al.3;3
- M2a:
had<-t> gekoesterd zoo een vrouw in levende<+n> lijve
eens te zullen ontmoeten.
- M2b:
had gekoesterd zoo een vrouw in levenden lijve <- eens> te zullen
ontmoeten.
- D: had
gekoesterd <- zoo een vrouw> in levenden lijve te zullen ontmoeten.
161;al.3;4-5
- M2a:
had<-t> leeren misprijzen.
161;al.3;5
- M2a:
<Ne>>Een> reuk van alkool en zonde,
- D: Een
reuk van <alkool>>alkohol> en zonde,
161;al.3;6
161-162;al.3-al.1;7-1
- M2b:
een doorschijnende<+n> blauwe<+n> sluier
162;al.1;3-4
- M2a:
en zijne<+n> spot. Ja <+,> en tevens aan zijn<-e>
veel te diepen haat.
- M2b:
en zijn<-en> spot. <- Ja, en tevens aan zijn veel te diepen
haat.>
162;al.2;1
162;al.2;2
- M2a:
vijf roze teenen <+,> waarvan
162;al.2;3
- M2b:
en rond de enkel <- hing> een koperen ring.
- D: en
rond de<+n> een koperen ring.
162;al.2;5
162;al.2;8
162;al.2;10-11
- M2a:
<ne>>een> klap tegen zijn achterhoofd had<-t> gegeven.
162;al.2;12
- M2a:
zijne<+n> mond
- M2b:
zijn<-en> mond
162;al.2;14
162;al.2;16
- D: <verwenschen>>verwenschingen>
en <toejuichen>>toejuichingen>
162;al.3;1
- M2b:
<-Doch> <d>D>e dagen gingen.
162;al.3;2
- M2b:
de matrozen <+,> en de booten
162;al.3;4
- M2b:
Of ze nu zeggen zou <,>>:> ik schop
162;al.4
- D: [X]
[- witregel] Op een dag
- VW: [X]
[+witregel] Op een dag
162;al.4;1
- M2a:
<ne>>een> stroomwals
162;al.4;3
- M2a:
<dwars door>>dwarsdoor>
- D: <dwarsdoor>>dwars
door>
162;al.4;6
162;al.4;7
- M2a:
<ne>>een> rijke mensch
163;al.1;1
163;al.1;1
- D: Ja,
ze gaan beginnen <+ te> bouwen,
163;al.1;2-3
- M2a:
de zeven huizekens <.>>,><Z>>z>oodat ge u
zult <-moeten><v>>w>ringen
- M2b:
de zeven huizekens, zoodat ge u zult <+ moeten> wringen
163;al.1;4-5
- M2a:
niet zou mogen bestaan. [+X] Ze pakken ons licht af.
- D: niet
zou mogen bestaan <.>>,> [- X] <Z>>z>e
pakken ons licht af.
163;al.1;5
163;al.1;6-7
- M2b:
een straat. Dus. Daarbij, die<-ne> weg welke ze
- D: een
straat. <- Dus.> Daarbij, die weg welke ze
163;al.1;8
- M2b:
welke <hem>>zich> ginder
163;al.1;9-10
- M2b:
dezelfde linie voortwalst en regelrecht naar hun<-ne> huizekens
komt, <- als een monster uit den tijd dat er nog geen menschen
waren en dus ook geen medelijden. Het walst> regelrecht naar hun
hert.
- D: dezelfde
<linie>>lijn> voortwalst en regelrecht naar hun huizekens
komt, regelrecht naar hun hert.
163;al.1;10-11
- M2a:
te zien <+,> lijk de menschen van een overwonnen land <+,>
als de troepen
163;al.2;1
- M2b:
dat <ze>>men> <bouwen>>bouwt>, het een verdiep
- D: dat
men bouwt, het een<+e> verdiep
163;al.2;2
163;al.2;3
- M2a:
<ne>>een> winkel zijn <+,> want
163;al.2;4
- M2a:
<Savends>>'s Avends>
163;al.2;5
163;al.2;6
163;al.2;8
- M2b:
over <- gebonden> ligt.
163;al.2;9
- D: er
schiet <+ er> een<-e>
163;al.2;10
- M2a:
met alle twee zijn beenen <,>>;> die steken daar nu door
den plafond.
- M2b:
met alle twee zijn beenen; die steken daar nu door <den>>het>
plafond.
- D: met
alle twee zijn beenen <;>>,> die steken daar
nu door het plafond.
163;al.2;11
163;al.2;13
163;al.2;15-16
- M2b:
<ne>>een> lange<+n> stap en <ne>>een>
korten.
163;al.2;17-18
- M2b:
nu misschien <,>>:> als God <ne>>een> serieuze<+n>
mensch is moest hij nu op slag een<-e> doen doodvallen.
- D: nu
misschien: als God een <serieuzen>>serieuse> mensch is
moest hij nu op slag <+ er> een doen doodvallen. W: nu
misschien: als God een serieu[s]]z]
163;al.2;18-19
- M2b:
Maar wie weet<- het> wat hij peinst? <- En> <w>>W>e
zullen
163;al.2;20-21
- M2b:
zijn oogen <die>>welke> u bezien
163;al.2;25
- M2b:
dit moeten ze nog koopen en <'tgeen huren>>dat> <+,>
en ginder
164;al.1;1
- D: ons
bedrogen <- voor zooveel>.
164;al.1;2
164;al.1;2-3
- M2a:
Ik <+,> zegt zijn moe,
164;al.1;3-4
164;al.1;4
- M2a:
mijne<+n> kop
- M2b:
mijn<-en> kop
164;al.1;4-5
- M2a:
verdrinkt gij het maar <+,> het geld <+,><+ het>
groeit toch op onze rug.
- M2b:
verdrinkt gij het maar, het geld, het groeit toch op onze<+n>
rug
164;al.1;5-6
- M2a:
Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. In zijnen hoek met de potloodjes
zoekt hij naar een leeg teekenblad. Moeder <+,> hebde mij geen
stuk papier?
- M2b:
Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. <- In zijnen hoek met
de potloodjes zoekt hij naar een leeg teekenblad.> Moeder, <hebde>>hebt
ge> mij geen stuk papier?
- D: Bernardeken
trekt hem die ruzie niet aan. Moeder, hebt ge <- mij> geen stuk
papier <+ voor mij>?
164;al.1;7-8
- M2a:
hare rok, een stuk papier. Aai <+,> zwijg <+,> gotver
<+,> zegt ze <+,>
- M2b:
<hare>>haar> rok <,>>:> een stuk papier <.>>!>
Aai, zwijg, gotver, zegt ze,
164;al.1;8-9
- M2a:
met ne kletter aan, laat mijne<+n> kop gerust <+,>
- M2b:
met <ne>>een> kletter aan, laat mijn<-en> kop gerust,
164;al.1;10
164;al.1;11
- M2b:
bij zijn crayonskens <,>>.> <t>>T>egen die
164;al.1;12
- D: Dat
ge het <+ niet> ziet
164;al.1;13
- M2a:
ne last <+,>
- M2b:
<ne>>een> last,
164;al.1;14-15
- M2b:
zijn eigen hert op te <fretten>>vreten>.
164;al.1;15
164;al.1;18
- M2a:
hunne<+n> kop, dat ze hunnen tijd
- M2b:
hun<-nen> kop, dat ze hun<-nen> tijd
164;al.1;19
164;al.1;22-23
- M2a:
<+,> waarom hebben ze me dan in <'shemelsnaam>>'s hemelsnaam>
gekocht <.>>?>
164;al.1;24
164;al.2;2
- M2b:
in zijn beddeken <- blijven> liggen.
164;al.3;1
164;al.3;2
164;al.3;3
164;al.3;3-4
- M2a:
interesseeren <+,> maar die ge toch weten moet <+,> of
164;al.3;6
164;al.3;8
- M2a:
Zie me dat nekeer <!>>.>
164;al.3;9
164;al.3;9-10
- M2a:
ne kop. Ja <+,> hij heeft ne kop
- M2b:
<ne>>een> kop. Ja, hij heeft <ne>>een> kop
164-165;al.3-al.1;10-1
165;al.1;1
165;al.2;2
- M2a:
<savends>>'s avends>
165;al.2;3
165;al.2;4
- M2b:
<Hare>>Haar> stap heeft iets glijdend,
- D: Haar
stap heeft iets glijdend<+s>,
165;al.2;6
- M2a:
altijd vooruit <+,> alsof
165;al.2;7
165;al.2;8
- M2a:
Ja <+,> alsof, maar
- M2b:
Ja, alsof <,>>.> <m>>M>aar
165;al.2;9
165;al.2;11
165;al.2;12-13
- M2b:
Wat is dat nu met allemaal <dat>>het> mansvolk?
165;al.2;13
- M2a:
<+,> en ik ga nekeer
165;al.2;15
- M2b:
te zitten <+,> en te dubben
165;al.3;1
- M2b:
in een <- kousen>fabrieksken
165;al.3;2
- M2a:
Een kous en nog een <+,>
- M2b:
Een kous en nog een <+ kous>,
- D: Een
kous en nog een kous <-,>
165;al.3;4
- M2b:
iets binnen <+,> of het heeft
165;al.3;5
- D: En
ze <poeppen>>poppen> <hen>>zich> in den avend
een beetje op.
165;al.3;6
165;al.3;7
- M2b:
zullen koopen <.>>,> <E>>e>ens...
165;al.3;7
- M2a:
In de<+n> zondagavend
165;al.3;8
- M2a:
een <roksken>>rokje>
165;al.3;10-11
- M2a: met wie het af is <+,> en wiens beurt nog komen moet <+,> dat
165;al.3;13-14
- M2a:
Hoe zou ze dan denken <- aan> wie haar lief geweest <heeft>>is>
in den tijd.
