Hoofdstuk  II
___________________________
legenda/ [ I ][ II ] [ III ] [ IV ] [ V ]            [terug]

 

 

205;al.1;1

  • M2b: <Ne>>Een> vroege<+n> kille<+n> morgen<-d>

205;al.1;2

  • M2b: den andere<-n>

205;al.1;5

  • D: <Ze hebben>>Men is> er dezen nacht verscheidene<+n>

205;al.1;6

  • M2a: <+,> zegt er eene
  • D: , zegt er een<-e>

205;al.1;7

  • M2a: <hém>>hem>

205;al.1;8

  • M2a: in de<+n> nacht

205;al.1;8

  • D: <bijvallen>>bij vallen>

205;al.1;9

  • M2b: <ne>>een> lach

205;al.1;10

  • D: En <denzelfden>>hetzelfde> moment

205;al.1;11-12

  • M2b: <hare>>haar> man niet, dien<-en> pronten soldaat
  • D: haar man niet, die<-n> pronte<-n> soldaat

205;al.1;12

  • D: zeker<-s>

205;al.1;13

  • D: ook binnen <+,> Ingels?

205;al.1;13-14

  • M2b: Wat kunt ge anders <- doen> dan nekeer glimlachen,
  • D: Wat kunt ge anders dan <nekeer>>eens> glimlachen,

205;al.1;14-15

  • M2b: die het <- groote> wonder van de dood ondergaan,
  • D: die het wonder van de<+n> dood ondergaan,

205;al.1;17

  • D: een simpele<-n> soldaat

205;al.1;18-19

  • D: <- gaan> bewaken.

205;al.2

  • M2a: [+X] Haha,

205;al.2;6

  • M2a: zeker <+,> zeker, de kleine Albrik,
  • D: zeker, zeker, <- de> kleine Albrik,

205;al.2;7

  • M2b: de<-n> trap

205;al.2;8

  • M2a: weer <zóo>>zóó>. Serieus <,>>!> tatata.
  • D: weer <zóó>>zoo>. Serieus! tatata.

205;al.2;9

  • M2a: <+,> die ginder

205;al.2;11

  • M2b: Ze zit bij Elie binnen<-gekropen>.

205;al.2;12

  • M2a: <+,> mensch?

206;al.1;1

  • M2b: <haren>>haar> schoot

206;al.1;2-3

  • M2a: het hangt achterover gekamd <+,> en ge ziet er vettige stre<-e>pen tusschen liggen.
  • D: het hangt achterover gekamd, <en ge ziet er vettige strepen tusschen liggen>>met vettige strepen er tusschen>.

206;al.1;3-4

  • M2a: <+,> is ze. Ja <+,> vroeger poepte ze <haar>>zich> op,
  • M2b: , is ze. Ja, vroeger <poepte>>popte> ze zich op,

206;al.1;4-5

  • M2a: schilderijken <.>>,> <E>>e>n iedere mansmensch

206;al.1;8

  • M2a: willens <+,> nillens.

206;al.1;8-9

  • M2a: Eigenlijk bedoelde zij daar <- misschien> geen slecht mee.

206;al.1;11

  • M2a: gehad<-t>

206;al.1;13

  • M2a: <sanderdaagsch>>'s anderendaags>

206;al.1;14

  • M2a: Ja <+,> en dan had<-t> ze die natuurlijk lief. Ach <+,>
  • D: Ja, en dan had ze die<+n> natuurlijk lief. Ach,

206;al.1;15

  • M2b: met trouwen <.>>,> <Z>>z>ulke meisjes

206;al.1;16-17

  • D: zitten <.>>,> <D>>d>ie weten

206;al.1;17-18

  • M2a: niets op zijn plaat<+s>, vuil en rommel. Dedju <+,>

206;al.1;19-20

  • D: geen enkele<-n> knop

206;al.1;22

  • M2a: <laat>>zet> hij <hem>>zich> neer op ne stoel. Gotver<+,>gotver<+,>
  • M2b: zet hij zich neer op <ne>>een> stoel. Gotver, gotver,

206;al.1;24

  • D: <Jamaar,>>Ja, maar>

206;al.1;28

  • D: zoent het nat weg < . >> , > <D>>d>an is het kermis.

206;al.1;29-31

  • M1a: Den dag nadien zij hij haar staan klappen bij een mansmensch. Poep u zoo niet op, schreeuwt hij in een blinde jalouzie ./, [?] Elie van hierover
  • M2a: Den dag nadien <zij>>ziet> hij haar staan klappen bij een mansmensch. Poep u zoo niet op, schreeuwt hij in een blinde jalou<z>>s>ie <./, [?]>>.> [+X] Elie van hierover
  • M2b: Den dag nadien ziet hij haar staan klappen bij een mansmensch. <Poep>>Pop> u zoo niet op, schreeuwt hij in een blinde jalousie <.>>,> Elie van hierover [-X]
  • D: Den dag nadien ziet hij haar staan klappen bij een mansmensch. Pop u niet zoo op, schreeuwt hij in een blinde jalousie <,>>.> [+X] Elie van hierover
  • VW: den dag nadien ziet hij haar staan klappen bij een mansmensch. Pop u niet zoo op, schreeuwt hij in een blinde jalousie [ . ]], ] [-X] Elie van hierover

206;al.1;32-33

  • M2a: het hangt met brokken rond hare<+n> kop.
  • M2b: het hangt met <brokken>>slierten> rond <haren>>haar> kop.

206;al.1;34

  • M2b: <felder>>feller>

206;al.1;36

  • M2a: En toch heeft ze beste bedoelingen <+,> want zie,
  • D: <- En> <t>>T>och heeft ze beste bedoelingen, want zie,

206;al.1;37

  • M2a: een<+s> grondig kuischen.

207;al.1;1

  • M2b: de<-n> allée

207;al.1;2

  • D: ander<+e> wijven

207;al.1;4

  • M2b: Over ander dingen<-s>
  • D: Over ander<+e> dingen

207;al.1;5-7

  • D: en op de kast <- staat> een Mariabeeldeken met waarempel echte versche blommekens <+er>voor.

207;al.1;8

  • M2b: de<-n> trap

207;al.1;8-9

  • M2a: Het is bij <ons>>onzen> <+,> Ingels,
  • M2b: Het is bij <onzen>>ons>, Ingels,

207;al.1;9

  • M2b: Uw<-en> brief

207;al.1;10

  • M2b: al dat water <.>>?>

207;al.1;11

  • M2b: zijn<-en> hals

207;al.1;13

  • M2b: hun eerste<-n>

207;al.1;15

  • D: <moeten de anderen>>moet iedereen> het nu weten?

207;al.1;18-19

  • M2a: en schreit ook nog heviger, Ingels overdonder<d>>t> hen
  • D: en schreit <- ook> nog heviger, Ingels overdondert hen

207;al.1;21

  • M2a: ne kazernekoer <!>>.>
  • M2b: <ne>>een> kazernekoer.
  • D: een kazernekoer <.>>!>

207;al.2;3

  • M2a: <+,> zoodat

207;al.2;4

  • D: noodzakelijkst<+e>

207;al.2;5

  • M2a: En ik ben weg <+,> zegt hij.

207;al.2;10

  • M2a: nooit over hare<+n> mond
  • M2b: nooit over <haren>>haar> mond
  • D: nooit <over>>uit> haar mond

207;al.2;11-12

  • M2a: <+,> zit boven op den trap
  • M2b: , zit boven op de<-n> trap

207;al.2;13

  • M2a: <+,> zegt Maria,

207;al.2;14

  • M2b: de<-n> trap

207;al.2;15

  • M1b: ze weten <+ het> rap als ge hen beklaagd. Ja zegt ze
  • M2a: ze weten het rap als ge hen beklaag<d>>t>. Ja <+,> zegt ze <+,>

207;al.2;16

  • M2b: naar mijn kamerkens <-,> mijn patatten schillen,

208;al.1;2-3

  • M2a: Telkens als ze zegt <+,> ik ga naar huis,
  • M2b: Telkens <- als> ze zegt, ik ga naar huis,
  • D: Telkens <+ als> ze zegt <,>>:> ik ga naar huis,

208;al.1;3-4

  • M2a: vast heeft <+,> begint ze een nieuw vertelselken.
  • D: vast heeft <-,> begint ze een nieuw vertelselken.
  • VW: vast heeft [+, ] begint ze een nieuw vertelselken.

208;al.1;5

  • M2b: <ne>>een> koer, <ne>>een> stomme koer.

208;al.1;6

  • M2a: een <carree>>carré>

208;al.1;7-8

  • D: die<-n> zoogezegde<-n> stomme<-n> koer

208;al.1;8

  • M2a: nocht<-h>ans

208;al.1;8

  • D: iets nieuw<+s>

208;al.1;11

  • M2a: <+,> zegt Maria, en ze zucht. Ja <+,>

208;al.1;13

  • M2a: <+,> waar zijt ge?

208;al.1;16

  • M2a: <-,> zeker <!>>?>

208;al.1;18

  • M2b: <haren>>haar> schoot

208;al.1;19

  • M2a: laat <haar>>zich> vallen

208;al.1;20

  • M2a: <waarvoor>>waarom>

208;al.2;1

  • D: <achtergegaan>>om gegaan>

208;al.2;5

  • M2b: <ne>>een> mensch

208;al.2;6

  • M2b: die<-n> mensch

208;al.2;8

  • D: <en>>dat> ge van een ander

208;al.2;10

  • D: stof genoeg <- nu>

208;al.2;12

  • M2a: de <sinema>>cinema> staan gapen. Hij rekt <hem>>zich>,

208;al.2;13

  • M2b: hebben <,>>.> <m>>M>et zijn klein
  • D: hebben. Met zijn klein<+e>

208;al.2;16

  • M2a: mobilisatie <+,> aan de burgers

208;al.2;17

  • M2b: deze<+n> morgen<-d>

209;al.1;1

  • D: peutert er <- ook> aan

209;al.1;2

  • M2a: <+,> en hangt over zijne<+n> kop
  • M2b: , en hangt over zijn<-en> kop

209;al.1;3

  • M2a: <+,> omdat het lost <+,>
  • D: , omdat het <+ papier> lost,

209;al.1;4

  • M2a: over zijne<+n> kop hangt,
  • M2b: over zijn<-en> kop hangt <-,>

209;al.1;5-6

  • D: <van onder>>onderuit>

209;al.1;6

  • D: Oeioei manneken <,>>...>

209;al.1;9

  • M2b: zijn<-e> pa

209;al.1;11-12

  • D: En waar <hij>>het> niet aan kan smijt <hij>>het> modder over, daarmee heeft <- het> een ander <+ het> ook niet.

209;al.1;18

  • D: de<-n> aard is der menschen?

209;al.1;18

  • M2b: zijn<-e> pa

209;al.1;19

  • M2a: Ja <+,>

209;al.1;23

  • M2a: Ja <+,>

209;al.2;1

  • M2a: Zijne pa echter wordt oud <vóor>>voor> zijn jaren. Een nest kinderen
  • M2b: Zijn<-e> pa echter wordt oud voor zijn jaren <.>>;> <E>>e>en nest kinderen
  • D: Zijn pa echter wordt oud <+,> voor zijn jaren; een nest kinderen

209;al.2;3-4

  • M2b: en ze zijn vergeten dat <- ze> in het laatste van de zeven huizekens nog <ne>>een> vader <hebben zitten>>zit>.
  • D: en ze <- zijn> vergeten dat in het laatste van de zeven huizekens nog een vader zit.

209;al.2;5

  • M2a: <+,> dan staan ze alle vijf voeten op uwen dorpel
  • M2b: , dan staan ze alle vijf voeten op uw<-en> dorpel

209;al.2;6-7

  • M2a: Zijn vrouw krabbelt achteruit. Ze vermager<d>>t>, krijgt <holle kaken>>hollekaken> <+,> en oogen die binnen in hare<+n> kop kruipen.
  • M2b: Zijn vrouw krabbelt achteruit. Ze vermagert, krijgt <hollekaken>>holle kaken>, en oogen die binnen in <haren>>haar> kop kruipen.
  • D: Zijn vrouw krabbelt achteruit <.>>,> <Z>>z>e vermagert, krijgt holle kaken, en oogen die binnen in haar kop kruipen.

209;al.2;10

  • M2a: gehad<-t> in de kleinsten,
  • M2b: gehad in de kleinste<-n>,
  • D: gehad in de<+n> kleinste,

209;al.2;12

  • M2a: eens loeren om <het>>te> zien
  • M2b: <- eens> loeren om te zien

209;al.2;12-13

  • M2b: een<-e> keer dat ge het gezien hebt kunt ge uw<-en> kop niet meer terugtrekken
  • D: een keer dat ge het gezien <hebt>>hebe> kunt ge uw kop niet meer terugtrekken
  • VW: een keer dat ge het gezien [hebe]]hebt] kunt ge uw kop niet meer terugtrekken

209;al.2;13-14

  • D: en <ge>>gt> blijft achter
  • VW: en [gt]]ge] blijft achter

210;al.1;5

  • M2b: zijn<-e> rol

210;al.1;7-8

  • M2a: beteeken<d>>t>

210;al.1;9-11

  • M2a: met hun eigen bekende straat op <:>>,> het <café>>céfé> waar ge den helft van Saargebied kunt op lezen <,>>.> [+X] <- en> <d>>D>e nieuwe <carree>>carré> met de stellingen en de kuipen mortel.
  • M2b: met <+ de,> hun eigen bekende <+,> straat <- op>, het <céfé>>café> waar ge den helft van <+..> Saargebied kunt op lezen <.>>,> [-X] <+en> <D>>d>e nieuwe carré met de stellingen en de kuipen mortel.
  • D: met de, hun eigen bekende, straat, het café <+, > waar ge de<-n> helft van <-..> Saargebied kunt op lezen, en de nieuwe carré met de stellingen en de kuipen mortel.

210;al.1;11

  • M2a: Maar<+,> <alla>>[xxx]> <+,>
  • M2b: Maar, <[xxx]>>allà>,
  • D: <Maar, allà>>Maar kom>,

210;al.2;1

  • M2b: zijn<-e> pa

210;al.2;1-2

  • M2a: een stille mensch die zijn pintjes vergeet <+.> <savends>>'s Avends> eens gaat wandelen
  • M2b: een stil<-le> mensch die zijn pintjes vergeet. 's Avends eens gaat wandelen
  • D: een stil<+le> mensch die <zijn pintjes vergeet>>weinig pintjes drinkt> <. >>;> <'s Avends>>'s avends> eens gaat wandelen

210;al.2;4

  • M2b: zijn<-e> roem

210;al.2;5-6

  • M2a: zegt hij <.>>,> <E>>e>en kind dat nu nooit geen school gezien of gehoord heeft <.>>,> <E>>e>n hij heeft
  • D: zegt hij, een kind dat <- nu> nooit <geen>>een> school gezien of gehoord heeft, <- en> hij heeft

210;al.2;9-10

  • D: <- En> <s>>S>oms heb ik schrik als ik met hem alleen ben <.>>,> <H>> h>ij kan u bezien

210;al.2;10

  • M2a: <alla>>allà>
  • D: <allà>>alla>

210;al.2;11

  • M2a: <presies>>precies>

210;al.2;12

  • M2a: [-X] Het is misschien

210;al.2;17

  • M2a: <vrijft>>wrijft>

210;al.2;17

  • M1b: steene<-n>
  • M2a: steene<+n>

210;al.3;3-5

  • M2b: Voor zulken is het maar oorlog als de stukken muren neven hen <- zullen> omvertuimelen.
  • D: Voor zulken <is>>zal> het maar oorlog <+ zijn> als de stukken muren neven hen <+ zullen> omvertuimelen.

