|
261;al.1;1
- M2a: van het
front <:>>.> <w>>W>ij hebben
261;al.1;2-3
- M2b: wat het
volk peinst <,>>:> <is dat nu>>nu is> de<-n>
oorlog haast gedaan <- is>
261;al.1;3
261;al.1;4
261;al.2;1
261;al.2;2
- M2b: <nief>>nieuw>
dingen
- D: nieuw<+e>
dingen
261;al.2;4
- M2b: die<-n>
pronte<-n> soldaat
261;al.2;6
- M2b: hare<-n>
Ingels
- D: <hare>>haar>
Ingels
261;al.2;6
- M2a: <God-in-den-hemel>>God
in den hemel> <+,> nu is ze
261;al.2;7-8
- M2a: <+,>
en wat moet ze hem toch gaan wijsmaken.
- D: , en wat
moet ze hem toch <- gaan> wijsmaken <.>>?>
261;al.2;8
- M2b: Ze zou
wel iets vinden, <- maar> nu is het <+ echter> de<-n> moment
- D: Ze zou wel
iets vinden <,>>.> <n>>N>u is het echter <de>>het>
moment
261;al.2;10
261;al.2;10
261;al.2;11
- M2a: Ingels
<+,> wat is dat?
261;al.2;12
261;al.2;13
- M2a: Och <+,>
och Ingels <.>>?>
261;al.2;14
- M2a: alle twee
mijn oogen <+,> zegt hij. Ja <+,> hoe
- D: alle twee
<mijn>>zijn> oogen, zegt hij. Ja, hoe
261;al.2;15
261;al.2;16-17
- M2b: deze<-n>
die hem de<-n> trap ophielp.
261;al.2;17-18
- M2a: Ja <+,>
laat hem gauw terug over die gaten vallen <+,> man <+,> of ik
261;al.2;20-21
- M2b: Een andere<-n>
mensch zijn eertse werk als hij na langen tijd thuis komt is
- D: Een andere
mensch zijn eerste werk <+,> als hij na langen tijd thuis komt <+,>
is
261;al.2;21-22
- M2a: de lijsten
<+,> de postuurkens
261;al.2;22-23
- M2b: Ingels
kan dat <- nu> niet.
261;al.2;24
261-262;al.2-al.1;25-1
- M2b: Verstaat
ge er u <- nu> nog uit,
262;al.1;3
- M2a: een stijven
<+,> dooden glimlach <+,> <L>>l>ijk
- M2b: een stijve<-n>,
doode<-n> glimlach, lijk
262;al.1;4
262;al.1;5
- M2a: <gelegenheids-gezicht>>gelegenheidsgezicht>
262;al.1;5
- M2a: Ja <+,>
met een masker
262;al.1;8-9
- M2b: God, Ingels,
man, blond <+...> dat ge <->>,> dat ge... Ja <+,>
zegt Ingels, ik weet wel
262;al.1;10
- M2a: <+,>
want in de wieg
262;al.1;12
262;al.1;12-13
- D: <Hadt>>Was>
hij gezond
262;al.1;14
- M2a: Maar nu
<!>>.> Kunt ge nu tegen een blinden gaan liegen?
- D: Maar nu.
Kunt ge nu tegen een blinde<-n> gaan liegen?
262;al.1;16
262;al.1;18
- M2b: de<-n>
glimlach terug op het star gezicht.
262;al.1;19-20
- M2a: onzen Albrik
<+,> zegt Maria.
- M2b: onze<-n>
Albrik, zegt Maria.
262;al.1;22
- M2a: op en neer
gaat <,>>.> <W>>w>ant
262;al.1;23
262;al.2;1
- M2b: <zien>>kijken>.
Een blinde<-n> soldaat
262;al.2;3
262;al.2;5
262;al.2;7
- M2a: een stilderen
mond met een groefje er rond <+.> [+X] <- en> <a>>A>ls
- M2b: een <stilderen>>stilleren>
mond met een groefje <- er> rond <.>>,>[-X] <+
en> <A>>a>ls
- D: een stilleren
mond met een groefje <+ er> <rond>>om>, en als
262;al.2;8
262;al.3;2
- M2b: zijn <rug>>schouders>
263;al.1;1
- M2b: den <blinden>>Blinde>.
De<-n> <blinden>>Blinde>
- D: de<-n>
Blinde. De Blinde
263;al.1;1
- M2a: Ah <+,>
goeden dag <+,>
263;al.1;2
- M2a: Ja <+,>
dat zoudt ge een<-s>
- M2b: Ja, dat
zoudt ge een<+s>
263;al.2;2
263;al.2;5
- M2b: <- af>pakt
en een witten stok in de plaats geeft <.>>,> <D>>d>at
263;al.2;7
- M2b: den <bllinden>>Blinde>
- D: de<-n>
Blinde
263;al.2;7
- M2a: <Savends>>'s
Avends>
263;al.2;7-8
- M2b: uw<-en>
pa, Albrik <-,> en op de kinderen.
263;al.2;9-10
- M2a: <de
nieuwe gas>>deniuuwe gas>
- M2b: <deniuuwe
gas>>de nieuwe gas>
- D: <de nieuwe
gas>>De Nieuwe Gas>
263;al.2;10
- M2a: <Sanderdaags>>'s
Anderdaags>
263;al.2;11
263;al.2;12
- M2a: Hoe <+,>
twee,
- M2b: Hoe <-,>
twee,
263;al.2;15
- M2a: <snoenens>>'s
noenens>
263;al.2;16
- M2a: een heel
klein <stukje>>beetje>
263;al.2;18
- M2b: alles? <+...> <O>>o>f ge moet
263;al.2;19
- M2a: Aai zijn
moeder is een dief <!>>.>
- D: Aai <+,>
zijn moeder is een dief.
263;al.2;21
263;al.2;22-23
- M2a: stelen
<+,> is dat erg Jean? Hebde gij gestolen?
- M2b: stelen,
is dat erg Jean? <Hebde>>Hebt> gij gestolen?
- D: stelen, is
dat erg <+,> Jean? Hebt gij gestolen?
263;al.2;23-24
- M2a: Neen, maar
moest ik nu <+,> of mijn moeder per exempel stelen <+,> zou dat
263;al.2;27
- M2a: nu ja <+,>
dat is iets anders,
263;al.2;28
263;al.2;30
264;al.1;1
- D: toch een
misdaad <+,> Jean,
264;al.1;2
- M2a: rolt <-
hem> een sigaret <+,> en doet
264;al.1;2
- M2b: vermijden
<-,> dat hij
264;al.1;4
- M2b: de<-n>
heele<-n> aardbol
264;al.1;5-6
- M2a: en zeggen
<+:> <w>>W>eet ge nu wat? Ze hebben den wereldbol van onder
ons voeten gestolen <!>>.>
- M2b: en zeggen:
Weet ge nu wat <?>>,> <Z>>z>e hebben den wereldbol
van onder ons voeten gestolen.
264;al.1;8
264;al.1;9-10
- M2a: Steelt
u <bogot>>godomme> rijk jongen, als ge kunt.
- M2b: Steel<-t>
u godomme rijk jongen <-,> als ge kunt.
- D: Steel u godomme
rijk <+,> jongen <+,> als ge kunt.
264;al.1;11
264;al.1;11-12
- M2b: en begint <den>>het> boek te vertellen <die>>dat> hij
264;al.1;12-13
264;al.1;13
- M2b: geen gedacht
<- zullen> hebben
264;al.1;17
- M2b: van nu
af <- aan> leeft hij in een dubbelen wereld.
- D: van nu af
leeft hij in een dubbele<-n> wereld.
264;al.1;17-18
- M1a: Met zijn
gedachten <leeft # is>
264;al.1;18-19
- M2b: geduld
heeft <van>>en> wachten <+ kan>,
264;al.1;19
264;al.1;21-22
- M2a: geen zonde
is <,>>.> [+X] <w>>W>ant
- M2b: geen zonde
is. [-X] Want
264;al.1;23
- M2b: <- iemand
anders> iets verdoken <- af> te pakken.
264;al.2;1
- M2a: <Savends>>'s
Avends> maakt Maria haar gereed.
- M2b: 's Avends
maakt Maria <haar>>zich> gereed.
