Hoofdstuk  I
___________________________
legenda/ [ I ][ II ] [ III ] [ IV ] [ V ]             [terug]

 

 

143;al.1;3

  • M1b: <de>>den> zot
  • M2a: de<-n> zot
  • M2b: de<+n> zot

143;al.1;4-5

  • M1b: en met hunne rug tegen de vlakte, tegen den openen wind van de<+n> stroom ginder achter en de braakliggende gronden.
  • M2b: <-en> met hun<-ne> rug tegen de vlakte, tegen den open<-en> wind van den stroom <-ginder achter> en de braakliggende gronden.

143;al.2;1

  • M1b: <En ne>>Enne> man
  • M2a: <Enne>>Een> man

143;al.2;2-3

  • M1b: zoodat niemand <hem>>zich> dat eigenlijk aantrekt.
  • M2a:<+,> zoodat niemand zich dat eigenlijk aantrekt.

143;al.2;3-5

  • M1a: en ne jonge [x]notneus die niets te doen heeft als op den bijgang te zitten met zijnen rug tegen den muur,
  • M1b: en <ne>>een> <[x]>>s>notneus die niets te doen heeft <als>>dan> op den bijgang te zitten met zijnen rug tegen den muur,
  • M2b: en een jonge snotneus die niets te doen heeft dan op den bijgang te zitten met zijn<-en> rug tegen den muur,
  • D: en een jonge snotneus die niets te doen heeft dan op de<-n> bijgang te zitten met zijn rug tegen den muur,

143;al.2;5-6

  • M1b: kijkt van de-werk weg met <ne>>een> grimlach op zijn gezicht.
  • M2a: kijkt van <de->>de> werk weg met een grimlach op zijn gezicht.
  • D: kijkt van <de>>het>werk weg met een grimlach op zijn gezicht.

143;al.2;7

  • M2a: met een klein<+e> aa<n>>[x]> hare rok.
  • M2b: met een kleine aa<[x]>>n> <hare>>haar> rok.

143;al.2;7-8

  • M2a: <+"> En staat toch stil, Elieken <+"> , zegt ze,
  • M2b: <-"> <-En> <s>>S>taat toch stil, Elieken <-"> , zegt ze,
  • D: <+ -> Staat toch stil, Elieken, zegt ze,
  • VW: [- -] Staat toch stil, Elieken, zegt ze,

143;al.3;1

  • M1b: <-En> <a>>A>an een poortjen

143;al.3;2-3

  • M2b: waarover een balleken <-rond>wipt.

143;al.3;3

  • M1b: , <ne>>een> snotter
  • M2b: <,>>.> <e>>E>en snotter

143;al.3;7-8

  • M1b: <- En> <i>>I>n de root vliegt er een deurken open <,>>:> aai, ons Bernardeken, een vrouw vliegt buiten
  • M2b: In de root vliegt <- er> een deurken open <-:> <a>>A>ai, ons Bernardeken, een vrouw <vliegt>>stormt> buiten
  • D: In de root vliegt een deurken open <+:> Aai <,>>!> ons Bernardeken, een vrouw stormt buiten

143;al.3;9-10

  • M1b: , ze schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in hare<+n> mond wringen.
  • M2a: <,>>.> <z>>Z>e schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in haren mond wringen.
  • M2b: . Ze schreit en wil alle twee haar vuisten tegelijk in <haren>>haar> mond wringen.

143;al.3;10

  • M1b: {Ne/Een} kasseilegger
  • M2a: <{Ne/Een}>>Een> kasseilegger

143;al.5;1-3

  • M1a: in die de hemelweetwat uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan vas[?] zitten.
  • M2a: in <+,> die de <hemelweetwat>>hemel-weet, wat> uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg geweest zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan <- vas> zitten.
  • M2b: in, die de <hemel-weet, wat>>hemel-weet wat> <+,> uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg <- geweest> zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan zitten.
  • D: in, die de <hemel-weet wat>>hemel-weet-wat>, uitgestoken hebben, maar het zal toch erg genoeg <+ geweest> zijn, want ze moeten dertig jaar van hun schoon leven gaan zitten.

143-144;al.5-al.1;3-1

  • M1b: <ne >>een> koer

144;al.1;2

  • M1b: Ze staan in <ne>>een> lange<+n> witte<+n> gang
  • D: Ze staan in een lange<-n> witte<-n> gang

144;al.1;3

  • M2a: <uunaiskens # punaiskens>

144;al.1;3

  • M1b: <Ne >>Een> man in een uniform
  • D: Een man in <- een> uniform

144;al.1;4-5

  • M2a: , <e>>[x]>n twee ander geuniformden op hun hielen, duwen hen onverschillig voort.
  • M2b: , <[x]>>e>n twee ander geuniformden <- op hun hielen>, duwen hen onverschillig voort.
  • D: , en twee ander<+e> geuniformden <-,> duwen hen onverschillig voort.

144;al.1;6-7

  • M2a: is het laatste dat <ze>>of> van de wereld hooren.
  • M2b: is het laatste dat <of >>ze> van de wereld hooren.

144;al.1;7-8

  • M2a: , <z>>Z>e krijgen <ne>>een> num<-m>ero en nu zijn we dood <+,> peinzen ze.
  • M2b: , Ze krijgen een <numero>>nummer> <+.> <e >>E>n nu zijn we dood, peinzen ze.
  • D: <,>>.> Ze krijgen een nummer. En nu zijn we dood, peinzen ze.

144;al.1;11-12

  • M2b: vallen <+,> en een ijzeren deurken achter hen toeslaat.

144;al.2

  • D: [-X] Al wat ze nu te doen hebben
  • VW: [+X] Al wat ze nu te doen hebben

144;al.3;1

  • M1a: een komme/kanne [?] water
  • M2a: een <komme/kanne [?]>>komma> water
  • M2b: een kom<-ma> water

144;al.3;3

  • M1b: hunne<+n> mond
  • M2b: hun<-nen> mond

144;al.3;4

  • M1b: hunne<+n> eenderen angst
  • M2b: hun<-nen> eenderen angst

144;al.3;6

  • M1b: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

144;al.3;7-8

  • M1a: dat daar iemand naar gewacht heeft, dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd of <dat er # dat> een verborgen machien de minste hunner gedachten opschrijft, want
  • M1b: dat daar iemand naar gewacht heeft, dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd of dat een verborgen machien de minste hunner gedachten <opschrijft>>opgeschreven heeft>, want
  • M2b: dat daar iemand naar gewacht heeft, <- dat hen een onzichtbaar oog bespioneerd of dat een verborgen machien de minste hunner gedachten opgeschreven heeft>, want
  • D: dat daar iemand <naar>>op> gewacht heeft, want

144;al.3;8-9

  • M2b: eene met een karabijn aan zijn<-e> schouder
  • D: <eene>>iemand> met een karabijn aan zijn schouder

144;al.3;9-10

  • M1b: Ze staan weer in die<-n> lange<+n>gewitte<+n> gang
  • M2a: Ze staan <- weer in> die<+n> langen gewitten gang
  • M2b: Ze staan <+ weer in> dien langen gewitten gang
  • D: Ze staan weer in die<-n> <- langen> gewitte<-n> gang

144;al.4;1-2

  • M1b: Ze snijden hun haar af, rats tegen hunne<+n> kop, ze passen hen een kostumeken rood en wit gestreept <+,> en <ne>>een> man
  • M2b: <Ze>>Men> <snijden>>snijdt> hun haar af, rats tegen hun<-nen> kop, <ze>>men> <passen>>past> hen een kostumeken rood en wit gestreept, en een man
  • D: Men snijdt hun haar af, rats tegen hun kop < , >> . > <m>>M>en past <hen>> hun> een kostumeken rood en wit gestreept, en een man

144;al.4;4

  • M1b: <ne>>een> stamp

144;al.4;5-6

  • D: omdat hij zijn handen <wil in zijn broekzakken>>in zijn broekzakken wil> steken.

144;al.4;9

  • M1b: <presies>>precies>

144;al.4;11-12

  • M2a: met een galerij boven <+,> waarover uniformen op hun doô gemakken rondstappen.
  • D: met een galerij boven, waarover uniformen op hun doô gemak<-ken> rondstappen.

144-145;al.4-al.1;13-1

  • M1b: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

145;al.1;2

  • M1b: hunne<+n> vinger
  • M2b: hun<-nen> vinger

145;al.1;2-3

  • M1b: aan dat trekkerken <- nekeer> komen om ikweetniet hoeveel dooden te hebben daar beneden in de zaal, waar
  • M2a: aan dat trekkerken komen om ikweetniet hoeveel dooden te hebben daar beneden in de zaal <,>>.> < w>>W>aar
  • D: aan dat trekkerken komen om ik<+ ->weet<+ ->niet<+ ->hoeveel dooden te hebben daar beneden in de zaal <.>>,> <W>>w>aar

145;al.1;5-6

  • D: en geen een<-e>

145;al.1;7-8

  • M2b: op <nen>>een> dag van tien uren werken
  • D: op een dag van tien <uren>>uur> werken

145;al.1;9

  • M1b: eene zijne<+n> vinger
  • M2b: eene zijn<-en> vinger
  • D: een<-e> zijn vinger

145;al.1;10

  • M1b: zijnen num<-m>ero
  • M2b: zijn<-en> numero
  • D: zijn <numero>>nummer>

145;al.1;10-12

  • M1b: <Ne>>Een> luidspreker galmt eentonig zijn bevelen en roept: nummer honderdveertien
  • M2b: Een luidspreker galmt eentonig zijn bevelen <-en roept>: <n>>N>ummer honderdveertien

145;al.1;12-13

  • M1b: en spoedt hem naar latrine waar ze altijd met vijven moeten zitten en <nen>>een> bewaker achter hen die naziet of het wel serieus is.
  • M2b: <+,> en spoedt hem naar de latrine <- waar ze altijd met vijven moeten zitten en een bewaker achter hen die naziet of het wel serieus is>.
  • D: , en spoedt <hem>> zich> naar de latrine.

145;al.2

  • M2b: [X] De drie nie<+u>we
  • D: [-X] De drie nieuwe
  • VW: [+X] De drie nieuwe

145;al.2;6

  • M2b: de hal<-le>

145;al.2;6-7

  • M1b: Marche en avant. Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal, op twee rijen de een achter de andere allemaal met hun gezicht naar de<+n> grond.
  • M2a: Marche en avant. Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal, op twee rijen <+,> de een achter de andere <+,> allemaal met hun gezicht naar den grond.
  • M1b: <- Marche en avant.> Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander zaal, op twee rijen, de een achter de andere, allemaal met hun gezicht naar den grond.
  • D: Een twee, een twee, en ze gaan naar een ander<+e> zaal, <op>>in> twee rijen, de een achter de<+n> andere, allemaal met hun gezicht naar den grond.

145;al.2;7-8

  • M2b: <- maar> met houten kommen op.
  • D: met houten kommen <+ er> op.

145;al.2;9

  • M1b: En ieder krijgt <ne>>een> pollepel
  • M2b: <- En> <i>>I>eder krijgt een pollepel

145;al.3;1

  • M2a: [+X] En aai <+,> er is er een te vroeg stille gevallen met zijn voeten.
  • M2b: [X] En aai, er is er een te vroeg stil<-le> gevallen met zijn voeten.
  • D: [X] En aai, er is er een te vroeg stil gevallen <- met zijn voeten>.

145;al.3;2

  • M2b: zijn<-e> mond

145;al.3;2-3

  • M1b: hij geeft me dien<-e> sukkelaar <ne>>een> slag van zijne<+n> geweerkolf in het gezicht,
  • M2b: hij geeft <- me> dien sukkelaar een slag van zijn<-en> geweerkolf in het gezicht,

145;al.3;4

  • D: <achter over>>achterover>

145;al.3;4-5

  • M1b: Met een straalken bloed dat uit zijne<+n> mond loopt over zijn magere kin<-ne>.
  • M2b: <- Met> <e>>E>en straalken bloed <- dat> <+ loopt> uit zijn<-en> mond <- loopt><+,> over zijn magere kin.

145;al.4;2

  • M1b: zetten ze <hen>>zich> neer

145;al.4;3

  • M1b: de<+n> mond

145;al.5;1-2

  • M1b: he<+e>lemaal de laatste
  • D: heelemaal de laatste<+n>

145;al.5;2-3

  • M2b: <- de> terdoodveroordeelden

145;al.5;4

  • M2b: <.>>,> Ook hun<-ne> lepel
  • D: <,>>.> Ook hun lepel

146;al.1;1

  • M1b: <ne>>een> mensch

146;al.2;1

  • M1b: <de>>het> wippend<-e> balleken

146;al.2;2

  • M2a: <.>>,> De schijf is van Mark, kleine Mark
  • D: <,>>.> De schijf is van Mark, kleine<+n> Mark

146;al.2;4

  • M2b: <- en> nooit uit zijn lood

146;al.2;7-8

  • M2b: <,>>:> als ge

146;al.2;8

  • D: <M>>m>ama

146;al.2;8-9

  • D: Ze <hebben>>zijn> in Nice geweest,

146;al.2;11

  • M1a: en rondwippend balleken <! # . >
  • M2b: en <+ een> rondwippend balleken.

146;al.3;1-2

  • M1b: [-X] Hij gaat er mee den hof in over <nen>>een> ouden koer met plaveien waar mos op groeit en waar in perken met denneboomen staan.
  • M2a: [+X] Hij gaat er mee den hof in over een ouden koer met plaveien waar mos op groeit en waar in perken <- met> denneboomen staan.
  • M2b: [X] Hij er mee den hof in <+,> over een ouden koer met plaveien waar mos <- op> groeit <- en waar in perken denneboomen staan>.
  • D: [X] Hij gaat er mee den hof in, over een oude<-n> koer met plaveien waar mos groeit.

146;al.3;3

  • M1b: <- En> <v>>V>uil kinderen
  • D: Vuil<+e> kinderen

146;al.3;7

  • M2b: dat hij <hun>>hen> afgezet heeft

146;al.3;8

  • M1b: het <poorteken>>poortje>

146;al.3;9

  • D: en <,>>:> stommeriken, roept hij.

146;al.3;9

  • M1b: En Jean die <hem>>zich>
  • M2b: <-En> Jean die zich

146;al.3;10

  • M2a: Smeerlap <+,> roept hij

146;al.3;12

  • M2a: <.>>:> Jean heeft gevloekt

146;al.3;13

  • D: de<- n> bijgang

146;al.3;14-16

  • M1b: Hij gaat <hem>>zich> neven dien anderen zetten op den bijgang, dezen die van dewerk weg ziet met <nen>>een> heimelijken grimlach rond zijne<+n> mond
  • M2a: Hij gaat zich neven dien anderen zetten op den bijgang, dezen die van <dewerk>>de werk> weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijnen mond
  • M2b: Hij gaat zich neven dien andere<-n> zetten op den bijgang, deze<-n> die van de werk weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijn<-en> mond
  • D: Hij gaat zich neven dien andere zetten op de<-n> bijgang, deze<+n> die van <de>>het> werk weg ziet met een heimelijken grimlach rond zijn mond

146;al.3;17

  • M1b: <nen>>een> heelen tijd

146;al.3;19

  • M1b: <nen>>een> dief

146;al.3;21

  • M2b: den andere<-n>
  • D: den ander<-e>

146-147;al.3-al.1;22-1

  • M1b: <ne>>een> rijke<-n> besteelt altijd <nen>>een> arme<-n>, hoe zouden ze anders rijk worden, jong?
  • M2b: een rijke besteelt altijd een arme, hoe zouden ze anders rijk worden <-, jong>?

147;al.1;1

  • D: <hen>>hun>

147;al.1;3-4

  • M1b: en stapt <- bij hem> binnen

147;al.2;3-4

  • M2b: ligt daar nu <-,> te wachten

147;al.2;5

  • M2b: <nen>>een> hoop

147;al.2;5-6

  • M2a: bestemd is <+,> blijven liggen.

147;al.2;6

  • D: de ander<+e> snotters

147;al.2;6-7

  • D: Kwestie van <+ er>weer een<-en> te moeten minken.

147;al.2;7-8

  • M2b: de<-n> doktoor

147;al.2;9-10

  • M2a: liggen <+.> <a>>A>ls ze het maar niet in hare kop
  • D: liggen. Als ze het maar niet in <hare>>haar> kop

147;al.3;1-2

  • M1b: Elieken haar moeder, - de weef, zeggen ze, maar niemand weet of ze eigenlijk wel getrouwd geweest is <,>> - > die
  • M2a: , - de weef <,>> - > zeggen ze, maar niemand weet of ze eigenlijk wel getrouwd geweest is < - >>,> die

147;al.3;5-6

  • M2a: Let een beetje op de deur <+,> zegt ze, maar Elieken vaagt er aan, ze zit <nen>> een> tijd stille te zien, kan die deur nu niet op haar zelven letten? [-X] Ze trippelt
  • M2b: Let een beetje op de deur, zegt ze, maar Elieken vaagt er aan, ze zit een tijd <- stille> te zien <-, kan die deur nu niet op haar zelven letten?><+ .><+ En> <Z>>z>e trippelt
  • D: Let een beetje op de deur, zegt ze <,>>.> <m>>M>aar Elieken vaagt er aan <. >>,> <E>>e>n <- ze> trippelt

147;al.3;9-10

  • M1b: Maar het gauw weten zult ge niet, want als er iemand passeert, zwijgen ze <- gauw>.
  • M2a: Maar <het gauw weten zult ge niet>>ge zult het niet gauw weten>, want als er iemand passeert, zwijgen ze.

147;al.3;10

  • M1b: <- En> <m>>M>et hun

147;al.3;14-15

  • M1b: waar <ne>>een> vijver rondkronkelt met veel onkruid in.
  • D: waar een vijver rondkronkelt met veel onkruid <+ er> in.

147;al.3;15-16

  • M1b: <nen>>een> inham van de<+n> stroom

147;al.3;16

  • M1b: geen<-e> mensch

147;al.3;17

  • M1b: als misschien <nekeer>>eens> <ne>>een> lijnvisscher.
  • D: <als>>dan> misschien eens een lijnvisscher.

147;al.3;18

  • M1b: <nen>>een> heelen boukee

147;al.3;19

  • D: <pisblommen>>pisbloemen>

147;al.3;20

  • M1b: Elie zegt: die <moogde>>moogt ge> voor geenen heiligen zetten.
  • M2b: Elie zegt: die moogt ge voor geen<-en> heiligen zetten.

147;al.3;20

  • M2a: Mar<ia>>ai>ken <+,> die
  • M2b: Mar<ai>>ia>ken, die

147;al.3;22

  • M1b: Ze zetten <hen>>zich> neer op den barm
  • M2a: Ze zetten zich neer op den <barm>>berm>

148;al.1;1-2

  • M1b: Elieken met haar zwart haar op een calotjen en Mariaken met haar geel haar op twee vlechtekens over hare<+n> rug.
  • M2b: Elieken met haar zwart haar op een caltotjen <+,> en Mariaken met haar geel haar op twee vlechtekens over <haren>>haar> rug.
  • D: Elieken met haar zwart haar <op>>in> een calotjen, en Mariaken met haar geel haar <op>>in> twee vlechtekens over haar rug.

148;al.2

  • M1b: [+X] En ginder beneden

148;al.2;1

  • M2b: in <'t>>het> water < -,> spelen

148;al.2;2

  • M1b: Ze hebben <hen>>zich>

148;al.2;3

  • M1b: en in <nen>>een> be<-r>roeste<+n> pot gaan gaan ze <hun>>de> vischkens doen.

148;al.2;4

  • M1b: aan de<+n> kant

148;al.2;5

  • M1b: met <hun>>de> handen

148;al.2;7

  • M1b: Jaja een stil water<+ken> heeft <nen>>een> diepen grond.
  • M2a: Jaja <+,> een stil waterken heeft een diepen grond.
  • M2b: Ja<-ja>, een stil waterken heeft een diepen grond.
  • D: Ja<+ja>, een stil waterken heeft een diepen grond.

148;al.3;2

  • M2b: <het>>hun> laatste jaar

148;al.4;1-2

  • M2a: dicht <tegen een>>tegeneen>,

148;al.4;2-3

  • M1b: <- En> <e>>E>r komt iemand op handen en voeten in de lommer
  • M2b: Er komt iemand op handen en voeten in de<+n> lommer
  • D: Er komt iemand op handen en voeten in <den>>het> lommer

148;al.4;5

  • M1b: <ne>>een> struik

148;al.4;5-6

  • M1b: diene valsche gremel hangt weer rond zijne<+n> mond.
  • M2b: die<-ne> valsche gremel hangt weer rond zijn<-en> mond.

148;al.4;9

  • M1b: <lawijd>>lawijt> want
  • D: lawijt <+,> want

148;al.4;11

  • M1b: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

148;al.4;12

  • M2b: beziet hij niet <,>>.> <h>>H>ij

148;al.4;13

  • M2a: <- En> <n>>N>u

148;al.4;15

  • M1b: en van vreemde <dingens>>dingen>
  • M2b: <+,> en van vreemde dingen

148;al.4;16

  • M2b: onder het water <- die rondekens vormen al maar wijder en wijder>.

148;al.4;17-18

  • M1b: duwt Sander, straks verdrinkt hij nog, wat <nen>>een> heimelijken Judas is dat nu?
  • M2a: duwt Sander, straks verdrinkt hij nog, wat een heimelijken J<u>>[x]>das is dat nu?
  • M2b: duwt Sander <,>>.> <s>>S>traks verdrinkt hij nog, wat een heimelijken J<[x]>>u>das is dat nu?
  • D: duwt Sander. Straks verdrinkt hij nog, wat een heimelijke<-n> Judas is dat nu?

148;al.4;19-20

  • M1b: <dingens>>dingen> waar hij zelfs niet eens plezier van heeft.
  • M2a: d<+r>ingen waar hij zelfs niet eens plezier van heeft.
  • M2b: d<-r>ingen waar hij zelfs niet eens plezier van heeft <.>>?>
  • D: dingen waar hij zelfs niet eens plezier <van>>in> heeft?

148;al.4;21

  • D: broek<+s>zakken

148;al.4;21

  • M2a: <nors>>norsch>

148;al.4;22-23

  • M1b: Hij schreit, speelt zijn dingen aan. Eerst <- nekeer> averecht en dan al pressend het weer uitgespeeld en omgekeerd.
  • M2b: Hij schreit <-,> <+ en> speelt zijn <dingen>>kleeren> aan. <- Eerst averecht en dan al pressend het weer uitgespeeld en omgekeerd.>

148;al.4;23-24

  • M1b: recht naar huis, misschien dat hij zijne<+n> nood zal klagen
  • M2b: recht naar huis <,>>.> <m>>M>isschien dat hij zijn<-en> nood zal klagen

148;al.4;26

  • M1b: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

149;al.1;1-2

  • M2a: Waarom is hij <- nu> beschaamd?