211;al.1;1

  • M2b: het meisken <dat>>die>
  • D: het meisken <die>>dat>

211;al.1;2

  • D: <bijvallen>>bij vallen>

211;al.1;3

  • M2b: van den vroegen morgen<-d> tot den laten avend
  • D: van den vroegen morgen tot den laten <avend>>avond>

211;al.1;6

  • M2a: het koper kuischen. Ze krijgt <savends>>'s avends> niet gedaan
  • M2b: <- het> koper kuischen. Ze krijgt <- 'savends> niet gedaan

211;al.1;7

  • D: de<-n> avend

211;al.1;8-9

  • M2b: om morgen toch de salons gedaan te krijgen, als ze <- nu> om zes uur opstaat
  • D: om morgen toch <- de salons> gedaan te krijgen, als ze om zes uur opstaat

211;al.1;13

  • M2a: en <+:> ja kind <+,>

211;al.1;14

  • D: Ze snelt trappen op <- en af>,

211;al.1;115-6

  • M2a: <+,> verward <haar>>zich> in een berenvel <vóor>>voor> een bed,
  • D: , verwar<d>>t> zich in een berenvel voor een bed,

211;al.1;16

  • D: <moeite>>moeheid>

211;al.1;17

  • M2b: mijn<-e> kop doet zeer, maar zij
  • D: mijn kop doet zeer <,>>.> <m>>M>aar zij

211;al.1;19

  • M2a: den ouden Durwez en zijn Hilda, wat gaat er nu om <!>>?>
  • M2b: de<-n> oude<-n> Durwez en zijn Hilda,wat gaat er nu om?

211;al.1;22

  • M2a: niet <- meer> buiten.

211;al.2;1

  • M2a: [+X] En ze stapt

211;al.2;4

  • M2b: groot <- en open> van verwondering

211;al.2;5

  • M2a: zet <haar>>zich>

211;al.2;6

  • M2a: <ç>>c>irage

211;al.2;7

  • M2a: [-X] Sander, Sander

211;al.2;11-12

  • M2b: nog <- ook>,
  • D: nog <+ ook>,

211;al.2;12

  • M2a: tot alles in staat. [+X] Die ziet
  • M2b: tot alles in staat. [-X] Die ziet

211;al.2;13

  • M2b: <- nog> slechts

212;al.1;1-2

  • M2a: [X] Doch Sander ginder ver, en Ilona <+,>
  • D: [-X] Doch Sander ginder ver, en Ilona,

212;al.1;2-3

  • M2a: zij lachen met den oorlog. Die <- twee> hebben
  • M2b: <zij>>die> lachen met den oorlog. Die hebben

212;al.1;3-4

  • M2a: vreugde <+,> smart en lijken,

212;al.2;1

  • M2a: <+,> danst zij.
  • M2b: , danst <zij>>Ilona>.

212;al.2;2

  • M2b: <hare>>haar> borsten <+,>

212;al.2;3

  • D: <den kop>>het hoofd>

212;al.2;4

  • M2a: sle<-e>pend

212;al.2;5

  • M2a: En wat ze verbeel<d>>t> weet ze zelf niet, misschien. Het kan het wilde dier zijn
  • D: En wat ze verbeel<+d>t weet ze zelf niet <,>>.> <m>>M>isschien <- Het kan> het wilde dier <- zijn>

212;al.2;7

  • M2b: gebogene<-n>

212;al.2;10-11

  • D: De sluier valt <.>>,> <E>>e>n daar

212;al.2;15

  • M2a: Ze zouden <hun>>zich>

212;al.2;16

  • M2b: morgen<-d>schemer

212;al.2;17

  • M2a: krocht<-t>en

212;al.2;18

  • D: een anker<-ken>

212;al.2;19

  • M2b: schuine oogen <+,> en verborgen in hun hanpalm <+,>
  • D: schuine oogen <-,> en <+,> verborgen in hun handpalm,

212;al.2;20

  • D: <- En> <z>>Z>ij hing

212;al.2;22

  • M2b: <lantarenken>>lantaarnken>. [X] [?] Als de zon
  • D: lantaarnken. [-X] Als de zon

212;al.2;24

  • M2b: den kop op <een>>den> arm
  • D: <den kop>>het hoofd> op den arm

212;al.2;25

  • M2b: dingen<-s>

212;al.2;25-26

  • M2a: over haar land <+,> over

212;al.2;26-27

  • M2b: die er over hangen <,>>.> <m>>M>aar ze lacht.

212;al.2;32

  • D: de hartstochten van de menschen <.>>,> <Z>>z>ij prangen

213;al.1;1

  • M2a: Zwijg <+,> zegt Sander, zwijg
  • M2b: Zwijg, zegt Sander <,>>.> <z>>Z>wijg

213;al.1;2

  • M2b: dingen<-s>

213;al.1;3

  • M2a: vond<-t>

213;al.1;5

  • M1a: [X] <En # Naar> de zee
  • M2a: [-X] Naar de zee

213;al.2;1

  • M2a: Ze legden <hen>>zich> neer aan den voet van <een>>de> rots.

213;al.2;3-4

  • M2b: maakten hem laf en moe <.>>,> <E>>e>n wanhopig <,>>.> <z>>Z>oodat het leven,
  • D: maakten hem laf en moe <,>>...> en wanhopig. Zoodat het leven,

213;al.2;6

  • M2a: de<-e>den

213;al.2;7

  • D: geweldig<-e> zeer

213;al.2;7

  • M2a: dood<-t> me

213;al.2;8

  • M2a: mijn <A>>a>l.

213;al.3;3

  • M2a: den duivel met al zijn to<+o>venarij
  • M2b: de<-n> duivel met al zijn toovenarij
  • D: de<+n> duivel met al zijn toovenarij

213;al.3;6-7

  • M2a: zijn vingeren en zijn teen kromden <hen>>zich>, en zocht<-t>en het kleinste scheurtje.
  • M2b: zijn <vingeren>>vingers> en zijn teenen kromden zich, en zochten het kleinste scheurtje.
  • D: zijn vingers en zijn teenen kromden zich, en zochten het <kleinste>>minste> scheurtje.

213;al.3;7-8

  • M2b: schuimde de zee, <+ en> sloeg nijdig
  • D: schuimde de zee <-,> en sloeg nijdig

213;al.3;8

  • M2a: Hij hoorde <haar>>ze>

213;al.3;11

  • M2a: zijn borst zwoegde <+,> zijn hert hijgde,

213;al.3;12

  • M2b: zijn<-en> mond

213;al.3;13

  • D: zijn <vingeren>>vingers>

213;al.4

  • M2a: [+X] En Ilona

213;al.4;2

  • M2a: tot daar ho<+o>ren kraken.
  • M2b: <- tot daar> hooren kraken.

213;al.5;1

  • M2a: een beschokene<-n>

213;al.5;2

  • M1b: nauwelijks<-ch>

214;al.1;1

  • M2a: reeds waardeloos <+ acht>.
  • D: reeds waardeloos <acht>>is>.

214;al.1;1-2

  • M2a: <méer>>méér> gedaan dan weer <een>>één>
  • D: méér gedaan dan weer <één>>een>

214;al.1;2-3

  • M2b: <Hadt>>Waart> ge gevallen

214;al.1;3-4

  • M2a: ja dan had<-t> ze u misschien liefgehad<-t>,
  • D: ja dan had ze u misschien <liefgehad>>lief gekregen>,

214;al.2;3

  • M2a: Doch hij had<-t> haar lief.

214;al.2;4

  • M2b: de<-n> bril

214;al.2;4-5

  • D: goed wordt om <- aan> te zien?

214;al.3;1

  • M2a: werd<-t>

214;al.3;2

  • M2b: <gezien>>geweten>

214;al.3;4

  • D: blonken en flitsten <er>>de> messen.

214;al.3;9

  • M2a: had<-t> toegezien werd<-t>
  • M2b: <+,> had toegezien werd

214;al.3;11

  • M2b: een wilde<-n>

214;al.3;12

  • D: Hij hoorde haar <- woest> gillen

214;al.3;13

  • M2a: <vóor>voor> hem. Hij wierp zich lijk een bezetene<-n>

214;al.3;16

  • M2b: van <voren>>voor> hem

214;al.3;17

  • D: <in>>op> den grond

214;al.3;19

  • D: den andere<-n>

214;al.3;23-24

  • M2a: haar geliefd en kostelijk bloed vloeide warm en zoetekens naar beneden. [-X] Er ramme<i>>l>den
  • M2b: haar geliefd en kostelijk bloed <+,> vloeide warm en zoetekens naar beneden. Er ramme<l>>i>den

215;al.1;1

  • M2b: het bed<-de>

215;al.1;2-3

  • M2a: lijk den regen in een kapotte goot, altijd <tik-tik-tik>>tik, tik, tik,> zei. [-X] Hij vloekte niet,
  • D: lijk de<-n> regen in een kapotte goot <-,> altijd tik, tik, tik, zei. Hij vloekte niet,

215;al.1;3

  • M2a: hij bad<-t> niet <.>>,> <H>>h>ij zat stom

215;al.1;5-6

  • M2b: morgen<-d> zou worden. [-X] Hoe was hij deerlijk mis <!>>.>

215;al.1;8

  • M2a: <eterniet>>eternit>

215;al.1;8

  • D: dro<-o>gen

215;al.1;8

  • M2a: stond<-t>

215;al.1;10-11

  • D: Hij stond <langzaam>>moeilijk> recht

215;al.1;11

  • D: <+ Ja> <Z>>z>ij lag daar

215;al.1;13

  • M2b: vond<-t>

215;al.1;14-15

  • M2a: was weg. Voor altijd <.>>,> <V>>v>oor altijd.
  • D: was weg <-.> <V>>v>oor altijd <,>>.> <v>>V>oor altijd.

215;al.1;15

  • M2a: <hem>>zich> languit over de rotsen <-.> <E>>e>n riep

215;al.1;16

  • D: sterven <wou>>zou>.

215;al.1;17

  • M2a: mijne<+n> kop
  • M2b: mijn<-en> kop

215;al.1;18

  • D: de<-n> duivel

215;al.1;19-20

  • M2a: Hij hield <hem>>zich> maar met <een>>één> hand vast.

215;al.1;20

  • M2b: een losse<-n> steen

215;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij <kón>>kon> niet vallen.

215;al.2;4

  • M2b: langsheen <+ de> uitgebrande huizekens

215;al.2;7

  • D: al roepende <op>>om> den dood

215;al.2;9

  • M2a: <+,> en toch

215;al.2;10

  • M2a: stond<-t>

215;al.2;12-13

  • M2a: wat had<-t> hij <méer>>méér> buiten het litteeken op zijn wang? [-X] In de blokken

215;al.2;14

  • M2b: den andere<-n> Sander is terug <!>>.>
  • D: den andere <+:> Sander is terug.

215;al.2;15

  • M2b: <haren>>haar> eigen man

215;al.2;16

  • M2a: <+,> zegt ze.

216;al.1;1

  • M2a: hij heeft <-,> van den dag
  • D: hij <heeft>>is> van den dag

216;al.1;2

  • M2a: haren dweil <liggen>>leggen>
  • M2b: <haren>>haar> dweil <leggen>>liggen>

216;al.1;3

  • D: het poortje<-n>

216;al.1;7

  • D: beide<-n>

216;al.2

  • M2a: [+X] Wonder is de wereld,

216;al.2;2

  • M2b: <sekonden>>seconden>

216;al.3;1

  • M2b: dingen<-s>

216;al.3;3

  • M2a: tesaam <,>>:> en bescherm Sander <!>>.>
  • M2b: te<s>>z>aam: en bescherm Sander.

216;al.3;10

  • M2b: zijn<-e> pa

216;al.3;11

  • M2b: zijn<-en> vestzak

216;al.3;13

  • M2b: zijn<-e> pa

216;al.3;14

  • M2b: envelop<+pe>

216;al.3;15

  • D: wat er in staat <.>>!>

216;al.3;17

  • M2a: dien<+e> mensch
  • M2b: die<-ne> mensch

216;al.3;18

  • M2a: <+,> zegt Bernard <savends>>'s avends>.

216;al.3;18-19

  • M2b: ziet ge dat <.>>,> <H>>h>et zijn oogen die wegdwalen en naar iets zoeken <dat>>wat>

216;al.4;3

  • M2a: <presies>>precies>

216;al.4;3

  • M2a: zijn<+en> kop
  • M2b: zijn<-en> kop

216;al.4;5

  • M2a: is lang weg <+,> en

217;al.1;1

  • M2a: <hen>>zich> vrijwillig aangegeven <+,> want

217;al.1;2

  • M2b: ge moet er maar simpel voor in een root <- gaan> staan
  • D: ge moet <- er> maar simpel <- voor> in een root staan

217;al.1;3

  • M2b: Een bed<-de>

217;al.1;4

  • M2b: <ne>>een> stoel

217;al.1;5

  • M2a: <smorgens>>'s morgens>

217;al.1;9

  • D: <loopt>>klopt>
  • VW: [klopt]]loopt]

217;al.1;9-10

  • M2a: het café <+,> de nieuwe gas,

217;al.1;11

  • M2a: <presies>>precies>

217;al.2;1

  • M2a: [+X] Zoo eenzaam

217;al.2;1-2

  • M2b: De zon<-ne> gaat onder en de<-n> hemel wordt rood.

217;al.2;2

  • D: eenzaam zijn <.>>!>

217;al.3;1

  • D: en mistevreden <.>>!>

217;al.3;4-5

  • M2a: <+,> en vloekt omdat het <snoenens>'s noenens> ajuinsaus is en patatten met de schil aan.
  • D: , en vloekt omdat het 's noenens ajuinsaus is en patatten <met de schil aan>>in de schil>.

217;al.3;7

  • M1b: <[xxxxxxxxxx]>>boerenboterham>

217;al.4;2

  • M2b: dien oorlog <- in de geburen>

217;al.4;4-5

  • M2a: benieuwd <naar>>om>, niemand herinnert <hem>>zich> nog de drie.

217;al.4;8

  • VW: [apartementen]]appartementen]


217;al.4;9-10

  • M2a: het trekt <hem>>zich> niets aan van wat tusschen muren gebeurd.
  • D: het trekt zich niets aan van wat tusschen muren gebeur<d>>t>.

217;al.5;2-3

  • M2a: of ze hang<+t> achter een gordijn te loeren <+,>

218;al.1;1

  • M2a: <haar>>zich>

218;al.1;3

  • D: op <+ te> zien

218;al.1;4

  • D: op het kantwerk <- gericht>

218;al.1;5

  • D: waar ze hem <met>>mee> treiteren kan

218;al.1;6

  • D: een ander<+e> kamer

218;al.1;7

  • M1b: naar <+ haar> oogen zien

218;al.1;8

  • M2a: Ze bijt in haar vingeren en vraagt <haar>>zich> angstig af
  • M2b: Ze bijt in haar <vingeren>>vingers> en vraagt zich angstig af

218;al.1;9

  • M2a: Maar <wát>>wat> dan <,>>!> Angst?

218;al.1;10

  • M2b: angst <- gaan> hebben <.>>?>

218;al.1;11

  • M2a: schuift <haar>>zich>

218;al.1;12-13

  • M2a: <+,> vraagt hij. Ja <+,> zegt ze,

218;al.1;14

  • M2a: vraagt <haar>>zich> af

218;al.1;14-15

  • M2a: Ga weg <+,> denkt ze, ga weg <+,>

218;al.1;15

  • VW: dat ik weer normaal word[-t]

218;al.1;15-16

  • M2b: en mijn zelven, ga weg <+,> of ik sla iets op uw<-en> kop,
  • D: en <mijn zelven>>mijzelve>, ga weg, of ik sla iets op uw kop,

218;al.1;16

  • M2a: niet<-s> anders
  • M2b: niet<+s> anders
  • D: niet<-s> anders

218;al.1;18

  • M2a: moei<-e>lijk om onthouden, allemaal die klosjes
  • D: moeilijk om <+ te> onthouden <-, > allemaal die klosjes

218;al.1;21

  • M2a: hand in <.>>,> <H>>h>ij voelt

218;al.1;22

  • M2a: zijne<+n> mond
  • D: zijn<-en> mond

218;al.1;22-23

  • M2b: die hem <- eens> belachelijk wou maken.