264;al.2;2
- M2a: doen zulle
Ingels <.>>!> Ja <+,> den blinden
- M2b: doen zulle
Ingels! Ja, zegt de<-n> <blinden>>BLinde>
- D: doen <+,>
zulle Ingels! Ja, zegt de Blinde
264;al.2;5
264;al.2;6
264;al.2;7-8
- M2a: die ze
niet verstaat en die vraagt <+:> waarom moet ge proper kousen aanhebben
- D: die<+n>
ze niet verstaat en die vraagt: waarom moet ge proper<+e> kousen <aanhebben>>aan
hebben>
264;al.2;9-10
- M2b: Lijk al de ander vragen die elkander opvolgen <lijk>>als> de paardekens
- D: Lijk al de ander<+e> vragen die elkander opvolgen als de paardekens
264;al.3;1
- M2a: in de school
<+,> omdat
264;al.3;2
- M2a: <+,>
want <ik heb>>hij heeft>
264;al.3;3-4
- D: bij Jean
<.>>:> Ze hebben
264;al.3;4
265;al.1;1
- M2a: <+,>
zegt Jean, want ge zijt een stommerik, houdt dat voor u.
- D: , zegt Jean,
want ge zijt een stommerik, houd<-t> dat voor u.
265;al.1;3
- M2b: zal <-
het> niemand weten dat er een nieuwen wereld
- D: zal niemand
weten dat er een nieuwe<-n> wereld
265;al.1;4
265;al.2;1-2
- M2b: Hoe moet
hij nu <- gaan> uitleggen
265;al.2;4
265;al.3;2
- M1b: gedachten<+is>
heeft
265;al.3;2-3
- M2a: een pop
van zagemeel die een been mankeert <+,>
- M2b: een pop<+je>
van zagemeel <die>>dat> een been mankeert,
265;al.3;5-6
- M2a: Blijf uit
dat schof <+,> Marian. Marianneken laat het schof halverwegen open hangen
- M2b: Blijf uit
<dat schof>>die schuif> <+,> Marian. Marianneken laat <dat
schof>> de schuif> open hangen
- D: Blijf uit
die schuif, Marian. Marianneken laat de schuif <open hangen>>openhangen>
265;al.3;7-8
- M2a: donker<+e>
oogen in een smal gezicht. Het is <presies>>precies>
- M2b: donkere
oogen in <een>>het> smal gezicht. Het is precies
265;al.3;8
- M2b: maar nog
<een beetje>>wat> fijner.
265;al.3;9
265;al.3;10
265;al.3;11-12
- M2b: <- Noch>
Elie <die daar zit>>zit daar> met een mond <die>>welke>
spijtig naar beneden zakt <+;> <en naar die deur staart>>ze
staart naar die deur> met den kapstok aan,
- D: Elie zit
daar <+,> met een mond welke spijtig naar beneden zakt; ze staart naar
die deur met den kapstok <+ er> aan,
265;al.3;13
- M2a: de<+n>
kop
- M2b: de<-n>
kop
265;al.3;15-16
- M2a: Maar <mijnhemel>>mijn
hemel>,
265;al.3;17
- M2a: zitten
naar te zien <!>>.> Noch Jean
- M2b: <- zitten>
naar te zien. <Noch>>Ook> Jean
265;al.3;17-18
265;al.3;18
265;al.3;19
- D: <Saargebied>>Saargebied>
265;al.3;19
- M2b: binnenkruipt
<.>>,> <+ zegt niets.> [X] Het blijft doodstil
- D: binnenkruipt,
zegt niets. [-X] Het blijft doodstil
265;al.3;23
- M2a: Dat hoekjen
neven de schouw is <hare>>haar> kleine wereld.
- M2b: Dat hoekje<-n>
neven de schouw is haar kleine wereld.
265;al.3;23-25
- M2b: De pop
doet dodo <en>>;> er kruipt een vlieg over den muur. Ssst <+
...> vliegje, <m>>M>ieken slaapt.
- D: De pop doet
dodo; er kruipt een vlieg over den muur <.>>:> Ssst... vliegje
<, >>.> Mieken slaapt.
265;al.3;26
- M2a: wasschen
<+,> vliegsken?
266;al.1;1
- M2a: <+,>
komt Albrik seffens binnengevlogen achter Jean.
- M2b: , komt
Albrik seffens binnengevlogen <achter>>naar> Jean.
266;al.1;2-3
- M2b: wat vies
te vertellen <,>>:> de menschen
- D: wat <vies>>vreemds>
te vertellen: de menschen
266;al.1;4
266;al.1;5-6
- M2a: ziet hij
<hem>>zich> verongelijkt. En kom <+,> Marianneken <+,>
zegt hij dan,
266;al.1;7
- M2b: Mag <m>>M>ieken
meegaan Albrik?
- D: Mag Mieken
meegaan <+,> Albrik?
266;al.1;9
- M2b: aan zijn
hand <.>>:> <W>>w>e gaan
266;al.1;11
- M2a: , want
ze verplaatsen <hen>>zich>
- M2b: <-,>
want ze <verplaatsen>>zetten> zich
266;al.2
- M2a: [+X]
En het is waar ook,
266;al.2;3
266;al.2;8
- M1b: werkt <+
amper> drie dagen
266;al.3;3
- M2b: van de
voorstad <-,> dan niet
266;al.3;3-4
- M2a: Zie eens,
zie eens <+,> kraait Marian,
266;al.3;8
- D: Schiet er
maar op <+,> zulle!
266;al.3;10-11
- M2a: Ja <+,>
schiet er maar op <+,> en dan vlak door iemand zijn oogen zeker <!>>.>
266;al.3;11
132;al.3;13
266;al.3;13-14
- M2a: zijn beenen
<+,> zoodat zijn <knieên>>knieën> knikken en
hij draait <hem>>zich> om. Hij
- M2b: zijn beenen,
zoodat zijn knieën knikken <en>>.> <h>>H>ij draait
zich om <.>>,> <H>>h>ij
266;al.3;15
- M2a: die<+n>zelfden
- M2b: <dienzelfden>>diezelfde>
267:al.1;2
- M2a: <+,>
want hooger geraakt hij niet. Aai <+,> zegt den grooten lummel <+,>
en
- M2b: ,want hooger
geraakt hij niet. Aai, zegt de<-n> groote<-n> lummel, en
267;al.1;4-5
- M2a: <+,>
maar Albrik schreit <.>>,> <S>>s>chreit van woede
<+,> schaamte en onmacht.
267;al.1;6
267;al.1;7
267;al.1;8
- M2b:
Op den <blinden>>Blinde> misschien <!>>[:
!/. [?] ]>
- D: <Op>>Om>
den Blinde misschien <[: !/. [?] ]>>.>
267;al.1;8-9
- M2a: Kom <+,>
Marianneken <+,> zegt hij al snokkende.
- M2b: Kom, Marianneken,
zegt hij al snokkend<-e>.
267;al.1;10
267;al.1;11
- M2b: <forsiger>>forser>
- D: <forser>>forscher>
267;al.1;12
- M2b: <- steken
in haar zij krijgt en> hem niet volgen kan.
267;al.1;13
267;al.1;14
- M2a: nooit meer
zeggen <+,> Albrik.
267;al.1;17
267;al.1;17-18
- M2b: <+ dat
ze> op hun manier <- dat ze> <+ ook> een kelder hebben <-
ook>.
267;al.1;18-19
- M2a: En zie
eens <+,> zegt Marianneken, er komt iemand van onder gekropen.
- M2b: En zie
eens, zegt Marainneken, er komt iemand <van onder>>onderuit>gekropen.
267;al.1;19
- M2b: Albrik
<ziet>>kijkt> om,
267;al.1;20
267;al.1;20
- M2a: zijne<+n>
mond
- M2b: zijn<-en>
mond
267;al.1;21-22
267;al.1;22
- M2a: ze loopt
door <+,> zoo rood als vuur
- M2b: ze loopt
door, zoo rood als <vuur>>bloed>
267;al.1;24
267;al.1;24
- M2a: van alle
dagen <!>>.>
267;al.1;25
- M2b: Wat komt
hij toch <- niet> allemaal tegen <!>>.>
- D: Wat komt
hij toch allemaal tegen <.>>!>
267;al.1;27
- M2b: en <+
dat> geen enkele<-n>
267;al.1;27-28
- M2b: Ze zullen
<hen>>zich>
267;al.1;29
- D: de<-n>
nieuwe<-n> wereld
267;al.1;31-32
- M2b: <als>>dan>
Bernardeken zijn<-e> pa die dood is. [-X] Dood, is die dood?
267;al.2;1
- M2a: <Sanderdaags>>'s
Anderdaags>
267;al.2;4
268;al.2;1-2
268;al.2;2
- M2a: <Boeikens>>Boeykens>
268;al.2;3
- M2a: hij voelt
<hem>>zich> toch al den pastoor
- D: hij voelt
zich toch al de<-n> pastoor
268;al.2;4
- M2a: gladgeschoren
gezicht <+,> en
- D: <gladgeschoren>>glad
geschoren> gezicht, en
268;al.2;5
- M2b: de<-n>
echte<-n> man
268;al.2;6
- M2a: <+,>
klapt Bernard over dezen die dood is,
- D: , klapt Bernard
over <dezen>>hem> dood is,
268;al.2;7
268;al.2;9
- M2a: <Boeikens>>Boeykens>
268;al.2;11
- M2a: Neen <+,> het is dat niet <+,> zegt Bernard,
268;al.2;13
- D: <-n>iets
meer over.