149;al.1;4

  • M1b: een blikke<+n> pot

149;al.1;5

  • M1b: de ander<+e> jongens
  • M2b: de ander<-e> jongens
  • D: de ander<+e> jongens

149;al.1;5

  • M2b: liever alleen is<.>>?>

149;al.1;5-7

  • M1b: Hij legt <hem>>zich> neer in het zand op zijne<+n> rug met zijn knieën opgetrokken, al kijkend naar de meiwolken die van ginder over de<+n> stroom komen
  • M2b: Hij legt zich neer in het zand op zijn<-en> rug <- met zijn knieën opgetrokken>, al kijkend naar de meiwolken die van ginder over den stroom komen

149;al.2;2

  • M1b: de<+n> regenkant

149;al.2;4-5

  • M2b: dat daar woont heeft eerst haar moeder <- vroeg> weten optrekken
  • D: dat <daar>>er> woont heeft eerst haar moeder weten optrekken

149;al.2;5-6

  • M1b: van zijn bedde naar zijne<+n> zetel trekt en zijn hoofdkussen onder zijnen arm
  • M2b: van zijn bed<-de> naar zijn<-en> zetel <trekt>>sloft> en zijn hoofdkussen onder zijn<-en> arm

149;al.2;7-8

  • M2b: een leven <!>>:> Iets lijk een vogelken in zijn kooi <,>>.> <e>>E>n

149; al.2;9-10

  • M2b: dat <- nu> nooit om zoo te zeggen buiten geweest heeft.
  • D: dat nooit om zoo te zeggen buiten geweest <heeft>>is>.

149;al.2;10-11

  • M1b: iedere<+n> nacht en iedere<+n> dag met den angst op haar lijf loopt
  • M2a: iederen nacht en iederen dag met den angst<+e> op haar lijf loopt
  • M2b: iederen nacht en iederen dag met den angst<-e> op haar lijf loopt

149;al.2;12

  • M1b: <ne>>een> wereld

149;al.2-al.3;14-1

  • M1b: zoó groot [+X] Heer spaar hem
  • M2a: <zoó>>zóó> groot <+:> [X] Heer <+,> spaar hem <+,>

149;al.3;2-3

  • M1b: <Savends>>'s Avends>gaat hij naar zijn bedde. Ze heeft het eerst <nekeer>> eens > goed opgeschud.
  • M2b: 's Avends gaat hij naar zijn bed<-de>. Ze heeft het eerst eens goed opgeschud.

149;al.3;3-4

  • M1b: en <ne>>een> lepel, een glas water en de nachtvaas
  • M2a: en ne leel, een glas water en de nachtvaas <+,>
  • M2b: en een lepel, een glas water <- en de nachtvaas>,

149;al.3;5-6

  • M2b: aan de achterdeur <+.> <- en> <m>>M>et beetjes seffens komt de valavend ginder <- van>achter

149;al.3;7

  • M1b: de <+n> stroom

149;al.3;10

  • M1b: hare<+n> schouder
  • D: <haren>>haar> schouder

149;al.3;11-12

  • M2b: <- En><h>>H>et is Sander, weeral die <+,> met zijn geheimzinnigheid.

149;al.3;13

  • D: <'k>>ik> ben het maar

149-150;al.3-al.1;13-1

  • M2b: de<+n> valavend

150;al.1;1

  • M1b: dingen<-s>

150;al.1;1-2

  • M1b: En die <dingens>>iets> doet zeggen welke ge u later beklaag<d>>t>. Hij vertel<d>>t>
  • M2b: En die iets doet zeggen <welke>>wat> ge u later beklaagt. Hij vertelt

150;al.1;4

  • M1b: die van mij houd<+t>

150;al.1;5

  • M2a: die mij geern<+e> ziet,
  • M2b: die mij geern<-e> ziet,
  • D: die mij geern<+e> ziet,

150;al.1;6

  • M1b: <ne>>een> mensch

150;al.1;10

  • M1b: benauwd word<+t>

150;al.1;13

  • M2b: dicht neven haar <- staan>

150;al.1;14

  • M1b: zijne<+n> knie
  • M2b: zijn<-en> knie

150;al.1;14-15

  • M1b: Haar hert <[xxxxx]>>klopt> wild en ze is onmachtig om <ne>>een> stap te verzetten.

150;al.1;15-16

  • M2b: achter hare rug, ze zakte heel zeker op den grond <- en zou daar van haar zelven gaan>.
  • D: achter <hare>>haar> rug, ze zakte heel zeker op den grond.

150;al.1;17-18

  • M2b: tegen de hare <,>>:> dat er iemand was die hem geern zag.
  • D: tegen de hare: dat er iemand was die hem geern<+e> zag.

150;al.1;19-20

  • M1b: er moest ons <nekeer>>eens> iemand zien.

150;al.1;20

  • M1b: En ze nijpt <- nekeer> in zijn arm.

150;al.1;21

  • M1b: geer<+n> zien maar
  • M2a: geern<+e> zien <+,> maar

150;al.1;22-23

  • M1b: ze gaat binnen, weeral met <ne>>een> last meer.
  • M2a: ze gaat binne<-n>, weeral met een last meer.
  • M2b: ze gaat binne<+n>, weeral met een last meer.

150;al.1;25

  • D: de<+n> schemer

150;al.1;26-27

  • M2a: met zijne<+n> rug tegen de muur en zijn gezicht naar de<+n> donkere<+n> locht.
  • M2b: met zijn<-en> rug tegen de<+n> muur en zijn gezicht naar de<-n> donkere<-n> locht.

150;al.1;27-28

  • M2a: Diene grijnslach, neen, diene grimlach<+t>
  • M2b: Dien<-e> grijnslach, neen, dien<-e> grimlach<-t>
  • D: Die<-n> grijnslach, neen, die<-n> grimlach

150;al.1;29

  • M1b: als een masker, en er drupt <nen>>een> traan,<eenen>>éénen>, uit zijn oog en rolt stillekens over zijn kaak.
  • M2b: als een masker <-, en er drupt een traan, éénen, uit zijn oog en rolt over zijn kaak>.

150;al.2;2

  • M1b: een <heele>>heel> eind die ze
  • D: een heel eind <die>>wat> ze

150;al.2;4

  • M2a: blond haar <+,> terten

150;al.2;5

  • D: weeral ander<+e>

151;al.1;1

  • M2b: <- al> lang genoeg over <,>>:>

151;al.1;2

  • M2a: <+k>kan niet met zijn beentje, <ocharme>>och arme>.
  • M2b: <-k>kan niet met zijn beentje, och arme.

151;al.1;4

  • D: de<-n> eerste<-n>

151;al.1;4

  • M2b: Zijn<-e> meester heeft al
  • D: Zijn<+e> meester <heeft>>is> <al>>reeds>

151;al.1;6

  • M2a: gaan te steken. Ja <+,>
  • D: <- gaan> te steken. Ja,

151;al.1;7

  • M2b: zijn<-e> pa

151;al.1;8

  • M1b: opgeto<-o>gen

151;al.1;9

  • M1b: de ander<+e> jongens

151;al.2

  • M1b: [+X] De kruisbloemigen,

151;al.2;2

  • M1b: En de nachtschade, <n>>N>achtschade,
  • D: En de nachtschade < , >> . > Nachtschade,

151;al.2;3

  • M1b: dingen<-s>

151;al.2;4

  • M1b: <presies>>precies>

151;al.2;7

  • M1b: <nekeer >>eens>

151;al.2;7-8

  • M1b: en hebben <presies>>precies>
  • M2a: en <+ ze> hebben precies

151;al.2;8

  • D: Hij verstaat <hem>>zich>

151-152;al.2-al.2;9-3

  • M1b: , gaat een beetje buiten spelen, [*]zeggen ze. En hij gaat het deurken uit, vermoedt niet dat het gemengde gevoel van kwaadheid, toorn en plezier eigenlijk oudertrots is. En tusschen de kasseistenen die blijven liggen zijn, spelen ze schoolken. Hij is de schoolmeester en geeft les, Een veel schooner les dan die ze in de school zelf krijgen. Straffen doet hij niemand en van zulke geheimzinnige dingen vertel<d>>t> hij, dat de kinderen hem verdwaasd staan te bezien. En nu is het speeltijd, hij klapt in zijn handen en ze lachen achter zijn<+en> rug. Zot, zegt er eene, Het steekt lijk een lange naald door zijn herteken. Niemand verstaat hem, niemand kan met hem spelen, hij zal altijd alleen zijn. En Elieken zit daar ook op twee steenen. Elie, gij moet blijven in de klas, zegt hij. Elie blijft, en zit hem met haar donker oogen te bezien. Hij grabbelt in zijn<+en> zak en geeft haar zijn beeldekens uit chokolade-reepen, waar hij nu al meer dan een jaar aan spaart.
    Nem, en hij legt ze in het smalle handje, de koele vingeren komen tegen zijn hand, en zijn bloed slaat om, het vreemd gevoel dat goed op verdriet trekt en wat toch dat niet is, begint hem weer te nijpen. Hij wordt zoo rood als een kollebloem, draait <hem>>zich> beschaamd om en loopt binnen.
    [X] Van af den dag dat kleine Mark ruzie kreeg met zijn roulette, beziet hij de kinderen uit de zeven huizekens niet meer. Hij speelt in den hof alleen. Gij zit hier en[*] gij zit daar, zegt hij,
  • D: <,>>.><Gaat>>Ga> een beetje buiten spelen, [hele passage tussen [*] (...) [*] valt weg] gij zit daar, zegt hij,
  • M3:
    VW:<,>>. >< Gaat>>Ga> een beetje buiten spelen, zeggen ze. En hij gaat <het>>her # het> deurken uit, vermoedt niet dat het gemengd<-e> gevoel van kwaadheid, toorn en plezier eigenlijk oudertrots is. En tusschen de kasseistenen die <blijven liggen zijn>>zijn blijven liggen>, spelen ze schoolken. Hij is de schoolmeester en geeft les, <E>>e>en veel schooner les dan die ze in de school zelf krijgen. Straffen doet hij niemand en van zulke geheimzinnige dingen vertelt hij, dat de kinderen hem verdwaasd staan te bezien. En nu is het speeltijd<,>>.> <h>>H>ij klapt in zijn handen en <ze>>zij # ze> lachen achter zijn<-en> rug. Zot, zegt er een<-e><,>>.> Het steekt lijk een lange naald door zijn herteken. Niemand verstaat hem, niemand kan met hem spelen, hij zal altijd alleen zijn. En Elieken zit daar ook op twee steenen. <Elie>>elie # Elie>, <gij>>ge> moet blijven in de klas, zegt hij. Elie blijft, en zit hem met haar donker<+e> oogen te bezien. Hij grabbelt in zijn<-en> zak en geeft haar zijn beeldekens uit chokolade-reepen, waar hij nu al meer dan een jaar aan spaart. [-X] <Nem>>Neem>, en hij legt ze in het smalle handje, de koele <vingeren>>vingers> komen tegen zijn hand, en zijn bloed slaat <om>>op> <,>>.> <h>>H>et vreemd gevoel dat goed op verdriet trekt en wat toch dat niet is, begint hem weer te nijpen. Hij wordt zoo rood als een kollebloem, draait zich beschaamd om en loopt binnen.

    [+ witregel][X]Vanaf den dag dat kleine Mark <ruzie>>rusie # ruzie> kreeg met zijn roulette, beziet hij de kinderen uit de zeven huizekens niet meer. Hij speelt in den hof alleen. Gij zit hier en gij zit daar, zegt hij

152;al.2;5

  • M1b: twee andere<+n>

152;al.2;6-7

  • M1b: een heimelijke<+n> lach
  • D: een heimelijke<-n> lach

152;al.2;8

  • M1b: zijne<+n> zak
  • D: zijn<-en> zak

152;al.2;8-9

  • D: ander<+e> kinderen <,>>?> vraagt Mama.

152;al.2;9

  • M1b: zijne<+n> kop
  • D: zijn<-en> kop

152;al.2;10

  • M1b: En mama draait <haar>>zich> om,
  • D: En <m>>M>ama draait zich om,

152;al.2;11

  • M2a: serieus <.>>,> <G>>g>e moogt
  • D: serieus <,>>.> <g>>G>e moogt

152;al.3;2

  • D: de<-n> intrest

152;al.3;6

  • D: hoeveel was dan zijn beginkapitaal <.>>?>

152;al.3;6-7

  • M1a: zijn vingers jeuken ,/. [?] Hij doorziet
  • M2a: zijn vingers jeuken <,/. [?]>>,> Hij doorziet
  • D: zijn vingers jeuken <,>>.> Hij doorziet

152;al.3;7

  • M1b: <sijfers>>cijfers>

153;al.3;9

  • M1b: <zondagsenten>>zondagcenten>

152; al.3;13

  • M1b: <zondagpree>>zondaggeld>

152;al.3;14

  • M1b: de<+n> volgende<+n> trimester

152;al.3;17-18

  • M1b: Allons, allons Mark. En ze roept er hare<+n> biechtvader bij, <ne>>een> pastoor die geen een arme<+n> mensch kent.
  • D: <- Allons, allons Mark. En> <z>>Z>e roept er <haren>>haar> biechtvader bij, een pastoor die geen een armen mensch kent.

152;al.3;20

  • D: <-van> waar haalt

153;al.1;1

  • M2a: Ja, daar verstaat hij <hem>>zich> niet uit.

153;al.2;1

  • M2b: <+ De> Doktoor <- Groffen>
  • D: De <D>>d>oktoor

153;al.2;1-2

  • M2a: verstaat er hem zooveel te beter<+[x]> uit.
  • M2b: verstaat er hem zooveel te beter<-[x]> uit.
  • D: verstaat er <hem>>zich> zooveel te beter uit.

153;al.2;4-5

  • M1b: <spaarsenten>>spaarcenten>

153;al.2;5

  • M2b: van wat gaat ze hem dan betalen <.>>!> ach
  • D: van wat gaat ze hem dan betalen! <a>>A>ch <+,>

153;al.2;6-7

  • M2b: <- Is hij boven? en> <h>>H>ij stommelt den trap op.
  • D: Hij stommelt de<-n> trap op.

153;al.2;8

  • D: weet dat <aleens niet>>niet eens> meer.

153;al.2;9

  • M1b: <lawijd>>lawijt>
  • D: <lawijt>>lawaai>

153;al.2;9-10

  • M1b: en pakt de<+n> pols, binst staart hij door het vensterken alover het veld
  • M2b: en pakt den pols vast, binst staart hij door het vensterken <- al>over het veld
  • D: en pakt de<-n> pols vast, binst staart hij door het vensterken over het veld

153;al.2;12-13

  • M2b: Ja, wie weet <- er> nu
  • D: Ja, wie weet <+ er> nu

153;al.2;13

  • M1b: Hij weer<d>>t> hem
  • D: Hij weert <hem>>zich>

153;al.2;16

  • M1b: Er <[xxxxx]>>brandt>

153;al.2;19-20

  • M2b: Met morgen <v>>V>rijdag <- mee>, is het <- nu> drie weken
  • D: Met morgen <V>>v>rijdag, is het drie weken

153;al.3;1

  • M2a: Ja <+,>

153;al.3;2

  • M2b: <hebde>>hebt> gij

153;al.3;4

  • M2b: <p>>S>sst <+...> Jean <,>>.> <- en> <h>>H>ij komt
  • D: <Ssst>>Psst>...Jean. Hij komt

153;al.3;5

  • M1b: hare<+n> slets
  • M2b: <haren>>haar> slets

153;al.3;5

  • M1b: hare<+n> mond
  • M2b: <haren>>haar> mond

153;al.3;6

  • M2b: doet <hem>>haar mond> weer toe

153;al.3;7

  • M2b: Wat is <'t>>er>? En nu wil ze <- zoo> onnoozel

153;al.3;9

  • M2b: Sander <,>>?> vraagt Jean.

153;al.3;10

  • M1b: hare<+n> schoen
  • D: <haren>>haar> schoen

153;al.3;11

  • M1b: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

153;al.3;13

  • M2a: Merci, zegt ze <+,> en

153;al.3;14

  • D: de<-n> trap

153;al.3;14

  • M2b: Waarom zegt ze nu merci <.>>?>

154;al.2;1

  • M2a: De av<e>>o>ndzonne
  • M2b: De avondzon<-ne>
  • D: De av<o>>e>ndzon

154;al.2;3-4

  • M1b: zoo eene, die op <ne>>een> goeie<+n> morgen weg is, en niemand
  • M2b: zoo eene, die op een goeien morgen weg is, <- en> niemand
  • D: zoo een<-e>, die op een goeien morgen weg is, niemand

154;al.2;6

  • D: <naar toe>>naartoe>

154;al.2;7

  • M1b: zijne<+n> wrange<+n> lach
  • M2b: zijn<-en> wrangen lach

154;al.2;8

  • M1b: de<+n> nare<+n> en belachelijke<+n> droom

154;al.2;10-11

  • M1b: om iedere<+n> avend hetzelfde te bidden ./, [?] Om iedere<+n> avend aan het poortje te staan en weer zijne<+n> knie te voelen,
  • M2a: om iedere<-n> avend hetzelfde te bidden <./, [?]>>.> Om iederen avend buiten <aan>> [x]an> het poortje te staan en weer zijnen knie te voelen,
  • M2b: om iedere<+n> avend hetzelfde te bidden. Om iederen avend buiten <[x]an>> aan> het poortje te staan en weer zijn<-en> knie te voelen,
  • D: om iederen av<e>>o>nd hetzelfde te bidden. Om iederen av<e>>o>nd buiten aan het poortje te staan en zijn knie weer te voelen,

154;al.2;12

  • M2b: haar <- smalle en> huiverende heupen

154;al.2;13

  • M1b: twee oogen. Kus me lispelt ze. Kus me en ze opent hare<+n> mond
  • M2a: twee oogen <.>>,> <K>>k>us me <+,> lispelt ze <.>>,><K>> k>us me <+ ,> en ze opent haren mond
  • D: twee oogen <,>>.> <k>>K>us me, lispelt ze, kus me, en ze opent <haren>> haar> mond

154;al.2;14

  • M1b: <nekeer>>eens> komt, is Jean.
  • M2b: eens komt <-,> is Jean.

154;al.2;19

  • D: kan hij het <hem>>zich> niet wachten.

154;al.2;20

  • M1b: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

154;al.2;21-22

  • M1b: draait <hem>>zich> met zijne<+n> rug
  • M2b: draait zich met zijn<-en> rug

154;al.2;23

  • M1b: <ne>>een> jongen

154;al.2;24

  • M1b: <ne>>een> slimmerik

154;al.3;1

  • M2a: [+X] Hij alleen kan <met>>[xx]et>
  • M2b: [X] Hij alleen kan <[xx]et>>met>

154;al.3;2-3

  • M2b: <- Maar ook> <h>>H>ij alleen kan

154;al.3;4

  • M1b: <ne>>een> mensch

154;al.3;6

  • D: het is <al>>ál>

154;al.3;7-8

  • M1b: verlang<d>>t><+.><e>>E>n meteen <ne>>een> kwellenden angst voelt dat hij daar over beginnen zal.
  • D: verlangt. En <meteen een kwellenden angst voelt>>tevens voelt ze een kwellenden angst> dat hij daar over beginnen zal.

154;al.3;8-9

  • M1b: Ze vraagt <haar>>zich> zelven af of diene snotneus dat nu geriekt.
  • M2b: Ze vraagt zich zelven af of dien<-e> snotneus dat nu geriekt.
  • D: Ze vraagt zich zelve<-n> of die<-n> snotneus dat nu <-ge>riekt.

154;al.3;10

  • D: waar <ge>>ze> geen windeken hoort

155;al.1;1

  • M2a: uit hare<+n> mond. En met den daver
  • M2b: uit haren mond <.>>,> <- En> met den daver
  • D: uit <haren>>haar> mond, met den daver

155;al.1;3-4

  • M2a: bleek lijk de dood <+,> maar hij gebaar<d>>t> hem onverschillig
  • M2b: bleek <- lijk de dood>, maar hij gebaart hem onverschillig
  • D: bleek, maar hij gebaart <hem>>zich> onverschillig

155;al.1;7-8

  • M2b: uitgezongen heeft <,>>.><h>>H>aar poppen, haar lappendoozen en haar beeldekens<-doozen>

155;al.1;10

  • D: de kas<+t>

155;al.1;10

  • M2b: Ah, dag Jean <.>>,> <T>>t>e naaste week

155;al.1;11-12

  • M1b: de<+n> stiel te leeren. Een fabriek is toch maar een fabriek
  • M2b: den stiel te leeren<.>>,> <E>>e>n fabriek is toch maar een fabriek

155;al.1;13

  • M2a: Ja, dat is het <.>>,> <H>>h>ij heeft

155;al.1;13

  • M2b: <- En> <h>>H>ij nijpt

155;al.1;15

  • M1b: nie<+u>we

155;al.1;16

  • M2b: dichter neven haar <- staan> en

155;al.1;17-18

  • M1b: dat verander<d>>t>

155;al.1;19

  • M2b: zijn borst geklemd hangt <-, of is het iets veel zwaarder, dat pijn doet en dat men wee noemt> ?

155;al.1;20

  • D: staan <zien>>kijken>, het doet immers meer <om>>en> meer pijn.

155;al.1;23

  • M1b: de<+n> <[xxxxx]>>grond>

155;al.2;1-2

  • D: een ander<+e> school

155;al.2;3-4

  • M2b: zijn<-e> pa

155;al.2;4

  • D: <vingeren>>vingers>

155;al.2;5-6

  • M2b: En zie eens: Mark stapt het ook af. Met <ne>>een> knecht achter hem
  • D: En zie eens: Mark stapt het ook af <.>>,> <M>>m>et een knecht achter hem

155;al.2;7

  • M2b: dezelfde school gaan <.>>:> Jean om hard te leeren

155;al.2;10

  • M2a: dat ne rijke jongen <student is>>studeert> voor een tijd.
  • M2b: dat <ne>>een> rijke<+n> jongen studeert < - voor een tijd>.
  • D: dat een rijke<-n> jongen studeert.

156;al.1;1

  • M2a: dingen<-s>

156;al.1;3

  • M2a: en met zijne<+n> kop naar de<+n> grond
  • M2b: en met zijn<-en> kop naar den grond

156;al.1;4

  • M2b: <ne>>een> zoon

156;al.1;6

  • D: <vingeren>>vingers>

156;al.1;6-7

  • D: een <aristokraten gebaar>>aristokratengebaar>

156;al.1;7

  • M2a: de<+n> godsdienst

156;al.1;11

  • D: <vingeren>>vingers>

156;al.1;12

  • M2b: wat die andere vertel<d>>t>, gemaakte mannekens.
  • D: wat die andere vertelt, gemaakt<-e> manneken<-s>.

156;al.1;14

  • M2a: nie<+u>we waren
  • M2b: nieuwe <waren>>zijn>

156;al.2;2

  • M2a: <ne>>een> pot

156;al.2;4

  • M2a: <wat>>was> het met Elie

156;al.2;4

  • M2b: in een<-e> keer
  • D: in een<+en> keer

156;al.2;5

  • M2a: En nu komt <- hij> tusschen
  • M2b: En nu komt <+ hij> tusschen

156;al.2;6

  • M2a: dingen<-s>

156;al.2;6-7

  • M2b: met dien<-e>verren oorlog. Het zit er ginder <- verre> op, zei zijn<-e> pa soms.

156;al.2;7-9

  • M2a: hij tegen klapt knikt met zijne<+n> kop. Ja <+,> het zit er ginder op, en ze beginnen over iets anders.
  • M2b: hij tegen klapt<+e> knikt<+e> met zijn<-en> kop. Ja, het zit er ginder op, en ze beginnen over iets anders.
  • D: hij tegen klapte knikte <- met zijn kop> <.>>:> Ja, het zit er ginder op<,>>.> <e>>E>n ze <beginnen>>begonnen> over <iets>>wat> anders.

156;al.2;11-12

  • M2a: <ne>>een> rauwen klank in zijn keel <,>>;> en zijn kameraden spreken ook over dienen oorlog.
  • M2b: een rauwen klank in zijn keel; en zijn kameraden spreken ook over dien<-en> oorlog.