165;al.3;14
165;al.3;16
- M2a:
de <Jazz>>jass>
- D: de
<jass>>jazz>
165;al.3;17
165;al.3;17-18
- M2a:
De dans is gedaan <.>>,> <M>>m>erci <+,>
zegt ze <+,> en ze ze<t>>g> haar neer
- M2b:
De dans is gedaan, merci, zegt ze, en ze ze<g>>t> haar
neer
- D: De
dans is gedaan, merci, zegt ze, en ze zet <haar>>zich>neer
165-166;al.3-al.1;18-1
- M2b:
langs de<+n> muur tot er <nog>>terug> iemand <-
anders> komt
- D: langs
den muur tot er <- terug> iemand <+ anders> komt
166;al.1;2-3
- M2b:
van een <+ te> groote liefde
166;al.2;1
- M2a:
Maria <+,> het is tijd, zegt ze <+,> en
166;al.2;5-6
- M2a:
Maria en haar lief <.>>,> <D>>d>ie zoo zot
doen
166;al.3;1
166;al.4;1
166;al.4;2
- M2a:
<+,> moesten de kleine dingens
- D: ,
moesten de kleine dingen<-s>
166;al.4;3
166;al.4;4
166;al.4;6
166;al.4;7
- M2b:
<jongen>>kinderen>
- D: <kinderen>>jongen>
166;al.4;8
166;al.4;9
166;al.4;9-10
- M2a:
Hier <+,> sta ik,
- M2b:
Hier <-,> sta ik,
166;al.4;11
166;al.4;12
- M2b:
hun<-nen> asschebak tegen <- uit>.
- D: hun
asschebak tegen <+ uit>.
166;al.4;12
- M2a:
is het café <+,> de deur staat
166;al.4;13-14
- M2a:
<+ "> In het Saargebied <+ ">
166;al.4;16
166;al.4;17-18
- M2a:
<smorgens>>'s morgens> per eksempel <+,> als ze
juist uit haar bedde komt.
- M2b:
's morgens per <eksempel>>exempel>, als ze juist uit haar
bed<-de> komt.
166;al.4;18-19
166;al.4;19
- M2b:
een bijnaam <.>>!> Molleken <- zeggen ze er tegen>.
166;al.5;1
166;al.5;3-4
- D: En
er begint <+ er> weeral een<-e> over den oorlog.
167;al.1;1
167;al.1;1-2
- M2a:
<presies>>precies> dichter om dichter
- D: precies
dichter <om>>en> dichter
167;al.1;2
167;al.1;4-5
- D: Ginder
op den Balkan. En niemand weet wat de<-n> Balkan is.
167;al.1;5
- M2a:
Maar zijt gerust <+,> ge zult
167;al.1;6
167;al.1;8
- M1b:
de<+n> eene<+n> voor den anderen.
- D: <+,>
de<-n> eene<-n> voor den andere<-n>.
167;al.2;1
- M2a:
<savends>>'s avends>
167;al.2;2
167;al.3;2
167;al.3;3
- M2b:
hooren er <- al> iets <van>>over>.
167;al.3;4
- M2a:
en <hun>>hen> ongerust maakt lijk een paard dat schichtig
wordt.
- M2b:
en hen ongerust maakt <- lijk een paard dat schichtig wordt>.
167;al.4;2
167;al.4;3
- M2b:
de<+n> eene<+n> achter den anderen.
- D: de<-n>
eene<-n> achter den andere<-n>.
167;al.4;3
- M2a:
hunne<+n> kop
- M2b:
hun<-nen> kop
167;al.4;6
167;al.4;7
- M2a:
verder fladdert <+,> als
167;al.4;8-9
167;al.4;9
167;al.4;11
- M2b:
<hetgeen>>wat> een bewijs is dat <- er> niemand
167;al.4;13-14
- M2a:
De drie jongens <+,> die natuurlijk geen jongens blijven <+,>
maar ouder worden met een jaarken seffens <+,>
167;al.4;15
167;al.4;16
- M2a:
ge<-e>le pijl
- D: gele<+n>
pijl
167;al.5;1
- M2a:
[+X] Maar aan niemand zijn gezicht
- M2b:
[X] Maar aan niemand<+s> <- zijn> gezicht
167;al.5;2
- M2a:
<+,> leggen ze <hun>>zich> neer,
167;al.5;4
167;al.5;5
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
168;al.1;2
- M2b:
die er naar <ziet>>kijkt>,
168;al.1;3-4
- M2b:
van een ouden gestreepten die men <van den>>dezen> achternoen
komen halen is.
- D: van
een ouden gestreepte<-n> die men dezen achternoen komen halen
is.
168;al.1;4
- M2b:
In den tijd <dat hij nog een mensch was>>was hij ook een
mensch>,
168;al.1;5
- M2a:
ja <+,> <lang geleden>>langgeleden> <+,>
168;al.1;7-8
- D: al
<+ de> ijzers rond zijn handen.
168;al.1;9
- M2a:
Tuttut <+,> geen eksplika<s>>t>ies <+,>
- M2b:
Tuttut, geen e<ks>>x>plikaties,
168;al.1;11
- M2b:
niets hoort <+.> <e>>E>n hij vraagt
168;al.1;14-15
- M2a:
nikkelgeld <+,> die zouden ze moeten, ja wat? maar toch iets
<v>>w>reed,
- M2b:
<nikkelgeld>>nickelgeld>, die zouden ze moeten <,>>...>
ja wat? maar toch iets wreed,
- D: <nickelgeld>>nikkelgeld>,
die zouden ze moeten ... ja wat? maar toch iets wreed<+s>
168;al.1;15
- M2b:
martelen zouden ze die moeten <- doen>.
168;al.2;16-17
- M2a:
dertig <+,> veertig en vijftig, en zijn haren
- M2b:
dertig, veerig en vijftig, <- en> zijn haren
168;al.1;18
168;al.1;18-19
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
168;al.1;20
- M2a:
<blijven>>blijft> stille staan <-is>.
- M2b:
blijft stil<-le> staan.
168;al.1;20
168;al.1;22
- M2a:
doodgekoejon<-n>eert
- D: doodgekoejon<+n>eer<t>>d>
168;al.1;23
- M2a:
waar ze hem <vóor sleepten>>voortsleepten> stond<-t>
hij
168;al.1;24-25
- M2b:
Met <ne>>een> razige<+n> schrik rond zijn hert die
hem belet <-van> zijn geval uiteen te doen.
168;al.1;25-26
- M2b:
En hij schreeuwt zijn<-e> gruwel uit <+:> dat hij onschuldig
is.
- D: En
hij schreeuwt zijn gruwel uit <-:> dat hij onschuldig is.
168;al.1;28
168;al.1;31
168;al.1;33
- M2a:
Hij loopt bots met zijne<+n> kop naar ne muur
- M2b:
Hij loopt bots met zijn<-en> kop naar <ne>>een>
muur
168;al.2;1
- M2a:
[X] [?] Ik ben onschuldig <+.> <e>>E>n niemand
gelooft hem.
- D: [+X]
Ik ben onschuldig. En niemand gelooft hem.
169;al.1;3
- M2a:
naar zijn zelven <+,> wat die
169;al.2;1-2
- M2a:
maar ook <dát>>dat> verstil<d>>t>
169;al.2;2
- M2b:
een stille<+n> traan
169;al.2;4
- D: <niet
zien verouderen heeft>>niet heeft zien verouderen>
169;al.3;1
169;al.3;2-3
- M2a:
en op zijn sterfbedde bekend <+ heeft> <- die> de<+n>
moord in den tijd te hebben begaan.
- M2b:
en op zijn strefbed<-de> bekend heeft den moord in den tijd
te hebben begaan.
169;al.3;3-4
- M2b:
geen geruste<+n> moment
- D: geen
gerust<-en> moment
169;al.3;4-5
- M2a:
getrouwd geweest <heeft>>is> met het lief van den anderen
- D: getrouwd
geweest is met het lief van den andere<-n>
169;al.3;5
- M2a:
en God <+,> God, wat ik heb afgezien <+,> zegt hij. Ja
<+,>
169;al.3;6
- M2a:
ginder toekomt <.>>...>
169;al.4;1-2
- M2b:
den grijzen gevangenen <- van> uit hun midden
- D: den
grijzen gevangene<-n> uit hun midden
169;al.4;2
- M2b:
En ge zijt vrij <+,> zeggen ze.
169;al.5;1
169;al.5;1
- M2a:
Die is lang dood man <!>>.>
- D: Die
is lang dood <+,> man.
169;al.5;3-4
- M1b:
Laat hem in de keuken <- om> de soep <- te mogen> helpen
gereedmaken, dan heeft hij <ne>>een> schepper meer.
169;al.5;6
- M2b:
<ne>>een> stap groot
169;al.5;7-8
- M2a:
<Snoenens>>'s Noenens> heeft hij zijne<+n> lepel
<méer>>méér>,
- M2b:
's Noenens heeft zijn<-en> lepel méér,
169;al.6;1
- M2b:
<- nu> misschien op te peinzen.
169;al.7;4
169;al.7;5
- M2b:
dien<-en> verren oorlog
169;al.7;5-6
- M2a:
Zijn handen <juiken>>jeuken>.
169;al.7;6
169;al.7;7
- M2b: in de school <- willen> wijsmaken.
169;al.7;8
170;al.1;1
- M2a:
een vulgair <tiepe>>type>
170;al.1;1
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
170;al.1;1
170;al.1;3
170;al.1;7
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
170;al.1;7-8
- M2b:
Hij grijnst, <- zijn gele slagtanden komen van onder zijn bovenlip.
En> hij knipt verachtelijk met zijn vingeren vlak voor Mark zijn<-en>
neus.
- D: Hij
grijnst, <+ en> hij knipt verachtelijk met zijn <vingeren>>vingers>
vlak voor Mark zijn neus.
170;al.1-al.2;8-1
- M2a:
[-X] Mark pakt zijn valies en gaat er van door. [+X] Hij is eenentwintig
170;al.2;2
- M2b: schiet hij <hem>>zich> naar huis
170;al.2;3
170;al.2;4-5
- M2b:
de<+n> vooravend van een grooten <-veld>slag.
- D: den
vooravend van een grooten <+veld>slag.
170;al.3;1
- M2b:
de <eksamens>examens>
170;al.3;2
170;al.3;4-5
- M2b:
En wonder genoeg <,>>:> <h>>H>ij heeft niet
alleen een diplom<+a>,
- D: En
wonder genoeg: Hij heeft niet alleen een diploma <-,>
170;al.3;6-7
170;al.3;7
170;al.3;9-10
- D: <peadagogie>>pædagogie>
170;al.3;11
- M2b:
zijn <vingeren>>vingers>
170;al.3;12
- M2b:
<ne>>een> zwijgzame<+n> mensch
- D: een
zwijgzame<-n> mensch
170;al.3;16
170;al.3;18-19
- M2b:
En hij pakt hem binst een boek die hij gauw wegsteekt als hij iemand
hoort <-op>komen.
- D: En
hij pakt <hem>>zich> binst een boek <die>>dat>
hij gauw wegsteekt als hij iemand hoort komen.