- VW: [+n]iets meer over.
268;al.2;14
268;al.2;18
- M2a: niet terug
<,>>.> <h>>H>et is
268;al.2;19
268;al.2;21-22
- M2a: En pastoor <Boeikens>>Boeykens> knikt altijd voort <+,> al stappende. Ja <+,> zoo is het <+,> zegt hij.
268;al.2;22-23
- M2a: een <+
zeer> serieus mensch
- D: een zeer
serieus<+e> mensch
268;al.2;25
268;al.2;29-30
- M2a: die kruisen
<+,> welke
268;al.2;30-31
- D: <op>>aan>
dingen<-s> doen denken waar een simpele<-n> niet geern aan herinner<t>>d>
wordt.
268;al.2;33-34
269;al.1;1
- M2b: eene<-n>
- D: <eene>>iemand>
269;al.1;1-2
269;al.1;2
269;al.1;3
269;al.2;1-2
- M2a: tikt, een
twee <+,> een twee, <tiktak>>tik tak>, <tiktak>>tik
tak>.
- D: tikt
<,>>:> een twee, een twee, tik tak, tik tak.
269;al.2;3
269;al.2;4
269;al.2;6
269;al.2;6
- M2a: Ja <+,>
<dood-stil>>doodstil>,
269;al.2;8
269;al.2;9-10
- M2a: hij zit
uit te rust<-t>en.
- M2b: <hij>>die>
zit uit te rusten.
269;al.2;10-11
- M2b: <met>>waar>
een wit<-ten> doek op<+staat>.
269;al.2;11
269;al.2;12
269;al.2;14
- M2b: <- om>
te beginnen schilderen.
- D: te beginnen
<+ met> schilderen.
269;al.2;17
- M2a: niets <+,>
vraagt hij.
269;al.2;18
269;al.3;1-2
- M2b: vlak voor
hem <-,> en vlak achter hem voorbij zoodat
- D: vlak voor
hem en vlak achter hem voorbij <+,> zoodat
269;al.3;2-3
- M2b: <er>>het>
niet <- meer> kan <- naar> grijpen
269;al.3;4
- M2a: <-,>
en hij sluit <hem>>zich> op
269;al.3;5-6
- M2a: te kennen
<.>>,> <E>>e>n een radeloosheid.
269;al.4;1
- M2b: een schetsken
uit <+,> een landschapken.
135;al.4;2
- D: scheeve boomen
<+,> en scheeve huizekens
269;al.4;3
- D: en onweersvlagen
<-, of onder een doodende hitte>.
269;al.5;1
- M2a: [+X]
Altijd dezelfde kromgegroeide boomkens,
269;al.5;2
- D: <+ over
hen> hebben zien <- over hen> gaan, die klein<+e> kinderen
269;al.5;3
- D: <weten
oud worden hebben>>hebben zien oud worden> <-,> en zien sterven
<+,> en weer ander<+e> kinderen
269;al.5;4
- D: altijd dezelfde
<,>>.> <w>>W>ant
270;al.1;1-2
- M2b: lijk die
huizekens <+,> moet ge op den duur
- D: <+,>
lijk die huizekens, moet ge op den duur
270;al.1;4
- M2a: met zijn
kleurkens <:>>.> Is dat
270;al.1;6
- M2a: <pleksken>>plaksken>
270;al.1;8
- M2a: over kleur
<+,> diepte en perspektief.
270;al.1;10
- M2a: Het is
schoon <+,> zeggen ze,
270;al.1;14
- M2a: <tik-tak
tik-tak>>tik tak, tik tak>
270;al.1;17
- D: te gaan zien
<-,> en verwonderd
270;al.1;18
- M2b: niets,
niemand <.>>,> <S>>s>tilte en verlatenheid.
270;al.1;22
270;al.1;24-25
- M2a: <+,>
hoe grooter het besef van nooit iets te kunnen. [-X] Hij legt
270;al.1;26
- M2a: <Boeikens>>Boeykens>
270;al.1;30
- M2a: Pastoor
<Boeikens>>Boeykens> verstaat er <hem>>zich> niet
uit. Hij
- M2b: Pastoor
Boeykens verstaat er zich niet uit <.>>,> <H>>h>ij
270;al.1;32-33
- M2a: <Boeikens>>Boeykens>
270;al.1;34
270;al.1;36
- M2a: als E. H. <Boeikens>>Boeykens> het eindelijk gaat afstappen <+,>
271;al.1;1
271;al.1;2
- M2a: Maar God
<+,> van wat leeft
271;al.1;4
- M2a: droomen
<+,> twijfel en kommer,
271;al.2;1
271;al.2;3
- M2b: niets <-
meer> waard.
271;al.2;5-6
- M2b: of een
woord <- te> spreken, op een anderen wereld <- te> wonen of dood
<-te> zijn,
- D: of een woord
spreken, op een andere<-n> wereld wonen, of dood zijn,
271;al.2;7-8
- M2a: en <hem>>zich>
op den dorpel zetten in den lommer
- M2b: en zich
op den dorpel zetten in <den>>het> lommer.
271;al.2;10
271;al.2;11
- M2a: <een>>één>
been
- D: één<+e>
been
271;al.2;12
- M2a: God <.>>,>
God <.>>,> <H>>h>ij staat op en moet binneloopen.
- D: God, God,
hij staat op <+,> en moet binnenloopen.
271;al.2;13-14
- M2a: met een
smak toe <,>>;> <en>>hij> kan hem toch niet wacht<-t>en
van door het sleutelgat te loeren.
- M2b: met een
smak toe; <hij>>en> kan <hem>>zich> toch niet wachten
<- van> door het sleutelgat te loeren.
271;al.2;15
- M2b: die manier
van stappen <.>>:> <H>>h>et is zij
- D: die manier
van stappen <:>>!> het is zij
271;al.2;17
- D: <tezamen>>te
samen> <,>>.> <h>>H>et ongebreidelde leven
271;al.2;19
- M2b: de vrucht
<daarvan>>ervan> <,>>;> dat wat het leven waardig
maakt
- D: de vrucht
ervan; dat <+,> wat het leven waardig maakt
271;al.3;1
271;al.3;3
- M2b: <hebben
geweten>>weten>
271;al.3;4
271;al.3;5
- M1b: te schrijven
<- te schrijven>
271;al.3;7
- M2a: <+,>
dan is het wat anders. Hij sluit <hem>>zich> op
271;al.3;9
- M2a: met zijn
<doffe>>doode> wanhoop.
271;al.4;1
272;al.1;2
272;al.1;3
- M2a: <+,>
naar levend model <+,> mag zij komen?
272;al.1;4
272;al.1;17
- M2a: die in
zijn werk gelooft <+,> is kontent.
272;al.1;18
- M2b: een soort
<- van> verdoovingsmiddel.
272;al.1;19
- D: <Saargebied>>Saargebied>
272;al.1;24
- M2a: noch ja
<of>>noch> neen.
272;al.1;24
- M2a: Bah <+,>
zegt hij <+,> en hij moet voort met zijn pak,
- M2b: Bah, zegt
hij, en <hij>>ik> moet voort met <zijn>>mijn> pak,
272;al.1;25
- M2b: en <+
dat> blijven liggen is.
272;al.1;28
- M2b: is het
<dat>>wat> hij verkoopt.
272;al.1;31
- M2a: <+,>
valt of overwint.
272;al.2;5-6
- M2b: zijn vingers
<bibberen>>beven>
273;al.1;1-2
- D: kleedt ze
<haar>>zich> en wacht ze <naar>>op> Albrik.
273;al.1;2
- M2b: al babbelend
<+,> en zij
273;al.2;2
273;al.2;3
273;al.2;4
- M2b: <den>>het>
onafgewerkte<-n> doek
- D: het onafgewerkt<-e>
doek
273;al.2;5
- M2a: <Tik-tak,
tik-tak>>Tik tak, tik tak> <+,> zegt de klok,
273;al.2;6-7
- M2b: de<-n>
<donkeren>>donkerte>
273;al.2;8
273;al.3;1
- M2a: moei<-e>lijker
om aan uwen boterham te geraken.
- M2b: moeilijker
om aan uw<-en> boterham te geraken.