156;al.2;13-14

  • D: En wie <- dat> er gelijk

156;al.2;14

  • M2a: Ja <+,>

156;al.2;16-17

  • M2b: En er vloekt er eenen dat het dedju een schande is, een smet op onze<+n> naam
  • D: <- En> <e>>E>r vloekt er een<-en> dat het dedju een schande is, een smet op onzen naam

156;al.2;19-20

  • M2a: heel dicht gaan bij staan en vragen <.>>:> <V>>v>ertel me daar nog wat van, zeg er mij alles van <!>>.>
  • D: heel dicht <- gaan> bij staan en vragen: vertel me daar nog wat van, zeg er mij alles van.

156;al.2;20

  • M2a: een serieu<s>>z>e mensch
  • M2b: een serieuze<+n> mensch

156;al.2;22

  • M2a: Ja <+,>

156;al.2;22

  • M1b: ophad<+t>
  • M2b: ophad<-t>

157;al.1;1

  • M2b: lijk hij is <+,> wordt

157;al.1;2

  • D: <nagelen>>nagels>

157;al.1;2

  • M2a: <Snachts>>'s Nachts>

157;al.1;5-6

  • D: die <+ waart> door mijn woelige gepeinzen <- waart>.

157;al.1;6

  • D: en woelig<+e> schrapt hij,

157;al.1;10

  • D: <+,> peinst hij.

157;al.1;10-11

  • M2a: <eén>>één> oor, en <ne>>een> klis

157;al.1;11

  • M2a: Zoo <+,>

157;al.1;12

  • M2b: Met een volle tas boeken komt hij naar huis. <- De dichter in de voorstad>
  • D: Met een volle <tas>>tasch> boeken komt hij naar huis.

157;al.1;12-13

  • D: Hij komt <hem>>zich> eens laten bewonderen

157;al.1;14

  • D: iets veel belangrijker<+s>

157;al.1;16

  • D: dat er gebeur<d>>t>

157;al.1;18

  • M2b: ze zien hun oogen uit <,>>:>
  • D: ze zien hun oogen <uit>>niet>:
  • VW: ze zien hun oogen [niet]]uit]:

157;al.1;20

  • D: <ikweetniet waar>>ik-weet-niet-waar>

157;al.1;21

  • M2a: <c>>s>hef van de bende ketst
  • M2b: <s>>c>hef van de bende ketst
  • D: chef van de bende ketst <+,>

157;al.1;23-24

  • D: aan den andere<-n>

157;al.1;24

  • M2a: <ne>>een> weg trekken dwarsdoor
  • D: een weg trekken <dwarsdoor>>dwars door>

157;al.1;25

  • M2a: Maar ze gaan toch zeker niet <zóo>>zoo>
  • D: <- Maar> <z>>Z>e gaan toch zeker niet zoo

157;al.1;26

  • D: de groote<+n>

157;al.1;27-28

  • M2a: maar allemaal tegelijk voelen ze dat men hun weer bezig is met <ne>>een> kol te passen.
  • M2b: maar allemaal <-te>gelijk voelen ze dat men hun weer bezig is met een kol te passen.
  • D: maar <allemaal>>allen> gelijk voelen ze dat men <- hun> weer bezig is <- met> <+ hun> een <kol>>col> te passen.

157;al.1;29

  • M2a: met zijn boekentas, met zijn<-e> lok haar
  • D: met zijn boekentas<+ch>, met zijn lok haar

157;al.1;30

  • M2a: Ja <+,> die staat daar ook in het veld te zien.
  • M2b: Ja, die staat daar ook in het veld <- te zien>.

157;al.1;31

  • M2a: <éen>>één> oor

157;al.1;32

  • M2a: En <+ hij> wandelt ook eens langs daar, omdat iedereen daar staat te zien
  • M2b: En hij wandelt <- ook> eens langs daar, omdat iedereen daar staat <- te zien>
  • D: En hij wandelt eens langs daar, <omdat>>opdat> iedereen daar staat
  • VW: En hij wandelt eens langs daar, [opdat]]omdat] iedereen daar staat

157;al.1;33-35

  • M1b: Hij passeert Elie en een ander meisken dat ne zijden zwarte<+n> voorschot aan heeft, waarin een vol hart spant. En met zacht blond haar gepermanent.
  • M2a : Hij passeert Elie en een ander meisken dat <ne>>een> zijden zwarten voorschot aan heeft, waarin een vol hart spant. En met zacht blond haar gepermanent.
  • M2b: Hij passeert Elie <+,> en een ander meisken dat een zijden zwarten voorschot aan heeft <-,> waarin een vol hart spant. En met zacht blond haar <+,> gepermanent.
  • D: Hij passeert Elie, en een ander meisken dat een zijden zwarten voorschot aan heeft waarin een vol hart spant <.>>;> <E>>e>n met zacht blond haar, gepermanent.

157;al.1;36

  • M2b: Wie is dat <- nu>?
  • D: Wie is dat <+ nu>?

157;al.1;36

  • M2a: Ah <+,>

158;al.1;1

  • M2b: te zien <,>>:> hij kan

158;al.2

  • M2a: [+X] En kan ik

158;al.2;1

  • D: eens zien <+,> Elie, vraagt hij <.>>,> Waarom?
  • VW: eens zien, Elie, vraagt hij [ , ]] . ] Waarom?

158;al.2;1-2

  • M2a: Ja <+,> is dat nu ook een vraag, waarom. Hij bijt op zijn tanden <+,> loopt
  • M2b: Ja, is dat nu ook een vraag, waarom <.>>?> Hij bijt op zijn tanden, loopt

158;al.2;3

  • D: <plakskens>>plankskens>
  • VW: [plankskens]]plakskens]

158;al.3;1

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

158;al.3;5

  • M2b: hoe groot ze was toen<-tertijde>.
  • D: hoe groot ze <was toen>>toen was>.

158;al.3;5

  • M2a: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

158;al.3;6

  • M2a: hare<+n> mond
  • D: <haren>>haar> mond

158;al.3;7

  • D: Dat vraagt hij <hem>>zich> af.

158;al.3;13

  • M2b: Zoodat hij het <afdruipt>>afdrupt> met hangende armen <+,> en
  • D: Zoodat hij <- het> afdrupt met hangende armen, en

158;al.3;14

  • M2a: gehad<-t>

158;al.3;15

  • D: <misterie>>mysterie>

158;al.3;17

  • D: hij vergelijkt <hem>>zich>

158;al.3;18

  • M2a: word<+t>

158;al.3;19-20

  • M2a: de<+n> winterkant en het word<+t> vroeg donker. Elie ziet hij niet <+,>

158;al.3;22

  • M2b: en eigenlijk <- hem> zeer doet.

158;al.3;23

  • M2b: in een donkere<+n> hoek

158;al.3;24

  • D: En hoe ongelukkig <ze is>>is ze>,

158;al.3;25

  • M2b: <Die>>De> vlijmscherpe pijn

158;al.3;26

  • M2b: Zijn bloed klopt <- zoo> wild.

158;al.3;28

  • M2a: Zulke harde borsten die ge hebt <+,>
  • M2b: Zulke harde borsten <die>>welke> ge hebt,

158;al.3;29-30

  • D: Ziet ge het <.>>,> <N>>n>u spannen

159;al.1;1

  • D: Een halve<+n> nacht

159;al.1;1

  • M2a: leert <+,> leert.

159;al.1;3

  • D: kaak<-s>been

159;al.1;3-4

  • M2a: <op een>>opeen> klemt. En wat leest hij daar? Het is <presies>>precies> "Das kapital". Ja <+,> het leven
  • M2b: opeen klemt. <- En wat leest hij daar? Het is precies "Das kapital".> Ja, het leven

159;al.2;1

  • M2a: <Smorgens>>'s Morgens>

159;al.2;2

  • D: een <laag>>lang> stoelken
  • VW: een [lang]]laag] stoelken

159;al.2;5

  • D: Een echte<-n> denkerskop.

159;al.2;5

  • M2b: Jean blijft <- er bij> staan en zoekt

159;al.2;6

  • M2a: eigenli<+j>k

159;al.2;7-8

  • M2a: zijne<+n> mond bitter laat zakken en <wieweet>>wie weet> welke gedachten
  • M2b: zijn<-en> mond bitter laat zakken <+,> en wie weet welke gedachten

159;al.2;9

  • D: Jean zet <hem>>zich> neer

159;al.2;9

  • M2a: <Ne>>Een> kleine

159;al.2;10-11

  • D: dan <hij>>Jean> ooit

159;al.2;12-13

  • M2b: nachtelijke gepeinzen <.>>;> <A>>a>ls Bernardeken

159;al.2;14

  • M2a: slapen zulle Bernardeken. Ja <+,> moeken <+,> zegt hij <+,>
  • D: slapen <+,> zulle Bernardeken. Ja, moeken, zegt hij,

159;al.2;16-17

  • M2b: die van langsom minder <- iets van> het leven en de menschen begrijpt.
  • D: die <- van> langsom minder het leven en de menschen begrijpt.

159;al.3;2

  • M2a: zoo iets ziet <,>>;> en de doktoor

159;al.3;3

  • M2a: <+,> zei die.

159;al.3;3-4

  • M2b: Hij legde het been in de plaaster <- met een draineerbuisken door, om de zever te laten naar buiten komen>. Zes weken.
  • D: Hij legde het been in de <plaaster>>pleister> <.>>,> <Z>>z>es weken.

159;al.3;4-5

  • M2b: Als de plaaster er af is <+,> zet dien<-e> mensch, nu ja, een doktoorsgezicht, <- het kan moeilijk anders, > een wetenschappelijk masker.
  • D: Als de <plaaster>>pleister> er af is, zet die<-n> mensch, nu ja, een doktoorsgezicht, een wetenschappelijk masker.

159;al.4

  • M2a: [+X] De anderen

159;al.4;1

  • D: staan op te <zien>>kijken>

159;al.4;2-3

  • M2a: in de plaaster <+,> zes weken.
  • D: in de <plaaster>>pleister>, zes weken.

159;al.4;3

  • M2a: <+,> twaalf weken?

159;al.4;4

  • D: zit <naar>>op> te wachten.

159;al.4;5

  • D: onzen kleine<-n>

159;al.4;6

  • M2a: ju<+i>stekens

159;al.4,6

  • D: <Daar>>Dan> duren

159;al.4;7

  • M1b: no<+o>dig hebben gehadt om de wereld te schapen.
  • M2a: noodig hebben gehad<-t> om de wereld te schapen.
  • D: noodig hebben gehad om de wereld te <schapen>>scheppen>.

159;al.4;7-8

  • D: <plaaster>>pleister>

159;al.4;8

  • M2b: Het is afschuwelijk <- om zien>.

159;al.4;9

  • M2a: Mijne man zaliger zijn broer heeft ook zoiets gehad<-t>
  • M2b: Mijn<-e> man zaliger <- zijn broer> heeft ook zoiets gehad

159;al.4;10

  • D: boekwei<+t>meel

160;al.1;1

  • M2b: <nen>>een> brand

160;al.1;2-3

  • M2b: Zijn<-e> pa doet hem,
  • D: Zijn pa doet <hem>>die>,

160;al.1;4

  • M2b: geen enkele<+n> mensch

160;al.1;5

  • D: aanzien <.>>...> En

160;al.1;10

  • D: <moet>>moest> komen.

160;al.1;11

  • M2a: <presies>>precies> of hij het <ál>>al> ziet.

160;al.2;1

  • M2a: <Smorgens>>'s Morgens>

160;al.2;1-2

  • M2b: buiten <ziet>>kijkt>

160;al.2;4

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

160;al.2;4-5

  • M2b: buiten.Weet ge het al? <- En> <w>>W>watte?
  • D: buiten <.>>:> <W>>w>eet ge het al? <Watte>>wat>?
  • VW: buiten: weet ge het al? [w]]W]at?

160;al.2;5

  • M2a: Ze wijzen met hunne<+n> kop. Hij daar
  • M2b: Ze wijzen met hun<-nen> kop <.>>:> hij daar
  • D: Ze wijzen met hun kop <:>>!> hij daar
  • VW: Ze wijzen met hun kop [ ! ]] : ] hij daar

160;al.2;-56

  • M2a: En de andere spert zijn oogen open en fronst zijn voorhoofd. Serieus! Ja <+,>
  • M2b: En de andere spert zijn oogen open <- en fronst zijn voorhoofd> <.>>:> Serieus! Ja,

160;al.2;7

  • M2b: de<+n> laatste<+n> keer
  • D: de<-n> laatste<-n> keer

160;al.2;10

  • M2a: benie<+u>wd

160;al.2;11

  • M2a: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

160;al.2;14

  • M2a: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

160;al.2;15-16

  • M2a: Ja <+,> en het wordt moeilijk om hare<+n> kop boven te houden
  • M2b: Ja, <- en> het wordt moeilijk om haren kop boven te houden.
  • D: Ja, het wordt moeilijk om <haren>>haar> kop boven te houden.

160;al.2;17

  • D: in de week <,>>.> <i>>I>n het oude huis daar rechtover <-,> bij Mark zijn <M>>m>ama.

160;al.2;17

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

160;al.2;18

  • M2a: hare<+n> kop
  • D: <haren>>haar> kop

160;al.2;19

  • D: <moeite>>moeheid>

160;al.2;20-21

  • M2a: dat hij <+,> die nu bij Hem is die niemand kent,
  • M2b: dat hij, die nu bij Hem is <die>>welke> niemand kent,

160;al.2;22

  • M2a: hare<+n> kop in haar handen en bidt, bidt.
  • D: <haren>>haar> kop in haar handen en bidt, bidt <.>>...>

160;al.2;23

  • M2a: mijn lief <+,>

160;al.2;24

  • D: op Sander <.>>?>

161;al.1;1

  • M2a: moet zien <+,> waar wij

161;al.1;2

  • M2a: ziet iets <-,> en hij wil <méer>>meer> zien,
  • M2b: ziet iets en <- hij> wil meer zien,

161;al.1;4

  • M1b: het <ho[xxx]>>hooge> noorden dat huizen heeft
  • M2a: het hooge noorden <+,> dat huizen heeft

161;al.1;4-5

  • M1a: vervrozen/vervroren [?] visch
  • M2a: <vervrozen/vervroren [?]>>vervroren> visch
  • D: <vervroren>>bevroren> visch

161;al.1;5-6

  • M2a: een noenzonne, zwartgebrand is <+,> en
  • D: een noenzon<-ne>, zwartgebrand is, en

161;al.1;8

  • M2b: niets te doen hebben dan naar hun<-nen> navelbuik te <zien>>staren>.
  • D: niets te doen <hebben>>hadden> dan naar hun navel<-buik> te staren.

161;al.1;9

  • M2a: <ne>>een> moment staan zien <+,> schudde zijne<+n> kop
  • M2b: een moment staan zien, schudde zijn<-en> kop

161;al.1;10

  • M2a: verschillend<+e> geloof
  • M2b: verschillend<-e> geloof

161;al.1;10-11

  • M2a: Ieder had<-t> zijne<+n> God apart.
  • M2b: Ieder had zijn<-en> God apart.

161;al.1;11-12

  • M2a: en andere<+n>

161;al.2;1-2

  • M2a: [+X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen, het is ginder oorlog. Ginder heel verre,
  • M2b: [X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen <,>>:> het is ginder oorlog. Ginder heel verre,
  • D: [X] Hij kwam in die streken waarvan wij zeggen: het is ginder oorlog <.>>,> <G>>g>inder heel verre,

161;al.2;3

  • M2b: <de vermassakreerde massa>>het vermassakreerde volk>

161;al.2;4

  • D: dingen<-s>

161;al.2;4

  • M2b: <- En><h>>H>ij zag

161;al.2;5-6

  • D: om <- hem> uit te leggen

161;al.2;7

  • D: <hare>>haar> rechtspraak

161;al.2;8-9

  • M2b: maar <- die> kon niet meer, hij hing <- al> aan zijn gezicht vastgeroest.

161;al.2;9

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

161;al.2;10

  • M2a: Een raar masker <+,> voorwaar.

161;al.2;11

  • M1b: iedere nie<+u>we weg die hij nu ging
  • M2b: iedere nieuwe weg die hij <- nu> ging
  • D: iedere nieuwe weg die<+n> hij ging

161;al.2;13-14

  • M2a: <tragieser>>tragischer>. En heimwee en vertwijfeling sneed<-t>
  • M2b: tragischer. <- En> <h>>H>eimwee en vertwijfeling sneed

161;al.3;2

  • M2b: die hij <-vroeger> in zijn schoonste droomen had gekend,

161;al.3;3

  • M2a: had<-t> gekoesterd zoo een vrouw in levende<+n> lijve eens te zullen ontmoeten.
  • M2b: had gekoesterd zoo een vrouw in levenden lijve <- eens> te zullen ontmoeten.
  • D: had gekoesterd <- zoo een vrouw> in levenden lijve te zullen ontmoeten.

161;al.3;4-5

  • M2a: had<-t> leeren misprijzen.

161;al.3;5

  • M2a: <Ne>>Een> reuk van alkool en zonde,
  • D: Een reuk van <alkool>>alkohol> en zonde,

161;al.3;6

  • M2b: de<+n> keldermond

161-162;al.3-al.1;7-1

  • M2b: een doorschijnende<+n> blauwe<+n> sluier

162;al.1;3-4

  • M2a: en zijne<+n> spot. Ja <+,> en tevens aan zijn<-e> veel te diepen haat.
  • M2b: en zijn<-en> spot. <- Ja, en tevens aan zijn veel te diepen haat.>

162;al.2;1

  • D: <haar>>zich>

162;al.2;2

  • M2a: vijf roze teenen <+,> waarvan

162;al.2;3

  • M2b: en rond de enkel <- hing> een koperen ring.
  • D: en rond de<+n> een koperen ring.

162;al.2;5

  • M2b: <wist>>weet>

162;al.2;8

  • D: met <een>>één> hand

162;al.2;10-11

  • M2a: <ne>>een> klap tegen zijn achterhoofd had<-t> gegeven.

162;al.2;12

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

162;al.2;14

  • M2a: de<+n> dood

162;al.2;16

  • D: <verwenschen>>verwenschingen> en <toejuichen>>toejuichingen>

162;al.3;1

  • M2b: <-Doch> <d>D>e dagen gingen.

162;al.3;2

  • M2b: de matrozen <+,> en de booten

162;al.3;4

  • M2b: Of ze nu zeggen zou <,>>:> ik schop

162;al.4

  • D: [X] [- witregel] Op een dag
  • VW: [X] [+witregel] Op een dag

162;al.4;1

  • M2a: <ne>>een> stroomwals

162;al.4;3

  • M2a: <dwars door>>dwarsdoor>
  • D: <dwarsdoor>>dwars door>

162;al.4;6

  • M2a: <ne>>een> weg

162;al.4;7

  • M2a: <ne>>een> rijke mensch

163;al.1;1

  • M2a: <ne>>een> lap grond

163;al.1;1

  • D: Ja, ze gaan beginnen <+ te> bouwen,

163;al.1;2-3

  • M2a: de zeven huizekens <.>>,><Z>>z>oodat ge u zult <-moeten><v>>w>ringen
  • M2b: de zeven huizekens, zoodat ge u zult <+ moeten> wringen

163;al.1;4-5

  • M2a: niet zou mogen bestaan. [+X] Ze pakken ons licht af.
  • D: niet zou mogen bestaan <.>>,> [- X] <Z>>z>e pakken ons licht af.

163;al.1;5

  • D: hun <hert>>hart>

163;al.1;6-7

  • M2b: een straat. Dus. Daarbij, die<-ne> weg welke ze
  • D: een straat. <- Dus.> Daarbij, die weg welke ze

163;al.1;8

  • M2b: welke <hem>>zich> ginder

163;al.1;9-10

  • M2b: dezelfde linie voortwalst en regelrecht naar hun<-ne> huizekens komt, <- als een monster uit den tijd dat er nog geen menschen waren en dus ook geen medelijden. Het walst> regelrecht naar hun hert.
  • D: dezelfde <linie>>lijn> voortwalst en regelrecht naar hun huizekens komt, regelrecht naar hun hert.

163;al.1;10-11

  • M2a: te zien <+,> lijk de menschen van een overwonnen land <+,> als de troepen

163;al.2;1

  • M2b: dat <ze>>men> <bouwen>>bouwt>, het een verdiep
  • D: dat men bouwt, het een<+e> verdiep

163;al.2;2

  • D: <hun>>zich>

163;al.2;3

  • M2a: <ne>>een> winkel zijn <+,> want

163;al.2;4

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

163;al.2;5

  • M2b: <nekeer>>eens>

163;al.2;6

  • D: iets nieuw<+s>

163;al.2;8

  • M2b: over <- gebonden> ligt.

163;al.2;9

  • D: er schiet <+ er> een<-e>

163;al.2;10

  • M2a: met alle twee zijn beenen <,>>;> die steken daar nu door den plafond.
  • M2b: met alle twee zijn beenen; die steken daar nu door <den>>het> plafond.
  • D: met alle twee zijn beenen <;>>,> die steken daar nu door het plafond.

163;al.2;11

  • M2b: <nekeer>>eens>

163;al.2;13

  • M2b: zijn<-en> ouderdom

163;al.2;15-16

  • M2b: <ne>>een> lange<+n> stap en <ne>>een> korten.

163;al.2;17-18

  • M2b: nu misschien <,>>:> als God <ne>>een> serieuze<+n> mensch is moest hij nu op slag een<-e> doen doodvallen.
  • D: nu misschien: als God een <serieuzen>>serieuse> mensch is moest hij nu op slag <+ er> een doen doodvallen. W: nu misschien: als God een serieu[s]]z]

163;al.2;18-19

  • M2b: Maar wie weet<- het> wat hij peinst? <- En> <w>>W>e zullen

163;al.2;20-21

  • M2b: zijn oogen <die>>welke> u bezien

163;al.2;25

  • M2b: dit moeten ze nog koopen en <'tgeen huren>>dat> <+,> en ginder

164;al.1;1

  • D: ons bedrogen <- voor zooveel>.

164;al.1;2

  • M2b: zijn<-e> pa

164;al.1;2-3

  • M2a: Ik <+,> zegt zijn moe,

164;al.1;3-4

  • D: mijn nagel<en>>s>

164;al.1;4

  • M2a: mijne<+n> kop
  • M2b: mijn<-en> kop

164;al.1;4-5

  • M2a: verdrinkt gij het maar <+,> het geld <+,><+ het> groeit toch op onze rug.
  • M2b: verdrinkt gij het maar, het geld, het groeit toch op onze<+n> rug

164;al.1;5-6

  • M2a: Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. In zijnen hoek met de potloodjes zoekt hij naar een leeg teekenblad. Moeder <+,> hebde mij geen stuk papier?
  • M2b: Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. <- In zijnen hoek met de potloodjes zoekt hij naar een leeg teekenblad.> Moeder, <hebde>>hebt ge> mij geen stuk papier?
  • D: Bernardeken trekt hem die ruzie niet aan. Moeder, hebt ge <- mij> geen stuk papier <+ voor mij>?