170;al.4;1
170;al.4;1-2
- M2a:
in een hoek <+,> en hij verheft zijn stem tegen dien oorlog,
hij beweert dat het een gruwel is, een misdaad tegen de wereld en
de menschen.
- M2b:
in een hoek, en hij verheft zijn stem tegen dien oorlog <-, hij
beweert dat het een gruwel is, een misdaad tegen de wereld en de menschen>.
170;al.4;3-4
- M2b:
den hoofdonderwijzer op zijn vingeren <- komen> toekken. <-
Het past ons niet de stem te verheffen enzoovoort...>
- D: de<-n>
hoofdonderwijzer op zijn <vingeren>>vingers> toekken.
171;al.1;1
171;al.1;4
- M2b:
Dat kan ook <- heel goed>
171;al.2;1
- M2a:
[+X] Hij is dus zorgeloos,
171;al.2;2-3
- M2b:
een stuksken <- leeg> papier
- D: een
stuksken <+ leeg> papier
171;al.2;6-7
- M2b:
neerschrijft <- op papier> en de eene regel rijmt op den anderen
<,>>.> <i>>I>s dat nu toeval<-lig> <+,>
of doet hij daar om?
- D: neerschrijft
en de eene regel rijmt op den anderen <.>>,> <I>>i>s
dat nu toeval, of doet hij <+ het> <daar>>er> om?
171;al.2;8
- M2a:
in een verdacht café <+,> in de middenstad, in de <s>>c>ité
waar het gespuis woont <+,>
- M2b:
in een verdacht café <-, in de middenstad>, in de cité
waar het gespuis woont,
171;al.2;9
- M2b:
<Iets>>Een> splinternieuw<+e> <dat>>die>
171;al.2;11-12
- M2b:
iets heerlijk waar hij <hem>>zich>
- D: iets
heerlijk<+s> waar hij zich
171;al.2;13-14
- M2b:
maar dat kunt ge <- nu toch>
171;al.2;14
171;al.2;15-16
171;al.2;17
- M2b:
Hij blijft een beetje vanachter hangen <- omdat hij den deftigsten
is uit heel den hoop>.
171;al.2;17-18
- M2b:
Een vrouw die <al>>reeds> binnen zat duwt hem op zij met
<ne>>een> kleine<-n> onder <haren>>haar>
arm.
171;al.2;18-19
- M2b:
<- En> >o>>O>p den bijgang laat ze <den kleinen>>het
kind> iets doen.
171;al.2;19-20
- M2a:
Ze komt weer binnen en vloekt omdat haar plaats <midderwijl>>middelwijl>
bezet is.
- M2b:
Ze komt <- weer> binnen en vloekt omdat haar plaats middelwijl
bezet is.
- D: Ze komt binnen en vloekt omdat haar plaats <middelwijl>>middelerwijl> bezet is.
171;al.3;2
- M2b:
<- En> <h>>H>ij vertelt onbeholpen de dingen<-s>
171;al.3;5
- M2b:
<- en> er hun niet tegen
- D: er
<hun>>zich> niet tegen
171;al.3;7
171;al.3;9
171;al.3;9
- M1b:
een nieuwe<+n>
- D: een
nieuwe<-n>
171;al.3;12-13
- M2a:
<+,> vraagt Jean hulpeloos. Ik schrijf
- M2b:
, vraagt Jean hulpeloos <.>>,> <I>>i>k schrijf
172;al.1;1
- M2a:
in het duister <.>>:> Gij <+,> die
172;al.1;2
- M2b:
<,>>.> <e>>E>n hij trekt
172;al.1;3-4
- M2a:
Ja <+,> maar dat is hetzelfde niet. De jeugd
- M2b:
Ja, maar dat is hetzelfde niet <.>>,> <D>>d>e
jeugd
- D: Ja,
maar dat is hetzelfde niet <,>>...> de jeugd
172;al.2;1
- M2a:
Dat gebeur<d>>t> op een zaterdagavend, de zondag
- M2b:
Dat gebeurt op een zaterdagavend, de<+n> zondag
- D: Dat
gebeurt op een zaterdagavend, den <z>>Z>ondag
172;al.2;2-3
- M2b:
drinkt hij <- een beetje> zijn verdriet weg, en de<+n>
maandag wil hij beginnen met de jeugd <+,> enzoovoort <,>>.>
<m>>M>aar
- D: drinkt
hij zijn verdriet weg, en den <m>>M>aandag wil hij beginnen
met de jeugd <,>>...> enzoovoort. Maar
172;al.2;5
- M2b:
stappen <.>>:> Hij gaat
- D: stappen:
<H>>h>ij gaat
172;al.2;8-9
- M2a:
waar een boek ligt, Das Kapital. En waar liefdeverzen te rijden liggen.
Die doen het. Ja <+,>
- M2b:
waar een boek ligt, <Das Kapital>>een bedenkelijk boek>
<.>>,> <E>> e>n waar liefdeverzen te rijden
liggen. <- Die doen het.> Ja,
172;al.2;10
- M2b:
zelf om <ne>>een> stok loopt.
- D: zelf
<om>>achter> een stok loopt.
172;al.2;11
- M2b:
de<+n> laatste<+n> keer
172;al.2;12
- M2b:
houdt <hem>>zich> in.
172;al.2;15
- M2a:
Maar <savends>>'s avends>
- M2b:
<Maar>>Doch> 's avends
172;al.2;16-17
- M2b:
van de jongste niet meer <.>>,> <E>>e>n als
ge <ne>>een> jongen
- D: van
de jongste<+n> niet meer, en als ge een jongen
172;al.2;17-18
- M2a:
<+,> moet ge ook niet peinzen
- M2b:
, moet ge <- ook> niet peinzen
172;al.2;18
172;al.2;20
172;al.2;20-21
- M2b:
En hoe moet hij nu aan dien<-e> simpele<+n> mensch <-
die een boterham zit te eten met wat zout opgestrooid,> gaan <eksplikeeren>>explikeeren>
dat hij zijn plaats
- D: En
hoe moet hij nu aan dien simpelen mensch gaan explikeeren dat <hij>>hem>
zijn plaats
172;al.2;23
- M2a:
<Snachts>>'s Nachts>
172;al.2;24-25
- D: <Allemaal>>Al>
zijn gedachten
172;al.2;28
172;al.2;30
- M2a:
<En hij noemt zijn boeksken: Orion over de vlakte.>>[?]>
- M2b:
<[?]>>En hij noemt zijn boek: Orion over de vlakte.>
- D: <-
En> <h>>H>ij noemt zijn boek <-:> Orion over
de vlakte.
172;al.2;32
- M2b:
Zijn hart zwelt <- op> van
172;al.2;32-33
- M1b:
Zijn angst en zijn vrees<-[x]> <zijn>>is>
weg.
172-173;al.2-al.1;33-1
- M2b:
geschreven <,>>:> hij is onsterfelijk.
173;al.1;2-3
- M2b:
<en>>nooit> zal hij de menschen onder oogen moeten.
173;al.1;3
- M2a:
<sanderdaags>>'s anderendaags>
173;al.1;4
- M2b:
afkomt <-,> vloekt hij hartsgrondig.
- D: afkomt
vloekt hij hart<-s>grondig.
173;al.1;4-5
- M2b:
dien ouden man <- daar beneden>
173;al.1;5-6
- M2b:
<- van> den trap <+ af>
- D: de<-n>
trap af
173;al.1;7-8
- M2b:
<- Ja de eerste den besten niet. Een dichter.> Hij gaat er binnen
en Elie is <- er> natuurlijk <niet>>weg>, ze is
<- weg> naar haar werk.
- D: Hij
gaat er binnen en Elie is natuurlijk weg, ze is <+ weg> naar
haar werk.
173;al.1;9-10
- M2b:
de<+n> nieuwe<+n> weg door het veld, ja al schoppende
- D: den
nieuwen weg door het veld, <- ja> al schoppende
173;al.1;10-11
- M2a:
Hij legt hem neer met zijn armen onder zijne<+n> kop <+,>
- M2b:
Hij legt <hem>>zich> neer met zijn armen onder zijn<-en>
kop,
173;al.2;1
- M2b:
wordt hij daar gestoord <,>>;>
- D: wordt
hij <- daar> gestoord <;>>,>
173;al.2;2
- M2b:
komen <daar>>er> toe.
- D: komen
<er>>daar> toe.
173;al.2;4
173;al.2;4-5
- M2a:
de paal oppakken die in hunne<+n> weg staat,
- M2b:
de<+n> paal oppakken die in hun<-nen> weg staat,
173;al.2;9
173;al.2;10
173;al.2;11
- M2a:
daar komt nog iemand af die er <hem>>zich> voor interesseert.
- M2b:
daar komt nog iemand <- af> die er zich voor interesseert.
173;al.2;13
- M2b:
op zijn tanden bijt <- van razernij. Jean ziet er naar>.
173;al.2;14
- M2a:
Mark ziet over hem <+ weg> naar de gravers <+,>
- M2b:
Mark ziet over <hem>>Jean> weg naar de gravers,
173;al.2;15-16
- M2b:
<en>>,> naar de fabrieken ginder ver, de gas en een paar
kolenwerven <.>>,> <E>>e>n ook
173;al.2;16-17
- M2b:
van de Durwez' dat <- daar> een beetje
- D: van
de <Durwez'>>Durwez> <+,> dat een beetje
173;al.3;1
- M2a:
Zoo: <H>>h>ij laat dat hij zijne<+n> schoolkameraad
- M2b:
Zoo <:>>,> hij laat dat hij zijn<-en> schoolkameraad
- D: Zoo
<,>>:> hij laat <+ zien> dat hij zijn schoolkameraad
173;al.3;2
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
173;al.3;3
173;al.3;5-6
- M2a:
Zijn oogen vallen in die blouse <,>>.> <h>>H>ij
word<+t> wit en geef mij een pint <+,> zegt hij.
- M2b:
Zijn <oogen>>blikken> vallen in die blouse <.>>,>
<H>>h>ij wordt wit <- en> <+.> <g>>G>eef
mij een pint, zegt hij.
- D: Zijn
blikken vallen in die blouse, hij wordt wit <+ en> <.>>:>
<G>>g>eef mij een pint, zegt hij.