218;al.2;2

  • M2a: Ja <+,>

218;al.2;4

  • M2a: <+,> alhoewel het maar een koelen dag is.
  • M2b: , alhoewel het maar een koele<-n> dag is.

218;al.2;7

  • D: <stokken van vingeren>>vingers>

218;al.2;9-10

  • D: <willen zien hebben>>hebben willen zien>.

218;al.2;10

  • M2a: <haar>>zich>

218;al.2;12

  • M2b: <+,> en haar beenen,

219;al.1;3

  • M2a: gecommandeer<t>>d>

219;al.2;3

  • M2b: <+,> dat de<-n> stielman

219;al.3;1

  • M2a: En Mark blijft weg <!>>.>

219;al.4;2

  • M2a: <+,> maar

219;al.4;4

  • D: Iets roomkleurig<+s>

219;al.4;6

  • D: vier <+,> vijf uren

219;al.4;10

  • M2b: in den hoek <+,> over het verfomfaaide kleed <+,>

219;al.5;1

  • D: <- En> <d>>D>an komt Mark wel.

219;al.6;6

  • M1b: <[xxx xxxx]>>zegt achter>

219;al.6;7-8

  • M2a: <+,> en misschien toevallig, misschien heel onwillekeurig <+,>

219;al.6;10

  • M2b: <haren>>haar> stoel

219;al.6;15-16

  • M2a: Durwez<- '> meer op, het is een anderen naam, <dezijnen>>de zijnen>.
  • M2b: Durwez meer op, het is een andere<-n> naam, de zijne<-n>.

220;al.1;1-2

  • M2a: Zij, Elie. En hij recht <hem>>zich> en wil <presies>>precies> iest van zijn schouders smijten.
  • D: <- Zij, Elie.> En hij recht zich en wil precies iets van zijn schouders smijten.

220;al.2;1

  • M2a: Die<+n>zelfden

220;al.2;7

  • M2a: Een <+,> twee <+,> drie,

220;al.2;9

  • M2b: de<-n> trap

220;al.2;11

  • M2a: ziet haar <.>>;> <Z>>z>ijn asem gaat traag en beklemd. Als ze haar nu
  • D: ziet haar; zijn <asem>>adem> gaat traag en beklemd. Als ze <haar>> zich> nu

220;al.2;13

  • M2a: dan wiekt hij op eigen vleugelen, hij zal er wel komen <+,> heel alleen,
  • M2b: <- dan wiekt hij op eigen vleugelen,> hij zal er wel komen, heel alleen,

220;al.2;14

  • M2a: Zij gaat altijd verder <+,> Elie.
  • M2b: <+ Doch> <Z>>z>ij gaat altijd verder, Elie.

220;al.2;15

  • M2b: zooveel de<-n> <donkeren>>duisternis> het toelaat
  • D: zooveel <de duisternis>>het duister> <het>>dat> toelaat

220;al.3;1-2

  • M2a: En dan ligt er in het Saargebied een gazet op het tafelken <+,> dicht<-st> bij de <vitrien>>[: vitrien]>.
  • M2b: <En dan ligt er in het Saargebied>>In het Saargebied ligt> een gazet op het tafelken dicht bij de [:vitrien].
  • D: <In het Saargebied ligt>>Dan ligt er in het Saargebied> een gazet op het tafelken <-,> dicht bij de <[:vitrien]>>vitrien>.

220;al.3;2

  • M2a: verveelt <hem>>zich>

220;al.3;4

  • M2a: voor de grootstad <.>>;> <E>>e>n Mejuffer Hilda Durwez

220;al.3;5

  • M2b: met den heer Mark <+...> enzoovoort, enzoovoort.
  • D: met den heer Mark <+;>... enzoovoort, enzoovoort.

220;al.3;6

  • M2a: gaapt <+,> en zou hij <hem>>zich> nu gaan

220;al.3;7-8

  • M2a: en <+:> dag Molleken. Merci <+,>

220;al.4;2

  • D: lit<-t>eratuur

220;al.4;4-5

  • M2a: die snijden of de nieuwe borstels <,>>...> [+X] <m>>M>aar neem nu eens
  • M2b: die snijden <+,> of de nieuwe borstels... [X] Maar neem nu eens
  • D: die snijden, of de nieuwe borstels... [-X] Maar neem nu eens

220;al.4;5-6

  • M2a: draait en waait <:>>.> In het begin gin ook alles goed, het water,
  • M2b: draait en waait. In het begin ging ook alles goed <,>>.> <h>>H>et water,

220;al.4;7-8

  • M2a: stond<-t> op zijn plaats <,>>.> <de blommen>>De bloemen> en de beesten waren alleen <+,> en gelukkig.

220;al.4;8

  • M2a: Maar nu <!>>...> De<+n> eene benijdt dat de<+n> andere<+n> scheit. En Hilda loopt seffens
  • M2b: Maar nu... De<-n> eene benijdt dat de<-n> andere<-n> scheit. En Hilda loopt seffens
  • D: Maar nu <...>>.> <- De eene benijdt dat de andere scheit. En> Hilda loopt seffens

220;al.4;9

  • D: den weg <.>>,> En omgekeerd.
  • VW: den weg [ , ]] . ] En omgekeerd.

220;al.4;9

  • M2a: buiten kwam <+,> als eens

221;al.1;1

  • D: <haar>>zich> opsloot in de stilte en de <muffigheid>>mufheid>

221;al.1;2-3

  • M2b: waar de<-n> tijd niet meer bestaat, waar het riekt naar ouderdom en dood.
  • D: waar de tijd niet meer <bestaat>>bestond>, waar het <riekt>>rook> naar ouderdom en dood.

221;al.1;3

  • M2a: werd<-t>

221;al.1;5

  • M2a: de eene achter de<+n> <achtere>>andere>
  • M2b: de eene achter de<-n> andere
  • D: de eene achter de<+n> andere<+n>

221;al.1;8

  • D: en <+ ze> kwam

221;al.1;11

  • D: ieder<+e> kamer

221;al.1;13

  • M2a: [-X] Soms gingen ze op reis

221;al.1;17-18

  • D: En ze dacht soms <+ terug> aan de dagen in het klooster <- terug> <+,> met een

221;al.1;20

  • D: de<-n> schaduw

221;al.1;22-23

  • D: op de kinderkamer <,>>.> <d>>D>oor het hooge raam viel licht van de<-n> tuin

221;al.1;25

  • M2a: <zóo>>zoo>
  • D: <zoo>>zóó>

221;al.1;25-26

  • M2a: <sinema voorstelling>>cinemavoorstelling>. Zij kleedde <haar>>zich> op

221;al.1;29

  • D: klein vuist<en>>je>

221;al.1;29

  • M2a: <sinema>>cinema>

221;al.2;1

  • M2b: Zulke dingen<-s> vertel<de>>t> ze

221;al.2;2

  • M2b: <haren>>haar> mond

221;al.2;3

  • D: <datzelfden>>ditzelfde> liedje<-n>

221;al.2;4

  • M1b: geen spook <dat>>die>
  • D: geen spook <die>>dat>

221;al.2;5

  • D: Leef het heden <.>>,> <W>>w>ees met

221;al.2;6

  • M1a: in den dag van vandaag.
  • D: <in>>bij> den dag van vandaag.

221;al.2;7

  • M2b: de<-n> trap

221;al.2;7

  • M2a: [-X] Hilda moet

222;al.1;2

  • D: <kan in>>in kan> schoppen

222;al.1;4

  • M2b: door het huis <,>>.> <d>>D>e stilte

222;al.1;5

  • M2a: in den hoek <- of> op zolder.

222;al.1;5-6

  • M2a: <haar>>zich> in twee drie kamers.
  • D: zich in twee <+,> drie kamers.

222;al.1;7

  • D: de<-n> gang

222;al.1;8

  • M2a: het gebeur<d>>t> zelfs

222;al.1;8-9

  • M2a: zijn <-,> dat men

222;al.1;17-18

  • M2a: een oud <- oud> hoekje
  • M2b: een <- oud> hoekje

222;al.1;18

  • M2a: <teedere>>teedre> langvoorbije dingens
  • M2b: <teedre>>teedere> langvoorbije dingen<-s>

222;al.1;19

  • D: <een>>en> dik grijs papier

222;al.1;23-24

  • M2a: maar <-,> mijn hemel, wat staat <dáar>>daar>

222;al.1;25-26

  • M2a: keert <haar>>zich> met de oogen halftoegeknepen <,>>.> [+X] <e>>E>en half uur nadien
  • D: keert zich met de oogen halftoegeknepen. [-X] Een half uur nadien

222;al.1;27

  • D: iets antiek<+s>

222;al.1;28

  • D: vreemde<-n> lantaarn

222;al.1;29-30

  • D: <+,> en <+ in> brons geverfd

222;al.1;32-33

  • D: naar beneden <-,> hier een brok

222;al.1;33

  • M2a: <+,> zegt ze.

222;al.1;34

  • M2b: in <den>>het> brons

222;al.1;35-36

  • M1b: Ze hadt iets heelemaal anders ge<[xxxx]>droomd>.
  • M2a: Ze had<-t> iets heelemaal anders gedroomd.

222;al.1;37

  • M2a: en dertig kilo brons <+,>

223;al.2;1-2

  • M2a: en misloopt <hem>>zich>, van puur gewoonte
  • D: en misloopt zich, van <puur>>pure> gewoonte

223;al.2;10

  • M2a: <tik-tak, tik-tak>>tik tak, tik tak>

223;al.2;12

  • M2a: schikt <+,> past en telt

223;al.2;14-15

  • M2a: <+ een> eind verder neersmijten, zoodat ge niet meer verder lezen <kúnt>>kunt>.

223;al.2;15-16

  • M2a: God, wat steekt hij nu uit <!>>.>

223;al.2;17

  • M2a: Ze <kán>>kan> het niet

223;al.2;18

  • M2a: De halfuren verstrijken en waar blijft hij <+,> vraagt ze <haar>>zich> af.
  • M2b: De halfuren verstrijken <+.> <e>>E>n waar blijft hij, vraagt ze zich af.

223;al.2;20

  • M2a: <+,> zijn onmeedo<+o>genheid.
  • D: , zijn onmeedoogen<+d>heid.

223;al.2;21-22

  • M2a: de<+n> verzenbundel
  • M2b: de<-n> verzenbundel

223;al.3;2

  • M1b: te laten maken: misschien in blinkend congolees<+c>hout [?],
  • M2a: te laten maken <:>>.> Misschien in blinkend <congoleeschout>> congoleescj#h hout>,

223;al.3;4

  • M2a: Ja <+,>

224;al.1;1

  • D: ze moet <haar>>zich> inhouden

224;al.2;2

  • M2b: op zijn hoede <,>>.> <w>>W>acht maar <.>>!>

224;al.2;3

  • M2a: iets eenig <+,> zoo een bibliotheek.
  • D: iets eenig<+s>, zoo een bibliotheek.

224;al.2;4

  • M2a: Het volk gebaar<d>>t>

224;al.2;4-5

  • M2a: werkt door <:>>.> Het onweder zal gaan losbarsten.
  • D: werkt door <.>>,> <H>>h>et onweder zal gaan losbarsten.

224;al.2;7

  • M2a: in haar gezicht <!>>?>

224;al.2;8

  • M2b: <plekken>>vlekken>

224;al.3;3-4

  • M2a: keert <haar>>zich> om

224;al.3;6

  • D: <- En> <d>>D>e oude madam

224;al.3;8

  • M2b: <+,> aan de deur.

224;al.3;8-9

  • M2a: Madame, het eten <!>>.>
  • M2b: Madam<-e>, het eten.

224;al.4;1

  • M2b: [X] Wat ze daar <+,> opgesloten tusschen vier muren doet <+,>
  • D: [X] Wat ze daar <-,> opgesloten tusschen vier muren doet <-,>

224;al.4;3

  • M2b: dingen<-s>

224;al.4;4

  • M2b: een verlangen meer <,>>:> dat haar kaarsken

224;al.4;7

  • M2b: in den familiekelder <+,> en Hilda

224;al.4;9-10

  • D: wacht u hetzelfde <.>>:> Eerst loopt ze alleen in het kasteelken <,>>.> <t>>T>rouwt

224;al.4;10-11

  • D: en verhuist <,>>.> <e>>E>n toch blijft het eender <:>>,> nu loopt ze hier alleen.

224;al.4;13

  • M2a: lang kan ze er <+ bi> niet bij zitten,
  • M2b: lang kan ze er <- bi> niet bij zitten,

224;al.4;15

  • M2a: kan op afbijten <+,>
  • D: <kan op>>op kan> afbijten,

224;al.4;15-16

  • M2b: <haren>>haar> mond

224;al.4;16

  • M2a: ook <dát>>dat>

225;al.1;3

  • M2a: een dief is <+ en> <in haar>>inhaar> eigen huis,
  • M2b: een dief is <- en> <inhaar>>in haar> eigen huis,

225;al.1;5

  • M2b: <den>>het> aardig<-en> boek
  • D: het aardig<+e> boek

225;al.1;7

  • D: een halve<-n> schemer

225;al.1;10

  • M2a: Ze ontkleedt <haar>>zich>, het een stuk stof
  • D: Ze ontkleedt zich, het een<+e> stuk stof

225;al.1;16

  • M1b: maar geloof niet dat er zulke dingen<-s>
  • D: maar <+ ik> geloof niet dat er zulke dingen

225;al.1;19

  • M2b: den oude<-n>

225;al.1;20

  • M2b: waar de mijnen <- ginder verre> liggen,
  • D: waar de mijnen <liggen>>zijn>,

225;al.1;22-23

  • M2a: uit duizende schouwen naar omhoog kronkelt <,>>;> en de locht <+,>
  • M2b: uit duizende<+n> schouwen naar omhoog kronkelt; en de locht,
  • D: uit duizenden schouwen naar omhoog kronkelt <;>>,> en de locht,

225;al.1;25

  • D: wat hij nu doet <!>>:>

225;al.1;27-28

  • D: Hij weet <+ goed> genoeg

225;al.2;2

  • M2a: malheuren, ontploffingen <+,> dooden

225;al.2;4

  • M2b: subiet neer <,>>.> <o>>O>h, het is de gazet van gister!

225;al.2;5

  • D: gister<-en>

225;al.2;7-8

  • D: steekt hij daar toch uit <.>>!>

226;al.1;1

  • M2a: <simphatiseerend>>symphatiseerend>
  • VW: [symphatiseerend]]sympathiseerend]

226;al.1;4

  • M2a: noch<+t>tans
  • M2b: noch<-t>tans

226;al.1;4

  • M2a: een <schrijfmachien>>schrijfmachine> om hun manifesten af te kloppen <+.> <o>>O>f
  • D: een schrijfmachine om hun manifesten <- af> te kloppen. Of

226;al.1;6-7

  • M2b: zijn kameraad is <- zeker> weg.

226;al.1;8

  • D: gister<-en>

226;al.1;9

  • M2b: in <,>>.> <o>>O>p zijn manier

226;al.1;11

  • M2a: Maar twintig <+,>

226;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij, Jean,
  • M2b: [-X] Hij, Jean,
  • D: [+X] Hij, Jean,

226;al.2;2

  • M2a: Goed <.>>,> <L>>l>ach nu voort.

226;al.2;2-3

  • M2a: Hoe <+,> ge zwijgt en zijt serieus <-,> omdat

226;al.2;4-5

  • D: twintig <- meer> overschieten.