164;al.1;7-8

  • M2a: hare rok, een stuk papier. Aai <+,> zwijg <+,> gotver <+,> zegt ze <+,>
  • M2b: <hare>>haar> rok <,>>:> een stuk papier <.>>!> Aai, zwijg, gotver, zegt ze,

164;al.1;8-9

  • M2a: met ne kletter aan, laat mijne<+n> kop gerust <+,>
  • M2b: met <ne>>een> kletter aan, laat mijn<-en> kop gerust,

164;al.1;10

  • M2a: <presies>>precies>

164;al.1;11

  • M2b: bij zijn crayonskens <,>>.> <t>>T>egen die

164;al.1;12

  • D: Dat ge het <+ niet> ziet

164;al.1;13

  • M2a: ne last <+,>
  • M2b: <ne>>een> last,

164;al.1;14-15

  • M2b: zijn eigen hert op te <fretten>>vreten>.

164;al.1;15

  • M2b: <nekeer>>eens>

164;al.1;18

  • M2a: hunne<+n> kop, dat ze hunnen tijd
  • M2b: hun<-nen> kop, dat ze hun<-nen> tijd

164;al.1;19

  • M2a: <hem>>zich>

164;al.1;22-23

  • M2a: <+,> waarom hebben ze me dan in <'shemelsnaam>>'s hemelsnaam> gekocht <.>>?>

164;al.1;24

  • M2b: <nen>>een> ouder

164;al.2;2

  • M2b: in zijn beddeken <- blijven> liggen.

164;al.3;1

  • M2a: [+X] Zoo weet hij

164;al.3;2

  • M2b: <ne>>een> keizer

164;al.3;3

  • D: Dingen<-s>

164;al.3;3-4

  • M2a: interesseeren <+,> maar die ge toch weten moet <+,> of

164;al.3;6

  • D: <trokken>>trekken>

164;al.3;8

  • M2a: Zie me dat nekeer <!>>.>

164;al.3;9

  • M2b: de<+n> muur

164;al.3;9-10

  • M2a: ne kop. Ja <+,> hij heeft ne kop
  • M2b: <ne>>een> kop. Ja, hij heeft <ne>>een> kop

164-165;al.3-al.1;10-1

  • M2b: <ne>>een> stommerik

165;al.1;1

  • M2a: beteeken<d>>t>

165;al.2;2

  • M2a: <savends>>'s avends>

165;al.2;3

  • M1b: nie<+u>we

165;al.2;4

  • M2b: <Hare>>Haar> stap heeft iets glijdend,
  • D: Haar stap heeft iets glijdend<+s>,

165;al.2;6

  • M2a: altijd vooruit <+,> alsof

165;al.2;7

  • M2a: benie<+u>wd

165;al.2;8

  • M2a: Ja <+,> alsof, maar
  • M2b: Ja, alsof <,>>.> <m>>M>aar

165;al.2;9

  • M2a: <dezijne>>de zijne>

165;al.2;11

  • M2a: drie <+,> vier.

165;al.2;12-13

  • M2b: Wat is dat nu met allemaal <dat>>het> mansvolk?

165;al.2;13

  • M2a: <+,> en ik ga nekeer

165;al.2;15

  • M2b: te zitten <+,> en te dubben

165;al.3;1

  • M2b: in een <- kousen>fabrieksken

165;al.3;2

  • M2a: Een kous en nog een <+,>
  • M2b: Een kous en nog een <+ kous>,
  • D: Een kous en nog een kous <-,>

165;al.3;4

  • M2b: iets binnen <+,> of het heeft

165;al.3;5

  • D: En ze <poeppen>>poppen> <hen>>zich> in den avend een beetje op.

165;al.3;6

  • D: wat ze <hen>>zich>

165;al.3;7

  • M2b: zullen koopen <.>>,> <E>>e>ens...

165;al.3;7

  • M2a: In de<+n> zondagavend

165;al.3;8

  • M2a: een <roksken>>rokje>

165;al.3;10-11

  • M2a: met wie het af is <+,> en wiens beurt nog komen moet <+,> dat

165;al.3;13-14

  • M2a: Hoe zou ze dan denken <- aan> wie haar lief geweest <heeft>>is> in den tijd.

165;al.3;14

  • D: <stilder>>stiller>

165;al.3;16

  • M2a: de <Jazz>>jass>
  • D: de <jass>>jazz>

165;al.3;17

  • M2a: to<+o>vert

165;al.3;17-18

  • M2a: De dans is gedaan <.>>,> <M>>m>erci <+,> zegt ze <+,> en ze ze<t>>g> haar neer
  • M2b: De dans is gedaan, merci, zegt ze, en ze ze<g>>t> haar neer
  • D: De dans is gedaan, merci, zegt ze, en ze zet <haar>>zich>neer

165-166;al.3-al.1;18-1

  • M2b: langs de<+n> muur tot er <nog>>terug> iemand <- anders> komt
  • D: langs den muur tot er <- terug> iemand <+ anders> komt

166;al.1;2-3

  • M2b: van een <+ te> groote liefde

166;al.2;1

  • M2a: Maria <+,> het is tijd, zegt ze <+,> en

166;al.2;5-6

  • M2a: Maria en haar lief <.>>,> <D>>d>ie zoo zot doen

166;al.3;1

  • M2a: [+X] Daarop komt

166;al.4;1

  • D: De een<+e> week

166;al.4;2

  • M2a: <+,> moesten de kleine dingens
  • D: , moesten de kleine dingen<-s>

166;al.4;3

  • D: Het nieuw<+e> huis

166;al.4;4

  • M2a: <presies>>precies>

166;al.4;6

  • VW: ap[+p]artementen

166;al.4;7

  • M2b: <jongen>>kinderen>
  • D: <kinderen>>jongen>

166;al.4;8

  • M2a: de<+n> paal

166;al.4;9

  • M2b: een grenswacht<-er>

166;al.4;9-10

  • M2a: Hier <+,> sta ik,
  • M2b: Hier <-,> sta ik,

166;al.4;11

  • M1b: nie<+u>we

166;al.4;12

  • M2b: hun<-nen> asschebak tegen <- uit>.
  • D: hun asschebak tegen <+ uit>.

166;al.4;12

  • M2a: is het café <+,> de deur staat

166;al.4;13-14

  • M2a: <+ "> In het Saargebied <+ ">

166;al.4;16

  • M2a: <+,> zoodat

166;al.4;17-18

  • M2a: <smorgens>>'s morgens> per eksempel <+,> als ze juist uit haar bedde komt.
  • M2b: 's morgens per <eksempel>>exempel>, als ze juist uit haar bed<-de> komt.

166;al.4;18-19

  • M2b: roode<+n> strik

166;al.4;19

  • M2b: een bijnaam <.>>!> Molleken <- zeggen ze er tegen>.

166;al.5;1

  • M2a: <presies>>precies>

166;al.5;3-4

  • D: En er begint <+ er> weeral een<-e> over den oorlog.

167;al.1;1

  • M2a: Maar toch <!>>.>

167;al.1;1-2

  • M2a: <presies>>precies> dichter om dichter
  • D: precies dichter <om>>en> dichter

167;al.1;2

  • D: de andere<+n> lachen

167;al.1;4-5

  • D: Ginder op den Balkan. En niemand weet wat de<-n> Balkan is.

167;al.1;5

  • M2a: Maar zijt gerust <+,> ge zult

167;al.1;6

  • M2a: <c>>k>letteren

167;al.1;8

  • M1b: de<+n> eene<+n> voor den anderen.
  • D: <+,> de<-n> eene<-n> voor den andere<-n>.

167;al.2;1

  • M2a: <savends>>'s avends>

167;al.2;2

  • M2b: dien<-en> oorlog

167;al.3;2

  • D: En zelfs deze<+n>

167;al.3;3

  • M2b: hooren er <- al> iets <van>>over>.

167;al.3;4

  • M2a: en <hun>>hen> ongerust maakt lijk een paard dat schichtig wordt.
  • M2b: en hen ongerust maakt <- lijk een paard dat schichtig wordt>.

167;al.4;2

  • M1b: iedere<+n> dag

167;al.4;3

  • M2b: de<+n> eene<+n> achter den anderen.
  • D: de<-n> eene<-n> achter den andere<-n>.

167;al.4;3

  • M2a: hunne<+n> kop
  • M2b: hun<-nen> kop

167;al.4;6

  • D: duizende<+n> vliegers

167;al.4;7

  • M2a: verder fladdert <+,> als

167;al.4;8-9

  • D: een heele<-n> hoop

167;al.4;9

  • M2a: Er word<+t>

167;al.4;11

  • M2b: <hetgeen>>wat> een bewijs is dat <- er> niemand

167;al.4;13-14

  • M2a: De drie jongens <+,> die natuurlijk geen jongens blijven <+,> maar ouder worden met een jaarken seffens <+,>

167;al.4;15

  • D: andere<+n>

167;al.4;16

  • M2a: ge<-e>le pijl
  • D: gele<+n> pijl

167;al.5;1

  • M2a: [+X] Maar aan niemand zijn gezicht
  • M2b: [X] Maar aan niemand<+s> <- zijn> gezicht

167;al.5;2

  • M2a: <+,> leggen ze <hun>>zich> neer,

167;al.5;4

  • M1b: gemarteld<-e> lijf

167;al.5;5

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

168;al.1;2

  • M2b: die er naar <ziet>>kijkt>,

168;al.1;3-4

  • M2b: van een ouden gestreepten die men <van den>>dezen> achternoen komen halen is.
  • D: van een ouden gestreepte<-n> die men dezen achternoen komen halen is.

168;al.1;4

  • M2b: In den tijd <dat hij nog een mensch was>>was hij ook een mensch>,

168;al.1;5

  • M2a: ja <+,> <lang geleden>>langgeleden> <+,>

168;al.1;7-8

  • D: al <+ de> ijzers rond zijn handen.

168;al.1;9

  • M2a: Tuttut <+,> geen eksplika<s>>t>ies <+,>
  • M2b: Tuttut, geen e<ks>>x>plikaties,

168;al.1;11

  • M2b: niets hoort <+.> <e>>E>n hij vraagt

168;al.1;14-15

  • M2a: nikkelgeld <+,> die zouden ze moeten, ja wat? maar toch iets <v>>w>reed,
  • M2b: <nikkelgeld>>nickelgeld>, die zouden ze moeten <,>>...> ja wat? maar toch iets wreed,
  • D: <nickelgeld>>nikkelgeld>, die zouden ze moeten ... ja wat? maar toch iets wreed<+s>

168;al.1;15

  • M2b: martelen zouden ze die moeten <- doen>.

168;al.2;16-17

  • M2a: dertig <+,> veertig en vijftig, en zijn haren
  • M2b: dertig, veerig en vijftig, <- en> zijn haren

168;al.1;18

  • M2b: zijn<-e> rug

168;al.1;18-19

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

168;al.1;20

  • M2a: <blijven>>blijft> stille staan <-is>.
  • M2b: blijft stil<-le> staan.

168;al.1;20

  • M2a: Ja <+,>

168;al.1;22

  • M2a: doodgekoejon<-n>eert
  • D: doodgekoejon<+n>eer<t>>d>

168;al.1;23

  • M2a: waar ze hem <vóor sleepten>>voortsleepten> stond<-t> hij

168;al.1;24-25

  • M2b: Met <ne>>een> razige<+n> schrik rond zijn hert die hem belet <-van> zijn geval uiteen te doen.

168;al.1;25-26

  • M2b: En hij schreeuwt zijn<-e> gruwel uit <+:> dat hij onschuldig is.
  • D: En hij schreeuwt zijn gruwel uit <-:> dat hij onschuldig is.

168;al.1;28

  • M2b: <Ne>>Een> vingertop

168;al.1;31

  • M2a: <+,> en hij laat

168;al.1;33

  • M2a: Hij loopt bots met zijne<+n> kop naar ne muur
  • M2b: Hij loopt bots met zijn<-en> kop naar <ne>>een> muur

168;al.2;1

  • M2a: [X] [?] Ik ben onschuldig <+.> <e>>E>n niemand gelooft hem.
  • D: [+X] Ik ben onschuldig. En niemand gelooft hem.

169;al.1;3

  • M2a: naar zijn zelven <+,> wat die

169;al.2;1-2

  • M2a: maar ook <dát>>dat> verstil<d>>t>

169;al.2;2

  • M2b: een stille<+n> traan

169;al.2;4

  • D: <niet zien verouderen heeft>>niet heeft zien verouderen>

169;al.3;1

  • M2b: <Ne>>Een> man

169;al.3;2-3

  • M2a: en op zijn sterfbedde bekend <+ heeft> <- die> de<+n> moord in den tijd te hebben begaan.
  • M2b: en op zijn strefbed<-de> bekend heeft den moord in den tijd te hebben begaan.

169;al.3;3-4

  • M2b: geen geruste<+n> moment
  • D: geen gerust<-en> moment

169;al.3;4-5

  • M2a: getrouwd geweest <heeft>>is> met het lief van den anderen
  • D: getrouwd geweest is met het lief van den andere<-n>

169;al.3;5

  • M2a: en God <+,> God, wat ik heb afgezien <+,> zegt hij. Ja <+,>

169;al.3;6

  • M2a: ginder toekomt <.>>...>

169;al.4;1-2

  • M2b: den grijzen gevangenen <- van> uit hun midden
  • D: den grijzen gevangene<-n> uit hun midden

169;al.4;2

  • M2b: En ge zijt vrij <+,> zeggen ze.

169;al.5;1

  • M2a: [+X] Met haar?

169;al.5;1

  • M2a: Die is lang dood man <!>>.>
  • D: Die is lang dood <+,> man.

169;al.5;3-4

  • M1b: Laat hem in de keuken <- om> de soep <- te mogen> helpen gereedmaken, dan heeft hij <ne>>een> schepper meer.

169;al.5;6

  • M2b: <ne>>een> stap groot

169;al.5;7-8

  • M2a: <Snoenens>>'s Noenens> heeft hij zijne<+n> lepel <méer>>méér>,
  • M2b: 's Noenens heeft zijn<-en> lepel méér,

169;al.6;1

  • M2b: <- nu> misschien op te peinzen.

169;al.7;4

  • M2b: <ne>>een> niets

169;al.7;5

  • M2b: dien<-en> verren oorlog

169;al.7;5-6

  • M2a: Zijn handen <juiken>>jeuken>.

169;al.7;6

  • D: Zijn <hert>>hart>

169;al.7;7

  • M2b: in de school <- willen> wijsmaken.

169;al.7;8

  • M2a: den <B>>b>aron

170;al.1;1

  • M2a: een vulgair <tiepe>>type>

170;al.1;1

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

170;al.1;1

  • M2a: Ja <+,>

170;al.1;3

  • M2a: zijn<-e> papa

170;al.1;7

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

170;al.1;7-8

  • M2b: Hij grijnst, <- zijn gele slagtanden komen van onder zijn bovenlip. En> hij knipt verachtelijk met zijn vingeren vlak voor Mark zijn<-en> neus.
  • D: Hij grijnst, <+ en> hij knipt verachtelijk met zijn <vingeren>>vingers> vlak voor Mark zijn neus.

170;al.1-al.2;8-1

  • M2a: [-X] Mark pakt zijn valies en gaat er van door. [+X] Hij is eenentwintig

170;al.2;2

  • M2b: schiet hij <hem>>zich> naar huis

170;al.2;3

  • M2b: zijn<-en> droom

170;al.2;4-5

  • M2b: de<+n> vooravend van een grooten <-veld>slag.
  • D: den vooravend van een grooten <+veld>slag.

170;al.3;1

  • M2b: de <eksamens>examens>

170;al.3;2

  • M2b: een diplom<+a>

170;al.3;4-5

  • M2b: En wonder genoeg <,>>:> <h>>H>ij heeft niet alleen een diplom<+a>,
  • D: En wonder genoeg: Hij heeft niet alleen een diploma <-,>

170;al.3;6-7

  • D: geen enkel<+e> deur

170;al.3;7

  • D: r<+h>eumathiek

170;al.3;9-10

  • D: <peadagogie>>pædagogie>

170;al.3;11

  • M2b: zijn <vingeren>>vingers>

170;al.3;12

  • M2b: <ne>>een> zwijgzame<+n> mensch
  • D: een zwijgzame<-n> mensch

170;al.3;16

  • D: iets moeilijk<+s>

170;al.3;18-19

  • M2b: En hij pakt hem binst een boek die hij gauw wegsteekt als hij iemand hoort <-op>komen.
  • D: En hij pakt <hem>>zich> binst een boek <die>>dat> hij gauw wegsteekt als hij iemand hoort komen.

170;al.4;1

  • D: de<+n> speeltijd

170;al.4;1-2

  • M2a: in een hoek <+,> en hij verheft zijn stem tegen dien oorlog, hij beweert dat het een gruwel is, een misdaad tegen de wereld en de menschen.
  • M2b: in een hoek, en hij verheft zijn stem tegen dien oorlog <-, hij beweert dat het een gruwel is, een misdaad tegen de wereld en de menschen>.

170;al.4;3-4

  • M2b: den hoofdonderwijzer op zijn vingeren <- komen> toekken. <- Het past ons niet de stem te verheffen enzoovoort...>
  • D: de<-n> hoofdonderwijzer op zijn <vingeren>>vingers> toekken.

171;al.1;1

  • M2b: <hem>>zich>

171;al.1;4

  • M2b: Dat kan ook <- heel goed>

171;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij is dus zorgeloos,

171;al.2;2-3

  • M2b: een stuksken <- leeg> papier
  • D: een stuksken <+ leeg> papier

171;al.2;6-7

  • M2b: neerschrijft <- op papier> en de eene regel rijmt op den anderen <,>>.> <i>>I>s dat nu toeval<-lig> <+,> of doet hij daar om?
  • D: neerschrijft en de eene regel rijmt op den anderen <.>>,> <I>>i>s dat nu toeval, of doet hij <+ het> <daar>>er> om?

171;al.2;8

  • M2a: in een verdacht café <+,> in de middenstad, in de <s>>c>ité waar het gespuis woont <+,>
  • M2b: in een verdacht café <-, in de middenstad>, in de cité waar het gespuis woont,

171;al.2;9

  • M2b: <Iets>>Een> splinternieuw<+e> <dat>>die>

171;al.2;11-12

  • M2b: iets heerlijk waar hij <hem>>zich>
  • D: iets heerlijk<+s> waar hij zich

171;al.2;13-14

  • M2b: maar dat kunt ge <- nu toch>

171;al.2;14

  • D: touwtjes <.>>!>

171;al.2;15-16

  • M2b: het program<+ma>

171;al.2;17

  • M2b: Hij blijft een beetje vanachter hangen <- omdat hij den deftigsten is uit heel den hoop>.

171;al.2;17-18

  • M2b: Een vrouw die <al>>reeds> binnen zat duwt hem op zij met <ne>>een> kleine<-n> onder <haren>>haar> arm.

171;al.2;18-19

  • M2b: <- En> >o>>O>p den bijgang laat ze <den kleinen>>het kind> iets doen.

171;al.2;19-20

  • M2a: Ze komt weer binnen en vloekt omdat haar plaats <midderwijl>>middelwijl> bezet is.
  • M2b: Ze komt <- weer> binnen en vloekt omdat haar plaats middelwijl bezet is.
  • D: Ze komt binnen en vloekt omdat haar plaats <middelwijl>>middelerwijl> bezet is.

171;al.3;2

  • M2b: <- En> <h>>H>ij vertelt onbeholpen de dingen<-s>

171;al.3;5

  • M2b: <- en> er hun niet tegen
  • D: er <hun>>zich> niet tegen

171;al.3;7

  • M2b: de eenig<-st>e

171;al.3;9

  • D: in den donker<-en>

171;al.3;9

  • M1b: een nieuwe<+n>
  • D: een nieuwe<-n>

171;al.3;12-13

  • M2a: <+,> vraagt Jean hulpeloos. Ik schrijf
  • M2b: , vraagt Jean hulpeloos <.>>,> <I>>i>k schrijf

172;al.1;1

  • M2a: in het duister <.>>:> Gij <+,> die

172;al.1;2

  • M2b: <,>>.> <e>>E>n hij trekt

172;al.1;3-4

  • M2a: Ja <+,> maar dat is hetzelfde niet. De jeugd
  • M2b: Ja, maar dat is hetzelfde niet <.>>,> <D>>d>e jeugd
  • D: Ja, maar dat is hetzelfde niet <,>>...> de jeugd

172;al.2;1

  • M2a: Dat gebeur<d>>t> op een zaterdagavend, de zondag
  • M2b: Dat gebeurt op een zaterdagavend, de<+n> zondag
  • D: Dat gebeurt op een zaterdagavend, den <z>>Z>ondag

172;al.2;2-3

  • M2b: drinkt hij <- een beetje> zijn verdriet weg, en de<+n> maandag wil hij beginnen met de jeugd <+,> enzoovoort <,>>.> <m>>M>aar
  • D: drinkt hij zijn verdriet weg, en den <m>>M>aandag wil hij beginnen met de jeugd <,>>...> enzoovoort. Maar

172;al.2;5

  • M2b: stappen <.>>:> Hij gaat
  • D: stappen: <H>>h>ij gaat

172;al.2;8-9

  • M2a: waar een boek ligt, Das Kapital. En waar liefdeverzen te rijden liggen. Die doen het. Ja <+,>
  • M2b: waar een boek ligt, <Das Kapital>>een bedenkelijk boek> <.>>,> <E>> e>n waar liefdeverzen te rijden liggen. <- Die doen het.> Ja,

172;al.2;10

  • M2b: zelf om <ne>>een> stok loopt.
  • D: zelf <om>>achter> een stok loopt.

172;al.2;11

  • M2b: de<+n> laatste<+n> keer

172;al.2;12

  • M2b: houdt <hem>>zich> in.

172;al.2;15

  • M2a: Maar <savends>>'s avends>
  • M2b: <Maar>>Doch> 's avends

172;al.2;16-17

  • M2b: van de jongste niet meer <.>>,> <E>>e>n als ge <ne>>een> jongen
  • D: van de jongste<+n> niet meer, en als ge een jongen

172;al.2;17-18

  • M2a: <+,> moet ge ook niet peinzen
  • M2b: , moet ge <- ook> niet peinzen

172;al.2;18

  • M2a: <knieên>>knieën>

172;al.2;20

  • D: <nagelen>>nagels>

172;al.2;20-21

  • M2b: En hoe moet hij nu aan dien<-e> simpele<+n> mensch <- die een boterham zit te eten met wat zout opgestrooid,> gaan <eksplikeeren>>explikeeren> dat hij zijn plaats
  • D: En hoe moet hij nu aan dien simpelen mensch gaan explikeeren dat <hij>>hem> zijn plaats

172;al.2;23

  • M2a: <Snachts>>'s Nachts>

172;al.2;24-25

  • D: <Allemaal>>Al> zijn gedachten

172;al.2;28

  • M2b: de<+n> nacht

172;al.2;30

  • M2a: <En hij noemt zijn boeksken: Orion over de vlakte.>>[?]>
  • M2b: <[?]>>En hij noemt zijn boek: Orion over de vlakte.>
  • D: <- En> <h>>H>ij noemt zijn boek <-:> Orion over de vlakte.

172;al.2;32

  • M2b: Zijn hart zwelt <- op> van

172;al.2;32-33

  • M1b: Zijn angst en zijn vrees<-[x]> <zijn>>is> weg.

172-173;al.2-al.1;33-1

  • M2b: geschreven <,>>:> hij is onsterfelijk.

173;al.1;2-3

  • M2b: <en>>nooit> zal hij de menschen onder oogen moeten.

173;al.1;3

  • M2a: <sanderdaags>>'s anderendaags>

173;al.1;4

  • M2b: afkomt <-,> vloekt hij hartsgrondig.
  • D: afkomt vloekt hij hart<-s>grondig.