173;al.3;7
173;al.3;7
173;al.3;8-9
- M2b:
en <daar waar ge uw verlangen op zet>>dat wat ge verlangt>
opsluit
174;al.1;1
- D: Mark
die ginder <blijven staan is>>is blijven staan>
174;al.1;2
174;al.1;2
174;al.1;3
174;al.1;5
- M2a:
<bijeen gekrabt>>bijeengekrabt> heeft met slim zijn,
- M2b:
bijeengekrabt heeft <- met slim zijn>,
- D: bijeengekrab<t>>d>
heeft,
174;al.1;5-6
- M2b:
Hij zou willen een reus zijn , die met <- zijn><een>>één>
hand al dat werkvolk tegenhoud<+t>
- D: Hij
zou <-willen> een reus <+ willen> zijn, die met <+
zijn> één<+e> hand al dat werkvolk tegenhoudt
174;al.1;7-8
- M2b: en met <zijn>>de> ander<+e> op het vlakke <land>>veld> slaat dat het goud naar omhoog spat.
- D: en met <de>>zijn> andere op het vlakke veld slaat dat het goud <- naar> omhoog spat.
174;al.1;8-9
- M2b:
<en>>,> lijk een sjacheraar met loven en bieden<+,><overal
wat>>en> afpitsen.
- D: ,
lijk een sjacheraar met loven en bieden <-,> en afpitsen.
174;al.2;1
- M2b:
een schoone<+n> <zondag achternoen>>zondagachternoen>
- D: een
schoonen <z>>Z>ondagachternoen
174;al.2;2
174;al.2;2-3
- M2a:
<+,> per eksempel
- M2b:
, per <eksempel>>exempel>
174;al.2;5-6
- M2b:
<dat>>het> bleek gezichteken
174;al.2;6
- M2b:
met <ne>>een> golf in <haren>>haar> hals
38;al.2;7
- D: den
<z>>Z>ondag Het is <+dus> niet te verwonderen
174;al.2;9
- M1a:
van Mark hunnen hof.
- M2b:
van Mark hun<-nen> {hof. / tuin.}
- D: van
Mark <hun>>zijn> <{hof./tuin.}>>tuin.>
174;al.3
- M2a:
[+X] Een beetje verder
174;al.3;1
- M2a:
begint er een haag. Ach <+,> ja <+,>
- M2b:
begint <- er> een haag. Ach, <- ja,>
174;al.3;4
174;al.3;4-5
- M2b:
Ze bukt haar en kijkt <- eens> in dien<-en> verlaten tuin.
- D: Ze
bukt <haar>>zich> en kijkt in dien verlaten tuin.
174;al.3;5
- M2b:
Alleen zonneschijn boschkens <-,gras> en bloemen.
174;al.3;6
- M2a:
hare<+n> voet. <- Nog eenen en nog eenen.>
- D: <haren>>haar>
voet. <+ Nog een en nog een.>
174;al.3;7
174;al.4;1
- M2b:
<- En> <a>>A>an het einde van den hof, in de veranda
<+,>
174;al.4;2
174;al.4;2
- M2b:
<Dat>>Het> meisken is hier <- effenaf> komen
174;al.4;6-7
- M1b:
met een heimelijke<+n> lach op zijn gezicht naar den dessert
te wachten.
- M2b:
met een heimelijken lach op zijn gezicht naar <den>>het>
dessert te wachten.
- D: met
een heimelijken lach op zijn gezicht <naar>>op> het dessert
te wachten.
174;al.4;7-8
- M2b:
dien<-e> lach wel <+,> maar misschien peinzen ze <,>>[x]>
allah <+,> hoe hebben we zelf geweest.
- D: dien
lach wel <-,> maar misschien peinzen ze <[x]>>:>
allah, hoe <hebben>>zijn> we zelf geweest.
174;al.4;9-10
- M2b:
wat ik weet <.>>,> <M>>m>oesten ze <- nu
eens> weten dat ik een koopakte in mijn<-en> zak heb, dat
ik <nen>>een> eigenaar ben <.>>!>
174;al.4;11
- M2b:
failliet gegaan <.>>,> <E>>e>en heel klein
ding,
175;al.1;1
175;al.1;1-2
- M2a:
Ach <+,> iets waar ne gast vier vijf op werkt, maar het kan
grooter worden,
- M2b:
Ach, iets waar <ne>>een> gast vier vijf op werkt, maar
het <kan>>zal> grooter worden,
- D: Ach,
iets waar een gast <+ of> vier vijf <- op> werkt, maar
het <zal>> kan> grooter worden
175;al.1;3
- M2b:
en wandelt eens <- op zijn doode gemakken> den hof in.
175;al.1;5
- M2b:
<+,> of lijk het iemand anders zei: <- een> vulgair <tiepe>>type>.
175;al.1;6-7
- M2a:
<+,> de handen op de<+n> rug en de<+n> neus
175;al.1;7
- M2b:
<Ne>>Een> nette jongen,
175;al.1;9
175;al.2;1
- M2b:
Zij ginder <+,> die door het gat van de haag gekropen is <+,>
ziet hem
175:al.2;2-3
175;al.2;3
- M2a:
in een struik <.>>,> <Z>>z>e snokt <hem>>[?]>
los
- M2b:
in een struik, ze snokt <[?]>>haar schoen> los
175;al.2;6
- M2a:
<- En> <h>>H>ij blijft voor de<+n> schoen
staan met zijn handen op zijne<+n> rug.
- M2b:
Hij blijft voor den schoen staan met zijn handen op zijn<-en>
rug.
175;al.2;7
- M2a:
ne schoen, hoe zorgeloos <!>>.> Ne schoen
- M2b:
<ne>>een> schoen, hoe zorgeloos. <Ne>>Een>
schoen
175;al.2;7-8
- M2a:
<+,> <presies>>precies>
175;al.2;8
- M2a: Hij bukt <hem>>zich>
175;al.2;10
175;al.2;11
- M2b:
ikweetniet<+wat>
- D: <ikweetnietwat>>ik
weet niet wat>
175;al.2;13
- M2b:
van verwarring <- en niet weten waar ze staat>.
175;al.2;13
175;al.2;15
- M2b:
dichter bij <- het gat staan>.
175;al.2;16
- M2a:
hare<+n> naam
- M2b:
<haren>>haar> naam
175;al.2;19
- M2a:
Hoeveel betaal<d>>t> ge dat nu?
175;al.2;19
175;al.2;20
- M2a:
zijne<+n> kop
- M2b:
zijn<-en> kop
175;al.2;21-22
- M2a:
Elie vraagt haar ondertusschen af wanneer ze hare<+n> schoen
zal terugkrijgen.
- M2b:
Elie vraagt haar ondertusschen af wanneer ze <haren>>haar>
schoen zal terugkrijgen.
- D: Elie
vraagt <haar>>zich> ondertusschen af wanneer ze haar schoen
zal terugkrijgen.
175;al.2;22-23
- M2a:
Ik heb ook een schoenfabriek <+,> zegt hij,
- M2b:
Ik heb <- ook> een schoenfabriek, zegt hij,
175;al.2;23-24
- D: honderde<+n>
paren zal <fabrikeeren>>fabriceeren>
175;al.2;26
- M1a:
geene socialist <+,> vraagt hij.
- D: geen<-e>
socialist, vraagt hij.
175;al.2;28
- M2a:
<+,> biest de zonne
- M2b:
, biest de zon<-ne>
176;al.1;1-2
- M2a:
te zien staan met hare<+n> schoen in zijn hand, en met al twee
groeven langs zijne<+n> mond <+,> van heel zeker op zijn
lip te bijten. Neen <+ ,> zegt ze,
- M2b:
te zien staan <- met haren schoen in zijn hand, en> met <al>>reeds>
twee groeven langs zijn<-en> mond, <-van> heel zeker <+van>
op zijn lip te bijten. Neen, zegt ze,
176;al.1;3-4
- M2a:
mijne<+n> schoen afgeeft <+,> zal ik nooit geene socialist
worden.
- M2b:
mijn<-en> schoen <-af>geeft, zal ik nooit <- geene>
socialist worden.
176;al.2
176;al.2;1-2
- M2a:
hare<+n> schoen
- M2b:
<haren>>haar> schoen
176;al.2;2-3
- M2a:
<+,> waar de speldebezie<ê>>ë>n in blom
staan en ne zoete reuk afgeven.
- M2b:
, waar de speldebezieën in blom staan en <ne>>een>
zoete<+n> reuk <-af>geven.
- D: ,
waar de speldebezi<-e>ën in blom staan en een zoeten reuk
<+ af>geven.
176;al.2;5
176;al.2;7
176;al.2;8
176;al.2;9
176;al.2;9
- M2a:
Wacht <+,> hier is mijne<+n> neusdoek <+,>
- M2b:
Wacht, hier is mijn<-en> neusdoek,
176;al.2;10-11
- M2b:
waar ze haar <mag>>kan> <- op> neerzetten om te
luisteren naar zijn<-en> droom,
- D: waar
ze <haar>>zich> <+ op> <kan>>mag> neerzetten
om te luisteren naar zijn droom,
176;al.2;12
176;al.2;13
176;al.2;13-14
- M2a:
een schoen<s>>c>entrale op te richt<-t>en.
176;al.2;16
- M2a:
<+,> werpt hij <hem>>zich>
176;al.2;17
176;al.2;17
- M2a: <Onwetens>>Onweten[x]> spreekt hij <hem>>zich> weer uit <+,>
- M2a: <Onweten[x]>>Onwetens> spreekt hij zich weer uit,
176;al.3;1
176;al.3;4
176;a.3;4
- M2b:
hij weet niet <- goed> wat.
176;al.3;5
176;al.3;7-8
- M2a:
Tot weerziens <+,> zegt hij. Ja <+,>
176;al.3;8
176;al.3;9-10
- M2a:
zijn neusdoek terug te geven, die geparfumeerd is. Soir de Paris.
En ze legt hem <savends>>'s avends>
- M2b:
zijn neusdoek terug te geven <-,die geparfumeerd is. Soir de Paris>.
<- En> <z>>Z>e legt hem 's avends
176;al.3;13
176;al.3;14
- M2b:
van begreep <.>>,> <I>>i>ets op rijm.
- D: van
begreep, iets op rijm <.>>!>
177;al.1;1
177;al.1;2
- M2a:
blijft schijnen <!>>.>
177;al.1;2-3
- M2a:
de<+n> eender grijze<+n> locht
- M2b:
den eender grijzen <locht>>hemel>
177;al.1;4
- M2b:
het zal toch <-zeker> niet blijven regenen.
177;al.1;5-6
- M2b:
goed genoeg <zien kan>>ziet> dat het de eerste halfuur
niet ophouden gaat.