273;al.3;2
- M2a: zal gedaan
zijn <+,> want
273;al.3;5
- M2a: plakken
ze <billetten>>biljetten> uit,
- D: plakken ze
biljetten <uit>>aan>,
273;al.3;6-7
- M2b: voor het
werkvolk ook <.>>:>
273;al.4
- M1a: [X]
[?] Dat ieder burger
- M2a: [+X]
Dat ieder burger
273;al.4;1
- M2b: en deze<-n>
die
- D: en <deze>>zij>
die
273;al.4;2
- M2a: hen moeten
aanmeld<-d>en
- M2b: <hen>>zich>
moeten aanmelden
273;al.4;3
273;al.4;4-5
- M2a: <sanderdaags>>'s
anderdaags>
273;al.4;6-7
- M2a: Ja <+,>
en waar werken deze
- D: Ja, en waar
werken deze<+n>
273;al.4;7
- D: <Saargebied>>Saargebied>
273;al.4;9
- M2a: willen zien wie mij dat kan <verplichtten>>verplichte[:n!]>
- M2b: willen
<zien>>weten> wie mij dat kan verplichte[:n!]
- D: willen weten
wie mij dat kan <verplichte[:n!]>>verplichten.>
273;al.4;11
273;al.4;12
273;al.4;13-14
- M2a: Bon <.>>,>
<G>>g>e gaat naar het front. Millemilledju <+,> zegt dien
<+,> in een aanval
- M2b: Bon, ge
gaat naar het front. Millemilledju, zegt die<-n>, in een aanval
- D: Bon, ge gaat
naar het front <.>>,> Millemilledju, zegt die, in een aanval
- VW: Bon, ge gaat naar het front [ , ]] . ] Millemilledju, zegt die, in een aanval
273;al.4;17
274;al.1;2
- M2a: den <carree>>carré>
- M2b: de<-n>
carré
274;al.1;3
- M2a: eerst bij
Maria. Uwen man heet Ingels? Ja <+,> zegt Maria,
- M2b: eerst bij
Maria <.>>:> Uw<-en> man heet Ingels? Ja, zegt Maria,
274;al.1;3-4
- M2b: en moet
ge nu <- al> blinden ook hebben
274;al.1;5-6
- M2a: Drie <+,>
en een op komst <+,> zegt ze, reeds veel stilder.
- M2b: Drie, en
een op komst, zegt ze, reeds veel <stilder>>stiller>.
274;al.1;7
- M2b: bij Jean
<- ook> binnen.
274;al.1;8-9
- M2a: <+,>
vraagt hij heel serieus, hij overbluft hen werkelijk, maar voor niet lang
<+,> en
- M2b: , vraagt
hij heel serieus <,>>.> <h>>H>ij overbluft hen werkelijk,
maar <voor niet>>niet voor> lang, en
274;al.1;10-11
- M2a: Iedereen
lacht en luistert <,>>:> hoort Jean eens bezig <!>>.>
274;al.1;12
274;al.1;12-13
274;al.1;13
- M2b: <haren>>haar>
schoen
274;al.1;14
- M1a: [X]
[?] De zomer gaat voorbij,
- M2a: [-X]
De zomer gaat voorbij,
- M2b: [+X]
De zomer gaat voorbij,
- D: [-X]
De zomer gaat voorbij,
274;al.1;15
- M2a: Alles gaat
voorbij <+,> maar den oorlog niet,
- M2b: Alles gaat
voorbij, maar de<-n> oorlog niet,
274;al.1;16
- M2a: Weer een
winter <+,> zeggen ze,
274;al.2;1
- M2a: een <toile-cireeên>>toile-ciré>
doeksken
- D: een toile-cir<+r>é
doeksken
274;al.2;3
274;al.2;4-5
- M2a: <éen>>één>
slag en den vijand is kapot <+,> roepen ze in de<-n> radio.
- M2b: één
slag en de<-n> vijand is kapot, roepen ze in de radio.
274;al.2;5-6
- M2a: <snoenens>>'s
noenens> op den bijgang zitten <+,> twijfelen er aan.
274;al.2;6-7
- M2a: Als den
oorlog morgen gedaan is <+,> waarom
- M2b: Als de<-n>
oorlog morgen gedaan is, waarom
274;al.3;1
- M2a: Jean zet
<hem>>zich> een beetjen apa<-a>rt <+,> want
274;al.3;3-4
- M2a: gingen
sticht<-t>en <+,> om dat allemaal te vermijden <+,> dan
hebt ge
274;al.3;5
- M2a: <dewerk>>de
werk>
- D: <de>>het>
werk
274;al.3;6
- M2a: waar ieder<+een>
tegen opziet.
- M2b: waar iedereen
tegen op<ziet>>kijkt>.
274;al.3;6-7
- M2b: <- van>
naar hun praat te luisteren.
274;al.3;7
- M2a: <Allegelijk>>Algelijk>
wil hij toch weten
- D: Algelijk
wil hij <- toch> weten
274;al.3;9
274;al.3;10
- M1a: den zoogezegden
vijand, en met den eenen <hen>>hun> zelven.
- M2b: de<-n>
<- zoogezegden> vijand, en met den eenen hun zelven.
274;al.4;1
274;al.4;2
275;al.1;1-2
- M2a: en zeggen
<+:> bezie dat goed, dat is nu uwen driedubbelen stommen kop <!>>.>
- M2b: en zeggen:
bezie dat goed, dat is nu uw<-en> driedubbele<-n> stomme<-n>
kop.
275;al.1;2
275;al.1;4
275;al.1-al.2;10-2
- M2a: behalven
eenen, een langen bleeken man die tegen den muur leunt <,>>.>
[+X] <- En> <m>>M>et een verdwaasden lach op zijn
gezicht luistert <+ hij> zonder iets te zeggen.
- M2b: behalven
eene<-n>, een lange<-n> bleeke<-n> man die tegen den muur
leunt. [- X] Met een verdwaasden lach op zijn gezicht luistert hij
zonder iets te zeggen.
- D: behalve<-n>
een<-e>, een lange bleeke man die tegen den muur leunt. [+X]
Met een verdwaasden lach op zijn gezicht luistert hij zonder iets te zeggen.
275;al.2;4-5
- M2a: Jaja <+,>
en toch is het zoo <!>>.>
275;al.2;7
- M2a: Ja, wat
doet hij <haar>>daar>,
275;al.2;9
275;al.2;10-11
- M2a: willen
lachen <+,> maar er is iets dat het hen belet.
- D: willen lachen,
maar er is iets dat het <hen>>hun> belet.
275;al.3;2
- M2a: <+,>
want den achturendag telt niet meer.
- M2b: , want
de<-n> achturendag telt niet meer.
275;al.3;2-3
- M2b: dingen<-s>
die niet meer tellen, zooveel dat
- D: dingen die
niet meer tellen, zooveel <+,> dat
275;al.3;3-4
275;al.3;5
275;al.3;6
- M2a: Albrik
zwijg manneken <+,> zwijg,
275;al.3;8
- M2b: tegen wie
ik mijn<-e> mond opendoe.
- D: tegen wie<+n>
ik mijn mond opendoe.
275;al.3;10
275;al.3;11
275;al.3;11-12
- M2b: een jonge<-n>
tiepe met een kerthoedjen op <+,> die
- D: een jong
<tiepe>>type> met een kerthoedjen op, die
275;al.3;13
275;al.3;13
- D: Waar <,>>?>
vraagt Albrik.
275;al.3;14
- M2a: het is
dien <!>>.>
- M2b: het is
die<-n>.
276;al.1;1
276;al.1;3-4
- M2a: Ik ga ook
naar de akademie <+,> zegt hij, Bernard vroeg mij dat standvastig. Hozoo,
maar
- D: Ik ga ook
naar de akademie, zegt hij, Bernard vroeg mij dat <standvastig>>steeds>.
Hozoo <,>>.> <m>>M>aar
276;al.1;5
- M2a: zoo iets
niet <.>>,> <H>>h>et is
276;al.1;7
- D: een <viezen>>rare>
warboel
276;al.1;12
- M2a: alle soorten
van lollekens opvoeren <:>>.> Iemand die vrijt
- M2b: alle soorten
<- van> lollekens opvoeren. Iemand die vrijt
276;al.1;14
276;al.1;16
276;al.1;16-17
276;al.1;17
276;al.1;22-23
- M2a: En hij
<+,> Jean, stommerik,
276;al.2;1-2
- M2a: de fabriek,
het eten, de menschen, alles <+,> alles.
- D: <de fabriek,
het eten>>het eten, de fabriek>, de menschen, alles, alles.