226;al.2;8

  • M2a: <bogot>>godomme>

226;al.2;8

  • M2a: de stommerik<-k>en

226;al.2;10

  • M2b: van zijn stoel <,>>.> <e>>E>n rust haar bloote<-n> arm

226;al.2;12-13

  • M2b: <- Of is het verachting dat op haar gezicht zonder ouderdom te lezen ligt.>
  • D: <+ Of is het iets anders dat op haar gezicht zonder ouderdom te lezen ligt.>

226;al.2;15

  • D: <den>>het> waarom

226;al.2;16

  • D: de<-n> speciale<-n> entree

226;al.2;17

  • D: wil<-t>

226;al.2;17

  • M2a: <presies>>precies>

226;al.2;18-19

  • M2a: ze willen zeker de fout van den oorlog op hem schuiven <:>>.> Gij <+,> die een geleerden bol waart
  • M2b: ze willen <- zeker> de fout van den oorlog op hem schuiven: Gij, die een geleerden bol waart
  • D: ze willen de fout van den oorlog op hem schuiven. Gij, die een geleerde<-n> bol waart

226;al.2;20

  • M2a: stond<-t>

226-227;al.2-al.1;24-1

  • M2b: en ze gaan niet nutteloos hun front vergrooten, <- en> daarbij <- we zijn neutraal,> ze zullen ons niet raken.
  • D: <- en> ze gaan niet nutteloos hun front vergrooten, <+ en> daarbij ze zullen ons niet raken.

227;al.1;1

  • M2b: Neen, zegt deze<-n>
  • D: Neen, zegt <deze>>de man>

227;al.1;2

  • M2a: <hunzelfde>>hun zelfde> plaatsken, <N>>n>een zegt hij,
  • D: hun zelfde plaatsken, neen <+,> zegt hij,

227;al.1;6

  • M2a: iedere<+e>n

227;al.1;6

  • M2b: gaat <hem>zich>

227;al.1;10

  • M2a: <+,> zeggen ze.

227;al.1;11

  • D: <plaasteren>>pleisteren> mannen

227;al.1;13

  • M2b: <ne>>een> man

227;al.1;14

  • M2b: <ne>>een> porei en <ne>>een> selder

227;al.1;15

  • M2a: <presies>>precies>

227;al.1;17

  • D: <plaasteren>>pleisteren> bloem

227;al.1;18

  • M2b: Zijn<-e> pa

227;al.1;19

  • D: Het is stil<-le>, stil<-le>.

227;al.1;20

  • M2b: zijn<-e> mond

227;al.1;21

  • M2b: zijn<-e> pa

227;al.1;22

  • D: <.>>;> <E>>e>n man

227;al.1;23-24

  • D: om dat te zien <+,> jongen.

227;al.1;24-25

  • M2a: Ja <+,> wat zegt ge als ze op uw eigen stoeffen <!>>?>
  • D: Ja, wat zegt ge als ze op <uw eigen>>u> stoef<-f>en?

227;al.2;5-6

  • M2b: <haren>>haar> tijd te verklappen, of <+ om> naar een malheur dat op straat gebeurd is <+,> <+ te gaan kijken>.
  • D: haar tijd te verklappen, of om naar een malheur <+,> dat op straat gebeurd is, te gaan kijken.

227;al.3;2

  • D: averecht<+s>

227;al.3;4

  • M2b: Bernard knikt <,>>.> <l>>L>ijk hij daar

227;al.3;5

  • M2a: <presies>>precies>

227;al.3;6

  • M2a: <+,> zegt hij,

228;al.1;1

  • M2a: Zulke fijn<+e> teekening

228;al.1;3

  • M2a: Ja <+,> zegt Jean,

228;al.1;3-4

  • M2b: die trachten van het hert op te <fretten>>vreten>, en zoo is het met alles <,>>;> ge hebt
  • D: die trachten <- van> het hert op te vreten, en zoo is het met alles; ge hebt

228;al.1;5-6

  • M2a: van lijn <+,> enzoovoort <,>>.> [+X] <m>>M>aar wat is een lijn?
  • M2b: van lijn, enzoovoort. [-X] Maar wat is een lijn?
  • D: van lijn, enzoovoort <.>>,> <M>>m>aar wat is een lijn?

228;al.1;8-10

  • M2b: over het geluk voor de menschen, over de menschen allemaal bijeen <,>>.> <o>>O>ver het groot huishouden dat de wereld zou moeten zijn <.>>,> <E>>e>n waar <ze>>men> een straat van <maken>>maakt>
  • D: over het geluk voor de menschen, <- over de menschen allemaal bijeen.> <O>>o>ver het groot huishouden dat de wereld zou moeten zijn, en waar <men>>ze> een straat van <maakt>>maken>

228;al.1;10-11

  • M2a: dood<k>>c>oncureeren

228;al.1;14-15

  • M2b: die <- over zijn halsbeentjes huivert en> hem stil maakt en gelukkig.
  • D: die <+ over zijn rug huivert en> hem stil maakt en gelukkig.

228;al.1;21

  • M2a: de smart <+,> de hoop, de<+n> honger

228;al.1;22-23

  • M2a: de<+n> weemoed en de dood. Ja, ze zwijgen, wat zegt ge dan nog?
  • M2b: den weemoed en de dood. Ja, ze zwijgen, <+ want> wat zegt ge dan nog?
  • D: den weemoed en de<+n> dood. Ja, ze zwijgen, <- want> wat zegt ge dan nog <+ meer>?

228;al.2;2

  • M2a: <méer>>méér>

228;al.2;2-3

  • M2b: Die heeft nochtans al meer dan genoeg afgezien <,>>.> <z>>Z>e hebben

228;al.2;4

  • D: omdat hij <- nu> een

228;al.2;5-6

  • D: En <als>>nu> hij zijn kinderleed

228;al.2;7-8

  • M2a: te zijn, ja <+,> en dat dezen die vroeger lacht<-t>en, nu zijn gebrek
  • M2b: te zijn <,>>;> <j>>J>a, en dat dezen die vroeger lachten, nu zijn gebrek
  • D: te zijn <;>>,> <J>>j>a, en <dat dezen>>nu zij> die vroeger lachten, <- nu> zijn gebrek

228;al.2;11

  • M2b: den andere<-n>

228;al.2;13

  • D: <- slechts> om te rijpen

228;al.2;14

  • D: het is <maar>>slechts>

229;al.1;2

  • M2a: aan de <bloemen>>blommen> <+,> schrijven ze
  • D: aan de <blommen>>bloemen>, schrijven ze

229;al.1;4-5

  • M2b: <simpelder>>simpeller> is dan zij het denken.
  • D: simpel<-l>er dan zij <- het> denken.

229;al.1;5

  • D: Jean is weg <-,>

229;al.1;8

  • M2b: wat ze willen en voelen <+,> en zeggen móeten.
  • D: wat ze willen <+,> <en voelen>>wat ze weten> <-,> en zeggen <móeten>>moeten>.

229;al.1;10

  • M2b: uw eigen <zelven>>ik>

229;al.1;10-11

  • M2b: zoekt en schreeuwt <.>>;> <E>>e>n toch nooit een andere wereld kan bereiken.
  • D: zoekt en schreeuwt <;>>,> en toch nooit een andere wereld kan bereiken <-.>
  • VW: zoekt en schreeuwt, en toch nooit een andere wereld kan bereiken [+.]

229;al.1;12-13

  • D: te steken <.>>?>

229;al.1;15

  • M2b: <haren>>haar> kop

229;al.1-al.2;16-1

  • M2a: En ze zien al het geheim van liefde en leven, de simpelhied en den eenvoud vastgelegd op een tableauken. [-X] En Elie
  • M2b: En ze zien al het geheim van liefde en leven, <de>>in> simpelheid en <- den> eenvoud vastgelegd op een tableauken. [+X] En Elie
  • D: <- En> <z>>Z>e zien <al>>reeds> het geheim van liefde en leven, in simpelheid en eenvoud vastgelegd op een tableauken. [-X] En Elie
  • VW: Ze zien reeds het geheim van liefde en leven, in simpelheid en eenvoud vastgelegd op een tableauken. [+X] En Elie

229;al.2;2

  • M2a: <savends>>'s avends>

229;al.2;2-3

  • M2b: <-haren> Ingels
  • D: <+ haar> Ingels

229;al.2;6-7

  • M2b: zoo niet <,>>.> <m>>M>aar de mannen

229;al.2;8-9

  • D: geen slechte<-n> man is, zoekt ze er een<-en>.

229;al.2;10-11

  • M2a: dat ze haar geven zal, dat ze <haar>>zich> hals over kop gaat in den afgrond smijten, maar toch eventjes eens bij den rand gaan
  • M2b: dat ze haar geven zal, dat ze zich hals over kop gaat in den afgrond smijten, maar toch eventjes <-eens> bij den rand <gaan>>gaat>
  • D: dat ze <haar>>zich> geven zal, dat ze zich hals over kop gaat in den afgrond <smijten>>helpen>, maar <+ ze moet> toch eventjes bij de rand <gaat>>gaan>

229;al.2;12

  • D: <maar>>doch> gevaarlijk dicht

229;al.3;1

  • M2a: [+X] Elie verstaat <haar>>zich>

229;al.3;2

  • M2b: tegen een muur <,>>.> <e>>E>n ze peinst

229;al.2;4

  • M2a: [-X] Ze laat Maria

229;al.3;4

  • M2b: met haar troebel<s>>en>
  • D: met haar troebelen <+,>

229;al.3;7

  • D: <Sintemarkuskerk>>Sint Markuskerk>

230;al.1;1

  • D: <Eerweerden>>Eerwaarden>

230;al.1;1-2

  • M2a: Zoo <+...> een kerk en ze keert <haar>>zich> om, ze <kán>>kan>
  • M2b: Zoo <...>>!..> een kerk en ze keert zich om, ze kan
  • D: Zoo <!..>>,> een kerk <+!> <e>>E>n ze keert zich om, ze kan

230;al.1;4

  • M2b: <ne>>een> weg

230;al.1;6-7

  • M2a: schreien <+,> zot worden

230;al.1;13-14

  • M2a: minder, ze gaat ievers binnen en zet <haar>>zich>,
  • M2b: minder <,>>.> <z>>Z>e gaat ievers binnen en zet zich,

230;al.1;15

  • M2b: <haren>>haar> schoot

230;al.1;17

  • M2b: <haren>>haar> kop

230;al.1;19

  • M2a: <+,> zegt ze

230;al.1;20

  • M2b: stil<-le>

230;al.1;21

  • D: <geern>>gaarne>

230;al.1;21-22

  • D: te zien <.>>,> <Daar staat de voorstad>>waar de voorstad geteekend staat> lijk ze eens was,

230;al.1;23

  • M2b: haar <- teer> verlangen lijk een <klein>>teder> plantje groeide.
  • D: haar verlangen lijk een te<+e>der plantje groeide.

230;al.2;2

  • M2a: <+,> zegt hij.

230;al.2;4

  • D: beginnen <- met het> te teekenen

230;al.2;6

  • D: <op>>naar> hem toe

230;al.2;7

  • D: haar oogen <+,> die

230;al.2;8

  • M2b: <haren>>haar> stillen gesloten mond

230;al.2;9

  • M2a: hij herinnert <hem>>zich> de woorden uit <dat>>het> gedichteken:
  • M2b: hij herinnert zich de woorden uit het gedicht<-eken>:

230;al.2;9-10

  • D: <uw mond gesloten en duister is een tuin vol droeven luister.>>uw mond gesloten en duister is een tuin vol droeven luister.>

230;al.2;14

  • M2b: <Het>>Hij> legt

231;al.1;1

  • D: zijn schetsboeken <- waar ze altijd in zoekt>.

231;al.1;1

  • M1a: <gauw # haast>

231;al.1;2

  • M1a: zijn asem in, maar ze legt het
  • M2b: zijn asem in <,>>.> <m>>M>aar ze legt het
  • D: zijn <asem>>adem> in. Maar ze legt het

231;al.1;4

  • M2b: <stilder>>stiller>

231;al.1;6

  • M2a: <savends>>'s avends>

231;al.1;7

  • M2a: moei<-e>lijkste

231;al.1;8-9

  • D: van het leven <,>>?> <z>>Z>ou het eigenlijk

231;al.1;11

  • M2b: <ne>>een> jongen

231;al.1;11-12

  • D: Diep in hem antwoord<+t> er iets

231;al.1;14

  • M2a: keert <hem>>zich>

231;al.1;14-16

  • M2a: Schilderen dat moet hij, ge waart zoo gelukkig omdat ge anders niets moest doen dan schilderen en teekenen, en nu zijt ge weeral niet kontent <!>>.>
  • M2b: Schilderen dat moet <hij>>ik>, <ge waart>>ik was> zoo gelukkig omdat <ge>>ik> anders niets moest doen dan schilderen en teekenen, en nu <zijt ge>>ben ik> weeral niet kontent.

231;al.1;17

  • D: geen recht op <.>>,> <I>>i>k zal

231;al.1;19

  • D: niemand <+,>

231;al.1;19-20

  • M2a: dat ook ik iemand heb liefgehad<-t>. Nu zal het weer
  • M2b: dat <- ook> ik iemand heb liefgehad. Nu zal <het>>ik> weer

231;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij draait <hem>>zich>

231;al.2;2

  • M2a: heel den nacht door, om op den morgend verward<-d>e droomen
  • M2b: <+,> heel den nacht door, om op den morgen<-d> verwarde droomen
  • D: , heel den nacht door, om <op>>tegen> den morgen verwarde droomen

231;al.2;3-4

  • D: <Hebt gij naar huis niet>>Zijt gij niet naar huis> geweest <+, > vraagt hij,

231;al.2;4

  • M2a: <e>>E>n ze lacht
  • D: <- En> <z>>Z>e lacht

231;al.2;9

  • D: iets ongewoon<+s>

231;al.2;9-10

  • D: hij stapt met haar <- voort> langs

231;al.2;11-12

  • D: Ze <ziet>>kijkt> naar zijn beenen.

231;al.3;1

  • M2a: Die<+n>zelfden dag

232;al.1;1

  • D: <alletwee>>allebei>

232;al.1;2-3

  • M2a: dien onvergetelijken <+,> verdoemden <+,> heerlijken droom.

232;al.1;5

  • M2b: los laat <+,> hoort hij hen niet meer <- klappen>.

232;al.1;11

  • D: <boôm>>bodem>

232;al.1;12-13

  • M2a: het café <+,> de nieuwe gas <+,>
  • D: het café, <de nieuwe gas>>De Nieuwe Gas>,

232;al.1;14

  • D: <+,> <waarvan>>en> niemand weet

232;al.1;15

  • M2a: <+,> vraagt Elie.

232;al.1;16

  • D: <+ en> haar schaars<+ch>e woorden hoort <-,en het simpelste dat ze aanheeft ziet>.

232;al.1;19-20

  • M2b: moet springen <,>>.> <d>>D>an voelt hij een ontoombare kracht door zijn lijf bruisen.
  • D: moet springen. Dan voelt hij een ontoombare kracht door zijn lijf <bruisen>> gaan>.

232;al.1;23

  • D: waaruit <- van> alle soorten rook omhoog kruipt,

232;al.1;25

  • M2a: van vreugde <+,> van groei en geweld. En standvastig
  • D: van vreugde, van groei en geweld. En <standvastig>>steeds>

232;al.1;29

  • M2a: Ja <+,> standvastig heeft hij iets te zeggen <+,> maar

232;al.1;31

  • D: <standvastig>>voortdurend>

232;al.1;31-32

  • M2a: <presies>>precies> verdriet. Aai <+,> ze loopt

232;al.1;32-33

  • M2a: ze beklaag<d>>t> het <haar>>zich> dat ze met hem gaan wandelen is.
  • D: ze beklaagt het zich dat ze met hem <+ is> gaan wandelen <- is>.

232;al.1;34

  • D: en <+ de> begeerte

232;al.1;36

  • M2a: Elie <+,> zegt hij, Elie, en hij kust haar.
  • D: Elie, zegt hij, Elie <,>>.> <e>>E>n hij kust haar.

232;al.1;37

  • M2a: <presies>>precies>

233;al.1;2-3

  • M2a: Ja <+,> en dan weet hij niet <- niet> meer

233;al.1;3-4

  • M2a: en is serieus <:>>.> En zie

233;al.1;6

  • D: een plaats<+je> <- gaan> zoeken

233;al.1;7

  • M2a: koopen <+,> <dat>>totdat> we een schoon huizeken hebben,
  • D: koopen, tot<-dat> we een schoon huizeken hebben,

233;al.1;10

  • D: met een stootkar <doen moet>>moet doen>.