- D: goed
genoeg ziet dat het <de>>'t> eerste halfuur niet ophouden
gaat.
177;al.1;8
- M2a:
het een<+e> blad op het ander<+e> en haar schoenen zeggen
tsjiep <+,> tsjiep <+,>
- M2b:
het een<-e> blad op het ander<-e> en haar schoenen zeggen
<+:> tsjiep <-,> tsjiep,
- D: het
een<+e> blad op het ander<+e> en haar schoenen zeggen
<-:> tsjiep <+,> tsjiep,
177;al.1;11
177;al.1;12
- M2b:
zijn<-en> arm <.>>,> <Z>>z>eker iemand
177;al.1;13
177;al.1;14
177;al.1;16
177;al.1;16-17
- M2b:
Ze laat <of ze>>zich> doofstom <- is>
- D: Ze
<laat>>houdt> zich doofstom
177;al.1;19
177;al.1;19
- M2a:
Ze heeft pijn <+ in> hare<+n> kop
- M2b:
Ze heeft pijn in <haren>>haar> kop
177;al.1;20-21
- D: thuis
pakt ze <- haar> een poederken
177;al.1;21
- M2a:
Zondag <+,> en vier uur
177;al.1;22
- M2b:
<Ne>>Een> schoone zondag
- D: Een
schoone <z>>Z>ondag
177;al.1;22-23
- M2a:
Werkt dan een heel<+e> week om iedere morgend
- M2b:
Werk<-t> dan een heele week om iedere morgend
- D: Werk
dan een heele week om iedere<+n> morgen<-d>
177;al.1;23-24
177;al.1;24
- M2a:
nog vier <+,> nog drie <+,> nog twee dagen
177;al.1;25
177;al.1;26
177;al.1;26-27
- M1b:
Maria <is>>heeft> u komen roepen zegt haar moeder en ze
beziet haar klein
- M2a:
Maria heeft u komen roepen <+,> zegt haar moeder <+,>
en ze beziet haar klein
- M2b:
Maria heeft u komen roepen, zegt haar moeder, en ze beziet haar klein<+e>
- D: Maria
<heeft>>is> u komen roepen, zegt haar moeder, en ze beziet
haar kleine
177;al.2;1-2
- M2a:
[+X] Als ze kind zijn zegde: zijt toch stille, Elieken, en
hangt zoo aan mijne<+n> rok niet.
- M2b:
[X] Als ze kind zijn<zegde>>zegt ge>: zijt toch
stil<-le>, Elieken, en hang<-t> zoo aan mijn<-en>
rok niet.
177;al.2;2
- M2a:
hun<+nen> ouderdom
- M2b:
hun<-nen> ouderdom
177;al.2;4
- M2a:
mijne<+n> kop
- M2b:
mijn<-en> kop
177;al.2;5-6
- M2a:
<+,> zegt Elie ongeduldig <+,> want er zit nen traan gereed
achter de
- <toeê>>toeë>
oogschalen
- M2b:
, zegt Elie ongeduldig <,>>.><w>>W>ant er
zit <nen>>een> traan gereed achter de toeë oogschalen
177;al.3;1
177;al.3;1-2
- M2a:
Achteloos <+,> zegt hij dat <presies>>precies>
- M2b:
Achteloos <-,> zegt hij dat <+,> precies
178;al.1;2-3
- D: hij
leest aan Molleken voor <.>>;> Molleken die iets verloren
is op den grond, <haar>>zich> diep bukt
178;al.1;4
178;al.1;7
- M2b:
Hij loopt <- door> <-.> <I>>i>n het wilde
gras
178;al.1;9
- M2b:
die van <- ginder> over
- D: die
van <+ ginder> over
178;al.2;5
178;al.2;7
- M2a: Elie is niet goed <+,> ze ligt in haar bed.
178;al.2;7-8
178;al.2;8-9
- M2a:
<presies>>precies> tusschen eieren <+,>
178;al.2;9-10
- M2b:
<ne>>een> stille<+n> glimlach
178;al.2;10
- M1b:
den angst die<+n> ze
178;al.2;14-15
- M2a:
<+,> liggend in die zijn armen <+,> en straks in een anderen
de zijn.
- D: ,
liggend in die<+n> zijn armen <-,> en straks in <een
anderen de zijn>>die van een ander>.
178;al.2;15-16
- M2a:
de poel van haar ziel <.>>,> <W>>w>ant juist
<- maar> aan Elie heeft ze nekeer haar woelige nachten verteld
- M2b:
de<+n> poel van haar ziel, want juist aan Elie heeft ze <nekeer>>eens>
haar woelige nachten verteld <+,>
178;al.2;17
178;al.2;18-19
- M2a:
bij mij <+,> Elie <+,> want zie,
178;al.2;20-21
- M2b:
En wat is <het>>er> allemaal
178;al.2;21-22
- M2b:
bijkanst niet uitschreeuwen kunt, begeerte naar <- de> zonde,
- D: bijkans<-t>
niet uitschreeuwen kunt, begeerte naar zonde,
178;al.2;23
- M2b:
en <+,> misschien <+,>
178;al.2;24-25
- M2b:
Ik heb het u toch zoo schoon gevraagd om me nooit alleen te laten
<.>>!>
- D: <I>>i>k
heb het u toch zoo schoon gevraagd om me nooit alleen te laten <!
>>.>
178;al.2;25-26
179;al.1;12
179;al.1;2-3
- M2a:
Ja <+,> dat moet ze doen, nu direkt zie, als dezen dans
- D: Ja,
dat moet ze doen, nu direkt <+, > zie, als deze<-n> dans
179;al.1;4
- D: En
het is toch het leven <.>>!>
179;al.1;7
- M2a:
een pronte<+n> solda<-a>t
- D: een
pronten solda<+a>t
179;al.1;7
- M2b:
dicht <+,> veilig en warm
179;al.1;8
179;al.1;9-10
- M2a:
een stille<+n> glimlach
179;al.1;11
179;al.1;12
- M2a:
Nu moet ik naar huis <+,>
179;al.1;14
- M2a:
licht lijk een pluimken <+,>
179;al.2;1
- M2a:
[+X] Ze slaat haar oogen
179;al.2;2-3
- M1a:
Ze haasten hun om weg te zijn <en verbaasd # en zien verbaasd>
dat het buiten in den donkeren
- M2a:
Ze haasten <hun>>zich> om weg te zijn en zien verbaasd
dat het buiten in den donkeren
- D: Ze
haasten zich om weg te zijn en zien verbaasd dat het buiten in den
donker<-en>
179;al.2;4
179;al.2;5
- M2b:
in de voorstad <-,> en
179;al.2;6
- M2a:
Hier woon ik <+,> zegt ze. Ja <+,> vraagt hij en ze treuzelen,
- M2a:
Hier woon ik, zegt ze. Ja, vraagt hij <+.> <e>>E>n
ze treuzelen,
- D: Hier
woon ik, zegt ze. Ja, vraagt hij <.>>,> <E>>e>n
ze treuzelen
179;al.2;9
179;al.2;9-10
- M2b:
Hier regent het niet <+,> zegt ze,
179;al.2;10-11
- M2a:
hare<+n> asem
- M2b:
<haren>>haar> asem
- D: haar
<asem>>adem>
179;al.2;12
179;al.2;14-15
- M2a:
Mark hun huis brand er <ne>>een> <lantaren>>lantaarn>,
maar wat is nu <éen>>één> <lantarenpaal>>lantaarnpaal>
- M2b:
Mark hun huis brand<+t> <- er> een lantaarn, maar wat
is nu één lantaarnpaal.
- D: Mark
<hun>>zijn> huis brandt een lantaarn, maar wat is nu één
lantaarnpaal.
179;al.2;16
- M2b:
<- gekropen> zoo zat als <ne>>een> patat.
179;al.2;16-17
- M2b:
met zijn gezicht <- naar> omhoog om er de<+n> regen te
voelen
179;al.2;18
- M2a:
uit den nieuwen bouw komen <.>>,> <Welke>>hetwelk>
hij onmiddel-<+l>ijk
179;al.2;19-20
- M2b:
dat alle menschen <- hebben> die niet gelukkig zijn <+ hebben>
179;al.2;20
- M2b:
<ne>>een> wrange<+n> spot
179;al.2;21-22
- M2b:
waar <-,> <met>>in> den donkeren.
- D: waar
in den donker<-en>.
179-180;al.2-al.1;22-1
- M2b:
hij lacht er mee <,>>.> <z>>Z>iet ge,
180;al.1;4
- M2b:
en ziet <- hij> naar een <sep>>zijp>
180;al.1;6
- D: blijft
voortbestaan <.>>!>
180;al.2;2
- M1a:
En tot morgen smeekt ze, meer dan ze het <vraagt # zegt>.
- M2b:
En tot morgen <+,> smeekt ze <-,meer dan ze het zegt>.
180;al.3
180;al.3;1
- M2b:
of is het <ook>>nat> van de<+n> regen?
- D: of
is <het>>haar gezicht> nat van den regen?
180;al.4;1
- M2a:
Tot morgen <+,> zegt de andere <+,>
180;al.4;2
180; al.5;1-2
- M1b:
in den morgend is de maandag de<+n> meest overschilligen dag
- D: in
den morgen<-d> is de <m>>M>aandag de<-n> meest
onverschillige<-n> dag
180;al.5;5
180;al.5;5-6
- M2a:
aan de<+n> winkel <:>>.> Neen,
180;al.5;6
- M2b:
dien<-e> lantarenpaal
- D: dien
<lantarenpaal>>lantaarnpaal>
180;al.5;7
- M2b:
zulke dingen<-s> uit uw<-e> mond komen?