276;al.2;4-5
276;al.3;3
- M2b: zijn<-e>
zeg, het hoog woord en
- D: zijn zeg,
het hoog woord <+,> en
276;al.3;4-5
- M2a: den oorlog
niet gedaan raakt <+,> waarom den meestergast
- M2b: den oorlog
niet gedaan raakt, waarom de<-n> meestergast
- D: de<-n>
oorlog niet gedaan raakt, waarom de meestergast
276;al.3;6
- D: <de Nieuwe
Gas>>De Nieuwe Gas>
277;al.1;1-2
277;al.2
- M2a: [+X]
Ze werken
- M2b: [-X]
Ze werken
- D: [+X]
Ze werken
277;al.2;3
- M2a: waar ze
staan <+,> midden de
277;al.2;5-6
- M2b: den arbeidsdienst
op voorhand verwittigt <-,> wanneer ze komen controleeren,
- D: de<-n>
arbeidsdienst op voorhand verwittigt wanneer <ze komen>>men komt>
controleeren,
277;al.2;7-8
- M2a: Hij kan
<hem>>zich> <- toch> niet inhouden <+,> dat hoort
ge wel.
277;al.2;11
- M2a: Ha, het
is dat <!>>.> De meester van den koer
- D: Ha, het is
dat <.>>:> De meester van de<-n> koer
277;al.2;14-15
- M2a: Ja <+,>
en als die zegt:
277;al.2;18
277;al.2;19
277;al.2;21
277;al.2;22-23
- M2a: <+,>
en vijf minuten daarna
277;al.2;25
- D: <zondaags
park>>Zondagspark>
277;al.2;26
277;al.2;28
- M2b: zijn<-en>
mond zien <opendoen>>openen> heeft.
277;al.3;4
277;al.3;7
278;al.1;1
- M2b: <Arbeiders
saboteer>>Volk uit de voorstad>, vereenig u.
- D: Volk uit
de voorstad, vereenig<+t> u.
278;al.1;4-5
- D: het oud <-
oud> lied van den sukkelaar, den onmachtige<-n>
278;al.1;6
278;al.1;7
- M2b: een halve<-n>
gare<-n>
278;al.1;8
- M2a: Dwaas <+,>
die ge zijt <+,> zegt Jean
278;al.1;9-11
- M1a: Savends
heel laat, als Maria bij hen binnenkomt waar, lijk een natuurwet, weer iets
aan te miszien is, dan <[x]#m>uist hij
- M2a: <Savends>>'s
Avends> heel laat, als Maria bij hen binnenkomt <+,> waar, lijk een
natuurwet, weer iets aan te miszien is, dan muist hij
- M2b: 's Avends
heel laat, als Maria bij hen binnenkomt, waar <-,> lijk een natuurwet
<-,> weer iets aan te miszien is, <- dan> muist hij
278;al.1;11
- D: <Saargebied>>Saargebied>
278;al.1;13
- M2a: winnen
<,>>.> <o>>O>veral valt den vijand
- M2b: winnen.
Overal valt de<-n> vijand
278;al.1;16
- D: veel gaatjes
<+ er> in.
278;al.1;17
- D: <Saargebied>>Saargebied>
278;al.1;17-18
- M2b: oude<-n>
man met een lange grijze moustache <,>>.> <h>>H>ij
wenkt Jean, zijt ge
- D: oude man
met een lange grijze moustache. Hij wenkt Jean <,>>:> zijt ge
278;al.1;18-19
- M2a: <Allée>>Allez>
<+,> laat u niet onnoozel Jean, houdt u gereed <+,> want den dans
gaat beginnen.
- M2b: Allez,
laat u niet onnoozel Jean, houdt u gereed, want de<-n> dans gaat beginnen.
278;al.2;3-4
- M2a: haast pertang
niet <+,> zegt ze, maar als ik een glas water drink <+,> kweek
ik
278;al.2;7-8
- M2b: pas toch
op Maria, zie<-t> wat ge zegt.
- D: pas toch
op <+,> Maria, zie wat ge zegt.
278;al.2;8-9
- M2a: Bah <+,>
zegt Maria, ze verstaan dat toch niet <+,> want ze zitten te spelen.
278;al.3;1
- M2a: [+X]
Neen <+,> ze verstaan het niet,
278;al.3;1-2
- M2a: <+,>
behalve Carrie die stilaan haren ouderdom krijgt
- M2b: , behalve
Carrie die stilaan <haren>>haar> ouderdom krijgt
278;al.3;2
- M2a: Ze gebaart
<haar>>zich>
278;al.3;3
- M2a: aan en
uitkleed<-d>en
- VW: [aan
en uitkleeden]]aan- en uitkleeden]
278;al.3;4
- D: met engelkens
<+ er> op.
278;al.3;6
- M2b: bij Molleken
<.>...> Zoo ratelt ze door.
- D: bij Molleken...
<Z>>z>oo ratelt ze door.
278;al.3;7
- M2a: Zie dat
is een schoon <emblémeken>>emblemeken> zegt Carrie,
- D: Zie <+,>
dat is een schoon emblemeken <+,> zegt Carrie,
278-279;al.3-al.1;8-1
- M2a: [X]
[?] Maria moet zelf
- D: [-X]
Maria moet zelf
279;al.1;2
279;al.1;3
279;al.1;5
- M2a: Aai <+,>
Marian <+,> zegt ze,
279;al.1;6
279;al.1;7-8
- M2a: Ingels
is daar <+,> zegt ze <+,> en ze springt recht.
279;al.1;8-9
- M2a: De blinde
zet <hem>>zich>
- M2b: De <b>>B>linde
zet zich
279;al.1;9-10
279;al.1;10
- M2a: [-X]
Dag Ingels. Dag Elie <+,> zegt hij <+,>
279;al.1;14
279;al.2;1
- M2b: <haren>>haar>
raren praat
279;al.2;2
- M2a: den hemel
op aarde <+,> maar
279;al.2;4
- M2a: <+,>
zegt ze: Is het niet waar <+,> Ingels <-,> man <!>>?>
279;al.2;4
279;al.2;7-8
- M2a: Als hij
alleen is <+,> wordt het
279;al.2;10-11
- M2b: een dikke<-n>
<steen>>stee[:n, ]> en daar
- D: een dikke
<stee[:n, ]>>steen> en daar
279;al.2;12
279;al.2;14
- D: de<-n>
stumper, de<-n> sukkelaar, de<-n>...
279;al.2;15
279;al.2;16-17
- M2a: <+,>
het raamken toeslaat en haar vingeren
- D: ,het raamken
toeslaat en haar <vingeren>>vingers>
279;al.3;1-2
- M2a: En brandt
de stoof goed <+,> dan peinst hij <+:> ik ben er al dicht tegen.
Gaat het vuur wat minder <+,> dan
279;al.3;4
279;al.3;4
280;al.1;1
280;al.1;3
- M2b: <hem>>zich>
daar zetten
280;al.1;5
- M2a: <+,>
maar beloert den blinden
- M2b: , maar
beloert den <blinden>>Blinde>
280;al.1;6
- M2a: welk een
gevoelen dien blinden heeft <+,>
- M2b: welk een
gevoel<-en> dien blinden heeft,
- D: welk een
gevoel die<-n> blinde<-n> heeft,
280;al.1;7
- M2b: den <blinden>>Blinde>
280;al.1;10-11
280;al.1;14-15
- D: ge voelt
er aan <+,> en ongedachts
280;al.1;16
- D: wat het is
<,>>.> <e>>E>n ja,
280;al.1;17
- M2b: de<-n>
<blinden>>Blinde>
280;al.1;18-19
- M2a: <hem>zich>
omgekeerd
280;al.1;21
- M2a: te wachten
stond<-t>.
- D: te wachten
stond <.>>?>
280;al.1;22-23
- M2a: dat het
misschien nog niets was, dat het <achwieweet>>ach, wie weet> <+,>
nog mogelijk was om <tóch>>toch> te zien?
- M2b: dat het
misschien <- nog> niets was, dat het <+,> ach <-,> wie weet,
nog mogelijk was om toch te zien?
280;al.1;23
280;al.1;24
- M2a: Ze lachen
u uit <+,> omdat
280;al.1;28
- M2a: een lafaard
<+,> een zot en een droomer?
280;al.1;30
- M2a: en wat
denkt gij er van <+,> Ingels? Ingels draait <hem>>zich>
280;al.1;32-33
- M2a: Ja <+,>
wat zou hij peinzen van den oorlog, ik was maar een simpelen soldaat,
- D: Ja, wat zou
hij peinzen <van>>over> den oorlog <,>>;> ik was maar
een simpele<-n> soldaat,
280;al.1;35
- D: <hem>>zich>
te laten blind schieten,
280;al.1;36
281;al.1;1
- M2a: om niets
<+,> zegt hij,
281;al.2;1
281;al.2;2
281;al.2;3
281;al.2;4
281;al.3;1
- M2b: Jean lacht
met den <blinden>>Blinde> en de<-n> <blinden>>Blinde>
lacht met Jean.