173;al.1;4-5

  • M2b: dien ouden man <- daar beneden>

173;al.1;5-6

  • M2b: <- van> den trap <+ af>
  • D: de<-n> trap af

173;al.1;7-8

  • M2b: <- Ja de eerste den besten niet. Een dichter.> Hij gaat er binnen en Elie is <- er> natuurlijk <niet>>weg>, ze is <- weg> naar haar werk.
  • D: Hij gaat er binnen en Elie is natuurlijk weg, ze is <+ weg> naar haar werk.

173;al.1;9-10

  • M2b: de<+n> nieuwe<+n> weg door het veld, ja al schoppende
  • D: den nieuwen weg door het veld, <- ja> al schoppende

173;al.1;10-11

  • M2a: Hij legt hem neer met zijn armen onder zijne<+n> kop <+,>
  • M2b: Hij legt <hem>>zich> neer met zijn armen onder zijn<-en> kop,

173;al.2;1

  • M2b: wordt hij daar gestoord <,>>;>
  • D: wordt hij <- daar> gestoord <;>>,>

173;al.2;2

  • M2b: komen <daar>>er> toe.
  • D: komen <er>>daar> toe.

173;al.2;4

  • M2b: de<+n> kant

173;al.2;4-5

  • M2a: de paal oppakken die in hunne<+n> weg staat,
  • M2b: de<+n> paal oppakken die in hun<-nen> weg staat,

173;al.2;9

  • M2a: <+,> vraagt hoever

173;al.2;10

  • D: een heel<-en> blok

173;al.2;11

  • M2a: daar komt nog iemand af die er <hem>>zich> voor interesseert.
  • M2b: daar komt nog iemand <- af> die er zich voor interesseert.

173;al.2;13

  • M2b: op zijn tanden bijt <- van razernij. Jean ziet er naar>.

173;al.2;14

  • M2a: Mark ziet over hem <+ weg> naar de gravers <+,>
  • M2b: Mark ziet over <hem>>Jean> weg naar de gravers,

173;al.2;15-16

  • M2b: <en>>,> naar de fabrieken ginder ver, de gas en een paar kolenwerven <.>>,> <E>>e>n ook

173;al.2;16-17

  • M2b: van de Durwez' dat <- daar> een beetje
  • D: van de <Durwez'>>Durwez> <+,> dat een beetje

173;al.3;1

  • M2a: Zoo: <H>>h>ij laat dat hij zijne<+n> schoolkameraad
  • M2b: Zoo <:>>,> hij laat dat hij zijn<-en> schoolkameraad
  • D: Zoo <,>>:> hij laat <+ zien> dat hij zijn schoolkameraad

173;al.3;2

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

173;al.3;3

  • M2b: <de>>het> café

173;al.3;5-6

  • M2a: Zijn oogen vallen in die blouse <,>>.> <h>>H>ij word<+t> wit en geef mij een pint <+,> zegt hij.
  • M2b: Zijn <oogen>>blikken> vallen in die blouse <.>>,> <H>>h>ij wordt wit <- en> <+.> <g>>G>eef mij een pint, zegt hij.
  • D: Zijn blikken vallen in die blouse, hij wordt wit <+ en> <.>>:> <G>>g>eef mij een pint, zegt hij.

173;al.3;7

  • M1b: <nagelen>>nagels>

173;al.3;7

  • M2b: die u <- van> alles

173;al.3;8-9

  • M2b: en <daar waar ge uw verlangen op zet>>dat wat ge verlangt> opsluit

174;al.1;1

  • D: Mark die ginder <blijven staan is>>is blijven staan>

174;al.1;2

  • M2b: <+,> naar zijn lip

174;al.1;2

  • M2b: van <- het> spijt.

174;al.1;3

  • M2b: <ne>>een> lap grond

174;al.1;5

  • M2a: <bijeen gekrabt>>bijeengekrabt> heeft met slim zijn,
  • M2b: bijeengekrabt heeft <- met slim zijn>,
  • D: bijeengekrab<t>>d> heeft,

174;al.1;5-6

  • M2b: Hij zou willen een reus zijn , die met <- zijn><een>>één> hand al dat werkvolk tegenhoud<+t>
  • D: Hij zou <-willen> een reus <+ willen> zijn, die met <+ zijn> één<+e> hand al dat werkvolk tegenhoudt

174;al.1;7-8

  • M2b: en met <zijn>>de> ander<+e> op het vlakke <land>>veld> slaat dat het goud naar omhoog spat.
  • D: en met <de>>zijn> andere op het vlakke veld slaat dat het goud <- naar> omhoog spat.

174;al.1;8-9

  • M2b: <en>>,> lijk een sjacheraar met loven en bieden<+,><overal wat>>en> afpitsen.
  • D: , lijk een sjacheraar met loven en bieden <-,> en afpitsen.

174;al.2;1

  • M2b: een schoone<+n> <zondag achternoen>>zondagachternoen>
  • D: een schoonen <z>>Z>ondagachternoen

174;al.2;2

  • M1b: <+ de> veranda

174;al.2;2-3

  • M2a: <+,> per eksempel
  • M2b: , per <eksempel>>exempel>

174;al.2;5-6

  • M2b: <dat>>het> bleek gezichteken

174;al.2;6

  • M2b: met <ne>>een> golf in <haren>>haar> hals

38;al.2;7

  • D: den <z>>Z>ondag Het is <+dus> niet te verwonderen

174;al.2;9

  • M1a: van Mark hunnen hof.
  • M2b: van Mark hun<-nen> {hof. / tuin.}
  • D: van Mark <hun>>zijn> <{hof./tuin.}>>tuin.>

174;al.3

  • M2a: [+X] Een beetje verder

174;al.3;1

  • M2a: begint er een haag. Ach <+,> ja <+,>
  • M2b: begint <- er> een haag. Ach, <- ja,>

174;al.3;4

  • D: Ja <-,>

174;al.3;4-5

  • M2b: Ze bukt haar en kijkt <- eens> in dien<-en> verlaten tuin.
  • D: Ze bukt <haar>>zich> en kijkt in dien verlaten tuin.

174;al.3;5

  • M2b: Alleen zonneschijn boschkens <-,gras> en bloemen.

174;al.3;6

  • M2a: hare<+n> voet. <- Nog eenen en nog eenen.>
  • D: <haren>>haar> voet. <+ Nog een en nog een.>

174;al.3;7

  • M2b: <dat>>hoe> ze nu

174;al.4;1

  • M2b: <- En> <a>>A>an het einde van den hof, in de veranda <+,>

174;al.4;2

  • M2b: <den>>het> dessert

174;al.4;2

  • M2b: <Dat>>Het> meisken is hier <- effenaf> komen

174;al.4;6-7

  • M1b: met een heimelijke<+n> lach op zijn gezicht naar den dessert te wachten.
  • M2b: met een heimelijken lach op zijn gezicht naar <den>>het> dessert te wachten.
  • D: met een heimelijken lach op zijn gezicht <naar>>op> het dessert te wachten.

174;al.4;7-8

  • M2b: dien<-e> lach wel <+,> maar misschien peinzen ze <,>>[x]> allah <+,> hoe hebben we zelf geweest.
  • D: dien lach wel <-,> maar misschien peinzen ze <[x]>>:> allah, hoe <hebben>>zijn> we zelf geweest.

174;al.4;9-10

  • M2b: wat ik weet <.>>,> <M>>m>oesten ze <- nu eens> weten dat ik een koopakte in mijn<-en> zak heb, dat ik <nen>>een> eigenaar ben <.>>!>

174;al.4;11

  • M2b: failliet gegaan <.>>,> <E>>e>en heel klein ding,

175;al.1;1

  • M2a: ge<v>>w>rongen

175;al.1;1-2

  • M2a: Ach <+,> iets waar ne gast vier vijf op werkt, maar het kan grooter worden,
  • M2b: Ach, iets waar <ne>>een> gast vier vijf op werkt, maar het <kan>>zal> grooter worden,
  • D: Ach, iets waar een gast <+ of> vier vijf <- op> werkt, maar het <zal>> kan> grooter worden

175;al.1;3

  • M2b: en wandelt eens <- op zijn doode gemakken> den hof in.

175;al.1;5

  • M2b: <+,> of lijk het iemand anders zei: <- een> vulgair <tiepe>>type>.

175;al.1;6-7

  • M2a: <+,> de handen op de<+n> rug en de<+n> neus

175;al.1;7

  • M2b: <Ne>>Een> nette jongen,

175;al.1;9

  • M2b: gedacht van <.>>?>

175;al.2;1

  • M2b: Zij ginder <+,> die door het gat van de haag gekropen is <+,> ziet hem

175:al.2;2-3

  • D: <haren>>haar> hiel

175;al.2;3

  • M2a: in een struik <.>>,> <Z>>z>e snokt <hem>>[?]> los
  • M2b: in een struik, ze snokt <[?]>>haar schoen> los

175;al.2;6

  • M2a: <- En> <h>>H>ij blijft voor de<+n> schoen staan met zijn handen op zijne<+n> rug.
  • M2b: Hij blijft voor den schoen staan met zijn handen op zijn<-en> rug.

175;al.2;7

  • M2a: ne schoen, hoe zorgeloos <!>>.> Ne schoen
  • M2b: <ne>>een> schoen, hoe zorgeloos. <Ne>>Een> schoen

175;al.2;7-8

  • M2a: <+,> <presies>>precies>

175;al.2;8

  • M2a: Hij bukt <hem>>zich>

175;al.2;10

  • M2a: <+,> maar

175;al.2;11

  • M2b: ikweetniet<+wat>
  • D: <ikweetnietwat>>ik weet niet wat>

175;al.2;13

  • M2b: van verwarring <- en niet weten waar ze staat>.

175;al.2;13

  • M2b: de<+n> schoen

175;al.2;15

  • M2b: dichter bij <- het gat staan>.

175;al.2;16

  • M2a: hare<+n> naam
  • M2b: <haren>>haar> naam

175;al.2;19

  • M2a: Hoeveel betaal<d>>t> ge dat nu?

175;al.2;19

  • M2b: <ne>>een> prijs

175;al.2;20

  • M2a: zijne<+n> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

175;al.2;21-22

  • M2a: Elie vraagt haar ondertusschen af wanneer ze hare<+n> schoen zal terugkrijgen.
  • M2b: Elie vraagt haar ondertusschen af wanneer ze <haren>>haar> schoen zal terugkrijgen.
  • D: Elie vraagt <haar>>zich> ondertusschen af wanneer ze haar schoen zal terugkrijgen.

175;al.2;22-23

  • M2a: Ik heb ook een schoenfabriek <+,> zegt hij,
  • M2b: Ik heb <- ook> een schoenfabriek, zegt hij,

175;al.2;23-24

  • D: honderde<+n> paren zal <fabrikeeren>>fabriceeren>

175;al.2;26

  • M1a: geene socialist <+,> vraagt hij.
  • D: geen<-e> socialist, vraagt hij.

175;al.2;28

  • M2a: <+,> biest de zonne
  • M2b: , biest de zon<-ne>

176;al.1;1-2

  • M2a: te zien staan met hare<+n> schoen in zijn hand, en met al twee groeven langs zijne<+n> mond <+,> van heel zeker op zijn lip te bijten. Neen <+ ,> zegt ze,
  • M2b: te zien staan <- met haren schoen in zijn hand, en> met <al>>reeds> twee groeven langs zijn<-en> mond, <-van> heel zeker <+van> op zijn lip te bijten. Neen, zegt ze,

176;al.1;3-4

  • M2a: mijne<+n> schoen afgeeft <+,> zal ik nooit geene socialist worden.
  • M2b: mijn<-en> schoen <-af>geeft, zal ik nooit <- geene> socialist worden.

176;al.2

  • M2a: [+X] En ze lacht

176;al.2;1-2

  • M2a: hare<+n> schoen
  • M2b: <haren>>haar> schoen

176;al.2;2-3

  • M2a: <+,> waar de speldebezie<ê>>ë>n in blom staan en ne zoete reuk afgeven.
  • M2b: , waar de speldebezieën in blom staan en <ne>>een> zoete<+n> reuk <-af>geven.
  • D: , waar de speldebezi<-e>ën in blom staan en een zoeten reuk <+ af>geven.

176;al.2;5

  • M2b: van zaken<-doen>

176;al.2;7

  • D: erger <om>>en> erger

176;al.2;8

  • M2a: Och <+,> kind <+,>

176;al.2;9

  • M2a: hij zet <hem>>zich>

176;al.2;9

  • M2a: Wacht <+,> hier is mijne<+n> neusdoek <+,>
  • M2b: Wacht, hier is mijn<-en> neusdoek,

176;al.2;10-11

  • M2b: waar ze haar <mag>>kan> <- op> neerzetten om te luisteren naar zijn<-en> droom,
  • D: waar ze <haar>>zich> <+ op> <kan>>mag> neerzetten om te luisteren naar zijn droom,

176;al.2;12

  • M1b: onvolda<-a>ne

176;al.2;13

  • M2b: volle<+n> stoom

176;al.2;13-14

  • M2a: een schoen<s>>c>entrale op te richt<-t>en.

176;al.2;16

  • M2a: <+,> werpt hij <hem>>zich>

176;al.2;17

  • M2b: zijn<-e> knie

176;al.2;17

  • M2a: <Onwetens>>Onweten[x]> spreekt hij <hem>>zich> weer uit <+,>
  • M2a: <Onweten[x]>>Onwetens> spreekt hij zich weer uit,

176;al.3;1

  • M2b: De zon<-ne>

176;al.3;4

  • M2a: <presies>>precies>

176;a.3;4

  • M2b: hij weet niet <- goed> wat.

176;al.3;5

  • M2b: dien<-e> glimlach

176;al.3;7-8

  • M2a: Tot weerziens <+,> zegt hij. Ja <+,>

176;al.3;8

  • D: <z>>Z>ondag

176;al.3;9-10

  • M2a: zijn neusdoek terug te geven, die geparfumeerd is. Soir de Paris. En ze legt hem <savends>>'s avends>
  • M2b: zijn neusdoek terug te geven <-,die geparfumeerd is. Soir de Paris>. <- En> <z>>Z>e legt hem 's avends

176;al.3;13

  • M2a: op de schouw <+,>

176;al.3;14

  • M2b: van begreep <.>>,> <I>>i>ets op rijm.
  • D: van begreep, iets op rijm <.>>!>

177;al.1;1

  • D: <z>>Z>ondag

177;al.1;2

  • M2a: blijft schijnen <!>>.>

177;al.1;2-3

  • M2a: de<+n> eender grijze<+n> locht
  • M2b: den eender grijzen <locht>>hemel>

177;al.1;4

  • M2b: het zal toch <-zeker> niet blijven regenen.

177;al.1;5-6

  • M2b: goed genoeg <zien kan>>ziet> dat het de eerste halfuur niet ophouden gaat.
  • D: goed genoeg ziet dat het <de>>'t> eerste halfuur niet ophouden gaat.

177;al.1;8

  • M2a: het een<+e> blad op het ander<+e> en haar schoenen zeggen tsjiep <+,> tsjiep <+,>
  • M2b: het een<-e> blad op het ander<-e> en haar schoenen zeggen <+:> tsjiep <-,> tsjiep,
  • D: het een<+e> blad op het ander<+e> en haar schoenen zeggen <-:> tsjiep <+,> tsjiep,

177;al.1;11

  • M2b: <ne>>een> man

177;al.1;12

  • M2b: zijn<-en> arm <.>>,> <Z>>z>eker iemand

177;al.1;13

  • D: <haar>>zich>

177;al.1;14

  • D: de<+n> regen

177;al.1;16

  • M2a: <+,> vraagt hij.

177;al.1;16-17

  • M2b: Ze laat <of ze>>zich> doofstom <- is>
  • D: Ze <laat>>houdt> zich doofstom

177;al.1;19

  • M2a: <presies>>precies>

177;al.1;19

  • M2a: Ze heeft pijn <+ in> hare<+n> kop
  • M2b: Ze heeft pijn in <haren>>haar> kop

177;al.1;20-21

  • D: thuis pakt ze <- haar> een poederken

177;al.1;21

  • M2a: Zondag <+,> en vier uur

177;al.1;22

  • M2b: <Ne>>Een> schoone zondag
  • D: Een schoone <z>>Z>ondag

177;al.1;22-23

  • M2a: Werkt dan een heel<+e> week om iedere morgend
  • M2b: Werk<-t> dan een heele week om iedere morgend
  • D: Werk dan een heele week om iedere<+n> morgen<-d>

177;al.1;23-24

  • D: den <z>>Z>ondag

177;al.1;24

  • M2a: nog vier <+,> nog drie <+,> nog twee dagen

177;al.1;25

  • D: <z>>Z>ondag

177;al.1;26

  • M2b: de<+n> regen

177;al.1;26-27

  • M1b: Maria <is>>heeft> u komen roepen zegt haar moeder en ze beziet haar klein
  • M2a: Maria heeft u komen roepen <+,> zegt haar moeder <+,> en ze beziet haar klein
  • M2b: Maria heeft u komen roepen, zegt haar moeder, en ze beziet haar klein<+e>
  • D: Maria <heeft>>is> u komen roepen, zegt haar moeder, en ze beziet haar kleine

177;al.2;1-2

  • M2a: [+X] Als ze kind zijn zegde: zijt toch stille, Elieken, en hangt zoo aan mijne<+n> rok niet.
  • M2b: [X] Als ze kind zijn<zegde>>zegt ge>: zijt toch stil<-le>, Elieken, en hang<-t> zoo aan mijn<-en> rok niet.

177;al.2;2

  • M2a: hun<+nen> ouderdom
  • M2b: hun<-nen> ouderdom

177;al.2;4

  • M2a: mijne<+n> kop
  • M2b: mijn<-en> kop

177;al.2;5-6

  • M2a: <+,> zegt Elie ongeduldig <+,> want er zit nen traan gereed achter de
  • <toeê>>toeë> oogschalen
  • M2b: , zegt Elie ongeduldig <,>>.><w>>W>ant er zit <nen>>een> traan gereed achter de toeë oogschalen

177;al.3;1

  • M2a: [+X] Hij vraagt

177;al.3;1-2

  • M2a: Achteloos <+,> zegt hij dat <presies>>precies>
  • M2b: Achteloos <-,> zegt hij dat <+,> precies

178;al.1;2-3

  • D: hij leest aan Molleken voor <.>>;> Molleken die iets verloren is op den grond, <haar>>zich> diep bukt

178;al.1;4

  • M2b: Ach <- zoo>,

178;al.1;7

  • M2b: Hij loopt <- door> <-.> <I>>i>n het wilde gras

178;al.1;9

  • M2b: die van <- ginder> over
  • D: die van <+ ginder> over

178;al.2;5

  • M2a: vro<-o>me

178;al.2;7

  • M2a: Elie is niet goed <+,> ze ligt in haar bed.

178;al.2;7-8

  • M2a: keert <haar>>zich>

178;al.2;8-9

  • M2a: <presies>>precies> tusschen eieren <+,>

178;al.2;9-10

  • M2b: <ne>>een> stille<+n> glimlach

178;al.2;10

  • M1b: den angst die<+n> ze

178;al.2;14-15

  • M2a: <+,> liggend in die zijn armen <+,> en straks in een anderen de zijn.
  • D: , liggend in die<+n> zijn armen <-,> en straks in <een anderen de zijn>>die van een ander>.

178;al.2;15-16

  • M2a: de poel van haar ziel <.>>,> <W>>w>ant juist <- maar> aan Elie heeft ze nekeer haar woelige nachten verteld
  • M2b: de<+n> poel van haar ziel, want juist aan Elie heeft ze <nekeer>>eens> haar woelige nachten verteld <+,>

178;al.2;17

  • M2a: <presies>>precies>

178;al.2;18-19

  • M2a: bij mij <+,> Elie <+,> want zie,

178;al.2;20-21

  • M2b: En wat is <het>>er> allemaal

178;al.2;21-22

  • M2b: bijkanst niet uitschreeuwen kunt, begeerte naar <- de> zonde,
  • D: bijkans<-t> niet uitschreeuwen kunt, begeerte naar zonde,

178;al.2;23

  • M2b: en <+,> misschien <+,>

178;al.2;24-25

  • M2b: Ik heb het u toch zoo schoon gevraagd om me nooit alleen te laten <.>>!>
  • D: <I>>i>k heb het u toch zoo schoon gevraagd om me nooit alleen te laten <! >>.>

178;al.2;25-26

  • M2b: klopt <+ de> muziek

179;al.1;12

  • M2a: onmiddel<+l>ijk

179;al.1;2-3

  • M2a: Ja <+,> dat moet ze doen, nu direkt zie, als dezen dans
  • D: Ja, dat moet ze doen, nu direkt <+, > zie, als deze<-n> dans

179;al.1;4

  • D: En het is toch het leven <.>>!>

179;al.1;7

  • M2a: een pronte<+n> solda<-a>t
  • D: een pronten solda<+a>t

179;al.1;7

  • M2b: dicht <+,> veilig en warm

179;al.1;8

  • M2a: liefko<+o>zen

179;al.1;9-10

  • M2a: een stille<+n> glimlach

179;al.1;11

  • M2a: gebeur<d>>t>

179;al.1;12

  • M2a: Nu moet ik naar huis <+,>

179;al.1;14

  • M2a: licht lijk een pluimken <+,>

179;al.2;1

  • M2a: [+X] Ze slaat haar oogen

179;al.2;2-3

  • M1a: Ze haasten hun om weg te zijn <en verbaasd # en zien verbaasd> dat het buiten in den donkeren
  • M2a: Ze haasten <hun>>zich> om weg te zijn en zien verbaasd dat het buiten in den donkeren
  • D: Ze haasten zich om weg te zijn en zien verbaasd dat het buiten in den donker<-en>

179;al.2;4

  • M2b: de<+n> poel

179;al.2;5

  • M2b: in de voorstad <-,> en

179;al.2;6

  • M2a: Hier woon ik <+,> zegt ze. Ja <+,> vraagt hij en ze treuzelen,
  • M2a: Hier woon ik, zegt ze. Ja, vraagt hij <+.> <e>>E>n ze treuzelen,
  • D: Hier woon ik, zegt ze. Ja, vraagt hij <.>>,> <E>>e>n ze treuzelen

179;al.2;9

  • M2a: <sement>>cement>

179;al.2;9-10

  • M2b: Hier regent het niet <+,> zegt ze,

179;al.2;10-11

  • M2a: hare<+n> asem
  • M2b: <haren>>haar> asem
  • D: haar <asem>>adem>

179;al.2;12

  • M2b: <-al> zelf begint

179;al.2;14-15

  • M2a: Mark hun huis brand er <ne>>een> <lantaren>>lantaarn>, maar wat is nu <éen>>één> <lantarenpaal>>lantaarnpaal>
  • M2b: Mark hun huis brand<+t> <- er> een lantaarn, maar wat is nu één lantaarnpaal.
  • D: Mark <hun>>zijn> huis brandt een lantaarn, maar wat is nu één lantaarnpaal.

179;al.2;16

  • M2b: <- gekropen> zoo zat als <ne>>een> patat.

179;al.2;16-17

  • M2b: met zijn gezicht <- naar> omhoog om er de<+n> regen te voelen

179;al.2;18

  • M2a: uit den nieuwen bouw komen <.>>,> <Welke>>hetwelk> hij onmiddel-<+l>ijk

179;al.2;19-20

  • M2b: dat alle menschen <- hebben> die niet gelukkig zijn <+ hebben>

179;al.2;20

  • M2b: <ne>>een> wrange<+n> spot

179;al.2;21-22

  • M2b: waar <-,> <met>>in> den donkeren.
  • D: waar in den donker<-en>.