180;al.5;7
- M2a:
hare<+n> kant
- M2b:
<haren>>haar> kant
180;al.5;9
- M2b:
ander dingen<-s>
- D: ander<+e>
dingen
180;al.5;12-13
- M2b:
<- Ze zijn heel zeker uit de Walen, want ze klappen Fransch.>
Over het meisken <die>>dat>
- D: <+
Ze zijn heel zeker uit de Walen, want ze klappen Fransch.> Over
het meisken dat
180;al.5;14
- M2b:
En vaneigens over Sander <,>>;/: [?]>
- D: En
vaneigens over Sander <;/: [?]>>;>
180;al.5;15
180;al.6;1
- M2a:
Aan den hoek zegt Maria <+,> <+:> tot vanavend. Ja <+,>
zegt Elie <+ ,>
- D: Aan
den hoek zegt Maria <-,>: tot vanavend. Ja, zegt Elie,
180;al.6;2-3
- D: tegen
de ander<+e> meiskens
180;al.6;4
180;al.7;1
- M2a:
[+X] Dag uffra <+,> zeggen ze
180;al.7;2
180;al.7;2
- M2a:
hare<+n> kop
- M2b:
<haren>>haar> kop
180;al.7;3
180;al.7;3-4
- M2b:
<Het moet>>Dat het> een schoon leven <+ moet> zijn
180;al.7;5
181;al.1;2-4
- M2a:
alleen maar <savends>>'s avends> eens tusschen licht en
donker naar ziet, en het weer wegstopt waar nooit iemand het vinden
kan.
- M2b:
alleen maar 'savends eens tusschen licht en donker naar ziet, en <-
het> weer wegstopt waar <nooit iemand>>niemand> het
vinden kan.
- D: alleen
maar <+ eens> 's avends <- eens> tusschen licht en donker
naar ziet, en <+ die ge> weer wegstopt waar niemand het vinden
kan.
181;al.2;1
- M2a:
[+X] Ze hangt ook over haar werk gebogen, geef me die schaar
eens, en ze luistert naar hetgeen de andere<+n> te vertellen
hebben over hunne<+n> zondag.
- M2b:
[X] Ze hangt <- ook> over haar werk gebogen <,>>:>
geef me die schaar eens <,>>.>> <e>>E>n
ze luistert naar <hetgeen>>wat> de anderen <- te>
vertellen <- hebben> over hun<-nen> zondag.
- D: [X]
Ze hangt over haar werk gebogen: geef me die schaar eens. En ze luistert
naar <wat>>hetgeen> de anderen vertellen over hun <z>>Z>ondag.
181;al.2;3
181;al.2;3
181;al.2;5
- M2b:
<- eens> te stuiken.
181;al.2;7-8
- M2a:
en ze valt er over. Dat is nu al vier jaar <+,> maar
- M2b:
en <- ze> valt er over. Dat is nu al vier jaar, maar
181;al.2-al.3;8-1
- M2a:
ge niet. Nu pikkelt ze rond <:>>.> [+X] <o>>O>eioei
<+...> vandaag
- M2b:
ge niet. <- Nu pikkelt ze rond.> [X] Oeioei... vandaag
181; al.3;2
- M1a:
Ach ja <+,>
- M2b:
<- Ach> <j>>J>a,
181;al.3;4
- M2b:
dien<-e> knie
- D: die<-n>
knie
181;al.3;5
181;al.3;6-7
- M2a:
dat ge moogt rondbazuinen, iedereen zal zeggen: <I>>i>s
het ochheeren waar
- <.>>!>
- M2b:
<dat>>wat> ge moogt rondbazuinen, iedereen zal zeggen:
is het ochheeren waar!
181;al.3;7
- M2a:
uw <hert>>hart> is dat zeer doet
- M2b:
uw hart is dat <zeer>>pijn> doet
181;al.4;1
- M2a:
maandag <+,>
- D: <m>>M>aandag,
181;al.4;2
181;al.4;4
- M2b:
<ne>>een> mensch apaart.
- D: een
mensch <apaart>>apart>.
181;al.4;5
- D: een
<okkasieauto>>occasieauto>
181;al.4;5
- M2b:
het <portel>>portier>
181;al.4;6-7
- M2a:
<+,> zegt hij <+,> stapt toch in. Hetgeen ze doet en ze
tracht ne lach op haar gezicht te krijgen <:>>;> ge zult
met mij toch zeker geen dwaze kuren uithalen <.>>?> Maar
de lach
- M2b:
, zegt hij, stap<-t> toch in. <- Hetgeen ze doet en> <z>>Z>e
tracht <ne>>een> lach op haar gezicht te krijgen; <-
ge zult met mij toch geen dwaze kuren uithalen?> Maar de lach
- D: ,
zegt hij, stap toch in. Ze tracht een lach op haar gezicht te krijgen
<;>>,> <M>>m>aar <de lach>>hij>
181;al.4;9
- M2a:
<+,> zegt hij. Ons schoenfabriek <!>>.>
181;al.4;10
181;al.4;11
- M1b:
een grimmige<-n> groef langs zijne mond
- M2a:
een grimmige<+n> groef langs zijne<+n> mond
- M2b:
een grimmige<-n> groef langs zijn<-en> mond
181;al.4;12-13
- D: Het
is <erger of>>alsof> het eigendom is die<+n> men
hem ontstolen heeft.
181;al.4;13
- D: het
caoutchou<+c>fabrieksken
181;al.4;14
- M2b:
<- dan> de gas en dien<-en> hangar
181;al.4;16
- M2a:
En ziet hem met ne zwier de sleutel in de poort steken en die <opensmijten>>open
smijten> <!>>.>
- M2b:
En zie<-t> hem met <ne>>een> zwier de<+n>
sleutel in de poort steken en <- die> open smijten.
181;al.4;17
- M2b:
De kaalheid kruipt <- binnen> de muren op
182;al.1;1-2
- D: iets
angstig<+s>, iets benauwelijk<+s> om <+ te> zien,
182;al.1;4
- M2b:
wat doen <.>>:> <V>>v>erder
- D: wat
<+ te> doen: verder
182;al.1;5
- M2b:
of <- er juist> dichter bij <- gaan>
- D: of
<+ juist> dichter bij
182;al.1;7
- M2b:
moteurs gestaan <.>>?>
- D: <moteurs>>motors>
gestaan?
182;al.1;7-8
- M2b:
een <nief><nieuw> kapmachien dat hij <- hem> gekocht
heeft.
182;al.1;8-9
- M2b:
van verbazing en <- van> bewondering
182;al.1;9-10
- M2b:
Ze strijkt <- eens> met haar vingers over het glimmende staal,
en als ge <- er> goed op let
- D: Ze
strijkt <+ eens> met haar vingers over het glimmende staal <-,>
en als ge <+ er> goed op let
182;al.1;10-11
182;al.1;11
- M2a:
de<+n> groote, de<+n> durver.
182;al.1;14
182;al.1;16
182;al.1;16-17
- M2a:
keert hij <hem>>zich> om <.>>;> <E>>e>n
daar zie <+,>
- D: keert
hij zich om <;>>:> en daar zie,
182;al.1;18
- M2b:
een soort <- van> balkon <die>>dat>
182;al.1;20
182;al.1;21-22
- M2a:
<+,> alleen met er staan op te zien.
- M2b:
, alleen met er staan op te <zien>>kijken>.
- D: ,
alleen met er <staan op te kijken>>op te staan kijken>.
182;al.1;22
- M2b:
toch <- nog> zulk een bruut
182;al.1;23
182;al.1;23
- M2b:
op <- de leun van> de balustrade
182;al.1;24
- M2a:
lawij<d>>t> <+,> zegt hij,
- D: <lawijt>>lawaai>,
zegt hij,
182;al.1;24-25
- M2b:
dan zult ge wat zien <+.> <e>>E>n ik moet nog akkoord
maken <- ook>
182;al.1;27
182;al.1;29-30
- M2a:
En achja <+,> hoe is een meisken <!>>.> Ze gelooft
niet dat hij ne mensch is lijk een andere, ne simpele mensch lijk
gij en ik.
- M2b:
En achja, hoe is een meisken. Ze gelooft niet dat hij <ne>>een>
mensch is lijk een andere, <ne>>een> simpele mensch lijk
gij en ik.
182;al.2;1
- M2a:
[+X] Hij moet een soort van god zijn,
- D: [X]
Hij moet een soort van <g>>G>od zijn,
182;al.2;2-3
- M1b:
bijkans<-t> hare mond niet opendoen
- M2b:
<bijkans>>bijna> <hare>>haar> mond niet <opendoen>>openen>
182;al.2;5
- M2a:
<+,> iets van niemendal, een ambetante mug die in zijne weg
komt zitten.
- M2b:
, iets van niemendal, een <- ambetante> mug die in zijn<-e>
weg komt zitten.
183;al.1;1-2
- M2b:
<- en> hoe ze rond ziet met een gezicht of het voor haar zelven
is.
- D: hoe
ze rond ziet met een gezicht of het voor haar zelve<-n> is.
183;al.1;3
- D: net
hetzelfde <.>>:> Wat een meisje
183;al.1;4
- M2a:
haar oogen <+,> hare<+n> mond
- M2b:
haar oogen, <haren>>haar> mond
183;al.2
183;al.2;1-2
- M2b:
<- al> dikwijls hooren fluiten heeft, maar de woorden niet <-
van> kent.
- D: dikwijls
hooren fluiten heeft, maar <+ waarvan hij> de woorden niet kent.
183;al.2;3
- D: maar
verder komt <hij>>het> niet.
183;al.2;5
- M2b:
die nu nog <ne>>een> millimeter te verleggen.
- D: die<+n>
nu nog een millimeter te verleggen.
183;al.3;1
- M2b:
rond haar open<-e> lippen <+,> <- en> rond
183;al.3;5-6
- D: in
zijn armen, <+ verbaasd,> of liever hulpeloos
183;al.4;1
- M2a:
Zwijgend. Met de<+n> last der liefde
- M2b:
Zwijgend <.>>,> <M>>m>et den last der liefde
183;al.4;2
- M2a:
hare<+n> kop weg en nu
- M2b:
<haren>>haar> kop weg en nu
- D: haar
<kop>>hoofd> weg <+,> en nu
183;al.4;2-3
- M2b:
moeilijk <- gaan> worden om doodgewone woorden <- uit>
te spreken.
183;al.5;1
183;al.5;3
183;al.5;3
183;al.5;6
- D: schoenen
maken <+,> maar
183;al.5;7
- M2b:
laat hij<- hem> een bureauken
183;al.5;9
- M2a:
<sijferen>>cijferen>
183;al.5;11
- M2a:
ne man of drie <+,>
- M2b:
<ne>>een> man of drie,
183;al.5;13
183;al.5;14
- M2a:
gaat kruipen op een harde<+n> stoel. Zijn crayon
- M2b:
gaat <kruipen>>zitten> op een harden stoel <.>>,>
<Z>>z>ijn crayon
183;al.5;15
- M2b:
op zijn lip <- begint te> bijt<-en>.