281;al.3;2
281;al.3;5
- M2a: Neen, neen
<+,> zegt den blinden <+,> dien mensch kwelt <hem>>zich>
- M2b: Neen, neen,
zegt den blinden, die<-n> mensch kwelt zich
- D: Neen, neen,
zegt de<-n> <blinden>>Blinde>, die mensch kwelt zich
281;al.3;7
- M1b: wat er averecht <[xxxxx xx]>>is in de> wereld.
- D: wat er averecht<+s> is in de wereld.
281;al.3;7
- M2a: En <daar>>dan>
zal <+ er> toch
- M2b: En <dan>>er>
zal <- er> toch
281;al.3;10
- M2a: te voldoen
<+,> zoodat
281;al.3;10-11
- M2a: Ingels
<+,> waar haalt gij die <philosofie>>filosofie>, lacht Maria
<+,> en ze
281;al.3;14-15
- M2a: in de keuken
<+,> en heel doodgewoon
281;al.3;15-16
- M2a: en ze pakt
<- haar> een glas kraantjeswater.
281;al.4;3-4
- M2a: <+,>
ze stond<-t> aan den stroom
281;al.4;6-7
- M2a: bij Molleken
<+,> want <er>>ze> zijn nog altijd kaarters genoeg, ondanks
den <verplichtenden>>verplichten> dienst.
- M2b: bij Molleken,
want <ze>>er> zijn nog altijd kaarters genoeg, ondanks den verplichten
dienst.
281;al.4;10
- M2a: <+,>
en daar kan geen <verplichtenden>>verplichten> dienst
- D: , en daar
kan geen verplichte<-n> dienst
282;al.1;1
- M2a: alleen
zit <+,> heeft
282;al.1;2
- M2a: Als ze
beu gespeeld is <+,>
282;al.1;3
- M2b: in ieder
kastje<-n>, in alle hoekskens en <schofkens>>schuifkens>.
282;al.1;6
282;al.1;10
- M2b: Er is nog
een <schofken>>schuifken> dat nooit <opengedaan>>ge-opend>
wordt,
282;al.1;11
- M2b: door het
venster <- van>waar ze
282;al.1;12
- D: <Saargebied>>Saargebied>
<zien kan>>kan zien>.
282;al.1;12
- M2b: <schofken>>schuifken>
282;al.2
- M2a: [+X]
Niets dan kousen,
282;al.2;2
- M2a: de<+n>
eene<+n> of de<+n> andere<+n> dag.
282;al.2;4
- M2b: buiten
het papier <- dat> over den bodem <- ligt om niets vuil te maken>.
282;al.2;9
- M1b: een oude<-n>
foto
- M2a: een <oude>>ander>
foto
- M2b: een <-
ander> foto
282;al.2;10
- D: <over>>voor>
twaalf dertein jaar,
282;al.2;11-12
- M1b: uwen eigen
pa niet meer herkent/d [?] !
- M2a: uwen eigen
pa niet meer <herkent/d [?]>>herkent> <!>>.>
- M2b: uw<-en>
eigen pa niet meer herkent.
282;al.2;12
282;al.2;14
- M2b: <den>>het>
trouwboek
282;al.2;15
- M2a: Elie <+,> dochter van iemand anders, getrouwd <+,> en
282;al.2;16
282;al.2;16
- M2b: Die<-n>
trouwboek
- D: <Die>>Dat>
trouwboek
282;al.2;17
282;al.2;22
- M2a: <neven
een>>neveneen>
282;al.2;23
- M2a: hebben
<+,> want ze blijven staan en zien <niet dat het>>[xxxx
xxx xxx]> donker wordt.
- M2b: hebben,
want ze blijven staan en zien <[xxxx xxx xxx]> niet dat het>
donker wordt.
282;al.2;25
- M2b: een donkere<-n>
hoek
282;al.2;25
283;al.1;1
- M2a: en een
sigaret smoort. [-X] Marian schuurt
- D: en een sigaret
<smoort>>rookt>. Marian schuurt
283;al.1;1
- M2b: langs de
gevels <- voort> lijk een kat,
283;al.2;3-4
- M2a: onbestemde
<+,> onvoldane verlangens naar verre avendhemelen over velden waarin
- M2b: onbestemde,
onvoldane verlangens naar verre avendhemelen <+,> <over>> naar>
velden waarin
283;al.3;1-2
- M2a: en vraagt
<hem>>zich> af aan wat het kind zit te denken, welke jonge en
toch eeuwenoude geheimen
- M2b: en vraagt
zich af aan wat het kind zit te denken, welke <- jonge en toch> eeuwenoude
geheimen
283;al.3;6-7
- M2a: Ja <+,>
het is goed Marian <+,> zegt hij.
- D: <Ja>>Ha>,
het is goed Marian, zegt hij.
283;al.3;7
- M2a: Ze kleedt
<haar>>zich> aan,
283;al.3;9-10
- D: beter <om>>te>
dragen schijnt
283;al.3;11-12
- M2a: te verbergen.
En twintig, dertig jaar later nog eens aan dat hoeksken denkt met een wonder
heimwee <:>>.> Ja <+,> in dien tijd
- M2b: te verbergen
<.>>;> <E>>e>n twintig, dertig jaar nog eens aan dat
hoeksken denkt met een wonder heimwee. Ja in dien tijd
- D: te verbergen;
en twintig, dertig jaar later <+ denkt hij> nog eens aan dat hoeksken
<- denkt> met een wonder heimwee. Ja, in dien tijd
283;al.3;13
- M2a: een ander
lievelingshoekje <+,> waar... enzoovoort <+.>
283;al.3;14-15
- M2a: op de<+n>
gemeenschappelijke<+n> koer van den <carree>>carré>,
in een hoeksken met veel zon <+,> op haren hurk <.>>,> <D>>d>e
fijne beentjes
- M2b: op de<-n>
gemeenschappelijke<-n> koer van de<-n> carré, in een hoeksken
met veel zon, op <haren>>haar> hurk, de fijne beentjes
- D: op de gemeenschappelijk<-e>koer van de carré, in een hoeksken met veel zon, op haar hurk<+en>, de fijne beentjes
- VW: op de gemeenschappelijk[+e] koer van de carré, in een hoeksken met veel zon, op haar hurken, de fijne beentjes
283;al.3;17
283;al.3;19-20
- M2a: <- En>
<e>>E>r hangt een wasch te droogen van in den tijd dat den plas
er kwam.
- D: Er hangt
een wasch te dro<-o>gen van in den tijd dat de<-n> plas er kwam.
283;al.3;21-22
- D: deze<-n>
waar wij <+,> lompe menschen <+,> op leven,
283;al.3;23
283;al.3;24-25
- M2a: een purperen
avendzonneken <,>>.> <h>>H>et is daar
283;al.3;25-26
- M1b: menschen
<+ denken> er nooit aan eten en ander dingens.
- D: menschen
denken er nooit aan eten en ander dingen<-s>.
283;al.3;27-28
- M2b: over de<-n>
koer zenden, <- de> witkalk
284;al.1;1
- M2b: <- en
naar het> mos dat
284;al.1;1
- M2b: <op>>en>
een afdaksken
284;al.2
284;al.2;2-3
- M2b: ziet over
<- den koer> drijven.
284;al.2;3-4
- M2a: Maria trekt
haar venster open <+:> en wilt ge eens mijn wasch binnenpakken Marianneken?
- D: Maria trekt
haar venster open: en wilt ge eens mijn wasch binnenpakken <+,> Marianneken?