179-180;al.2-al.1;22-1

  • M2b: hij lacht er mee <,>>.> <z>>Z>iet ge,

180;al.1;4

  • M2b: en ziet <- hij> naar een <sep>>zijp>

180;al.1;6

  • D: blijft voortbestaan <.>>!>

180;al.2;2

  • M1a: En tot morgen smeekt ze, meer dan ze het <vraagt # zegt>.
  • M2b: En tot morgen <+,> smeekt ze <-,meer dan ze het zegt>.

180;al.3

  • M2a: [+X] Heeft ze

180;al.3;1

  • M2b: of is het <ook>>nat> van de<+n> regen?
  • D: of is <het>>haar gezicht> nat van den regen?

180;al.4;1

  • M2a: Tot morgen <+,> zegt de andere <+,>

180;al.4;2

  • M2a: <hem>>zich>

180; al.5;1-2

  • M1b: in den morgend is de maandag de<+n> meest overschilligen dag
  • D: in den morgen<-d> is de <m>>M>aandag de<-n> meest onverschillige<-n> dag

180;al.5;5

  • M2b: dien<-e> winkel

180;al.5;5-6

  • M2a: aan de<+n> winkel <:>>.> Neen,

180;al.5;6

  • M2b: dien<-e> lantarenpaal
  • D: dien <lantarenpaal>>lantaarnpaal>

180;al.5;7

  • M2b: zulke dingen<-s> uit uw<-e> mond komen?

180;al.5;7

  • M2a: hare<+n> kant
  • M2b: <haren>>haar> kant

180;al.5;9

  • M2b: ander dingen<-s>
  • D: ander<+e> dingen

180;al.5;12-13

  • M2b: <- Ze zijn heel zeker uit de Walen, want ze klappen Fransch.> Over het meisken <die>>dat>
  • D: <+ Ze zijn heel zeker uit de Walen, want ze klappen Fransch.> Over het meisken dat

180;al.5;14

  • M2b: En vaneigens over Sander <,>>;/: [?]>
  • D: En vaneigens over Sander <;/: [?]>>;>

180;al.5;15

  • M2a: <+,> want

180;al.6;1

  • M2a: Aan den hoek zegt Maria <+,> <+:> tot vanavend. Ja <+,> zegt Elie <+ ,>
  • D: Aan den hoek zegt Maria <-,>: tot vanavend. Ja, zegt Elie,

180;al.6;2-3

  • D: tegen de ander<+e> meiskens

180;al.6;4

  • M2b: <ne>>een> vorm

180;al.7;1

  • M2a: [+X] Dag uffra <+,> zeggen ze

180;al.7;2

  • M2a: <-ge>vat

180;al.7;2

  • M2a: hare<+n> kop
  • M2b: <haren>>haar> kop

180;al.7;3

  • M2b: geen<-e> man

180;al.7;3-4

  • M2b: <Het moet>>Dat het> een schoon leven <+ moet> zijn

180;al.7;5

  • M2b: Stil<-le>

181;al.1;2-4

  • M2a: alleen maar <savends>>'s avends> eens tusschen licht en donker naar ziet, en het weer wegstopt waar nooit iemand het vinden kan.
  • M2b: alleen maar 'savends eens tusschen licht en donker naar ziet, en <- het> weer wegstopt waar <nooit iemand>>niemand> het vinden kan.
  • D: alleen maar <+ eens> 's avends <- eens> tusschen licht en donker naar ziet, en <+ die ge> weer wegstopt waar niemand het vinden kan.

181;al.2;1

  • M2a: [+X] Ze hangt ook over haar werk gebogen, geef me die schaar eens, en ze luistert naar hetgeen de andere<+n> te vertellen hebben over hunne<+n> zondag.
  • M2b: [X] Ze hangt <- ook> over haar werk gebogen <,>>:> geef me die schaar eens <,>>.>> <e>>E>n ze luistert naar <hetgeen>>wat> de anderen <- te> vertellen <- hebben> over hun<-nen> zondag.
  • D: [X] Ze hangt over haar werk gebogen: geef me die schaar eens. En ze luistert naar <wat>>hetgeen> de anderen vertellen over hun <z>>Z>ondag.

181;al.2;3

  • M2a: <hun>>zich>

181;al.2;3

  • M2b: <- de> madam

181;al.2;5

  • M2b: <- eens> te stuiken.

181;al.2;7-8

  • M2a: en ze valt er over. Dat is nu al vier jaar <+,> maar
  • M2b: en <- ze> valt er over. Dat is nu al vier jaar, maar

181;al.2-al.3;8-1

  • M2a: ge niet. Nu pikkelt ze rond <:>>.> [+X] <o>>O>eioei <+...> vandaag
  • M2b: ge niet. <- Nu pikkelt ze rond.> [X] Oeioei... vandaag

181; al.3;2

  • M1a: Ach ja <+,>
  • M2b: <- Ach> <j>>J>a,

181;al.3;4

  • M2b: dien<-e> knie
  • D: die<-n> knie

181;al.3;5

  • M2b: uw<-e> knie

181;al.3;6-7

  • M2a: dat ge moogt rondbazuinen, iedereen zal zeggen: <I>>i>s het ochheeren waar
  • <.>>!>
  • M2b: <dat>>wat> ge moogt rondbazuinen, iedereen zal zeggen: is het ochheeren waar!

181;al.3;7

  • M2a: uw <hert>>hart> is dat zeer doet
  • M2b: uw hart is dat <zeer>>pijn> doet

181;al.4;1

  • M2a: maandag <+,>
  • D: <m>>M>aandag,

181;al.4;2

  • M2b: de zon<-ne>

181;al.4;4

  • M2b: <ne>>een> mensch apaart.
  • D: een mensch <apaart>>apart>.

181;al.4;5

  • D: een <okkasieauto>>occasieauto>

181;al.4;5

  • M2b: het <portel>>portier>

181;al.4;6-7

  • M2a: <+,> zegt hij <+,> stapt toch in. Hetgeen ze doet en ze tracht ne lach op haar gezicht te krijgen <:>>;> ge zult met mij toch zeker geen dwaze kuren uithalen <.>>?> Maar de lach
  • M2b: , zegt hij, stap<-t> toch in. <- Hetgeen ze doet en> <z>>Z>e tracht <ne>>een> lach op haar gezicht te krijgen; <- ge zult met mij toch geen dwaze kuren uithalen?> Maar de lach
  • D: , zegt hij, stap toch in. Ze tracht een lach op haar gezicht te krijgen <;>>,> <M>>m>aar <de lach>>hij>

181;al.4;9

  • M2a: <+,> zegt hij. Ons schoenfabriek <!>>.>

181;al.4;10

  • D: de<+n> nieuwe<+n> weg

181;al.4;11

  • M1b: een grimmige<-n> groef langs zijne mond
  • M2a: een grimmige<+n> groef langs zijne<+n> mond
  • M2b: een grimmige<-n> groef langs zijn<-en> mond

181;al.4;12-13

  • D: Het is <erger of>>alsof> het eigendom is die<+n> men hem ontstolen heeft.

181;al.4;13

  • D: het caoutchou<+c>fabrieksken

181;al.4;14

  • M2b: <- dan> de gas en dien<-en> hangar

181;al.4;16

  • M2a: En ziet hem met ne zwier de sleutel in de poort steken en die <opensmijten>>open smijten> <!>>.>
  • M2b: En zie<-t> hem met <ne>>een> zwier de<+n> sleutel in de poort steken en <- die> open smijten.

181;al.4;17

  • M2b: De kaalheid kruipt <- binnen> de muren op

182;al.1;1-2

  • D: iets angstig<+s>, iets benauwelijk<+s> om <+ te> zien,

182;al.1;4

  • M2b: wat doen <.>>:> <V>>v>erder
  • D: wat <+ te> doen: verder

182;al.1;5

  • M2b: of <- er juist> dichter bij <- gaan>
  • D: of <+ juist> dichter bij

182;al.1;7

  • M2b: moteurs gestaan <.>>?>
  • D: <moteurs>>motors> gestaan?

182;al.1;7-8

  • M2b: een <nief><nieuw> kapmachien dat hij <- hem> gekocht heeft.

182;al.1;8-9

  • M2b: van verbazing en <- van> bewondering

182;al.1;9-10

  • M2b: Ze strijkt <- eens> met haar vingers over het glimmende staal, en als ge <- er> goed op let
  • D: Ze strijkt <+ eens> met haar vingers over het glimmende staal <-,> en als ge <+ er> goed op let

182;al.1;10-11

  • M2b: <dat>>wat> ze doet

182;al.1;11

  • M2a: de<+n> groote, de<+n> durver.

182;al.1;14

  • M2b: de<+n> weg

182;al.1;16

  • D: <de>>het> karton

182;al.1;16-17

  • M2a: keert hij <hem>>zich> om <.>>;> <E>>e>n daar zie <+,>
  • D: keert hij zich om <;>>:> en daar zie,

182;al.1;18

  • M2b: een soort <- van> balkon <die>>dat>

182;al.1;20

  • D: om <+ te> zien

182;al.1;21-22

  • M2a: <+,> alleen met er staan op te zien.
  • M2b: , alleen met er staan op te <zien>>kijken>.
  • D: , alleen met er <staan op te kijken>>op te staan kijken>.

182;al.1;22

  • M2b: toch <- nog> zulk een bruut

182;al.1;23

  • M2a: <presies>>precies>

182;al.1;23

  • M2b: op <- de leun van> de balustrade

182;al.1;24

  • M2a: lawij<d>>t> <+,> zegt hij,
  • D: <lawijt>>lawaai>, zegt hij,

182;al.1;24-25

  • M2b: dan zult ge wat zien <+.> <e>>E>n ik moet nog akkoord maken <- ook>

182;al.1;27

  • D: <camion's>>camions>

182;al.1;29-30

  • M2a: En achja <+,> hoe is een meisken <!>>.> Ze gelooft niet dat hij ne mensch is lijk een andere, ne simpele mensch lijk gij en ik.
  • M2b: En achja, hoe is een meisken. Ze gelooft niet dat hij <ne>>een> mensch is lijk een andere, <ne>>een> simpele mensch lijk gij en ik.

182;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij moet een soort van god zijn,
  • D: [X] Hij moet een soort van <g>>G>od zijn,

182;al.2;2-3

  • M1b: bijkans<-t> hare mond niet opendoen
  • M2b: <bijkans>>bijna> <hare>>haar> mond niet <opendoen>>openen>

182;al.2;5

  • M2a: <+,> iets van niemendal, een ambetante mug die in zijne weg komt zitten.
  • M2b: , iets van niemendal, een <- ambetante> mug die in zijn<-e> weg komt zitten.

183;al.1;1-2

  • M2b: <- en> hoe ze rond ziet met een gezicht of het voor haar zelven is.
  • D: hoe ze rond ziet met een gezicht of het voor haar zelve<-n> is.

183;al.1;3

  • D: net hetzelfde <.>>:> Wat een meisje

183;al.1;4

  • M2a: haar oogen <+,> hare<+n> mond
  • M2b: haar oogen, <haren>>haar> mond

183;al.2

  • M2a: [+X] En het is lijk

183;al.2;1-2

  • M2b: <- al> dikwijls hooren fluiten heeft, maar de woorden niet <- van> kent.
  • D: dikwijls hooren fluiten heeft, maar <+ waarvan hij> de woorden niet kent.

183;al.2;3

  • D: maar verder komt <hij>>het> niet.

183;al.2;5

  • M2b: die nu nog <ne>>een> millimeter te verleggen.
  • D: die<+n> nu nog een millimeter te verleggen.

183;al.3;1

  • M2b: rond haar open<-e> lippen <+,> <- en> rond

183;al.3;5-6

  • D: in zijn armen, <+ verbaasd,> of liever hulpeloos

183;al.4;1

  • M2a: Zwijgend. Met de<+n> last der liefde
  • M2b: Zwijgend <.>>,> <M>>m>et den last der liefde

183;al.4;2

  • M2a: hare<+n> kop weg en nu
  • M2b: <haren>>haar> kop weg en nu
  • D: haar <kop>>hoofd> weg <+,> en nu

183;al.4;2-3

  • M2b: moeilijk <- gaan> worden om doodgewone woorden <- uit> te spreken.

183;al.5;1

  • M2b: <- En> <n>>N>u komt

183;al.5;3

  • M2a: op volle<+n> stoom

183;al.5;3

  • D: Het een<+e> paar

183;al.5;6

  • D: schoenen maken <+,> maar

183;al.5;7

  • M2b: laat hij<- hem> een bureauken

183;al.5;9

  • M2a: <sijferen>>cijferen>

183;al.5;11

  • M2a: ne man of drie <+,>
  • M2b: <ne>>een> man of drie,

183;al.5;13

  • D: <in>>aan>draaien

183;al.5;14

  • M2a: gaat kruipen op een harde<+n> stoel. Zijn crayon
  • M2b: gaat <kruipen>>zitten> op een harden stoel <.>>,> <Z>>z>ijn crayon

183;al.5;15

  • M2b: op zijn lip <- begint te> bijt<-en>.

183;al.5;17

  • M2a: zijne<+n> stoel weg. Wacht <.>>,> <H>>h>ij zal nekeer
  • M2b: zijn<-en> stoel weg. Wacht, hij zal <nekeer>>eens>

184;al.1;1-2

  • M2b: <- En> <z>>Z>e bezien hem

184;al.1;2-3

  • M2a: vallen stil <.>>,> <H>>h>ij wacht tot ge een muisken kunt hooren p<ie>>[xx]>pen <:>>.> We gaan
  • M2b: vallen stil, hij wacht tot ge een muisken kunt hooren p<[xx]>>ie>pen. We gaan

184;al.1;3

  • M2a: <+,> zegt hij.

184;al.1;3-4

  • M2b: Hij haalt een <kontrakt>>papier> uit zijn<-en> binnenzak.

184;al.1;4-5

  • M2a: met de<+n> rug van zijn vingeren. En het kontakt
  • M2b: met den rug van zijn <vingeren>>hand>. <- En> <h>>H>et kontakt

184;al.1;6

  • M2a: zet <hem>>zich> weer in gang, en nu voorgoed.
  • M2b: zet zich weer in gang <-, en nu voorgoed>.

184;al.1;7

  • D: zijn<-e> prijs

184;al.2;2

  • M2a: Wie hem noodig heeft <+,> klopt

184;al.2;3

  • M2b: <hem>>zich>

184;al.2;4

  • D: hij die <- toch> nooit voyageert.

184;al.2;5

  • M2a: <sijferen>>cijferen>

184;al.2;6

  • M2b: <toekt>>tokt>

184;al.2;7

  • M2a: ongelukkige<+n>

184;al.2;8-9

  • M2b: snelt <weg>>heen>.

184;al.2;9

  • M2b: <ne>>een> stille mensch die <- wat> van jaren wordt
  • D: een stille mensch die van jaren wordt <+,>

184;al.3;1

  • M2a: [+X] Het is hem

184;al.3;1

  • M2b: <naar ziet>>in leest>

184;al.3;2

  • M2a: trekt zijn blikken <:>>;>

184;al.3;6

  • M2b: dien<-e> mensch <- van jaren>
  • D: die<-n> mensch

184;al.3;7

  • M2b: <van>>over> de prijzen

184;al.3;10

  • M2b: <- zijne sjef> <zijn>>een> meisken,

184;al.3;11

  • D: het <heeft>>is> geen dag geweest.

184;al.3;12

  • M2a: misloopt <hem>>zich>.

184;al.4;1

  • M2b: dat <zou hij moeten>>moet hij> hebben,

184;al.4;2

  • D: <ne>>een> frank

184;al.4;4

  • D: de<+n> koers

185;al.1;1

  • M2b: ziet hij <- het> ook

185;al.1;3-4

  • M2a: en almeteens op het onverwachte voor een spiegel staan en zeggen <+:> aiai <+,> ben ik dat?
  • M2b: en <- almeteens> op het onverwacht<e>>s> voor een spiegel staan en zeggen: aiai, ben ik dat?

185;al.2;4

  • M2a: Zijn <M>>m>ama

185;al.2;5

  • M2b: en speelt <- ongedachts>

185;al.2;6

  • M2b: om de waarde te <- kunnnen> noemen

185;al.2;6-7

  • M2a: <+,> aan het gewicht

185;al.2;7-8

  • M2b: Hij weegt het op zijn bijzende vingers <- af>.

185;al.2;8-9

  • M1a: nu laat ons zeggen, <hmm # heu>, zevenen tachtig en half.
  • M2a: laat ons zeggen, heu <,>>...> <zevenen> zeven en> tachtig en half.

185;al.2;9

  • D: Hoeveel heeft dat gekost <+,> Mama?

185;al.2;10

  • M2b: ze nijpt <- hard> nadenkend

185;al.2;11

  • M2a: <+,> zegt ze,

185;al.2;12

  • M2b: van <te>>het> verschieten.

185;al.2;14

  • D: een bekende<+n> artiest

185;al.2;15

  • D: <plaaster>>pleister>

185;al.2;15

  • M2b: <+,> en misschien

185;al.3;1

  • M2a: <+,> zegt hij <+,>

185;al.3;2

  • M2b: <twee>>het> jaar

185;al.3;2

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

185;al.3;3

  • M2b: <nekeer>>eens>

185;al.3;3-4

  • M2a: en zeggen <+:> dag mamaken.

185;al.4;1

  • M2a: [+X] Hij over intrest <+,> dividenden <+,> commissieloon,

185;al.4;2-3

  • M2a: Ge zijt er wel mee <,>>:> Elie

185;al.4;3-4

  • M2b: lijk de<-n> achterste<-n> wagon de<+n> lokomotief
  • D: lijk de achterste wagon de<-n> lokomotief

185;al.4;4

  • M2a: Morgen zondag <+,> komt hij.
  • D: Morgen <z>>Z>ondag, komt hij.

185;al.4;5-6

  • M2b: Of gaat hij <- effenaf> koopen en verbouwen?

185;al.4;6

  • M2a: <+,> want het wordt <z>>Z>ondag

185;al.4;10

  • M2a: <presies>>precies>

185;al.5;1-2

  • M2a: met hare<+n> soldaat, het duurt er nu zoolang mee, gaat ge niet dansen vraagt ze <+,> maar niet te dringend <+,>
  • M2b: met <haren>>haar> soldaat, het duurt er nu zoolang mee <,>>!> <g>>G>aat ge niet dansen vraagt ze, maar niet te dringend,
  • D: met haar soldaat, het duurt er nu zoolang mee! Gaat ge niet dansen <+,> vraagt ze, maar niet te dringend,

186;al.1;1

  • M2a: ja zegt <!>>,> wat zal

186;al.1;4

  • M2a: en <hem>>zich> bezig houdt

186;al.1;7

  • D: <z>>Z>ondag

186;al.1;8

  • M2a: de <nieve>>nieuwe> partij

186;al.1;9

  • M2b: hetzelfde <van>>lijk> Maria:

186;al.1;10

  • D: Neen <+,> zegt ze.

186;al.2;1

  • M2a: [+X] Daarom, en ze lacht <+,> uit beleefdheid maar
  • D: [X] Daarom, en ze lacht, uit beleefdheid <+,> maar


186;al.2;2

  • D: men haar eigenlijk embeteert<.>>,>
  • VW: men haar eigenlijk embeteert[,]].]


186;al.2;2

  • D: <z>>Z>ondag

186;al.2;3

  • D: <z>>Z>ondag

186;al.2;5

  • M2a: hare<+n> stoel
  • M2b: <haren>>haar> stoel

186;al.2;5

  • D: <mousselinnen>>mousselienen>

186;al.2;6

  • M2a: [-X] Ze wordt stille, Elie.
  • M2b: Ze wordt stil<-le>, Elie.

186;al.2;6-7

  • M2b: En er heeft <- al> nooit

186;al.2;7

  • D: haar zelve<-n>

186;al.2;8

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

186;al.2;9

  • M2a: <+,> knikt eens tegen haar moeder <+,> en dan

186;al.2;10

  • M2b: Ze gaat <- eens> aan de deur

186;al.2;10-11

  • M2b: komt ook <- van> de avendkoelte proeven:

186;al.2;12

  • D: <+,> zeggen ze.

186;al.2;13

  • M2b: <den>>het> nest

186;al.2;13-15

  • M2a: getrouwd <,>>.> <behalven>>Behalve> nog een meisken zonder uitdrukking. Een waarvan ge niets vertellen kunt. Een van die menschen die ongemoeid
  • M2b: getrouwd. Behalve nog een meisken zonder uitdrukking <.>>,> <E>>e>en waarvan ge niets vertellen kunt <.>>,> <E>>e>en van die menschen <die>>welke> ongemoeid

186;al.2;16

  • D: iets merkwaardig<+s>

186;al.2;17

  • M2a: vraagt Elie, en gaat nekeer boven zien <+,> zeggen ze.
  • M2b: vraagt Elie <,>>.> <- En> <g>>G>aat nekeer boven zien, zeggen ze.

186;al.2;18

  • M2b: <ne>>een> versleten zetel

186;al.2;19-20

  • M2a: de nieuwe batimenten. Hoopen steen <+,> zavel en witkalk. Stellingen met kuipen mortel op
  • M2b: de nieuwe batimenten <.>>,> <H>>h>oopen steen, zavel en witkalk <.>>,> <S>>s>tellingen met kuipen mortel op
  • D: de nieuwe batimenten, hoopen steen, zavel en witkalk, stellingen met kuipen <+,> mortel <+ er> op
  • VW: de nieuwe batimenten, hoopen steen, zavel en witkalk, stellingen met kuipen [-, ] mortel er op

186;al.2;22

  • M2a: kunnen inwonen <!>>,> <E>>e>n Bernardeken

186;al.2;23

  • M2b: neven <hem>>zich>

186;al.2;24

  • M2a: <+,> zegt hij tegen Elie,

186;al.2;25

  • M2b: Hij glimlacht <- eens> en geeft geen <eksplikasies>>explikaties>.

186;al.2;27

  • M2b: met <- tingelen en ander> onkruid

187;al.1;3-4

  • M2b: <ne>>een> muur getrokken met witte lijntjes <,>>;>

187;al.1;7-8

  • M2b: een schoenfabrieksken <staat>>is>.

187;al.2;1-2

  • M2a: rond zijne<+n> mond en zijn oogen
  • M2b: rond zijn<-en> mond <en>>,> zijn oogen

187;al.3;1

  • M2b: En <o>>O>p <ne>>een> morgen
  • D: <- En> Op een morgen

187;al.3;2

  • M2a: Dat <is>>os[?]> de <manier>>[?]>
  • M2b: Dat <os[?]>>is> de <[?]>>manier>

187;al.3;3

  • M2b: komen <,>>.> <i>>I>edere mensch

187;al.3;5-6

  • M2a: zijn. Een laatste m<a>>[x]>ning van de belastingen, iets van den deurwaarder, of van het leger <+,>
  • M2b: zijn <.>>,> <E>>e>en laatste m<[x]>>a>ning van de belastingen, iets van den deurwaarder <-,> of van het leger,

187;al.3;6

  • M2a: dood <+,> zwaarziek of

187;al.3;7

  • M1a: Ze pakken den omslag op, om het algauw te weten wat er te wachten staat ,/. [?]
  • M2b: Ze pakken den omslag op <- om te weten wat er te wachten staat><,/. [?]>>.>

187;al.3;9

  • D: de<-n> brief

187;al.4;1

  • M2a: [+X] Ja <+,>

187;al.4;1-2

  • D: getogen zijn <-,> komt er

187;al.4;6

  • D: een envelop<+pe>

187;al.4;6-7

  • M2b: Niemand zegt iets, <als>>buiten> de weef een tijd later in de algemeene stilte: <'t>>het> is wreed.