183;al.5;17
- M2a:
zijne<+n> stoel weg. Wacht <.>>,> <H>>h>ij
zal nekeer
- M2b:
zijn<-en> stoel weg. Wacht, hij zal <nekeer>>eens>
184;al.1;1-2
- M2b:
<- En> <z>>Z>e bezien hem
184;al.1;2-3
- M2a:
vallen stil <.>>,> <H>>h>ij wacht tot ge een
muisken kunt hooren p<ie>>[xx]>pen <:>>.>
We gaan
- M2b:
vallen stil, hij wacht tot ge een muisken kunt hooren p<[xx]>>ie>pen.
We gaan
184;al.1;3
184;al.1;3-4
- M2b:
Hij haalt een <kontrakt>>papier> uit zijn<-en> binnenzak.
184;al.1;4-5
- M2a:
met de<+n> rug van zijn vingeren. En het kontakt
- M2b:
met den rug van zijn <vingeren>>hand>. <- En> <h>>H>et
kontakt
184;al.1;6
- M2a:
zet <hem>>zich> weer in gang, en nu voorgoed.
- M2b:
zet zich weer in gang <-, en nu voorgoed>.
184;al.1;7
184;al.2;2
- M2a:
Wie hem noodig heeft <+,> klopt
184;al.2;3
184;al.2;4
- D: hij
die <- toch> nooit voyageert.
184;al.2;5
- M2a:
<sijferen>>cijferen>
184;al.2;6
184;al.2;7
184;al.2;8-9
184;al.2;9
- M2b:
<ne>>een> stille mensch die <- wat> van jaren wordt
- D: een
stille mensch die van jaren wordt <+,>
184;al.3;1
184;al.3;1
- M2b:
<naar ziet>>in leest>
184;al.3;2
- M2a:
trekt zijn blikken <:>>;>
184;al.3;6
- M2b:
dien<-e> mensch <- van jaren>
- D: die<-n>
mensch
184;al.3;7
- M2b:
<van>>over> de prijzen
184;al.3;10
- M2b:
<- zijne sjef> <zijn>>een> meisken,
184;al.3;11
- D: het
<heeft>>is> geen dag geweest.
184;al.3;12
- M2a:
misloopt <hem>>zich>.
184;al.4;1
- M2b:
dat <zou hij moeten>>moet hij> hebben,
184;al.4;2
184;al.4;4
185;al.1;1
- M2b:
ziet hij <- het> ook
185;al.1;3-4
- M2a:
en almeteens op het onverwachte voor een spiegel staan en zeggen <+:>
aiai <+,> ben ik dat?
- M2b:
en <- almeteens> op het onverwacht<e>>s> voor een
spiegel staan en zeggen: aiai, ben ik dat?
185;al.2;4
185;al.2;5
- M2b:
en speelt <- ongedachts>
185;al.2;6
- M2b:
om de waarde te <- kunnnen> noemen
185;al.2;6-7
- M2a:
<+,> aan het gewicht
185;al.2;7-8
- M2b:
Hij weegt het op zijn bijzende vingers <- af>.
185;al.2;8-9
- M1a:
nu laat ons zeggen, <hmm # heu>, zevenen tachtig en half.
- M2a:
laat ons zeggen, heu <,>>...> <zevenen> zeven en>
tachtig en half.
185;al.2;9
- D: Hoeveel heeft dat gekost <+,> Mama?
185;al.2;10
- M2b:
ze nijpt <- hard> nadenkend
185;al.2;11
185;al.2;12
- M2b:
van <te>>het> verschieten.
185;al.2;14
- D: een
bekende<+n> artiest
185;al.2;15
185;al.2;15
185;al.3;1
185;al.3;2
185;al.3;2
- M2a:
zijne<+n> mond
- M2b:
zijn<-en> mond
185;al.3;3
185;al.3;3-4
- M2a:
en zeggen <+:> dag mamaken.
185;al.4;1
- M2a:
[+X] Hij over intrest <+,> dividenden <+,> commissieloon,
185;al.4;2-3
- M2a:
Ge zijt er wel mee <,>>:> Elie
185;al.4;3-4
- M2b:
lijk de<-n> achterste<-n> wagon de<+n> lokomotief
- D: lijk
de achterste wagon de<-n> lokomotief
185;al.4;4
- M2a:
Morgen zondag <+,> komt hij.
- D: Morgen
<z>>Z>ondag, komt hij.
185;al.4;5-6
- M2b:
Of gaat hij <- effenaf> koopen en verbouwen?
185;al.4;6
- M2a:
<+,> want het wordt <z>>Z>ondag
185;al.4;10
185;al.5;1-2
- M2a:
met hare<+n> soldaat, het duurt er nu zoolang mee, gaat ge niet
dansen vraagt ze <+,> maar niet te dringend <+,>
- M2b:
met <haren>>haar> soldaat, het duurt er nu zoolang mee
<,>>!> <g>>G>aat ge niet dansen vraagt ze,
maar niet te dringend,
- D: met
haar soldaat, het duurt er nu zoolang mee! Gaat ge niet dansen <+,>
vraagt ze, maar niet te dringend,
186;al.1;1
- M2a:
ja zegt <!>>,> wat zal
186;al.1;4
- M2a:
en <hem>>zich> bezig houdt
186;al.1;7
186;al.1;8
- M2a:
de <nieve>>nieuwe> partij
186;al.1;9
- M2b:
hetzelfde <van>>lijk> Maria:
186;al.1;10
186;al.2;1
- M2a:
[+X] Daarom, en ze lacht <+,> uit beleefdheid maar
- D: [X]
Daarom, en ze lacht, uit beleefdheid <+,> maar
186;al.2;2
- D: men haar eigenlijk embeteert<.>>,>
- VW: men haar eigenlijk embeteert[,]].]
186;al.2;2
186;al.2;3
186;al.2;5
- M2a:
hare<+n> stoel
- M2b:
<haren>>haar> stoel
186;al.2;5
- D: <mousselinnen>>mousselienen>
186;al.2;6
- M2a:
[-X] Ze wordt stille, Elie.
- M2b: Ze wordt stil<-le>, Elie.
186;al.2;6-7
- M2b:
En er heeft <- al> nooit
186;al.2;7
186;al.2;8
- M2a:
<Savends>>'s Avends>
186;al.2;9
- M2a:
<+,> knikt eens tegen haar moeder <+,> en dan
186;al.2;10
- M2b:
Ze gaat <- eens> aan de deur
186;al.2;10-11
- M2b:
komt ook <- van> de avendkoelte proeven:
186;al.2;12
186;al.2;13
186;al.2;13-15
- M2a:
getrouwd <,>>.> <behalven>>Behalve> nog een
meisken zonder uitdrukking. Een waarvan ge niets vertellen kunt. Een
van die menschen die ongemoeid
- M2b:
getrouwd. Behalve nog een meisken zonder uitdrukking <.>>,>
<E>>e>en waarvan ge niets vertellen kunt <.>>,>
<E>>e>en van die menschen <die>>welke> ongemoeid
186;al.2;16
186;al.2;17
- M2a:
vraagt Elie, en gaat nekeer boven zien <+,> zeggen ze.
- M2b:
vraagt Elie <,>>.> <- En> <g>>G>aat
nekeer boven zien, zeggen ze.
186;al.2;18
- M2b:
<ne>>een> versleten zetel
186;al.2;19-20
- M2a:
de nieuwe batimenten. Hoopen steen <+,> zavel en witkalk. Stellingen
met kuipen mortel op
- M2b:
de nieuwe batimenten <.>>,> <H>>h>oopen steen,
zavel en witkalk <.>>,> <S>>s>tellingen met
kuipen mortel op
- D: de
nieuwe batimenten, hoopen steen, zavel en witkalk, stellingen met
kuipen <+,> mortel <+ er> op
- VW: de nieuwe batimenten, hoopen steen, zavel en witkalk, stellingen met kuipen [-, ] mortel er op
186;al.2;22
- M2a:
kunnen inwonen <!>>,> <E>>e>n Bernardeken
186;al.2;23
186;al.2;24
- M2a:
<+,> zegt hij tegen Elie,
186;al.2;25
- M2b:
Hij glimlacht <- eens> en geeft geen <eksplikasies>>explikaties>.
186;al.2;27
- M2b:
met <- tingelen en ander> onkruid
187;al.1;3-4
- M2b:
<ne>>een> muur getrokken met witte lijntjes <,>>;>
187;al.1;7-8
- M2b:
een schoenfabrieksken <staat>>is>.
187;al.2;1-2
- M2a:
rond zijne<+n> mond en zijn oogen
- M2b:
rond zijn<-en> mond <en>>,> zijn oogen
187;al.3;1
- M2b:
En <o>>O>p <ne>>een> morgen
- D: <-
En> Op een morgen
187;al.3;2
- M2a:
Dat <is>>os[?]> de <manier>>[?]>
- M2b:
Dat <os[?]>>is> de <[?]>>manier>
187;al.3;3
- M2b:
komen <,>>.> <i>>I>edere mensch
187;al.3;5-6
- M2a:
zijn. Een laatste m<a>>[x]>ning van de belastingen,
iets van den deurwaarder, of van het leger <+,>
- M2b:
zijn <.>>,> <E>>e>en laatste m<[x]>>a>ning
van de belastingen, iets van den deurwaarder <-,> of van het
leger,
187;al.3;6
- M2a:
dood <+,> zwaarziek of
187;al.3;7
- M1a:
Ze pakken den omslag op, om het algauw te weten wat er te wachten
staat ,/. [?]
- M2b:
Ze pakken den omslag op <- om te weten wat er te wachten staat><,/.
[?]>>.>
187;al.3;9
187;al.4;1
187;al.4;1-2
- D: getogen
zijn <-,> komt er
187;al.4;6
187;al.4;6-7
- M2b:
Niemand zegt iets, <als>>buiten> de weef een tijd later
in de algemeene stilte: <'t>>het> is wreed.
187;al.4;7
187;al.4;10
187;al.4;11-12
- M2a:
<+,> wat ze ge nu meer dan ne vloek?
- M2b:
, wat ze ge nu meer dan <ne>>een> vloek?
187;al.4;12-13
- M2a:
waar die wonen welke we niet kennen <+,>
- D: <+,>
waar die wonen welke we niet kennen,
188;al.1
188;al.1;1
- M2a:
zijne<+n> weg
- M2b:
zijn<-en> weg
188;al.1;2-3
188;al.1;4
188;al.1;5-6
- M2b:
een einde <nemen gaat>>neemt>.