284;al.2;4-5
- M2a: rekt <haar>>zich>
naar de drooglijn, en met heel haar mager<+e> armkens
- M2b: rekt zich
naar de drooglijn, <- en> met heel haar magere armkens
284;al.2;6
- M2a: Ha <+,>
zegt Maria,
- M2b: <Ha>>Och>,
zegt Maria,
284;al.2;7-8
- M2a: den loop
inkrijgt <+,> kunt ge met geen paarden <tegen-houden>> tegenhouden>
kind, ik heb haar al van alles beloofd,
- M2b: den loop
<- in>krijgt <-,> kunt ge met geen paarden tegenhouden kind, ik
heb haar <al>>reeds> van alles beloofd,
- D: den loop
krijgt kunt ge met geen paarden tegenhouden <+,> kind, ik heb haar reeds
van alles beloofd,
284;al.2;9
284;al.2;11
284;al.2;11
- M2a: <savends>>'s
avends>
284;al.2;12-13
284;al.2;13
284;al.2;14
- M2a: van weelde
en geluk. weet ge nu wat <+,> zegt ze
- M2b: van weelde
<- en geluk>. Weet ge nu wat, zegt ze
284;al.2;14-15
- M2a: stond<-t>
daar al te vrijen <!>>.>
284;al.2;15-16
- M2a: den appel
valt niet ver van den boom <+,> zegt ze <+,> en haren buik schokt,
haren buik die
- M2b: den appel
valt niet ver van den boom, zegt ze, en <haren>>haar> buik schokt,
<haren>>haar> buik die
- D: de<-n>
appel valt niet ver van den boom, zegt ze, en haar buik schokt, haar buik
die
284;al.3;1
284;al.3;2
- M2a: snotneusken
af, en dan staat ze rond te zien en <haar>>zich> af te vragen
- M2b: <- snot>neusken
af, en <dan staat ze>>staat dan> rond te zien en zich af te vragen
284;al.3;5-6
- M2a: den vloer,
alles <+,> alles, met vuil sjatten en <telloren>>teljoren><+,>
- M2b: den vloer,
alles <-,> alles, met vuil sjatten en teljoren,
- D: de<-n>
vloer, alles alles, met vuil<+e> sjatten en teljoren,
284;al.3;8
- M2b: de<-n>
oudste<-n> <-,> <achter>>na> Carrie <-,>
284;al.3;13
284;al.3;13
284;al.3;15
- M2a: en verdroom<d>>t>
ge uwen schoonen kindertijd.
- M2b: en verdroomt
ge uw<-en> schoonen kindertijd.
284;al.3;16
- M2a: en zet
<haar>>zich> neer, haren <bloten>>blotten> arm
- M2b: en zet
zich neer, <haren>>haar> <blotten>>blooten> arm
- D: en zet zich
neer, haar bloote<-n> arm
285;al.1;1
285;al.1;1-2
- M2b: in den
zwarten voorschoot <- die blinkt van versletenheid>.
285;al.1;3
- M2a: het <haar>>zich>
inbeeldt.
285;al.1;3
285;al.1;3-4
- M2a: sjatten
en <telloren>>teljoren> <+,> lepels en vorken
285;al.1;4-5
- M2a: <+,>
hoort dien stroom <+ van> woorden over haar gaan. Ze luistert ernaar
en begrijpt het niet.
- M2b: , hoort
dien stroom <- van> woorden over haar gaan. <- Ze luistert ernaar
en begrijpt het niet.>
285;al.1;6
285;al.1;7
285;al.1;9
285;al.1;10
- M2b: <den>>het>
trouwboek
285;al.1;11
285;al.1;12-13
- D: niet geern<+e>
met ander<+e> kinderen speelt,
285;al.1;13-14
- M2a: liever
alleen <+,> Maria, en stel me van alles voor dat zou
- M2b: liever
alleen, Maria, en stel me <- van> alles voor <dat>>wat>
zou
285;al.1;15
- M2a: niet zijn
gelijk wij. [-X] Maria schudt haren kop,
- M2b: niet zijn
< -ge>lijk wij. Maria schudt <haren>>haar> kop,
285;al.1;17
- M2b: zoo dwaas
niet <,>>.> <m>>M>aar
285;al.1;17
285;al.1;19
- M2b: <vleugelen>>vleugels>
285;al.1;20
- M2b: naar de
zon<-nen> die ondergaa<n>>t>.
285;al.1;20-21
- M2a: <Allee>>Allez>
toe Marian,
- D: Allez toe
<+,> Marian,
285;al.1;21
- M2a: zijt toch
slimmer <.>>,> <H>>h>et leven
285;al.1;23
- M2b: geen plezier
maakt <-,> zult ge
285;al.1;24
- M2b: wat geluk
heeft die <- nu> in haar leven?
285;al.1;26
- M2a: [-X]
Marian gelooft haar niet. Ze zegt dat zoo maar
- M2b: [-X]
Marian gelooft <haar>>het> niet <.>>:> <Ze>>Maria>
zegt dat zoo maar
285;al.1;28
- M2a: en den
afwasch deed<-t> <+,>
- D: en de<-n>
afwasch deed,
285;al.1;29
- D: Ik geloof
u niet <+,> Maria,
285;al.1;31
- M2a: en geen
gemakken <+,> omdat
285;al.2;1
- M2a: Ja <+,>
zegt Maria, trek uwen plan,
- M2b: Ja, zegt
Maria, trek uw<-en> plan,
285;al.2;2
- M2b: dan <hetgeen>>wat>
u aanstaat,
285;al.2;2-3
- M2b: als ge
<-, lijk gij,> altijd de wereld averecht beziet <,>>.> <als>>Toen>
wij klein waren
- D: als ge altijd
de wereld averecht<+s> beziet. Toen wij klein waren
285;al.2;4
- M2b: dat ook
<,>>:> we bukten ons
285;al.2;5
- M2a: <presies>>precies>
den grond waar we moesten op loopen en de aarde
- D: precies de<-n>
grond waar we moesten op loopen <+,> en de aarde
286;al.1;1
286;al.1;2
286;al.1;4
- M2a: niets lollig
in vindt <+,> kunt ge
286;al.1-al.2;5-1
- M2a: geen ander plooi trekken en hahaha zeggen/Op een[?] [X] [?]
anderen dag komen Marian en Carrie van de school.
- M2b: geen ander
plooit trekken en hahaha zeggen. [X] [?] <- Op een anderen dag
komen> Marian en Carrie <+ komen> van de school.
- D: geen ander<+e>
plooi trekken en hahaha zeggen. [+X] Marian en Carrie komen van de
school.
286;al.2;2
- D: geen levende<-n>
mensch
286;al.2;5-6
- M2a: Ik kan
dat niet <+,> meneer,
286;al.2;6
286;al.2;7-8
- M2a: een simpelen
<employee><employé>
- M2b: een simpele<-n>
employé
286;al.2;9
- M2a: sluit <haar>>zich>
op
286;al.2;10-11
- M2b: <haren>>haar>
man zaliger, de<-n> mensch is ook al vijftien jaar dood <+ ->
waar gaat den tijd naartoe,
- D: haar man
zaliger, de mensch is ook al vijftien jaar dood - waar gaat de<-n> tijd
naartoe,
286;al.2;11
- M2a: Fons <+,>
jongen <+,> het is toch wreed <+,> hé.
- M2b: Fons <-,>
jongen, het is toch wreed, hé.
- D: Fons <+,>
jongen, het is toch wreed, hé.
286;al.2;13
- M2b: te zien
<-,> of ze lacht
286;al.2;14
- M2a: <+,>
die trekken <hen>>zich>
286;al.2;19
- M2a: peinzen
moogt ge van alles, maar zeggen niets <.>>..>
- D: peinzen moogt
ge <- van> alles, maar zeggen niets <..>>...>
286;al.3;1
- M2a: den <carree>>carré>
- M2b: de<-n>
carré
286;al.3;2
- M2a: niemand
<+,> zegt Carrie.
286;al.3;3
286;al.3;4
- M2a: Ja <+,>
zegt Marian.
286;al.3;6
- M2b: en ze <kan>>weet>
niet <van wat>>waarom> <,>>.> <o>>O>f
eigenlijk
286;al.3;7-8
- M2b: onverklaarbare
<- be>geerte
- D: onverklaarbare
<+ be>geerte
286;al.3;8
- D: De<-n>
eene<-n> minuut
286;al.3;9
- D: de<-n>
andere<-n> minuut
286;al.3;10
286;al.3;10
- M2a: een <benauwend>>benauwd>
gevoel
286;al.3;10-11
- D: iets plezierig<+s>
aan en tevens iets pijnlijk<+s>.
286;al.3;12
- M2a: en ze rekt
<haar>>zich> <+,> zoodat
286;al.3;13
286-287;al.3-al.1;13-1
- M2a: Zie eens
<+,> Marian <+,> hoe mijn hart ontspant, en dan laat ze haar
- M2b: Zie eens,
Marian, hoe mijn hart ontspant <, >>.> <e>>E>n dan
laat ze haar
- D: Zie een,
Marian, hoe mijn hart ontspant. En dan laat ze <haar>>zich>
287;al.1;2
287;al.1;3-4
- M2a: <+,>
en ze stellen <hen>>zich> meer voor dan het eigenlijk is.
- M2b: , en ze
stellen zich meer voor dan <het>>er> eigenlijk is.
287;al.1;6-7
- M2a: En nochtans
<,>>.> Carrie weet iets over haar, iets geweldig,
- M2b: En nochtans.