187;al.4;7

  • M2a: zijn<-e> pa

187;al.4;10

  • M2b: <- en> hij spuwt

187;al.4;11-12

  • M2a: <+,> wat ze ge nu meer dan ne vloek?
  • M2b: , wat ze ge nu meer dan <ne>>een> vloek?

187;al.4;12-13

  • M2a: waar die wonen welke we niet kennen <+,>
  • D: <+,> waar die wonen welke we niet kennen,

188;al.1

  • M2a: [+X] Als er iemand

188;al.1;1

  • M2a: zijne<+n> weg
  • M2b: zijn<-en> weg

188;al.1;2-3

  • M2b: e<ks>>x>plikeeren

188;al.1;4

  • M2b: <haren>>haar> trap

188;al.1;5-6

  • M2b: een einde <nemen gaat>>neemt>.

188;al.1;6

  • M2b: <justekens>>juistekens>

188;al.1;8

  • M2a: kan juist <savends>>'s avends> een keer asem scheppen.
  • M2b: kan <- juist> 's avends <een keer>>even wat> asem scheppen.
  • D: kan 's avends even wat <asem>>adem> scheppen.

188;al.1;9-10

  • M2b: aan haar gezicht gestreken <,>>?> <z>>Z>oo een geverfde poep.
  • D: aan haar gezicht gestreken? Zoo een geverfde <poep>>pop>.

188;al.1;11

  • M2a: op hare<+n> mond
  • M2b: <op>>om> <haren>>haar> mond
  • D: om haar mond <+,>

188;al.1;12

  • M2a: <presies>>precies> vermagerd in uw gezicht <!>>.> Niet alleen vermagerd <+,>

188;al.1;13

  • M2b: <hetgeen ze>>wat Elie> niet vernoem<d>>t>. <- Ja zegt Maria, nu moet ge hier allemaal weg, en ze lacht. Gij toch ook?>

188;al.1;14

  • M2a: ze <n>>[x]>ijgt hare<+n> kop
  • M2b: ze <[x]>>n>ijgt<haren>>haar> kop

188;al.1;16-17

  • M2a: den trap op. En wilt ge nu iets weten <+,> moeder,
  • M2b: de<-n> trap op <.>>:> <E>>e>n wilt nu ge iets weten <-,> moeder,

188;al.1;19

  • M2a: den plafond. Ja <+,> zegt ze. Het is waar Elie,
  • M2b: <den>>het> plafond. Ja, zegt ze <.>>,> <H>>h>et is waar Elie,

188;al.1;20-21

  • M2a: <presies>>precies> of ze er iets van weet, en ach ja, het misschien zelf ondervonden heeft.
  • M2b: precies of <ze>>de weef> er iets van weet, en ach ja, <- het> misschien zelf ondervonden heeft.

188;al.2;1

  • M2b: <op>>aan> het huis

188;al.2;3

  • M2b: staan <-,> voorloopig.

188;al.2;4

  • D: <naar>>in> een ander<+e> stad

188;al.2;4-5

  • M1b: Waarom Ja dat weet niemand want het <+ zijn>
  • M2a: Waarom <+?> Ja <+,> dat weet niemand <+,> want het zijn

188;al.2;5

  • M2a: hunne waarom aan niemand <+,>
  • M2b: hun<-ne> waarom aan niemand,

188;al.2;7-8

  • M2a: zijne pa schiet er hem naartoe. Vandaar naar den huismeester <+,>
  • M2b: zijn<-e> pa schiet er <hem>>zich> naartoe. Vandaar naar den huismeester,

188;al.2;9

  • M2a: Ja <+,>

188;al.2;11

  • M2a: zijn<-e> pa

188;al.2;11-13

  • M2b: Ja, wat kan hij anders <- doen> dan milledju zeggen <en>>,> spuwen in den wal van het kasteelken <+,> <+ en betalen>.

188;al.3;2

  • M2a: en verkoop, cijfers <+,> cijfers
  • M2b: en verkoop <,>>.> <c>>C>ijfers, cijfers

189;al.1;1

  • M2b: strijkt hij <- eens> zijn gedachten bijeen.

189;al.1;2

  • M2b: <- dat> met groote oogen van tusschen de papieren naar hem <opblikt>>opblikken>.

189;al.1;5

  • D: <vingeren>>vingers>

189;al.1;7

  • M2a: verdiend is ook meer per uur <dat>>dan> wat
  • M2b: verdien<d>>t> is ook meer per uur dan wat

189;al.1;10-11

  • M2a: <s>>c>ijfers, <fantastiese>>fantastische> getallen op te roepen, de stad op hare<+n> kop te zetten en de landkaarten te veranderen.
  • M2b: cijfers, fantastische getallen op te roepen, de stad op <haren>>haar> kop te zetten en <- de> landkaarten te veranderen.

189;al.1;11-12

  • M2b: zijn<-e> pa

189;al.1;13-14

  • M2b: <- ook> een hoop geld in de ondernemingen van zijn<-en> zoon.

189;al.1;14-15

  • M2a: daar doet Mark hem profijt aan <:>>,> op een noen legt zijn papa <hem>>zich> neer in de<+n> <causing-corner>>cosy(corner>, een half uurken
  • M2b: daar doet Mark <- hem> profijt aan, <+ want> op een noen legt <- zijn> papa zich neer in den <cosy(corner>>cosy-corner>, <+ en> een half uurken

189;al.1;18

  • M2a: Ze roept <+,> maar

189;al.1;19

  • M2b: waar ze <van>>over> geen dividenden

189;al.2;2

  • M2a: ge zoudt zeggen <+:>

189;al.3;1

  • M2a: uwe<+n> mond
  • M2b: uw<-en> mond

189;al.4;1

  • M2a: [+X] En zeg het maar lijk het is <,>>:> ook een beetje een halven dwaas
  • D: [X] En zeg het maar lijk het is: ook een beetje een halve<-n> dwaas

189;al.4;2

  • M2a: de<+n> eene<+n> kant

189;al.4;3

  • M2b: een modern<+en> <-ge>bouw, langs achter
  • D: een modernen bouw <,>>.> <l>>L>angs achter

189;al.4;4-5

  • M2a: met <beesten-vellen>>beestenvellen> <,>>;> langs voor rijden er kamions
  • D: met beestenvellen; langs voor rijden er <k>>c>amions

189;al.4;6

  • M2a: <ceinturon's>>ceinturons>

189;al.4;8

  • M2a: tusschen licht en donker<-en>

189;al.4;9

  • D: is <dat>>het> dan?

190;al.1;1

  • M2a: <+,> peinst hij.

190;al.1;3-4

  • M1b: maar er hangen spinneko<b>>p>netten voor in de plaats.
  • M2b: maar er hangen spinnekopnetten <- voor> in de plaats.

190;al.1;4

  • M2b: <- En> <e>>E>r staat geen <een>>enkel> ruit
  • D: Er staat geen enkel<+e> ruit

190;al.1;8-9

  • M2b: laten <- naar> beneden rijzen

190;al.1;9

  • M2a: dat ze afbreken, is <presies>>precies>
  • M2b: dat <ze afbreken>>men afbreekt> <-,> is precies

190;al.1;11-12

  • M2a: verbouwd word<+t>,

190;al.1;14

  • D: het hoog<+e> woord

190;al.1;14

  • M2b: zijn<-e> zak

190;al.2;1

  • M2a: [+X] Bernardeken kijkt

190;al.2;2-3

  • D: niet meer wijs uit wordt <.>>:> Deze die

190;al.2;4

  • M2b: hun<-ne> Sander

190;al.2;5

  • M2b: hun<-ne> Jean

190;al.2;6-7

  • M2a: een soldaat <+,> ne zekeren Ingels,
  • M2b: een soldaat, <ne>>een> zekeren Ingels,

190;al.2;8

  • D: <+,> juist rechtover de weef.

190;al.2;9

  • M2b: dien<-e> gang

190;al.2;9-10

  • M2b: met <- haren> Ingels. En telkens Bernard
  • D: met <+ haar> Ingels. En telkens <+ als> Bernard

190;al.2;10

  • M2b: <ne>>een> vinger

190;al.2;11

  • M2b: <hebde>>hebt ge>

190;al.2;12

  • M2b: <ne>>een> man en een vrouw woonde<-n>
  • D: een man en een vrouw woonde<+n>

190;al.2;14

  • M2b: <ne>>een> rijke mensch

190;al.2;14-15

  • M2b: geen slaven meer zijn, <- zegt mijne pa,>

190;al.2;15-16

  • M1b: is er iemand komen woonen die<+n> niemand kende,
  • M2a: is er iemand komen wo<-o>nen die<-n> niemand kende,
  • D: <is er iemand>>zijn er menschen> komen wonen die niemand kende,

190;al.3;1

  • M2b: Die<-ne> meneer

190;al.3;2

  • M2b: zijn <ballonhoofd>>zwaar hoofd>

190;al.3;4

  • M2a: op de vitrien <+...> gebied staan,

190;al.3;4

  • D: de ander<+e> letters

191;al.1;1

  • D: <Zoodus dat Elie daar ergens moet boven wonen.>>Dus moet Elie daar ergens boven wonen.>

191;al.1;5

  • D: dat <ge>>ze> uren ver <zoudt>>zouden> loopen

191;al.1;6-7

  • M2b: <ne>>een> mensch is zonder gevoelen<-s> loopt de<-n> trap op,
  • D: een mensch is zonder gevoel<-en> <+,> loopt de trap op,

191;al.1;8

  • M2b: de<+n> plankenvloer

191;al.1;9

  • M2a: witte mu<-u>ren

191;al.1;9

  • M2b: in <- de> roode menie

191;al.1;12

  • M2b: geen<-e> weg

191;al.1;13

  • M2b: als <+ hij> <ne>>een> rijke mensch ziet?
  • D: als hij een rijke<+n> mensch ziet?

191;al.1;14-15

  • M2b: <hare>>haar> voorschoot. Ze fribbelt aan <hare>>haar> rok, en <hare>>haar> kop
  • D: haar voorschoot. Ze fribbelt aan haar rok <,>>.> <e>>E>n haar kop

191;al.1;17

  • M2b: langs hem heen <- weg en> de<-n> trap af,

191;al.1;19

  • M1a: met/niet [?] veel
  • M2a: <met/niet [?]>>met> veel
  • M2b: <met>>niet> veel

191;al.1;19

  • M2a: Welke zullen het zijn madam? Oeioei <+,>
  • D: Welke zullen het zijn <+,> madam? Oeioei <-,>

191;al.2;1

  • M2a: [+X] Ze heeft

191;al.2;2

  • D: <Petit Beurre>>Petit Beurre>

191;al.2;4

  • M2a: Een kwart kilo <+,> ja,

191;al.2;5

  • M2b: <haren>>haar> portemonnaie

191;al.2;5-6

  • M2a: Schrijf het alstublieft op <+,> ze woont daar en daar en hoeveel is het uffra?
  • D: Schrijf<+t> het alstublieft op, ze woont daar en daar en hoeveel is het <+,> uffra?

191;al.2;8

  • M2b: <kot>>hol>

191;al.2;9

  • M2a: <koekskens>>koekjes>

191;al.2;10

  • M2b: Hij is maar <- eens> eventjes

191;al.2;11

  • M2a: ja <+,>

191;al.2;15-16

  • M2a: Hij lacht en knikt <,>>.> <h>>H>ij <v>>w>rijft genoeg<+e>lijk
  • M2b: Hij lacht en knikt. Hij wrijft genoe<-e>lijk

192;al.1;1

  • M2b: <hem>>zich> niet <kan wachten>>wachten kan> <- van> naar zijn horloge te zien, <+ en> rond te zoeken

192;al.1;3

  • M2a: <+,> zegt hij.

192;al.1;5-6

  • M2b: Geluk dat <- om zoo te zeggen> tastbaar in de kamer hangt

192;al.1;6

  • M2b: <Ne>>Een> mist

192;al.1;8

  • M2b: heel ver<-re>,

192;al.1;9

  • M2b: ontroert haar <- het geluid, de trilling van zijn woorden laat de zenuwen van haar polsen en haar vingertoppen zinderen>.

192;al.2;1-2

  • M2a: <presies>>precies> naar het veld <+,> maar

192;al.2;4

  • D: <honderdvijftig>>honderd vijftig>

192;al.2;6-7

  • M1a: ergens een slordige vier vijf millioen moest ik nu hebben aan <vloeiend # vast> kapitaal, er vloeit te veel weg naar gebouwen en machienen, daghuren en al die dingens die het onderwege doen afbrokkelen.
  • M2b: ergens een slordige vier vijf millioen moest ik nu hebben <- aan vast kapitaal, er vloeit te veel naar gebouwen en machienen, daghuren en al die dingens die het onderwege doen afbrokkelen>.
  • D: <+,> ergens een slordige vier vijf millioen moest ik nu hebben.

192;al.3;1

  • D: grond <+,> zie,

192;al.3;5-6

  • D: Ze zijn alleen. <- Dus.>

192;al.3;6-7

  • M2a: over iets andes <- gaan> klappen.

192;al.3;8

  • M2b: vol van dat, <'tgeen>>wat> ze liefde noemen.
  • D: vol van dat <-,> wat ze liefde noemen.

192;al.3;9-10

  • M2a: en <- ze> knijpt in de<+n> rand van het tafelblad achter hare<+n> rug.
  • M2b: en knijpt in den rand van het tafelblad achter <haren>>haar> rug.

192;al.3;10

  • M2a: Ja <+,>

192;al.3;12

  • M2a: Ach <+,>

192;al.3;13

  • M2b: <ne>>een> stommerik

192;al.3;14

  • M2b: zijn<-e> rug

192;al.3;15-16

  • M1b: langs ne <- verlaten> weg
  • M2b: langs <ne>>een> weg

192;al.3;17

  • D: de ander<+e> plaats

192;al.3;18

  • M2a: lawij<d>>t>

192;al.3;19

  • M2a: <+ En> <E>>e>en moedersoog
  • M2b: <- En> <e>>E>en moedersoog

193;al.1;3

  • M2b: <opnieuw>>terug> open

193;al.1;4

  • M2b: nu weet ik er alles <af>>van>.

193;al.1;5

  • M2b: zoekt gauw <- naar> iemand anders

193;al.1;6

  • M1b: een bezwaar<t>>d> geweten

193;al.1;7-8

  • M2b: en dat maakt de kwestie nog veel moei<-e>lijker.
  • D: <+,> en dat maakt de kwestie nog veel moeilijker.

193;al.2;1

  • M2a: [X] Aan iemand
  • M2b: [-X] Aan iemand
  • D: [+X] Aan iemand

193;al.2;2

  • M2a: Maria zet <haar>>zich> neer op ne stoel,
  • M2b: Maria zet zich neer op <ne>>een> stoel,

193;al.2;3-4

  • M2b: van <- haren> Ingels, die nog altijd soldaat is, <- ne> vrijwilliger bij den troep.
  • D: van <+ haar> Ingels, die nog altijd soldaat is, vrijwilliger bij den troep.

193;al.2;5

  • M2b: <uwen>>uw> boterham

193;al.3;1

  • M2a: moei<-e>lijk

193;al.3;2

  • M2b: <dat>>wat> er nog staat is Bernardeken het hunne.
  • D: <wat>>dat> er nog staat is Bernardeken het <hunne>>zijne>.

193;al.3;3

  • D: En aan <hunne>>den> zijgevel

193;al.3;5-6

  • M2b: een bleeker plek <.>>,> <E>>e>n daar te midden heeft de schouw gestaan <,>>.> <h>>H>oe goed

193;al.4;1

  • M2a: [+X] Het is lijk ne mensch
  • M2b: [X] Het is lijk<ne>>een> mensch

193;al.4;2

  • D: <zedenloos>>onzedig>

193;al.4;3-4

  • M2a: waar menschen gewoond <+,> geleefd en geboren werden,
  • M2b: waar menschen gewoond, <geleefd>>geboren> en <geboren>>getogen> werden,
  • D: waar menschen gewoond <+ hebben>, <+ waar ze> geboren en getogen werden,

193;al.4;7-8

  • M1a: hebben ze al affichen geplakt van de <s#c>inema en van een openbare veiling.
  • M2b: hebben ze <al>>reeds> affichen geplakt van de cinema en <- van> een openbare veiling.

193;al.4;9

  • M2b: dat <Paula>>Jean> met <Jozef>>Molleken> vrijt.

193;al.4;10

  • M2a: het hunne<+n>
  • M2b: het hunne<-n>

193;al.4;10-11

  • D: witkalk. [-X] En juist daar

193;al.4;11

  • M2b: bijeen <- staan>

193;al.4;12

  • M2b: <ne>>een> nest kinderen

193;al.4;13

  • M2b: <haren>>haar> man

193;al.4;13-14

  • M2b: en <- u wel> zeggen

193;al.5;1-2

  • M2b: <ne>>een> speciale ingang
  • D: een speciale<+n> ingang

194;al.1;1

  • M2b: hun<-nen> hoek

194;al.1;2

  • M2b: de mislukte schoolmeester <.>>!>

194;al.1;2-3

  • D: met den oorlog <+,> Jean?

194;al.1;3

  • M2b: hun<-nen> spot

194;al.1;5-6

  • M1b: snappen zullen <,>>.> <e>>E>n hij peinst dat het allen schoolkinderen zijn,
  • M2b: snappen zullen. <- En> <h>>H>ij peinst dat het <- allen> schoolkinderen zijn,

194;al.1;7

  • M2a: <+,> zegt hij,

194;al.1;8-9

  • D: den eene<-n> wit en den andere<-n> zwart

194;al.1;13

  • M2b: zoodat hij <hem>>zich>

194;al.1;15-16

  • M2b: dat er <gaan>>zullen> dagen komen
  • D: dat er <- zullen> dagen <+ zullen> komen

194;al.1;17

  • M2a: <s>>c>enten

194;al.1;17-18

  • M2a: Dat ze zullen honger hebben, opengereten door granaten en verstikt door <gaz>>gas>.
  • D: Dat ze zullen honger hebben, <+ dat ze> opengereten <+ zullen zijn> door granaten en verstikt door gas.

194;al.1;19

  • M2a: wat stelde gij u nu voor <!>>?>
  • M2b: wat <stelde>>stelt> gij u nu voor?

194;al.1;20

  • M1a: Stommerikken roept hij. Ja
  • M2a: Stommerik<-k>en <+,> roept hij. Ja
  • D: Stommerik<+k>en, roept hij. Ja <+,>
  • VW: Stommerik[-k]en, roept hij. Ja,

194;al.1;20-21

  • M2b: nu is het hij die een ander <ne>>een> stommerik vindt. Zoo is iedereen <- ne> stommerik
  • D: nu is <het hij>>hij het> die een ander <- een> stommerik vindt. Zoo is iedereen stommerik

194;al.1;22

  • M2a: En het ergste van al <+,> zegt Jean, dat ge niet
  • D: En het ergste van al, zegt Jean, <+ is> dat ge niet

194;al.1;24

  • M2a: geen boeken <+,> geen kunst

194;al.1;25

  • M2b: de<+n> simpele<+n> werkman

194;al.1;25-27

  • M1b: Watte! dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [X] Er zit eenen op zijnen hu<+r>k tegen den muur
  • M2a: Watte <!>>,> dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [X] Er zit eenen op zijnen hurk tegen den muur <+,>
  • M2b: Watte, dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [X] Er zit een<-en> op zijn<-en> hurk tegen den muur,
  • D: Watte, dat ge zelfs niet meer zult mogen trouwen met wie ge wilt. [-X] Er zit <+ er> een op zijn hurk<+en> tegen den muur,

194;al.1;27

  • D: <- zoo> hard
  • VW: [+ zoo] hard

194;al.2;1

  • D: Laat ons gerust <+,> zulle!

194;al.2;1-2

  • M2b: dat <die>>Ingels> zijn wijf <- weer> een kind moet hebben, klapt hen daar over. <Maar>>Want>
  • D: dat Ingels zijn wijf een kind moet hebben, klapt <hen>>hun> daar over. Want

194;al.2;3

  • M1a: ne <s#c>itroen
  • M2b: <ne>>een> citroen

194;al.2;4

  • M2a: veranderen <+,> man.

194;al.2;5

  • M2a: uwe<+n> kop tegen de muur
  • M2b: uw<-en> kop tegen de<+n> muur

194;al.2;6-7

  • M2b: wijsmaken <.>>...> Hij blijft staan in het veld en schopt op <ne>>een> steen.

194;al.2;8

  • M2a: gotver <+,>

195;al.1;1

  • M2a: [+X] Een tijdeken nadien

195;al.1;1

  • M2b: zijn<-en> kop

195;al.1;1

  • M2a: <nóg>>nog>

195;al.1;2

  • M2b: de<-n> trap

195;al.2;2

  • M2a: vragen <hen>>zich> af

195;al.2;4-5

  • M2b: hij altijd in handen heeft <.>>,> <W>>w>ant geloof<-t> me vrij, zegt deze<-n> die op zijn<-en> hurk zit, geloof<-t> me vrij dat het een geleerden bol is.
  • D: <+ als> hij altijd in handen heeft, want geloof me vrij, zegt deze die op zijn hurk zit, geloof me vrij dat het een geleerde<-n> bol is.

195;al.2;5-6

  • M2a: Hij <+ heeft> zelfs nen boek geschreven en dat kan den eersten den besten niet.
  • M2b: Hij heeft zelfs <nen>>een> boek geschreven en dat kan de<-n> eerste<-n> de<-n> beste<-n> niet.

195;al.2;7

  • M2a: dat <menschen>>deze> die

195;al.2;10

  • M2a: een geheimzinnige<+n> klank

195;al.2;11

  • M2b: geen<-e> spioen

195;al.3;4

  • M2a: <+,> zegt de weef,

195;al.3;5

  • M2b: van haar ras is, aan <ne>>een> rijke<+n> mensch,
  • D: van haar <ras>>soort> is, aan een rijken mensch,

195;al.3;6-7

  • M2a: Hi zet <hem>>zich> neven de stoof met zijne stoel achterover
  • M2b: Hij zet zich neven de stoof met zijn<-e> stoel achterover

195;al.3;10

  • M2b: <dien>>dat> boek

195;al.3;10

  • M2b: dingen<-s>

195;al.3;11

  • M2a: En gij <+,> zegt ze <+,>

195;al.3;12

  • M2b: <ne>>een> jongen

195;al.3;13

  • M1a: heeft geweest
  • M2b: {heeft/is} geweest
  • D: <{heeft/is}>>is> geweest <+,>

195;al.3;15

  • M2b: zijn<-e> stoel

195;al.3;16-18

  • M2a: daar zit zij<+n> altijd op. Aan diene pompbak heeft ze <haar>>zich> vanmorgen gewasschen,
  • M2b: daar zit zij<-n> altijd op. Aan dien<-e> pompbak heeft <ze>>zij> zich vanmorgen gewasschen,

195;al.3;19

  • M2a: En op de schouw ligt een portretjen uit <ne>>een> kodak.
  • M2b: <- En> <o>>O>p de schouw ligt een portretje<-n> uit een kodak.