233;al.1-al.2;11-1

  • M2a: of er zelfs een wiel afschiet <,>>.> [+X] <a>>A>chja [+ witregel] <+ Achja> <+,> dan tracht hij met <een>>één> wiel te rijden of de kar blijft in godsnaam maar staan.
  • M2b: of er zelfs een wiel afschiet <.>>,> <+ want> [-X] <- Achja> [- witregel] <A>>a>chja, dan tracht hij met één wiel te rijden <+,> of de kar blijft in godsnaam maar staan.
  • D: of er zelfs <+ onderwegen> een wiel afschiet <,>>.> <- want> [+X] <a>>A>chja, dan tracht hij met één wiel te rijden <,>>.> <o>>O>f de kar blijft in godsnaam staan.

233;al.3;3

  • M2b: een spotlach <.>>,> <Z>>z>e hebben

233;al.3;4

  • M2a: <+,> ge zaagt

233;al.3;4-5

  • M2a: lacht<-t>e

233;al.3;5

  • M2a: schreid<-d>e

233;al.3;7

  • M2a: hangt <hem>>zich> op

233;al.3;8

  • M2a: van waar is, Jean <:>>,> als er iemand trouwt
  • D: <van waar>> waar aan> is, Jean, als <- er> iemand trouwt

233;al.3;9-10

  • M2a: koopen ze <hen>>zich> allemaal een kind.

233;al.4;1

  • D: En lacht Molleken nu <- nog altijd> <+,> of

233;al.4;2

  • M2a: <filosophie>>filosofie>

233;al.4;3

  • D: lacht hem uit <-,> vanachter de vitrien.

233;al.4;5

  • M2b: <- en het bijzonder>
  • D: <+ en in het bijzonder>

233;al.4;6

  • D: betaal<d>>t>

233;al.6;1

  • M2a: Een <habituee>>habitué>

233;al.6;2

  • M2b: deze<-n> die altijd
  • D: <deze>>hij> die altijd

233;al.6;3

  • D: ook <al>>reeds>

234;al.1;2

  • D: aanbranden <.>>,> <H>>h>et veld

234;al.1;2

  • M2a: den <carree>>carré>
  • M2b: de<-n> carré

234;al.2;1

  • M2a: <carree's>>carré's>

234;al.2;4-5

  • M2a: die wilt steekt er iets in, ne frank of vijf <s>>c>ent, de flauwe truuters staken er een witten knop in.
  • M2b: die wilt steekt er iets in, <ne>>een> frank of vijf cent <-,de flauwe truuters staken er een witten knop in>.
  • D: die wil<-t> steekt er iets in, een frank of vijf cent.

234;al.2;6-7

  • M2b: Een <dik>>breed> postuur met een blikken horlogeken in <+,> dat maar
  • D: Een breed postuur met een blikken horlogeken <+ er> in <-, > dat maar

234;al.2;8

  • M2b: zijn<-e> pa

234;al.2;9

  • M2a: de schoon<+e> toekomst

234;al.2;14

  • D: met plooien <+ er> in.

234;al.2;14

  • M2a: moei<-e>lijk

234;al.2;16

  • M2b: zijn<-e> pa

234;al.2;17

  • M2a: broeb<-b>elen

234;al.2;18-19

  • D: het linker <+, > en het is in gruizelementen vaneen. <- Spijtig.>

234;al.2;19

  • M2b: zijn<-e> pa

234;al.2;20

  • M2a: voelt <hem>>zich>

234;al.2;23

  • D: geloof<+t> dat niet

234;al.2;24-25

  • M2b: met zijn armen open <+,> al zingend, zwerft hij
  • D: met zijn armen open <-,> al zingend <-,> zwerft hij

234;al.2;26-27

  • M2b: hun vest omgekeerd <-,> het binnenste naar buiten. En deze<-n>

234;al.2;28-29

  • M2b: het noeneten blijft <- van>achter op de stoof staan
  • D: het noeneten blijft achter op de stoof staan <+,>

234;al.2;29

  • M2a: <savends>>'s avends>

234;al.2;30

  • D: <de nieuwe gas>>De Nieuwe Gas>

234;al.3;1

  • M2a: [+X] Sander hangt

235;al.1;1

  • D: met een bitteren spotmond <.>>:> Zie hen

235;al.1;5-6

  • D: en kan haast niet meer recht <+ komen>.

235;al.1;6

  • D: met hem <,>>.> <z>>Z>oo gaat het

235;al.1;9

  • M2b: Hij schiet <hem>>zich> regelrecht naar Bernard zijn<-e> pa

235;al.1;10-11

  • M2a: En uwen manken <+,> zegt hij, dat hij een gezond been had<-t> <+,>
  • M2b: En uw<-en> manke<-n>, zegt hij, dat hij een gezond been had,
  • D: En uw manke, zegt hij, <dat>>als> hij een gezond been had,

235;al.1;12

  • M2b: zijn<-e> pa

235;al.1;14

  • M2b: zijn<-e> kop

235;al.1;15-16

  • M2a: maar het gaat niet <,>>.> <h>>H>ij wordt blauw

235;al.1;19

  • M2b: om een doktoor <,>>.> <h>>H>ij ligt plat te bed<-de>

235;al.2;1

  • M2b: <sanderdaags>>'s anderdaags>

235;al.2;2-3

  • D: <blommen>>bloemen>

235;al.2;3-4

  • M2a: te schreien <+,> snottebellen lang,

235;al.2;8

  • M2a: en merci <+,> zegt ze

235;al.2;10

  • M1a: <en verstrooid # verstrooid>

235;al.2;10-11

  • D: anders denkt <.>>,> Jean kan
  • VW: anders denkt [ , ]] . ] Jean kan

235;al.2;12

  • M2a: die moeten bezichtigd worden <!>>.>

235;al.2;12

  • M2a: <Sanderdaags>>'s Anderdaags>

235;al.2;14-15

  • M2a: En ge kent me toch <!>>.> Ik kom eens zien
  • D: En ge kent me toch <.>>,> <I>>i>k kom eens zien

235;al.2;16-17

  • M2a: ze herinneren <hem>>zich> niet meer, ofwel herinneren ze <hem >> zich> maar al te goed.

236;al.1;1

  • M2a: te staan, het is <presies>>precies>
  • M2b: te staan <,>>.> <h>>H>et is precies
  • D: te staan <.>>,> <H>>h>et is precies

236;al.1;2

  • M2b: die<-n> anarchist

236;al.1;4-5

  • M2b: en <dat>>waar> ze,

236;al.2;1

  • M2a: <savends>>'s avends>

236;al.2;2

  • M2b: <.>>,> <I>>i>ets dat hij niet voelt <,>>:> hij hoort standvastig neen zeggen<,>>.> <e>>E>n hij zit

236;al.2;5

  • M2b: <haren>>haar> paltoo
  • D: haar <paltoo>>paletot>

236;al.2;5

  • M2a: aan de deur <-,> en:

236;al.2;6-7

  • D: bij Maria <+,> zegt ze.

236;al.2;7-8

  • M2b: <+...> enzoovoort.

236;al.2;8

  • M2a: op zijn <hert>>hart>, het doet effenaf pijn.
  • D: op zijn hart <-, het doet effenaf pijn>.

236;al.2;10

  • D: wie houdt er nu zijn hand <vast>>tegen>?

236;al.2;11

  • M2b: de<-n> zot was, de<-n> teppen.

236;al.2;11-12

  • M2b: Tot aan zijn kinderjaren ziet hij <.>>:> <H>>h>ij zit op een steen
  • D: Tot aan zijn kinderjaren <ziet hij>>toe>: hij zit op een steen

236;al.2;13

  • D: de ander<+e> jongens

236;al.2;14

  • M2a: <knieên>>knieën>

236;al.2;15-16

  • D: of ben ik het niet <.>>,> <B>>b>en ik alleen zot in de wereld, of is <- het> de heele wereld <- die> zot <- is>?

236;al.2;17-18

  • M2b: <- op den gang> de klink van de deur vast heeft.

236;al.2;20-21

  • M2b: over haar voorhoofd <- waar zweet aan hangt>, ze zit op een laag stoelken, en zijt toch stil zegt ze.
  • D: over haar voorhoofd, ze zit op een laag stoelken, en zijt toch stil <+,> zegt ze.

236;al.2;21

  • M2b: Mijn<-e> kop, mijn<-e> kop <+,>

236;al.3;2

  • M2a: Ha, nu lacht ge zeker <!>>.>

236;al.3;6

  • M2b: En overal gaat hij al vloekende voort <,>>:> ontploft,

236;al.3;7

  • M2a: aan stukken <!>>.>
  • D: aan stukken <.>>?>

237;al.1;3

  • M2a: Als zijn boek bijna uit is <+,> komt ze binnen.

237;al.1;5

  • D: <zóo>>zoo> een dag

237;al.1;6

  • M2a: ze ontkleedt <haar>>zich>

237;al.1;7

  • M2a: Hij legt <hem>>zich>

237;al.1;8-9

  • M2b: in hetzelfde bed <.>>,> <E>>e>n ze zijn

237;al.1;10-11

  • D: maar spreek zoo een vrouw aan <!>>.>

237;al.1;12-13

  • M2a: En waar waart ge zoo lang <+,> vraagt hij.
  • D: En waar waart ge zoo lang <,>>?> vraagt hij.

237;al.1;14

  • M2a: Een kind <!>>.>

237;al.1;15

  • M2b: met de heele wereld <,>>.> <m>>M>aar hij, Jean,

237;al.1;16

  • M1b: belangstel<d>>t>
  • M2a: <belangstelt>>belang stelt>

237;al.1;16-17

  • M2a: wat hebt gij toch al geleden man <!>>.> Een kind <!>>,> vraagt hij,
  • D: wat hebt gij toch al geleden <+,> Een kind, vraagt hij,

237;al.1;17

  • M2a: Een meisken <+,> zegt ze.

237;al.1;18

  • M2a: <presies>>precies>

237;al.1;19

  • D: den donker<-en>

237;al.2;1-2

  • M2a: hij kookt <en>>,> wascht en plast.

237;al.2;2

  • M2a: tegen niemand <.>>,> <Behalven>>behalve>

237;al.2;5

  • D: snijden <+,> manneken.

237;al.2;8

  • M2a: hier zie <!>>.>

237;al.2;9

  • M2a: zulle <!>>.>
  • D: <+,> zulle <.>>!>

237;al.2;10

  • D: averecht<+s>

237;al.2;11-12

  • M2a: in ieder<+e> stad

237;al.2;13

  • D: <wél>>wel> zou moeten draaien <+,> en die

237;al.3;1

  • M2a: <Smorgens>>'s Morgens>

237;al.3;1-2

  • M2b: de<-n> trap

237;al.3;2

  • D: naartoe <+,>

238;al.1;5

  • D: Ze zullen het weten <+,> Jean <.>>!>

238;al.1;6

  • M2b: zijn<-e> mond <,>>:> we moeten zwijgen.

238;al.1;8

  • M2a: <+,> en als de school uit is <+,> gaat hij weer binnen.

238;al.1;9

  • M2a: geleerd <+,> vraagt Maria,

238;al.1;10

  • M2a: Er komen kaarten <+,> waar

238;al.1;12

  • D: <hen>>hun>

238;al.1;12

  • M2b: de<+n> facteur

238;al.1;14-15

  • D: hij moet niet naar <+ de> school.

238;al.1;15

  • M2a: Neen <+,>

238;al.1;19-20

  • M2b: de<-n> burger

238;al.2;1

  • M2a: [+X] En Jean begint te vloeken dat er een deur
  • M2b: [X] En Jean begint te vloeken <+ zoo>dat er een deur

238;al.2;3-4

  • D: <- ons> Carrie zien <+,> Jean,

238;al.2;4-5

  • D: te <zien>>kijken> waar<+in> iets ligt <v>>w>riemelen

238;al.2;10

  • D: En weet ge nog <- van> dien avend

238;al.2;11

  • M2a: <presies>>precies>

238;al.2;12

  • M2a: Neen <+,> zegt Jean,

238;al.2;13

  • D: het <groen>>groensel>

238;al.2;16

  • M2a: Hij draait <hem>>zich> om, en loopt <+,> loopt,

239;al.2

  • D: [X] [- witregel] Aan de kerk
  • VW: [X] [+ witregel] Aan de kerk

239;al.2;1

  • M2a: nog niet <begonnen>>beginnen> <+ te bouwen>.
  • M2b: nog niet beginnen <- te> bouwen.
  • D: nog niet <beginnen>>begonnen> <+ te> bouwen.

239;al.2;6

  • M1a: den traveau<x> [?]
  • M2a: den traveau<-x>

239;al.2;9

  • D: een<-e> pap

239;al.2;10

  • M2b: en in den zomer al stof. <- Zoodat Sander als hij in den donkeren door de modder polst naar de zon over het veld tracht, en in den zomer dat het stof langs zijn ooren binnenkomt naar de avenden achter de stoof snakt.> Soms is <hij>>Sander>

239;al.2;12

  • M2a: <+,> dan beziet Sander die niet
  • D: , dan beziet Sander die<+n> niet

239;al.3;3

  • M2a: hij raasde <hem>>zich>
  • M2b: <- hij> raasde zich

239;al.3;4-5

  • D: aan den stroom <+,> om de booten

239;al.3;6

  • M2a: op zijn schouders <+,> de armen

239;al.3;8

  • M2a: onder de honderd kilo<-'s>

239;al.3;10

  • M2b: Zoo bleef het toch nutteloos <- dat zijn vrouw hem naar werk vroeg>.

239;al.4;1

  • M2a: zet <hem>>zich>

239;al.4;2

  • M1b: zijne<+n> kleine<+n>
  • M2b: zijn<-en> kleine<-n>

239;al.4;4

  • D: rood van inspanning <-,> het zweet <bolt>>blot>
  • VW: rood van inspanning [+,] het zweet [blot ]bolt]

239;al.5;2

  • M2a: en trekt er mee vandoor <+,>

239;al.5;2

  • D: <de nieuwe gas>>De Nieuwe Gas>

239;al.5;2

  • M2a: het le<-e>ge huis
  • D: het le<+e>ge huis

239;al.5;3

  • M2a: Morrisk<é>>e>n, Morrisk<é>>e>n.

239;al.5;4

  • M2b: den kleine<-n>

239;al.5;4

  • M2b: Niemand kan <- het> <zoo>>zoó>
  • D: Niemand kan <zoó>>zoo>

239;al.5;5

  • M2b: zijn<-e> pa

239;al.5;5-6

  • M2a: in de ongerustheid <+,>
  • M2b: in <- de> ongerustheid,

240;al.1;1-2

  • D: envelop<+pe>

240;al.1;2

  • D: <asem>>adem>

240;al.1;2-3

  • M2b: trekt zijn hand terug <- uit zijn zak> en stapt voort.

240;al.2;2

  • M2a: nieuws te zien <.>>:> Telefoonpalen
  • D: nieuws te zien <:>>.> Telefoonpalen

240;al.2;3

  • M2a: <+,> gas of elektriek <+.> Allemaal dingens
  • M2b: , gas of elektriek. Allemaal dingen<-s>
  • D: , gas of elektriek <.>>,> <A>>a>llemaal dingen

240;al.2;4

  • M2b: het <een>>éen> kind
  • D: het <éen>>eene> kind

240;al.2;5-6

  • M2a: nu een misval, lijk de natuur zelf: <E>>e>en goei jaar en een slecht jaar.
  • M2b: nu een misval <,>>.> <l>>L>ijk de natuur zelf: een goei jaar en een slecht jaar.
  • D: nu een misval <.>>,> <L>>l>ijk de natuur zelf <-:> een <goei>>goed> jaar en een slecht jaar.