188;al.1;6
- M2b:
<justekens>>juistekens>
188;al.1;8
- M2a:
kan juist <savends>>'s avends> een keer asem scheppen.
- M2b:
kan <- juist> 's avends <een keer>>even wat> asem
scheppen.
- D: kan
's avends even wat <asem>>adem> scheppen.
188;al.1;9-10
- M2b: aan haar gezicht gestreken <,>>?> <z>>Z>oo een geverfde poep.
- D: aan
haar gezicht gestreken? Zoo een geverfde <poep>>pop>.
188;al.1;11
- M2a:
op hare<+n> mond
- M2b:
<op>>om> <haren>>haar> mond
- D: om
haar mond <+,>
188;al.1;12
- M2a:
<presies>>precies> vermagerd in uw gezicht <!>>.>
Niet alleen vermagerd <+,>
188;al.1;13
- M2b:
<hetgeen ze>>wat Elie> niet vernoem<d>>t>.
<- Ja zegt Maria, nu moet ge hier allemaal weg, en ze lacht. Gij
toch ook?>
188;al.1;14
- M2a:
ze <n>>[x]>ijgt hare<+n> kop
- M2b:
ze <[x]>>n>ijgt<haren>>haar> kop
188;al.1;16-17
- M2a:
den trap op. En wilt ge nu iets weten <+,> moeder,
- M2b:
de<-n> trap op <.>>:> <E>>e>n wilt nu
ge iets weten <-,> moeder,
188;al.1;19
- M2a:
den plafond. Ja <+,> zegt ze. Het is waar Elie,
- M2b:
<den>>het> plafond. Ja, zegt ze <.>>,> <H>>h>et
is waar Elie,
188;al.1;20-21
- M2a:
<presies>>precies> of ze er iets van weet, en ach ja,
het misschien zelf ondervonden heeft.
- M2b:
precies of <ze>>de weef> er iets van weet, en ach ja,
<- het> misschien zelf ondervonden heeft.
188;al.2;1
188;al.2;3
- M2b: staan <-,> voorloopig.
188;al.2;4
- D: <naar>>in>
een ander<+e> stad
188;al.2;4-5
- M1b:
Waarom Ja dat weet niemand want het <+ zijn>
- M2a:
Waarom <+?> Ja <+,> dat weet niemand <+,> want het
zijn
188;al.2;5
- M2a:
hunne waarom aan niemand <+,>
- M2b:
hun<-ne> waarom aan niemand,
188;al.2;7-8
- M2a:
zijne pa schiet er hem naartoe. Vandaar naar den huismeester <+,>
- M2b:
zijn<-e> pa schiet er <hem>>zich> naartoe. Vandaar
naar den huismeester,
188;al.2;9
188;al.2;11
188;al.2;11-13
- M2b:
Ja, wat kan hij anders <- doen> dan milledju zeggen <en>>,>
spuwen in den wal van het kasteelken <+,> <+ en betalen>.
188;al.3;2
- M2a:
en verkoop, cijfers <+,> cijfers
- M2b:
en verkoop <,>>.> <c>>C>ijfers, cijfers
189;al.1;1
- M2b:
strijkt hij <- eens> zijn gedachten bijeen.
189;al.1;2
- M2b:
<- dat> met groote oogen van tusschen de papieren naar hem <opblikt>>opblikken>.
189;al.1;5
189;al.1;7
- M2a:
verdiend is ook meer per uur <dat>>dan> wat
- M2b:
verdien<d>>t> is ook meer per uur dan wat
189;al.1;10-11
- M2a:
<s>>c>ijfers, <fantastiese>>fantastische>
getallen op te roepen, de stad op hare<+n> kop te zetten en
de landkaarten te veranderen.
- M2b:
cijfers, fantastische getallen op te roepen, de stad op <haren>>haar>
kop te zetten en <- de> landkaarten te veranderen.
189;al.1;11-12
189;al.1;13-14
- M2b:
<- ook> een hoop geld in de ondernemingen van zijn<-en>
zoon.
189;al.1;14-15
- M2a: daar doet Mark hem profijt aan <:>>,> op een noen legt zijn papa <hem>>zich> neer in de<+n> <causing-corner>>cosy(corner>, een half uurken
- M2b: daar doet Mark <- hem> profijt aan, <+ want> op een noen legt <- zijn> papa zich neer in den <cosy(corner>>cosy-corner>, <+ en> een half uurken
189;al.1;18
189;al.1;19
- M2b:
waar ze <van>>over> geen dividenden
189;al.2;2
- M2a:
ge zoudt zeggen <+:>
189;al.3;1
- M2a:
uwe<+n> mond
- M2b:
uw<-en> mond
189;al.4;1
- M2a:
[+X] En zeg het maar lijk het is <,>>:> ook een
beetje een halven dwaas
- D: [X]
En zeg het maar lijk het is: ook een beetje een halve<-n>
dwaas
189;al.4;2
- M2a:
de<+n> eene<+n> kant
189;al.4;3
- M2b:
een modern<+en> <-ge>bouw, langs achter
- D: een
modernen bouw <,>>.> <l>>L>angs achter
189;al.4;4-5
- M2a:
met <beesten-vellen>>beestenvellen> <,>>;>
langs voor rijden er kamions
- D: met
beestenvellen; langs voor rijden er <k>>c>amions
189;al.4;6
- M2a:
<ceinturon's>>ceinturons>
189;al.4;8
- M2a:
tusschen licht en donker<-en>
189;al.4;9
190;al.1;1
190;al.1;3-4
- M1b:
maar er hangen spinneko<b>>p>netten voor in de plaats.
- M2b:
maar er hangen spinnekopnetten <- voor> in de plaats.
190;al.1;4
- M2b:
<- En> <e>>E>r staat geen <een>>enkel>
ruit
- D: Er
staat geen enkel<+e> ruit
190;al.1;8-9
- M2b:
laten <- naar> beneden rijzen
190;al.1;9
- M2a:
dat ze afbreken, is <presies>>precies>
- M2b:
dat <ze afbreken>>men afbreekt> <-,> is precies
190;al.1;11-12
190;al.1;14
190;al.1;14
190;al.2;1
- M2a:
[+X] Bernardeken kijkt
190;al.2;2-3
- D: niet
meer wijs uit wordt <.>>:> Deze die
190;al.2;4
190;al.2;5
190;al.2;6-7
- M2a:
een soldaat <+,> ne zekeren Ingels,
- M2b:
een soldaat, <ne>>een> zekeren Ingels,
190;al.2;8
- D: <+,>
juist rechtover de weef.
190;al.2;9
190;al.2;9-10
- M2b:
met <- haren> Ingels. En telkens Bernard
- D: met
<+ haar> Ingels. En telkens <+ als> Bernard
190;al.2;10
190;al.2;11
190;al.2;12
- M2b:
<ne>>een> man en een vrouw woonde<-n>
- D: een
man en een vrouw woonde<+n>
190;al.2;14
- M2b:
<ne>>een> rijke mensch
190;al.2;14-15
- M2b:
geen slaven meer zijn, <- zegt mijne pa,>
190;al.2;15-16
- M1b:
is er iemand komen woonen die<+n> niemand kende,
- M2a:
is er iemand komen wo<-o>nen die<-n> niemand kende,
- D: <is
er iemand>>zijn er menschen> komen wonen die niemand kende,
190;al.3;1
190;al.3;2
- M2b:
zijn <ballonhoofd>>zwaar hoofd>
190;al.3;4
- M2a:
op de vitrien <+...> gebied staan,
190;al.3;4
191;al.1;1
- D: <Zoodus
dat Elie daar ergens moet boven wonen.>>Dus moet Elie daar ergens
boven wonen.>
191;al.1;5
- D: dat
<ge>>ze> uren ver <zoudt>>zouden> loopen
191;al.1;6-7
- M2b:
<ne>>een> mensch is zonder gevoelen<-s> loopt de<-n>
trap op,
- D: een
mensch is zonder gevoel<-en> <+,> loopt de trap op,
191;al.1;8
191;al.1;9
191;al.1;9
- M2b:
in <- de> roode menie
191;al.1;12
191;al.1;13
- M2b:
als <+ hij> <ne>>een> rijke mensch ziet?
- D: als
hij een rijke<+n> mensch ziet?
191;al.1;14-15
- M2b:
<hare>>haar> voorschoot. Ze fribbelt aan <hare>>haar>
rok, en <hare>>haar> kop
- D: haar
voorschoot. Ze fribbelt aan haar rok <,>>.> <e>>E>n
haar kop
191;al.1;17
- M2b:
langs hem heen <- weg en> de<-n> trap af,
191;al.1;19
- M1a:
met/niet [?] veel
- M2a:
<met/niet [?]>>met> veel
- M2b:
<met>>niet> veel
191;al.1;19
- M2a:
Welke zullen het zijn madam? Oeioei <+,>
- D: Welke
zullen het zijn <+,> madam? Oeioei <-,>
191;al.2;1
191;al.2;2
- D: <Petit
Beurre>>Petit Beurre>
191;al.2;4
- M2a:
Een kwart kilo <+,> ja,
191;al.2;5
- M2b:
<haren>>haar> portemonnaie
191;al.2;5-6
- M2a:
Schrijf het alstublieft op <+,> ze woont daar en daar en hoeveel
is het uffra?
- D: Schrijf<+t>
het alstublieft op, ze woont daar en daar en hoeveel is het <+,>
uffra?
191;al.2;8
191;al.2;9
- M2a:
<koekskens>>koekjes>
191;al.2;10
- M2b:
Hij is maar <- eens> eventjes
191;al.2;11
191;al.2;15-16
- M2a:
Hij lacht en knikt <,>>.> <h>>H>ij <v>>w>rijft
genoeg<+e>lijk
- M2b:
Hij lacht en knikt. Hij wrijft genoe<-e>lijk
192;al.1;1
- M2b: <hem>>zich> niet <kan wachten>>wachten kan> <- van> naar zijn horloge te zien, <+ en> rond te zoeken
192;al.1;3
192;al.1;5-6
- M2b:
Geluk dat <- om zoo te zeggen> tastbaar in de kamer hangt
192;al.1;6
192;al.1;8
192;al.1;9
- M2b:
ontroert haar <- het geluid, de trilling van zijn woorden laat
de zenuwen van haar polsen en haar vingertoppen zinderen>.
192;al.2;1-2
- M2a:
<presies>>precies> naar het veld <+,> maar
192;al.2;4
- D: <honderdvijftig>>honderd
vijftig>
192;al.2;6-7
|