195;al.3;20-21

  • M2a: ach ja <+,> maar zijn vingeren en zijn oogen streelen het lijk <nen>>een> heiligdom.
  • D: ach ja, maar zijn <vingeren>>vingers> en zijn oogen streelen het lijk een heiligdom.

195;al.3;22

  • D: <+,> zoo hevig

195;al.3;23

  • M1b: naar iemand anders, uw hert zoo verte<-e>ren
  • M2b: naar iemand anders <-,> uw hert zoo verteren

196;al.1;1

  • M2b: <de>>een> wereld

196;al.1;2

  • M2b: <- toch> verteld wordt

196;al.1;5-6

  • D: <uw haren en uw oogen, wat een diepe,diepe logen. Uw mond gesloten en duister is een tuin vol droeven luister.>>uw haren en uw oogen, wat een diepe,diepe logen. Uw mond gesloten en duister is een tuin vol droeven luister.>

196;al.1;11

  • M2a: <+,> zegt hij.

196;al.1;12-13

  • M2b: waarom <vraagde>>vraagt ge> het

196;al.1;13-14

  • M2b: En met denzelfden moment glijdt <de>>haar> lach weer weg,
  • D: En <met>>op> <denzelfden>>hetzelfde> moment glijdt haar lach weer weg,

196;al.1;14-15

  • M2b: Ze peinst op den anderen. En weet <ne>>een> mensch
  • D: Ze peinst op den andere<-n>. En weet een mensch

196;al.2;2

  • M2a: <+,> en ze gaat

196;al.2;3

  • M2a: Toe kom <+,>

196;al.2;4

  • M2b: <den>>het> boek <die>>dat>

196;al.2;5

  • M2a: Daar is het <+,> <- zie> zegt ze. Neen het is dat niet
  • D: Daar is het, zegt ze. Neen <+,> het is dat niet <+,>

196;al.2;5

  • M2b: hij bladert verder <- waar het niet meer steekt>.

196;al.2;6

  • M2a: Ja <+,>

196;al.2;7

  • M2a: <+,> zegt ze,

196;al.2;8

  • M2b: <haren>>haar> ouden kop

196;al.2;8

  • D: dan toch allemaal <.>>!>

196;al.2;10

  • M2a: [-X] Ik wil het leven zien <+,> zegt hij, <- zonder de oude te bezien,> met zijn gezicht

196;al.2;12

  • M2a: <weg kan>>wegkan>

196;al.3;1

  • M2a: [+X] Soms botst hij

196;al.3;3

  • M1b: iets heel inter<-r>essant
  • D: iets heel interessant<+s>

196;al.3;3

  • M2a: Ja <+,>

196;al.3;4-5

  • M2b: En Jean kijkt ook eens <,>>.> <e>>E>r is ginder niets te zien <.>>,> <D>>d>e straat

197;al.1;2-3

  • M1b: ne verloopene, ne paria, <ne>>een> bolsjevist.
  • M2b: <ne>>een> verloopene, <ne>>een> paria, een <bolsjevist>>anarchist>.

197;al.1;3

  • M2a: Ontploft <+,> zegt Jean.
  • D: Ontplof<-t>, zegt Jean.

197;al.1;4

  • D: die<+n> daar aan de vitrien. Een<-e> die sigaarkens

197;al.1;5

  • M2b: stoef<-f>en

197;al.1;6-7

  • M2b: maand <.>>,> <N>>n>u heb ik nog

197;al.1;7-8

  • D: Er zijn <+ er> daar

197;al.1;9

  • M2b: tusschen hun boterham<-men>

197;al.1;10

  • D: met gaten <+ er> in,

197;al.1;10-11

  • M2b: versleten <.>>,> <M>>m>aar

197;al.1;11-12

  • M2b: <ne>>een> schoone kol
  • D: een schoone <kol>>col>

197;al.2;1

  • M2a: Die van den luien hoek achter <+ hem> <+,> roepen

197;al.2;1

  • D: <betaalde>>betaalt ge>

197;al.2;2

  • M2a: <prentensie>>pretentie>

197;al.2;5

  • M2b: <nen>>een> boog

197;al.2;6

  • M2b: draait <- er> een luxe-voituur

197;al.2;6-7

  • D: En er roept <+ er> een<-e>:

197;al.2;8

  • D: loopen <.>>!>

197;al.2;8-9

  • M2a: Hij keert <hem>>zich> om en beziet hen met zijne<+n> mond open.
  • M2b: Hij keert zich om en beziet hen met zijn<-en> mond open.

197;al.2;10

  • D: <- den> droomer die hij is.

197;al.3;1

  • M2b: zjn<-en> auto

197;al.2;3

  • D: een ander<+e> mogelijkheid

197;al.3;5

  • M2a: ze neme<l>>n>

197;al.3;9

  • M2b: en het zijn niet de <vingeren>>vingers>
  • D: <+,> en het zijn niet de vingers

197;al.3;11-12

  • M2a: <ne>>een> man

198;al.1;2

  • M2a: zijne<+n> kop. Bonjour <+,> zegt Mark,
  • M2b: zijn<-en> kop. Bonjour, zegt Mark,

198;al.1;5-6

  • M2a: en waar <er>>de> straten moeten komen.
  • D: <+,> en waar de straten moeten komen.

198;al.1;8

  • D: een roode<+n>

198;al.1;9

  • M2a: <hem>>zich>

198;al.1;10

  • M2b: Zoo <.>>!>

198;al.1;13-14

  • M2b: motregen <.>>,> <Ze>>men> <knabbelen>>knabbelt> aan de randen, de gravers en de bouwers <,>>;> de kinderen spelen er, <- en> de groote menschen
  • D: motregen, <men>>ze> <knabbelt>>knabbelen> aan de randen, de gravers en de bouwers; de kinderen spelen er, de groote menschen

198;al.1;17

  • D: Durwez' <+!> die
  • VW: Durwez' [-!] die

198;al.1;18

  • M2b: maar weinigen <- hen eens> gezien hebben.

198;al.2;1

  • D: Op een morgen<-d>

198;al.2;2

  • M2b: het eenig<-ste> leven

198;al.2;3

  • M2a: [+X] Hij loopt verder
  • D: [-X] Hij loopt verder

198;al.2;5

  • D: pardon <+,>

198;al.3;2

  • M2b: <ne>>een> riem over zijn schouder
  • D: <een>>den> riem over zijn schouder <+,>

198;al.3;4

  • M2b: met <ne>>een> vermoeiden stap

198;al.3;6

  • M2a: maar <-:> <B>>b>ah, zegt hij

198;al.3;7

  • D: Hij <heeft>>is> <al>>heel> zijn leven rijk geweest,

198;al.3;7-8

  • M2a: <- en> zijn grootouders.
  • M2b: <+ en> zijn grootouders.

199;al.1;1

  • M2a: Dien overvloed maakte hem <- wee> moedeloos
  • D: Die<-n> overvloed maakte hem moedeloos

199;al.1;2

  • M2a: scheidde uit van te bege<+e>ren
  • M2b: scheidde uit <van te>>met> begeeren

199;al.1;3-4

  • M2a: Hij werd<-t> eenzaam en in zijn zelven gekeerd, want de dingens rondom hem waren de moeite niet om te bezien.
  • M2b: Hij werd eenzaam en in zijn zelven gekeerd <-,want de dingens rondom hem waren de moeite niet om te bezien>.

199;al.;6-7

  • M2b: Er liet <- hem> zelfs een nonkel een steenkolenmijn <+ na> in de Walen.

199;al.1;8-9

  • M1b: denzelfde<+n> zetel

199;al.1;9

  • M2b: te <zien>>kijken>

199;al.1;9-10

  • D: <zien groeien kon>>kon zien groeien>.

199;al.1;10

  • M2a: <Oftewel>>Owel> liep hij met nen vermoeiden stap
  • M2b: Ofwel liep hij met <nen>>een> vermoeiden stap

199;al.1;13

  • M2b: <Maar>>En> in der haast

199;al.1;13-14

  • M2a: dat <alleén>>alleen> opgroeide, tot een mager <+,> leeli<+j>k meisken met een veel te dunne<+n> hals
  • M2b: dat alleen opgroeide <-,> tot een mager, leelijk meisken met een veel te dunnen hals

199;al.1;17-18

  • M2a: eksplikeert <hem>>zich>:
  • M2b: <eksplikeert>>explikeert> zich:

199;al.1;18

  • M2b: dingen<-s>

199;al.1;20

  • M2a: ekskuseert <hem>>zich>.
  • M2b: <ekskuseert>>excuseert> <zich>>hem>.

199;al.1;20

  • D: <het>>de> lederfabriek

199;al.1;22-23

  • M2a: aan ne knop van zijne pardessus: <H>>h>ij heeft zijne papa heel goed gekend,
  • M2b: aan <ne>>een> knop van zijn<-e> pardessus: hij heeft zijn<-e> papa heel goed gekend,

199;al.1;24

  • M2b: en de dood <.>>,> <W>>w>ant
  • D: en de<+n> dood, want

199;al.1;25-26

  • M2a: ons Hilda<+t> heeft geern wat bezoek. Het meisje
  • M2b: ons Hilda<-t> heeft geern wat bezoek <.>>,> <H>>h>et meisje
  • D: ons Hilda heeft geern<+e> wat bezoek, het meisje

199;al.1;27

  • M2a: <presies>>precies>

199;al.1;27-28

  • D: buiten<+s>huis

199;al.1;28

  • D: Hild<a>>e>
  • VW: Hild[e]]a]

199;al.1;29

  • M2a: <+,> ontworpen door

199;al.1;32

  • M2a: Hare<+n> mond
  • M2b: <Haren>>Haar> mond

199;al.1;34

  • M1b: de<+n> simpelsten werkman
  • D: de<-n> simpelste<-n> werkman

200;al.1;1-2

  • M1b: pakken ze <+ hun> alaamzakken op: En is er nog iets uffra Hilda?
  • D: pakken ze hun alaamzakken op: En is er nog iets <+,> uffra Hilda?

200;al.1;4-5

  • D: op <een>>den> dag dat de regen in stroomen <neerbruischt>>neer-bruist>.

200;al.1;6

  • M2a: <ne>>een> knecht

200;al.1;7

  • D: dingen<-s>

200;al.2;1

  • M2a: <gedrieên>>gedrieën>

200;al.2;3-4

  • M2b: Hij staart naar zijn<-e> roemer en strijkt gedachtenloos met zijn<-e> vinger

200;al.2-al.3;5-1

  • M2a: van den os op den ezel <,>>.> [+X] <m>>M>aar eigenlijk

200;al.3;1

  • M2a: zoekt ze <waarmee>>waar mee> ze hem kan kwetsen
  • M2b: zoekt ze waar <- mee> ze hem kan kwetsen

200;al.3;2

  • M2b: Mark voelt <dat>>het> niet.

200;al.3;2

  • M2a: Er ligt <- een> nieuwe<+n> fransche<+n> roman
  • M2b: Er ligt <+ een> nieuwen franschen roman
  • D: Er ligt een nieuwe<-n> fransche<-n> roman

200;al.3;3-4

  • M2b: zijn<-e> mond niet open <.>>,> <E>>e>n er begint

200;al.3;4

  • M2a: ge<-e>le oogen

200;al.3;6

  • M2a: <accoord>>akkoord>

200;al.3;7-8

  • M2a: <- alsof hij ievers een zeldzaam insekt is,> alsof hij iets aan hem heeft dat misselijk om zien is,
  • D: alsof hij iets aan hem heeft dat misselijk om <+ te> zien is,

200;al.3;10-11

  • M2a: vraagt ze botweg <+,> juist lijk den eersten den besten boer.
  • D: <+,> vraagt ze botweg, juist lijk de<-n> eerste<-n> de<-n> beste<-n> boer.

200;al.3;13

  • M2b: <hem>>zich>

200;al.3;14

  • M2a: van zijn fabriek <+,>

200;al.3;15

  • M2a: toet<-t>er

200;al.3;15-16

  • M2b: <- En> <z>>Z>e trommelt met haar magere stokken van <vingeren>> vingers> op de<+n> tafelrand<-en>.

200;al.3;18

  • D: ho<+o>nend

200;al.3;20

  • M2a: Ach <+,> ach,

200;al.3;21-22

  • M2a: hij weegt hun waarde grond <+,> bouwterreinen, mijnen <+,> invloed en fransche romans.
  • D: hij weegt hun waarde <+:> grond, bouwterreinen, mijnen, invloed en <f>>F>ransche romans.

200;al.3;23

  • M2a: <+,> mijnheer

200-201;al.3-al.1;25-1

  • M2a: <+,> jongen.

201;al.1;3

  • M2b: met levende lijken <- gaan> spreken <.>>?>

201;al.1;5-6

  • M2a: En hij wendt <nors>>norsch> zijne<+n> kop af, hij stapt grimmig door, nu kent hij haar. Nu weet zij wie ze zijn, de Durwez'.
  • M2b: En hij wendt norsch zijn<-en> kop af, hij stapt grimmig door <,>>.> <n>>N>u kent hij haar <.>>,> <N>>n>u weet hij wie ze zijn, de Durwez'.

201;al.1,6

  • M2b: open<-en> vijand

201;al.2;2

  • M2b: <ne>>een> zetel

201;al.2;3-4

  • M2a: onder haar oogen <+,> waar het <presies>>precies> wat nat geworden was.
  • D: onder haar oogen, waar het precies wat nat geworden <was>>is>.

201;al.3;1

  • M2b: tracht<+te>

201;al.3;6

  • D: <f>>F>ransche romans

201;al.3;7

  • M2b: Een onnoozel<-en> boek

201;al.3;8

  • D: met een spiegelruit <+ er> voor.

201;al.3;10

  • M1b: zijne<+n> pupiter
  • M2b: zijn<-en> pupiter

201;al.3;11-12

  • D: <daarmee>>daarvoor> hoort hij het tikken der <schrijfmachienen>> schrijfmachines>
  • VW: [daarvoor]]daarmee] hoort hij het tikken der schrijfmachines

201;al.3;14-15

  • M2b: Wat <?>>,> <I>>i>s dat niet iets de moeite waard
  • D: Wat, is dat niet <- iets> de moeite waard

201;al.3;15-16

  • D: Romans, jachthonden <,>>...> prullen zijn dat.

201;al.3;16-17

  • M2b: aan zijn hert <,>>.> <d>>D>e commande

201;al.3;18-19

  • M2a: de employé<-e>s

201;al.3;20-21

  • M2a: en buiten <+,> zuchten ze

201;al.3;21

  • M2a: Er legt eene zijn<+en> elleboog
  • M2b: Er legt eene zijn<-en> elleboog
  • D: Er legt <+ er> een<-e> zijn elleboog

201;al.3;23

  • M2a: zijn<+en> neus
  • M2b: zijn<-en> neus

201;al.3;24

  • M2a: Hij is weg <+,> den brombeer, godzijgeloofd. [-X] De brombeer
  • M2b: Hij is weg, de<-n> brombeer, godzijgeloofd. De brombeer

202;al.1;1

  • M2b: aan den blok en loopt de<-n> trap op.
  • D: aan <den>>het> blok en loopt de trap op.

202;al.1;3

  • M1b: ne mens<+ch>
  • M2b: <ne>>een> mensch

202;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij rijdt

202;al.2;2

  • M2a: bedaar<d>>t>

202;al.2;4

  • M2b: <Hebde>>Hebt> gij samen niet op school geweest?
  • D: <Hebt>>Zijt> gij samen niet op school geweest?

202;al.2;4

  • M2a: Ja <+,>

202;al.2;6

  • M2b: herinner ik mij niets <af>>van> <+,> zegt hij.

202;al.2;6-7

  • M2a: zijn boek <+:> de vlakte van Orion.

202;al.2;8

  • M2a: pas toch op Elie <+,> wat ge zegt,
  • D: pas toch op <+,> Elie, wat ge zegt,

202;al.2;10

  • M2b: <den>>het> boek

202;al.2;14

  • D: <aanneemt>>inneemt>

202;al.2;16

  • M2a: En apropos <+,> zegt hij,

202;al.2;17

  • M2a: <intertransport-compagnie>>intertransportcompagnie>

202;al.2;18

  • M2a: <+,> simpel meisje

202;al.2;20

  • M2a: blinken<-d>, satiné<-e> <+,> enfin.
  • M2b: blinken<+d>, satiné, enfin.

202;al.2;22

  • M2a: jaja <+,>

202;al.2;23-24

  • M2a: der revolutionaire partij, <hún>>hun> drukpers zal het uitgeven <+,>
  • M2b: <der>>eener> <revolutionaire>>nieuwe> partij, hun drukpers zal het uitgeven,

202;al.2;28

  • M2b: <- gaan> oprapen

202-203;al.2-al.1;33-1

  • M2a: tot op den <allee>>allée>, ze staan boven aan den trap.
  • M2b: tot op de<-n> allée, ze staan boven aan de<-n> trap.

203;al.1;1

  • M2b: aan zijn overjas <-, ne loden>.

203;al.1;2-3

  • M2b: maar ze kan <- het> niet.

203;al.1;3-4

  • D: zacht<+s> en roerend<+s>.

203;al.1;5

  • M2b: <Een>>Eén> woord maar <-,> dat het dik<-ke> gordijn

203;al.1;5-6

  • D: tusschen he<m>>n> en haar zal <wegscheuren>>verscheuren> <+,>
  • VW: tusschen he[n]]m] en haar zal verscheuren,

203;al.1;6-7

  • M2a: blijven hooren <.>>,> <I>>i>ets van vroeger <-,> toen

203;al.1;7-8

  • M2a: Ja <+,> zooiets,
  • D: Ja, zooiets <-,>

203;al.1;8-9

  • M2a: zwaar <,>>.> <h>>H>et tocht in dien openen gang
  • M2b: zwaar. Het tocht in dien open<-en> gang
  • D: zwaar. Het tocht in die<-n> open gang

203;al.1;10

  • M2b: komt <- naar> buiten.

203;al.1;11

  • M2a: <schreiën>>schreien> en <schreiën>>schreien>

203;al.1;14

  • M2b: aan dien pardessus <- staan> trekken

203;al.1;15-16

  • M2a: bij ne knop vasthouden, vraagt ze <haar>>zich> af.
  • M2b: bij <ne>>een> knop vasthouden, vraagt ze zich af.

203;al.1;17

  • M2a: weiger me dat niet <!>>.>

203;al.1;17

  • D: <wimpers>>wenkbrauwen>

203;al.1;18

  • M2b: half spottend <,>>:>

203;al.1;18

  • M2a: maar enfin <+,> <cherie>>chérie> <+,>

203;al.1;19

  • M2b: kan het niet <.>>,> <E>>e>r komen

203;al.1;20

  • M2b: hij zal hen <- eens> in <het>>de> fabriek verwittigen.

203;al.1;24

  • M2b: zij herinnert <- er> hem <- aan> dat vanmorgen

203;al.1;25

  • D: werd<-t>

203;al.2;2-3

  • M2a: een mageren <+,> doorgebogen man

203;al.3;1

  • M2a: [+X] Mark stopt ineens

203;al.3;2-3

  • M2a: <+,> en geen een der drie die er aan denkt <hém>>hem> te vragen
  • M2b: , en geen <- een> der drie <die>>welke> er aan denkt <- hem> te vragen
  • D: , en geen <+ een> der drie welke er aan denkt te vragen

203;al.3;4-5

  • M2b: En Elie beziet hem verwonderd. Zou hij nu dien<-e> grond ook <- al> gekocht hebben?
  • D: En Elie beziet hem verwonderd <.>>:><Z>>z>ou hij nu dien grond ook gekocht hebben?

203;al.3;6

  • D: <- en> langs dezen kant

203;al.3;7

  • M2b: <ne>>een> café

203;al.3;8

  • D: <De>>Het> café

203;al.3;8

  • M2a: <i>>I>n de nieuwe gas
  • D: <In de nieuwe gas>>In de nieuwe gas>

204;al.1;1-2

  • M2a: in de groote oude gasfabriek en <saterdaagsavends>>'s zaterdaagsavends>
  • D: in de <- groote> oude gasfabriek en <'s zaterdaagsavends>>'s Zaterdagsavends>

204;al.1;2

  • D: <de nieuwe gas>>de nieuwe gas>

204;al.1;2-3

  • M2a: Maar ze zeggen dat er ook veel schippers binnenvallen <.>>,> <E>>e>n
  • D: <- Maar> <z>>Z>e zeggen dat er ook veel schippers binnenvallen, en

204;al.1;3-4

  • M2a: een serveuse. Enfin <+,> waar we niets méér zulen <overzeggen>>over zeggen>.
  • D: een serveuse <.>>,><E>>e>nfin, waar we niets méér <zullen over>> over zullen> zeggen.

204;al.2;2

  • M2b: waar <- er> <ne>>een> man <+,>

204;al.2;5-6

  • M2b: Wat <- er> eenmaal gebeurd is <- dat> gebeurd geen tweede maal.
  • D: Wat eenmaal gebeurd is gebeur<d>>t> geen tweede maal.

204;al.2;9-10

  • M2a: twee <+,> drie verdiepen

204;al.2;12

  • M2a: <poêzie>>poëzie>

204;al.2;13

  • D: het oorverdoovend<-e> lawaai. In ieder<+e> plaats

204;al.2;14

  • M2b: <ne>>een> meestergast

204;al.2;16

  • M2a: Iedereen denkt <+ dat> hij ne mensch
  • M2b: Iedereen denkt dat hij <ne>>een> mensch

204;al.3;1

  • M2a: <vóor>>voor> iemand uit hunnen blok.
  • M2b: voor iemand uit hun<-nen> blok.

204;al.3;3

  • M2a: ne versleten overal<+l>
  • M2b: <ne>>een> versleten overall

204;al.3;3

  • M2b: zonder klep <+,>
  • D: zonder kle<p>>m><-,>
  • VW: zonder kle[m]]p]

204;al.3;4

  • M2a: Dag Elie <+,> zegt hij,

204;al.3;6-7

  • M2b: een zucht, die ze misschien voor vanavend <+,> als ze alleen in bed zal zijn <+,> wou bewaren.
  • D: een zucht, <die>>een dien> ze misschien voor vanavend, als ze alleen in bed zal zijn, wou bewaren.

204;al.3;7-8

  • M2a: Ze loopt altijd rechtdoor lijk een machien <+,> hulpeloos en terneergeslagen.
  • M2b: Ze loopt altijd rechtdoor <- lijk een machien>, hulpeloos en terneergeslagen.
  • D: Ze loopt altijd rechtdoor <-,> hulpeloos en terneergeslagen.
  • VW: Ze loopt altijd rechtdoor [+, ] hulpeloos en terneergeslagen.

204;al.3;8-9

  • M2a: Haar voeten <gaat>>gaan> altijd voort, de<+n> een<+en> voor de<+n> andere<+n>.
  • M2b: Haar voeten gaan altijd voort, de<-n> eene<-n> voor den andere<-n>.

204;al.3;9

  • M2a: <+,> zegt Mark.

204;al.3;10

  • M2a: <+,> zegt ze.

204;al.3;11

  • D: <+,> vraagt hij.

204;al.3;12

  • M2a: hare<+n> kop
  • M2b: <haren>>haar> kop

204;al.3;13

  • M2a: Ja <+,> en zeg dat nu aan ne mensch!
  • M2b: Ja, en zeg dat nu aan <ne>>een> mensch!


    [terug]