240;al.2;11

  • D: want in de <nieuwe gas>>Nieuwe Gas> zit <mij>>me>

240;al.2;13

  • M2b: den kleine<-n>

240;al.2;14

  • M2b: uw<-en> mond

240;al.3;1

  • D: <in het Saargebied>>In het Saargebied>

240;al.3;3

  • M2b: <- hebben> en het vuil naar dit hoeksken hebben gevaagd.
  • D: <+ hebben> en het vuil naar dit hoeksken <- hebben> gevaagd.

240;al.3;5

  • D: rijdt er een<-e>

240;al.3;6

  • M2b: potten <,>>.> <z>>Z>oo, is dat een schilder?
  • D: potten <.>>;><Z>>z>oo, is dat een schilder?

240;al.3;6

  • M2a: <Sanderdaags>>'s Anderdaags>

240;al.3;10

  • D: <in het Saargebied>>In het Saargebied>

240;al.3;10

  • D: een air<-e>

240;al.3;14

  • M2b: <haren>>haar> kop

240;al.3;14-16

  • M2a: Neen Jean doe het niet. Ja <+,> zeg tegen iemand lijk Jean: doe het niet <!>>.> Hij speelt <mee>>nog eens> en verliest.
  • M2b: Neen Jean doe het niet. Ja, zeg tegen iemand lijk Jean: doe het niet. Hij speelt <- nog eens> en verliest.
  • D: Nee<-n> <+,> Jean <+,> doe het niet. Ja, zeg tegen iemand lijk jean: doe het niet. Hij speelt <+ eens> en verliest.

240;al.3;17

  • D: dat het <met>>door> de slechte kaart komt.

241;al.1;1-2

  • M2b: hij koopt <hem>>zich>

241;al.1;4

  • M2a: <éen>>één> hand

241;al.1;6-7

  • M2a: hij gebaar<d>>t> eerst van krommen <+ haas>, hij laat <hem>>zich> pressen.

241;al.1;8

  • M2a: En nu zeggen de anderen <+:> dedju.

241;al.1;9

  • M2b: en straf opletten <:>>...> <H>>h>ij wint. En
  • D: en straf opletten <...>>!> hij wint <.>>,> <E>>e>n

241;al.1;10

  • M2a: Bah <+,> zegt hij,

241;al.1;11-12

  • M2b: dat <- het in> het leven

241;al.1;13

  • M2a: moet ge het ook leeren van met <een>>één> hand te geven,
  • D: moet ge <- het> ook leeren <- van> met één hand <- te> geven,

241;al.1;15

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

241;al.1;15-16

  • D: er komt <eene>>iemand>

241;al.1;17

  • M2a: Allé <+,>

241;al.1;20-21

  • M2a: zijn zakken <zit>>zitten> vol gewonnen geld. Het is verkocht <+,> zegt hij.

241;al.1;21

  • D: gaat hij <- nu> met

241;al.1;22

  • D: den donker<-en>

241;al.1;23

  • M2a: <+,> maar het is <half-nacht>>halfnacht>

241;al.1;24

  • M2b: <binnenzak>>broekzak>

241;al.1;26

  • M2b: in zijn <vest>>broek> daar op een stoel ligt.
  • D: in zijn broek <- daar> op een stoel ligt.

241;al.2

  • M2a: [+X] Hij blijft

241;al.2;2-3

  • M2a: <+ zoo>dat deze die er in ligt nog bleeker, nog doorschijnender <maakt. Liefde, >>wo [:rdt. Liefde, ]> en het geld
  • D: zoodat deze die er in ligt nog bleeker, nog doorschijnender <wo[:rdt. Liefde, ]>> wordt. Liefde.> <e>>E>n het geld

241;al.2;4

  • M2a: Liefde, lief[:de. Wat] heeft hij haar toch liefgehadt <!>>.> En hij
  • M2b: Liefde, lief[:de. Wat] heeft hij haar toch liefgehadt. <- En> <h>>H>ij
  • D: Liefde, < lief[:de. Wat]>>liefde. Wat> heeft hij haar toch liefgehad<-t>. Hij

241;al.2;4-5

  • M2b: <- En> <h>>H>ij steekt in een <schofken>>sch[:xxxxxx]>
  • D: Hij steekt het geld in een <sch[:xxxxxx]>>schuifken>

241;al.2;6

  • D: klaarlichte<-n> dag

241;al.2;7

  • M2b: <haren>>haar> hoedenwinkel

241;al.2;7-8

  • M2b: Zondag <.>>,> <Z>>z>e is

242;al.1;3

  • D: Hij fronst zijn <oogen toe>>voorhoofd>,

242;al.1;3-4

  • M2b: het <schofken>>schuifken> dat nog nooit open geweest heeft <+:> <- en> zijn geld is weg.
  • D: het schuifken <+,> dat nog nooit open geweest <heeft>>is>: zijn geld is weg.

242;al.1;5

  • M2a: deed<-t>

242;al.1;6

  • M2b: <- eens> naar dat schuifken?

242;al.2;3-4

  • D: dat eet ze <- toch zoo> geern.

242;al.2;5-6

  • D: Den <m>>M>aandagmorgen<-d>

242;al.2;7

  • M2b: Pak <- het> aan jongen.
  • D: Pak aan <+,> jongen.

242;al.2;8

  • M2a: <pateetje>>pateeken>

242;al.2;12

  • M2a: legt <haar>>zich> in bed.

242;al.2;13

  • M2a: <presies>>precies> of hij den schuldigen is.
  • M2b: <+,> precies of hij de<-n> schuldige<-n> is.
  • D: <-,> precies of hij de schuldige is.

242;al.2;14

  • M2a: <+,> zegt ze,

242;al.2;14

  • M2b: Uw<-en> kop?

242;al.2;15

  • M2a: natuurlijk <+,> maar

242;al.2;16

  • M2a: Gaat ge niet meer werken <+,> vraagt hij
  • D: Gaat ge niet meer werken <,>>?> vraagt hij

242;al.2;17

  • M2b: Aai <-,> gij kunt vragen

242;al.2;18-19

  • M2a: Hij antwoord iets en zij<+n> <wéer>>weer>. Gij die geen verstand hebt
  • M2b: Hij antwoord<+t> iets en zij<-n> weer. Gij die geen verstand hebt
  • D: Hij antwoordt <iets>>niets> <+,> en zij <weer>>ook> <.>>:> Gij die geen verstand hebt

242;al.2;21-22

  • M2a: uwen kop <!>>.> Hare<+n> kop, en ze schreit.
  • M2b: uw<-en> kop. <Haren>>Haar> kop <,>>...> en ze schreit.

242;al.2;23

  • M1a: naar huis <komt. Ze zit daar # komt.> Soms beziet

242;al.2;24

  • M2a: van <opzij>>op zij>

242;al.2;24

  • M2b: God wat heeft hij haar toch liefgehad<-t>, en
  • D: God <+,> wat heeft hij haar toch liefgehad <,>>!> en
  • VW: God, wat heeft hij haar toch liefgehad [ ! ]] , ] en

242;al.2;25

  • D: <+ naar> wat hem vroeger

242;al.2;26

  • M2a: <presies>>precies> een ander die daar zit, of hij
  • D: precies een ander die daar zit <,>>.> <o>>O>f hij

242;al.2;27

  • D: <bemind heeft>>heeft bemind>

242;al.2;28

  • M2a: Ja <+,> maar

243;al.1;1

  • D: en <- ze> staart

243;al.1;2

  • M2a: <presies>>precies>

243;al.1;3

  • D: <hert>>hart>

243;al.1;3

  • M2a: Ja <+,> het is <tóch>>toch>

243;al.1;5-6

  • M2a: moei<-e>lijkheden en mis<b#v>erstanden die lijk bergen tusschen hen liggen <.>>,> <E>>e>n die

243;al.1;10

  • M2a: Nocht<-h>ans

243;al.1;10-11

  • M2b: de<-n> geschikte<-n> moment
  • D: <de>>het> geschikte moment

243;al.1;11

  • D: Ze <ziet>>kijkt> op

243;al.1;13

  • M2b: een <puren>>puur> vreemden mensch

243;al.1;16

  • D: hooger <om>>en> hooger

243;al.1;18

  • D: <liefhadt>>lief had>

243;al.1;19

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

243;al.2

  • M2a: [+X] Hij gaat

243;al.2;2

  • M2a: Neen <+,> neen,

243;al.2;3

  • M2a: de kinderen komen buiten <:>>.> Dag Jean, dag Albrik <+,>
  • M2b: de kinderen komen buiten. Dag Jean <,>>.> <d>>D>ag Albrik,

243;al.2;4

  • M2b: een groote<-n> mensch

243;al.2;5

  • M2b: luistert <- er naar>

243;al.2;9

  • M2b: pakt <den>>het> schrijfboek op en smijt <hem>>het> in een hoek.

243;al.2;10

  • M2a: <+,> zegt ze,

243;al.2;11

  • D: vuil<+e> boeken

243;al.2;12

  • M2b: nooit iets van het leven weten <-,> zoo.
  • D: nooit iets van het leven weten <zoo>>zóó>.

243;al.3;3-4

  • M2a: <+,> en giet een sjat kouden koffie in.
  • D: , en giet een sjat koude<-n> koffie in.

244;al.1;1-2

  • M2b: want <- dat> waar ze goesting in heeft, wie weet is dat wel met geld te koop<-en>.
  • D: want waar ze goesting in heeft, wie weet is dat wel met geld te koop <.>>!>

244;al.2;1

  • M2a: <Snachts>>'s Nachts> kreunt ze in haren slaap.
  • M2b: 's Nachts kreunt ze in <haren>>haar> slaap.

244;al.2;1

  • D: Hij ligt <- er naar> te luisteren <.>>,> <E>>e>n het is

244;al.2;2-3

  • M2b: er <mee>>om> glimlachen. Het is
  • D: er om glimlachen <.>>:> <H>>h>et is

244;al.2;3-4

  • D: hij <laat dat>>doet of> hij slaapt.

244;al.2;4

  • M2a: Mijn hemel <+,>

244;al.2;5

  • M2a: Aai <+,>

244;al.3;1

  • M2a: [+X] Hij is er van aangeslagen,

244;al.3;2

  • M2a: het zotte te klappen <:>>.> Hij zal al doen

244;al.3;6

  • M2a: met <- het> kind spelen.
  • M2b: met <+ het> kind spelen.

244;al.3;7

  • M2b: <haren>>haar> arm

244;al.3;9

  • M2b: op hun kamers <-,> zonder gordijnen

244;al.3;12-13

  • M2a: Maar Maria toch! Wat gaat Ingels zeggen als hij komt <.>>?>
  • D: Maar Maria toch <!>>,> <W>>w>at gaat Ingels zeggen als hij komt?

244;al.3;13

  • M2b: <áls>>als> hij komt
  • D: als hij komt <+,>

244;al.3;15

  • M2b: Zoo is ze nu eenmaal <,>>.> <e>>E>n ze tatert

244;al.3;17-18

  • M2a: En ze ziet naar Elie en verschiet: <Ei>>En> waarom
  • D: En ze ziet naar Elie en verschiet <:>>.> En waarom

244;al.3;18-19

  • M2b: Och, zeg zoo iets niet Maria, zie <+,> ze houdt al op,
  • D: Och, zeg zoo iets niet <+,> Maria, zie, ze houdt <al>>reeds> op,

244;al.3;22

  • M2b: over de terreinen loopt <.>>,> <E>>e>n eens

244;al.3;23

  • M2a: Er werkt <tweeendertig>>twee en dertig> honderd man op
  • M2b: Er werkt twee en dertig honderd man <- op>

244;al.3;24

  • M2a: <buitenbrobbelt>>buiten broebelt>

244;al.3;25-26

  • M2b: uw<-en> eigen man

244;al.3;27

  • M2a: hij <+,> ge weet wel wie, hij zou haar
  • M2b: hij, ge weet wel wie, hij zou <haar>>Elie>

244;al.3;28

  • D: een bruin<-en> gelapten rok

245;al.1;1

  • D: en al grijs haar <.>>!>

245;al.2;3

  • D: de beste<+n>

245;al.3;3

  • M2a: [-X] Godweet
  • D: [-X] <Godweet>>God weet>

245;al.3;4-5

  • M2a: geen tijd. Geen tijd, voor wat zou hij gaan tijd hebben <!>>.>
  • D: geen tijd <.>>,> <G>>g>een tijd <,>>.> <v>>V>oor wat zou hij <- gaan> tijd hebben <.>>?>

245;al.3;5

  • M2a: achterna jagen <:>>.> Een groot en machtig

245;al.3;6

  • M2a: <een>>één> der grootste en der rijkste, en daarna
  • D: één der grootste en der rijkste <-,> en daarna

245;al.4;3

  • M2b: Ze weten het niet <,>>.> <e>>E>n misschien

245;al.4;4

  • D: iets geweldig<+s>

245;al.4;4-5

  • M2b: alleen <al>>reeds>.
  • D: alleen <reeds>>al>.

245;al.4;8

  • M2a: een veerken <+,> heel den

245;al.4;9-10

  • M2a: met niemand affaires hebben <+,> vijzen het thoop
  • D: met niemand affaires hebben, vijzen het <thoop>>samen>

245;al.4;12

  • D: na<-a>imachienen
  • VW: na[+a]imachienen

245;al.4;13-14

  • M2a: <+,> zegt er iemand:

245;al.4;15

  • M2a: al hebben <!>>.>
  • D: <al>>reeds> hebben.

245;al.4;15

  • M2b: een oude<-n> bankdraaier

245;al.4;18

  • D: gezien heeft <+,> en allegelijk

245;al.4;19-20

  • M2a: Ja <+,> dat is ook waar en ze scharten eens in hun haren. [-X] Eens heeft

245;al.4;20-21

  • M2a: een snotneus <+,> die juist van den troep kwam <+,> gezegd
  • D: een snotneus <-,> die juist van den troep kwam, gezegd

245-246;al.4-al.1;21-1

  • M2b: <tgeen>>hetgeen> in die bakken
  • D: <hetgeen>>wat> in die bakken

246;al.1;1-2

  • M2a: onmiddel<+l>ijk

246;al.1-al.2;3-1

  • M2a: op een bak iets schrijven als het niet waar is? [-X] Neen <+.>
  • [+X] <r>>R>ust gunt hij <hem>>zich> niet, Mark.
  • M2b: op een bak iets schrijven <als het>>wat> niet waar is? Neen.
  • [X] Rust gunt hij zich niet, Mark.
  • D: op een bak <- iets> schrijven wat niet waar is? Neen.
  • [X] Rust gunt hij zich niet, Mark.

246;al.2;2

  • M2a: <daar over>>daarover>

246;al.2;4

  • D: een <luierikstoel>>luierstoel>

246;al.2;5

  • M2a: zoo mager en leelijk <,>>.> <i>>I>s dat nu

246;al.2;7

  • M2a: hij verzet <hem>>zich>

246;al.2;9-10

  • M2a: Ze wacht en zet een stuur<-s> gezicht <:>>.> Zit stil! [-X] Ander kinderen
  • D: Ze wacht en zet een stuur<+sch> gezicht. Zit stil! Ander<+e> kinderen

246;al.2;13

  • M2a: zonder <hem>>zich> te verzetten.

246;al.2;13

  • M2b: <haren>>haar> zetel

246;al.2;19

  • D: moeten <- gaan> gelooven

246;al.2;19-20

  • M2a: voor anders niets deugd dan om menschen te treiteren <:>>.> Ze pakt een postuurken op
  • M2b: voor anders niets deug<d>>t> dan om menschen te treiteren. Ze pakt een postuurken <- op>

246;al.2;21

  • D: Zie eens <+,> Guido.

246;al.2;24

  • M2a: Blijf er af <+,> Guido.

246;al.2;25-26

  • M2a: En dan zijn de traantjes er terug, den heelen dag door. [X] [?] Als er een hel is <+,> zal die dan branden
  • D: En dan zijn de traantjes er terug <-,den heelen dag door>. [-X] Als er een hel is, zal die dan branden

246;al.2;27-28

  • M1a: Komt er bezoek ze steekt Guido in een kamer en doet de deu<[x]> op slot.
  • M2a: Komt er bezoek <+,> ze steekt Guido in een kamer en doet de deu<[x] >>r> op slot.

246;al.2;30

  • M2a: Goed <+,> merci,

246;al.2;31

  • D: <in>>op> den vloer

246;al.2;31-32

  • M1b: in de<-n> spiegelkast

246;al.2;33

  • M1b: het sukkelaarken peinst <- misschien>
  • M2a: het sukkelaarken peinst <+ misschien>
  • D: het sukkelaarken peinst <- misschien>

247;al.2

  • M2a: [+X] Ei,

247;al.2;7

  • M2b: <dat>>het> ander ventje

247;al.2;8

  • D: <+,> en altijd

247;al.2;9-10

  • M2a: Ja <+,> alle gebaartjes,

247;al.2;10-11

  • M2a: maar <+ het> geluid

247;al.2;12-13

  • M2a: En van hem te zien schreien <+,> weent het kindje ook, wat het verdriet van Guido verdubbel<d>>t>.

247;al.2;13-14

  • D: Schrei niet <+,> manneken, en hij wil het stre<+e>len.

247;al.2;15

  • M2a: <+,> maar

247;al.3;2-3

  • M2b: En wie zou <- het> gelooven <-,> dat er wilde angsten komen losgestormd <.>>?> Dat ze <- nu> peinst
  • D: En wie zou <+ het> gelooven dat er wilde angsten komen losgestormd? Dat ze peinst

247;al.3;5

  • M2b: <haren>>haar> spookkop

247;al.4;2

  • M2b: haar kwellingen <+,> uit rijkdom

247;al.4;3-4

  • M2a: Ach ja <+,> en juist daarom leert ze het manneken alles ontbe<-e>ren <+,> en moet het
  • D: Ach ja, en juist daarom leert ze het manneken alles ontberen, <- en> moet het

247;al.4;4-5

  • M2a: arm <+,> eenzaam en vergeten.

247;al.4;5-6

  • M1b: Dezen die de grootsten is, die<+n> niemand
  • M2b: Deze<-n> die de grootste<-n> is, dien niemand
  • D: Deze<+n> die de grootste is, dien niemand

247;al.4;6-7

  • M2a: en waaraan ze <alleens>>eens> misschien niet gelooft,
  • M2b: en waaraan ze <- eens> misschien niet <+ eens> gelooft

247;al.4;8

  • M2b: nutteloos is <,>>.> <h>>H>aar moeiten <,>>en> haar angsten <+,>
  • D: nutteloos is. Haar moeiten <en>> , > haar angsten,

247;al.4;10

  • M2a: ach lieve God <+,> spreek <.>>,> <B>>b>en ik

247;al.4;11-12

  • M2a: Guido <,>>.> <i>>I>s het

247;al.4;12

  • D: <ons>>onze> zenuwen?

248;al.1;1

  • M1b: wilde<+n> angst want och ja,
  • M2a: wilden angst <+,> want <+,> och ja,
  • D: wilden angst, want <-,> <och ja>>ach>,

248;al.1;2

  • M2a: binnen in Guidoken, hij werd<-t>
  • M2b: binnen in Guidoken <,>>.> <h>>H>ij werd

248;al.1;4

  • M2a: [-X] Zulke dingens
  • M2b: [-X] Zulke dingen<-s>

248;al.1;5

  • M2a: op een <w>>W>oensdag <+,> en den <d>>D>onderdag

248;al.1;8

  • M2b: Aai <-,>

248;al.1;9

  • M1b: botterik<-k>en

248;al.1;14

  • M2b: <hem>>hen> achterna

248;al.1;15

  • M2b: weiger hem <- van> alles.

248;al.2;3-4

  • D: uw bevelen <+,> waar ge voor betaald wordt <- gaan> <+,> ontloopen?

248;al.2;5

  • D: ook <- al> iets.

248;al.2;8

  • D: <vingeren>>vingers> te <zien>>kijken>.

248;al.2;11

  • M2a: En ja <+,>

248;al.2;12

  • M2a: En ze knikken. Zegt gij zooiets tegen een rijke mensch <!>>.>
  • D: En ze knikken <.>>,> <Z>>z>egt gij zooiets tegen een rijke mensch.

248;al.2;12-13

  • M2a: Ja <+,> en als ze ons eens vermoor<d>>t> <+,> wat dan?
  • D: Ja, en als ze ons eens vermoor<t>>dt>, wat dan?

248;al.2;14-15

  • M2b: <+,> legt zijn beetje moed bijeen <.>>:> <'kzal ik>>ik zal> het hem zeggen.

248;al.2;15-16

  • M2b: of <hij>>Mark> het geriekt: de deur gaat open en <Mark>>hij> is daar.
  • D: of Mark het <- ge>riekt: de deur gaat open en hij is daar.

248;al.2;16

  • M2a: Vandaag niet <+,>

248;al.3

  • M2a: [+X] Jamaar,

248;al.3;1

  • D: En die deur <,>>?> <e>>E>n geen eten?

248;al.3;2-3

  • D: <koleuren>>kleuren>

248-249;al.3-al.1;4-1

  • M2a: Hij luistert geduldig, hij verstijf<d>>t>.
  • M2b: Hij luistert geduldig <,>>.> <h>>H>ij verstijft.

249;al.1;1

  • M2a: <presies>>precies>

249;al.1;4

  • M2a: Och <+,> dat domme dienstvolk ook, wat ze hen toch
  • D: Och, dat domme dienstvolk ook, wat ze <hen>>zich> toch

249;al.1;6-7

  • M2a: Zoo <!>>,> zegt Mark. Hij keert <hem>>zich om <.>>:> Maak den auto gereed, en kom Hilda.
  • D: Zoo, zegt Mark. Hij keert zich om: Maak den auto gereed, en kom <+,> Hilda.

249;al.1;9

  • M2a: <een>>één> stuk.

249;al.2;3

  • M1a: er zat een beest, daar stond<-t>
  • M2b: er zat een beest <,>>.> <d>>D>aar stond<-t>

249;al.2;4

  • D: die hem <zou>>zon> opeten,
  • VW: die hem [zon]]zou] opeten,

249;al.2;6-7

  • M2a: <- Want> Guido stapt altijd voort, ziet van tijd tot tijd eens om, en niemand.
  • M2b: Guido stapt altijd voort, ziet van tijd tot tijd eens om <,>>:> <- en> niemand.

249;al.2;7

  • D: hooger <om>>en> hooger

249;al.2;9

  • M2b: alle soorten <- van> rommel.

249;al.2;13-14

  • M2b: En hij moet lachen <,>>.> <w>>W>at een vreemd geluid is dat <,>>?> Guidoken die lacht!
  • D: En hij moet lachen. Wat een vreemd geluid is dat? Guidoken die lacht <!>>.>

249;al.2;15

  • M2a: gaan straffen <:>>.> Hij heeft

249;al.2;17

  • M2a: zet <hem>>zich>

249;al.2;17-18

  • M2b: kijkt voor <hem>>zich> uit als altijd.
  • D: kijkt voor zich uit <als>>lijk> altijd.

249;al.2;20

  • M2a: met een muizenval <!>>.>

249;al.2;20

  • M2a: Alstublieft <+,> doe het niet <+,> lieven loekenbeer <!>>.>
  • M2b: Alstublieft, doe het niet, lieve<-n> loekenbeer.

249;al.2;20-21

  • D: En hij vouwt zijn kleine zwarte pollekens <- thoop>.

249;al.3;2

  • M2a: Maar <+,> zal ze

249;al.3;3

  • D: niet zoo <van>>door> gekweld worden.

250;al.1;2

  • D: <misterieuzen>>mysterieuzen>

250;al.1;3

  • M2a: zullen naar toe gaan <.>>,> <D>>d>an lacht hij
  • D: zullen <naar toe>>heen> gaan, dan lacht hij

250;al.2;2

  • M2a: <+,> allemaal op en weg.

250;al.2;4

  • M2b: <Boeikens>>Boeykens>

250;al.2;5

  • M2b: die wil onbekend blijven <,>>.> <o>>O>f
  • D: die <wil onbekend>>onbekend wil> blijven <.>>,> <O>>o>f

250;al.2;11-12

  • M2a: op te zien <:>>.> En welk een kerk is het nu die ge gaat bouwen, vraagt hij.
  • D: op te zien. En welk een kerk is het nu die ge gaat bouwen <,>>?> vraagt hij.

250;al.2;12

  • M2a: Hoe <+,>

250;al.2;13

  • M2b: welk<+e> <- een> zeever is dat nu <!>>?>

250;al.2;10-11

  • M2a: <+,> en achter Sander zijne rug gebaart er eenen
  • M2b: , en achter Sander zijn<-e> rug gebaart er eene<-n>

250;al.2;12-13

  • D: Onsheer is toch Onsheer zeker <!>>.>

250;al.3;3

  • M2a: Ja <+,>

250;al.3;4-5

  • D: een pikzwarte<-n> nacht ligt waarin <van>>juist> alles kan gebeuren.

250;al.3;5

  • M2a: In den prillen <- morgen>
  • M2b: In den prillen <+ morgen>

250;al.3;9-10

  • M2a: Ja <+,> zeg dat,

250;al.3;10

  • M2b: dingen<-s>

250;al.3;12

  • M2a: u naar buiten <trékt>>trekt>.
  • M2b: u naar buiten trekt <+ en trekt>.

251;al.1;1

  • M2a: Oorlog! Oorlog <,>>!> en de man

251;al.1;2

  • M2a: stond<-t> en met iedereen lacht<-t>e

251;al.1;2

  • D: als ze over oorlog klapte<-n>,
  • VW: als ze over oorlog klapte [+n],

251;al.1;6

  • M1a: op haren <schoot # arm>
  • M2b: op <haren>>haar> arm

251;al.1;8

  • D: <komen werken is>>is komen werken>,

251;al.1;8-9

  • M2a: zijn vrouw af <.>>:> Morisken,

251;al.1;10

  • M2a: gehoord <!>>?>

251;al.1;11

  • M2a: Het waren bommen <!>>.>

251;al.1;12

  • M2a: <presies>>precies>

251;al.1;13

  • M2b: dingen<-s>

251;al.1;14-15

  • M2a: klein wordt <-,> verbeelden ze <hun>>zich>

251;al.2;1

  • M2b: De <eenigste>>eenige> die kalm blijft midden <- van> donder en bliksem
  • D: De eenige die kalm blijft <+ te> midden <+ van> donder en bliksem

251;al.2;2

  • D: de<-n> oorlog

251;al.2;5-6

  • D: gaan zoeken <?>>.> Ze komen anders rap genoeg <.>>!>

251;al.2;7

  • D: de<-n> boskool

251;al.2;8

  • M2a: Ja <+,> en zijt stille,
  • M2b: Ja, en zijt stil<-le>,

251;al.2;13-14

  • M2a: van alles <+,> van alles. Ik kan dat ook peinst hij <+,> en zijn herteken popelt <,>>.> <h>>H>ij heeft
  • D: van alles, van alles. Ik kan dat ook <+,> peinst hij, en zijn <herteken>> harteken> popelt. Hij heeft

251;al.2;14

  • M2a: Kom Albrik <+,>

251;al.2;16

  • M2a: wachten <,>>.> <h>>H>ij stormt alleen naar huis door de stra<-a>ten

251;al.2;18-19

  • M2a: weg is <+,> zitten ze binnen hun angst en hun schrik te overpeinzen <:>>.> En wat

252;al.1;1-2

  • M2a: te vinden is <:>>.> En laat mij hem behouden, God <+,> dat er hem eens iets moest overkomen <!>>.>

252;al.1;3

  • M2a: binnen komen <+,> scharrelt

252;al.1;5

  • M2a: <+,> zegt ze,

252;al.1;6

  • M2a: Een teekenboek <+,>

252;al.1;10-11

  • M2a: [-X] Een teekenboek <+,> gromt Sander.

252;al.1;12-13

  • M2a: den houten muur <achter>>door>, <+ hij ziet er misschien> de vlakte <+ door>

252;al.1;17

  • M2a: Hij antwoord niet, maar brengt <savends>>'savends> een schrijfboek mee.
  • M2b: Hij antwoord<+t> niet, maar brengt 'savends een schrijfboek mee.
  • D: Hij antwoordt niet, maar brengt <'savends>>'s avends> een schrijfboek mee.

252;al.2;1

  • M2a: [+X]<- En> <t>>T>eekent mij nu eens een boot <+,>
  • M2b: [X] Teeken<-t> mij nu eens een boot,

252;al.2;2

  • M2a: nog eenen en nog eenen, allemaal booten <+,> zijn heelen boek vol.
  • D: nog een<-en> en nog een<-en>, allemaal booten, zijn heele<-n> boek vol.

252;al.2;3-4

  • D: <z>>Z>ondagachternoen dat het regent <+,> en de ander<+e> menschen voor de<-n> radio naar berichten luisteren van het front, <- dan> zit Sander

252;al.2;6

  • M2b: van alles <- reeds> gehoord

252;al.2;8

  • M2b: waar <- van> alles in ligt

252;al.2;10-11

  • M2a: Maar <savends>>'s avends> bidt ze niet meer: <E>>e>n bescherm mijn Sander <+,> amen.

252;al.2;11-12

  • D: Dat hij zijn plan trekt <+,> zegt ze, ik trek <den>>het> mijne<-n> ook.

252;al.3;4-5

  • M2b: muur <,>>.> <w>>W>ant

252;al.3;5

  • D: een nieuw<-en>

253;al.1;2

  • M2a: wacht<-t>en naar iemand
  • D: wachten <naar>>op> iemand

253;al.1;4

  • M2a: het is tijd voor school <!>>.>

253;al.1;4-5

  • M1a: Onder aan den trap <roept # schreeuwt> hij: Albrie-ik, en hij kijkt naar alle dingens
  • M2b: Onder aan de<-n> trap schreeuwt hij: Albrie-ik <,>>.> <e>>E>n hij kijkt naar alle dingen<-s>
  • D: Onder aan de trap schreeuwt hij: Albrie-ik. <- En> <h>>H>ij kijkt naar alle dingen

253;al.1;6-7

  • M2a: blik <.>>,> <Presies>>precies> of al de ander kinderen, de schoolmeesters, en de vliegtuigen
  • M2b: blik, precies of al de ander kinderen, de schoolmeesters, <- en> de vliegtuigen
  • D: blik, precies of al de ander<+e> kinderen, de schoolmeesters <-,> <+ en> de vliegtuigen

253;al.1;8-9

  • M1a: een komediespel <dat # is dat>men voor hem alleen opvoert.

253;al.2;1

  • M2a: Als Albrik <hem>>zich> lastig maakt

253;al.2;1-2

  • M2b: lijk een groote<-n> omdat hij weer straf moet,
  • D: lijk een groote omdat hij weer straf moet <+ maken>,

253;al.2;3-4

  • M2a: Lach daar niet mee<+,> zegt Albrik,

253;al.2;5-6

  • M2b: dingen<-s> die al honderde jaren
  • D: dingen die al honderde<+n> jaren

253;al.2;6

  • D: Galli<-e>ërs

253;al.2;7-8

  • M2a: Morrisken lacht, en er passeer<d>>t> hem iemand,
  • M2b: Morrisken lacht <,>>.> <e>>E>n er passeert <hem>>hen> iemand,

253;al.2;8-9

  • M2b: blijft staan <.>>:> <E>>e>n <zijde>>zijt> gij Sander zijn<-e> jongen dan? <n>>N>aar huis

253;al.2;10-11

  • M2a: geworden is <!>>.>

253;al.3;3

  • M2a: gebeur<d>>t>

253;al.3;4

  • D: en den oorlog <.>>?>

253;al.3;4

  • M2b: mijn<-e> pa

253;al.3;5

  • D: een<-e>

253;al.3;7

  • D: krabben <.>>,> <D>>d>rie kinderen dat is geen kak <+,> zulle Morris!

253;al.3;9

  • D: <+,> vraagt die.

253;al.4;1

  • M2b: en het is zaterdag, godsdienstles <,>>.> <o>>O>ver de
  • D: en het is <z>>Z>aterdag, godsdienstles. Over de

253;al.4;5

  • M2a: van over <- twee>duizend jaar.
  • D: van <over>>voor> duizend jaar.

253;al.4;6

  • M2b: uw <-s>linke wang
  • D: uw <linke wang>>linkerwang>

254;al.1;1

  • D: wat men <hen>>hun> wijsmaakt

254;al.1;2

  • M2a: van hier naar daar geslingerd <.>>,> <T>>t>usschen

254;al.1;3

  • M2a: leugens <+,> hatelijkheid <+,> recht en onderduims<+ch> gefoefel, terwijl
  • M2b: leugens, hatelijkheid, recht en onderduimsch gefoefel <,>>.> <t>>T>erwijl

254;al.1;4

  • M2a: <- een ding is dat telt,> <een>>één> ding den grooten knoop is:
  • M2b: één ding de<-n> groote<-n> knoop is:

254;al.1;4-5

  • M2b: aan uw<-en> boterham geraakt, en liefst eenen met een dikke plak bijval tusschen.
  • D: aan uw boterham geraakt, en liefst een<-en> met een dikke plak bijval <+ er> tusschen.

254;al.1;6-7

  • D: de linker<+ -> en de rechterwang

254;al.1;7

  • M2b: uw<-en> houten kloef

254;al.2;1

  • M2a: <Een>>één> Mei. En op ander éenmeidagen
  • M2b: één Mei. En op ander <éenmeidagen>>jaren>
  • D: één Mei. En <- op> ander<+e> jaren

254;al.2;2-3

  • M2a: <+,> wie het nu bij het rechte eind had<-t>, de <b>>B>elgische so<s>>c>ialisten of de spaansche, de rechtse<+n> of de linkse<+n>.
  • M2b: , wie het nu bij het rechte eind had, <- de Belgische socialisten of de spaansche,> de rechtse<-n> of de linkse<-n>.
  • D: , wie het nu bij het rechte eind had, de <rechtse>>rechtschen> of de <linkse>>linkschen>.

254;al.2;3

  • M2b: op malkanders gezicht. Gij zijt <nen>>een> anarchist, en gij een bolsjewist <- in plaats van bij ons te blijven, bij de oude en echte rooden>. Maar
  • D: op malkanders gezicht. <- Gij zijt een anarchist, en gij een bolsjewist.> Maar

254;al.2;4

  • M2b: <+,> want het is oorlog. <- En ge moogt tegen den oorlog zijn zoolang het geenen is, gelijk de kinderen die mogen zeggen, ik slaap van den achternoen niet, maar als het achternoen is moeten zwijgen en dodo doen.>

254;al.2;6-7

  • M2a: een eersten <m>>M>ei zonder betooging is geen eersten <m>>M>ei,
  • M2b: een eerste<-n> Mei zoder betooging is geen eerste<-n> Mei,

254;al.2;8

  • D: De ander<+e> kinderen

254;al.2;11

  • M2a: schiet er <hem>>zich

254;al.2;13

  • M2b: <dat>>hoe> hij krijtwit wordt

254;al.2;13

  • M2a: <presies>>precies>

254;al.2;14

  • M2a: ziel<+e>ken
  • M2b: ziel<-e>ken

254;al.2;14-15

  • M2b: Zoo <.>>!> <H>>h>et is
  • D: Zoo <!>>,> het is

254;al.2;17

  • M2b: zijn<-en> hiel

254;al.2;17

  • D: doode gemak<-ken>

254;al.2;18

  • M2a: bukt <hem>>zich> ineens en rap,
  • D: bukt zich ineens <+,> en rap

254;al.2;19

  • M2a: Ja <+,>

254;al.2;23

  • M2b: zijn<-e> pa

254;al.2;25

  • M2a: Meester <+,> er hangt

254;al.2;29

  • M2b: die scheur <,>>: ...>
  • D: die scheur: <-...>

255;al.1;1

  • M2a: <hem>>zich>

255;al.1;3

  • M2b: de <-s>linke en de rechte wang
  • D: <de linke en de rechte wang>>de linker- en de rechterwang>

255;al.1;6-7

  • M2a: Het doet zeker zeer Mieleken, vraagt hij, en toe Albrik <+,> geef hem nog een kartats <+,> zegt hij. [X] [?] Ze
  • D: Het doet zeker zeer <+,> Mieleken <,>>?> vraagt hij, en toe <+,> Albrik , geef hem nog een kartats, zegt hij. [-X] Ze

255;al.1;9

  • M2b: gremellacht <.>>,> <I>>i>n het begin <.>>,> <W>>w>ant

255;al.1;11

  • D: zoveel straf <+ maken>

255;al.1;11

  • M2a: dat ze er <hen>>zich> geen meester

255;al.1;12-13

  • M2a: En <sanderdaags>> 's anderdaags> <niet durven>>durven ze niet> naar school gaan <+,> maar <op de vlakte blijven>>ze blijven op de vlakte> spelen,
  • M2b: En 's anderdaags durven ze niet naar school <- gaan>, <- maar> ze blijven op de vlakte spelen,

255;al.1;14

  • M2a: Ze maken <-hen> een wierookpot <,>>.> <z>>Z>e staan

255;al.1;16-17

  • M2a: <B>>b>onpa op bezoek. Die heeft het beter <+,> zegt

255;al.1;23-24

  • M2a: Het slaat ineens, lijk een bliksemslag door zijn hoofdje <+,>
  • M2b: Het slaat ineens <-,> lijk een bliksemslag door zijn hoofdje,

255;al.1;24

  • D: een andere<-n> wereld

255;al.1;26

  • M2b: dingen<-s>

255;al.1;27

  • M2a: <presies>>precies> op slag kleiner
  • M2b: precies <op slag>>ineens> kleiner

255;al.1;28

  • M2a: Hij keert <hem>>zich> om

255;al.1;29-31

  • M2a: Allez <+,> stap voort Guido <+,> en ge moogt nooit omzien, dat betaamt niet. [-X] En hebt ge het bogot gezien,
  • D: Alleze, stap voort <+,> Guido, en ge moogt nooit omzien, dat betaamt niet. En hebt ge het <bogot>>begot> gezien,

255;al.1;31

  • M2a: hij schreid<-d>e toch ook al
  • D: hij schreide toch ook <+,> al

255;al.2

  • M2a: [+X] Hij is terug kontent,

255;al.2;1-2

  • M2b: een schoonen theater waar hij mag naar <zien>>kijken>.
  • D: een schoon<-en> theater waar hij <mag naar kijken>>naar kijken mag>.

255;al.2;4

  • M2a: maakt hij <- hem> in het geheim

256;al.1;4

  • M2b: Hij gaat <- maar> weer binnen

256;al.1;6

  • M2a: <presies>>precies>

256;al.1;7

  • M2b: den andere<-n>

256;al.2;1-2

  • M2b: en <hem>>zich> suf te peinzen

256;al.2;4-5

  • M2b: hoe grooter de<-n> berg wordt die ligt te wachten. <- Ze pompen Guido al maar meer verstand in, terwijl hij er ligt in te verdrinken.>
  • D: <+,> hoe grooter de berg wordt die ligt te wachten.

256;al.2;6

  • M2a: letters en <c>>[x]>ijferkens
  • M2b: letters en <[x]>>c>ijferkens

256;al.2;7

  • M2b: <dat zou>>is> een zachte hand <- zijn> die

256;al.2;8-9

  • M2b: over zijn kopken <streek>>strijkt>, iemand die <zei>>zegt> <,>>:> kom eens hier mijn<-e> jongen.
  • D: over zijn kopken strijkt, iemand die zegt: kom eens hier <+,> mijn<+e> jongen.

256;al.2;10-11

  • D: een <staal>>stalen> gezicht

256;al.2;11

  • M2b: schudt ze <- eens> haar hoofd,
  • D: schudt ze <+ eens> <haar>>het> hoofd,

256;al.3;3-4

  • M2b: eene<-n> die juist alles ziet. Hoe is het mogelijk
  • D: een<-e> die juist alles ziet <.>>,> <H>>h>oe is het mogelijk

256;al.3;6

  • D: doodarme ouders <+,> die

256;al.3;8

  • M2b: een schoone<-n> naam

256;al.3;9

  • D: de<-n> zot

256;al.3;12-13

  • M2a: Waar is den tijd dat ik dien nog onder mijn handen had<-t>.
  • D: Waar is de<-n> tijd dat ik dien nog onder mijn handen had <.>>!>

256;al.4;1

  • M2a: vraagt <hem>>zich> af

256;al.4;2

  • M2b: die<-n>

257;al.1;3

  • M2a: duitsche woorden. [X] [?] Guido smijt <hem>>zich>
  • D: <d>>D>uitsche woorden. [-X] Guido smijt zich

257;al.1;4

  • M2a: <aai-aai>>aai, aai>

257;al.1;5

  • M2a: <+,> duivel die ge zijt.

257;al.1;5

  • M2b: Het wordt stil<-le>.

257;al.1;7

  • M2b: weet te zeggen <+,> manneken <!>>,> <I>>i>k heb

257;al.1;8

  • M2b: uw<-en> kop

257;al.1;10

  • M2b: op een moeder die <verweg>>ver weg>
  • D: <op>>om> een moeder die ver weg

257;al.2;1

  • D: Zijn<-e> <p>>P>a komt niet <- op>, en ze steken hem <- maar> voorloopig

257;al.2;2

  • M2b: <hem>>zich>

257;al.2;4

  • M2a: zijn oogsken<+s>

257;al.2;4

  • M2a: <presies>>precies>

257;al.2;6

  • M2b: <hem>>zich>

257;al.2;8

  • M2b: <hem>>zich>

257;al.2;9

  • M2b: zijn handen <,>>.> <h>>H>ij laat

257;al.3;1

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

257;al.3;1-2

  • M2a: te eten. En dan voort <.>>,> <Z>>z>aken, zaken.
  • D: te eten <.>>,> <E>>e>n dan voort, zaken, zaken.

257;al.3;6-7

  • M2a: Kolen <+,> leder <+,> treinriggels <+,> lokomotieven, hij maakt alles,

257;al.3;7

  • M2b: de<-n> groote<-n> toovenaar.

257;al.3;10

  • M2a: vecht<-t>en

257;al.3;13-14

  • M2b: heel ander dingen<-s> <,>>en> drinkt zijn koffie uit <:>>.> En waar
  • D: heel ander<+e> dingen en drinkt zijn koffie uit <.>>:> En waar

257;al.3;15

  • M2b: twijfelt hij toch even<-tjes>.
  • D: twijfelt hij <- toch> even<+tjes>

258;al.1

  • M2a: [+X] Ach, ach,

258;al.1;1

  • M2a: lijk zijn moeder <!>>.>

258;al.1;2

  • M2a: <hem>>zich>

258;al.1;3

  • M2a: <presies>>precies>

258;al.1;5

  • M2a: En zijde dood Guidoken? <H>>h>ij
  • M2b: En <zijde>>zijt ge> dood Guidoken? <h>>H>ij
  • D: En zijt ge dood <+,> Guidoken? Hij

258;al.1;6-7

  • M2b: Ja <+,> waar slaapt Guido nu <,>>?> <h>>H>ij klampt een meisen aan <.>>:> Waar

258;al.1;10-11

  • D: en ge ziet <- schoon> zijn kaaksbeenderen

258;al.1;12

  • M2a: <+,> zegt hij,

258;al.1;13

  • D: <teveel>>te veel>

258;al.1;14

  • D: <hong>>hing>

258;al.1;16-17

  • M2a: den man die langs hem heen slibbert <+,>
  • M2b: de<-n> man die langs hem heen slibbert,

258;al.1;18

  • M2b: eene<-n>

258;al.1;21

  • M2b: de<-n> doktoor

258;al.1;24

  • M2a: langen <+,> langen duisteren tunnel

258;al.1;25

  • D: een razende<-n> trein

258;al.1;25-26

  • M2a: loopt <+,> loopt, valt en kan niet meer op, de trein
  • M2b: loopt, loopt, valt en kan niet meer op <,>>.> <d>>D>e trein

258;al.1;26

  • M2a: <knieen>>knieën>

258;al.1;28

  • M2b: de<-n> trein is weg <,>>...> hij ligt

258;al.1;29

  • M2b: blinkende<-n>

258;al.1;30

  • D: schoone<-n>

258;al.1;31

  • M2a: [-X] Guido beziet het niet

258;al.1;32

  • M2b: een nieuwe<-n> truk

258;al.1;34-35

  • M2a: Hij laat <hem>>zich> vallen

258;al.1;36-37

  • D: dat zullen ze <- wel> geern hebben.

259;al.1;1

  • M2a: <een>>één> voor <een>>één>
  • D: <één>>eén> voor één
  • VW: [eén]]één] voor één

259;al.2;1

  • M2a: Hij wordt ouder <.>>,> <E>>e>n stilder.
  • M2b: Hij wordt ouder, en <stilder>>stiller>.

259;al.2;2

  • M2a: gaan <-,> en ziet daar

259;al.2;4

  • M2b: op het couvert <,>>.> <e>>E>n zijn oogen bezien dezen die
  • D: op het couvert. En zijn oogen bezien <dezen>>hen> die

259;al.2;5

  • M2a: <+,> koud en bot.

259;al.2;6

  • D: <+,> maar het is

259;al.2;6-7

  • M2b: een gewaagde<-n> roman

259;al.2;7

  • D: <laten slingeren heeft>>heeft laten slingeren>,

259;al.2;8

  • M2a: het is dat <!>>.>

259;al.2;12

  • M2b: en steekt <- ze> beiden weg.
  • D: en steekt beide<-n> weg.

259;al.2-al.3;13-1

  • M2a: te betrappen <,>>.> [+X] <- En> <h>>H>et zou

259;al.3;2

  • M2a: dan <+ van> verre

259;al.3;2-3

  • M2a: <hen>>zich>, de lomperik<-k>en

259;al.3;5

  • M2a: Mensch <+,> hond en kat,

259;al.3;9

  • M2a: Goeden <- dag> soortgenoot <+,> zegt hij.
  • M2b: Goeden <+ dag> <+,> soortgenoot, zegt hij.

259;al.3;12-13

  • M2a: daagt den onzichtbaren hemel uit <.>>,> <H>>h>ij vloekt waarom

259;al.3;13-14

  • M2a: niets <méer>>méér> gemaakt hebben dan maar een lompen botten mensch <!>>.>
  • D: niets méér gemaakt hebben dan maar een lompe<-n> botte<-n> mensch.

259;al.3;15

  • M2a: <+,> koel en stijf,

259;al.3;19-20

  • M2a: om te zeggen <:>>[x]><I>>i>s het niet <méer>>méér>,
  • M2b: om te zeggen <[x]>>:> is het niet méér,

259;al.3;22

  • M2a: <+,> manneken.

260;al.1;1

  • M2a: een strikvraag, waar het juist moei<-e>lijk wordt.
  • M2b: een strikvraag <-,> waar het juist moeilijk wordt.

260;al.1;4-5

  • M2b: En hij zegt <,>>:> en ge weet het niet

260;al.1;9

  • M2b: Die<-ne> mensch

260;al.1;10

  • M2b: <dat>>wat> ge

260;al.1;11

  • M2a: beklaag<d>>t> <.>>,> <W>>w>oorden
  • M2b: beklaagt <,>>.> <w>>W>oorden

260;al.1;11-12

  • M2a: aan meneer <+,> zijn papa <+,> meedeelt.

260;al.1;14

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

260;al.1;16

  • D: <op>>over> zijn handen,

260;al.1;16

  • M2b: <vroet>>wroet>

260;al.1;17

  • M2b: gehad<-t>

260;al.1;18

  • M2a: Hij legt <hem>>zich> neer op het open boek,
  • D: Hij legt zich neer <op>>over> het open boek,

260;al.1;18-19

  • M1a: vingeren door <+,>
  • M2b: vingeren door <-,>
  • D: <vingeren>>vingers> door



    [terug]