<+ weet> Carrie weet iets over haar, iets geweldig,
- D: En nochtans <-.> weet Carrie <- weet> iets over haar, iets geweldig<+s>,
287;al.1;8
287;al.1;10-11
- M2a: Ze recht
<haar>>zich> ineens op het bed <,>>...> en peinst
gij nooit op iets dat slecht is Marian
- D: Ze recht
zich ineens op het bed... en peinst gij nooit op iets dat slecht is Marian
<+,>
287;al.1;12
- M2b: Marian
<stelt het voor>>gebaart> alsof
287;al.1;13
- M2b: <naar
toe>>heen> wil.
287;al.1;15
- M2b: den mond
<van vol>>vol van>,
287;al.1;17
287;al.1;17
- M2a: <Snachts>>'s
Nachts>
287;al.1;19
- M2a: geen donkeren
hoek met een <lantaren>>lantaarn>
- D: geen donkere<-n>
hoek met een lantaarn
287;al.1;21
- M2a: en met
blommen smijten, ik zie dat <- af> van achter een haag <+.> [+X]
<- en dan> <vinden ze>>Ze vinden> me daar, ze hebben kompassie
- M2b: en met
blommen smijten <-, ik zie dat van achter een haag>. [X] Ze
vinden me daar, <ze>>en> hebben kompassie
- D: en met blommen
smijten. [-X] Ze vinden me daar, en hebben kompassie
287;al.1;24
- D: in het bed
<,>>:> maar
287;al.1;25
287;al.1;27
- M2a: misschien,
stel u voor <+,> Carrie <+,> dat
- M2b: misschien
<,>>.> <s>>S>tel u voor <-,> Carrie, dat
- D: misschien.
Stel u voor <+,> Carrie, dat
287;al.1;28
- M2a: haren <pa>>pap>
- M2b: <haren>>haar>
pa<-p>
287;al.1;29-30
287;al.1;31
- D: zooiets gelooven
<+,> Marian?
287;al.1;31
- M2b: iemand
wonen <,>>.> <e>>E>n daarbij,
- D: iemand wonen
<.>>?> En daarbij,
287;al.1;34
- M2a: <+,>
zegt ze rap, ik heb het gezien.
- M2b: , zegt
ze rap <-, ik heb het gezien>.
287;al.1;35
- M2a: geen <+
groote> troebelen
288;al.1;1
288;al.1;1
- M2a: zonde<+n>
- M2b: zonde<-n>
288;al.1;2-3
- M2a: ze smijt
<haar>>zich> om
288;al.1;4-5
- M2a: deze hier
nu, droomt van <ikweetnietwat>>ikweetniet wat> <.>>,>
<E>> e>n die zijn goed,
- M2b: deze hier
nu <-,> droomt van ikweetniet wat, en die zijn goed,
288;al.1;6
- M2a: anders
<!>>.>
- D: anders <.>>!>
288;al.2;3
288;al.2;4
- M2a: weggedraaid
<+,> vertelt ze
288;al.2;8
- M2a: <+,>
en ze voelt iets
288;al.2;10
- M2b: voor <,>>.>
<w>>W>ant het is ook angst <-,> om het vreemde schouwspel,
288;al.2;15
- M2a: Neen <+,>
voor u is dat geen erg <+,> omdat ge
288;al.2;16
288;al.2;19
288;al.2;20
288;al.2;23
288;al.2;24
- D: <Saargebied>>Saargebied>
288;al.2;26
- M2b: <den>>het>
trouwboek
288;al.2;28-29
- M2a: een aardige
<+,> verwijt ze haar zelven, een prul <+,>
288;al.2;30
- M2b: weet <.>>,>
<E>>e>n ge vertelt
288;al.2;30-31
- D: dingen<-s>
die ge in uw droomen ziet, dingen<-s>
289;al.1;1
- M2a: ze stelt
<haar>>zich>
289;al.1;3
- M2a: komen er
tranen <+,> uit ieder oog <een>>één>,
289;al.1;4
289;al.1;5
- M2a: Niemand
is lijk ik <+,> snikt ze.
289;al.2;4-5
- M2a: en het
minste dat ik peins <+,> weet hij.
- M2b: en het
minste dat ik peins <-,> weet hij.
- D: <+,>
en het minste dat ik peins weet hij.
289;al.2;7
289;al.3
289;al.3;1-2
- M2a: alles op
zijn plaats te zetten <+,> en het stof af te doen <.>>,>
<T>>t>en-minste
- M2b: alles op
zijn plaats te zetten <-, en het stof af te doen>, tenminste
289;al.3;2-3
289;al.3;4
289;al.3;5
- M2a: voort <,>>.>
<a>>A>h hier is het.
289;al.3;10-11
- M2b: <haren>>haar>
voorschoot
289;al.3;11-12
- M2a: rozenkrans
<,>>:> Heer verlos mij van de slechte begeerten <+,> verlos
mij
289;al.3;13
- M2b: den <blinden>>Blinde>
289;al.3;14
- M2a: vooruit
<+,> alsof daar
289;al.3;16
- M2b: <haren>>haar>
kop
- D: haar <kop>>hoofd>
289;al.3;19
289;al.3;20
289;al.3;21
- M2a: Ze stelt
<haar>>zich> weer van alles voor
- M2b: Ze stelt
zich weer <- van> alles voor
289;al.3;22
289;al.3;24
- M2a: En ik ga
eens buiten <+,> zegt ze
289;al.3;25
290;al.1;1-2
- M2a: <+,>
zegt ze tegen den blinden:
- M2b: , zegt
ze tegen den <blinden>>Blinde>:
290;al.1;3
- M2b: nog zelf
<- gaan> aan een man vragen,
290;al.1;3-4
- M2a: Ja <+,>
antwoordt den blinden,
- M2b: Ja, antwoordt
de<-n> <blinden>>Blinde>,
290;al.2;1-2
- D: geen enkele<-n>
pastoor
290;al.2;3
- M2a: <Boeikens>>Boeykens>
290;al.2;3-4
- M2a: gladgeschoren
<triestig>>griezelig> gezicht
290;al.2;6
- M2a: Gaat in
vrede <+,> zegt hij <+,> en hij slaat een kruis.
290;al.2;7
290;al.2;7-8
- M2a: <Sanderdaags>>'s
Anderdaags> gaat ze te communie <+,>
290;al.2;9
- M2a: aan doen
<:>>,> een vreemde dwang
290;al.2;10
290;al.2;11
- M2a: <+,>
zal er dan bloed in mijnen mond komen?
- M2b: , zal er
dan bloed in mijn<-en> mond komen?
290;al.2;12
- M2b: een nevengedachte
<,>>:> zooiets
290;al.2;13-14
- M2a: Ik mag
niet <+,> zegt ze. Ge durft niet <+,> zegt iemand anders,
290;al.2;16
- M2b: <haren>>haar>
stoel, en <haren>>haar> kop
290;al.2;18
- M2a: gebeur<d>>t>,
dan verdrinkt ze <haar>>zich>,
290;al.2;20
290;al.2;22
290;al.2;23-24
- M2b: dingen<-s>
die <haren>>haar> pa
290;al.2;24
290;al.2;24
- M2a: Ze stelt
<haar>>zich> weer van alles voor,
- M2b: Ze stelt
zich weer <- van> alles voor,
290;al.2;26
- M2a: Halt <+,>
zegt ze, halt,
290;al.2;27-28
- M2a: dien blauwen
sjaal niet koopen, dien schoone<-n>, blauw met geel streepkens die
- M2b: dien blauwen
sjaal niet koopen, die schoone, blauw met geel streepkens <die>>welke>
- D: die<-n>
blauwe<-n> sjaal niet koopen, die schoone <+,> blauw<+e>
<+,> met <geel>>gele> streepkens welke
290;al.2;30
- M2a: Zoo gaat
ze naar huis <+,> meer beslast
290;al.2;31
290;al.2;33
- M2a: <- En>
<z>>Z>e wacht.
290-291;al.2-al.1;33-1
- M2a: keert <haar>>zich>
<+ om>,
291;al.1;2
- D: de<-n>
zwaarste<-n> last
291;al.2;1
291;al.2;2
- M2a: die niet
deug<d>>t> <+,> dat is nog veel erger.
291;al.3;5
- D: <bedenkend>>nadenkend>
291;al.3;5
- M2a: [-X]
Ze komt de ander straat in,
- D: [-X]
Ze komt de ander<+e> straat in,
291;al.3;6
- D: <- deze>
die ze schuwt
291;al.3;11
291;al.3;12
291;al.3;13
- M2a: ze laat
<haar>>zich> onnoozel.
- D: ze <laat>>houdt>
zich onnoozel.
291;al.3;14
- D: een reden
<waarmee>>waarom>
291;al.3;14-15
- D: om <haar>>zich>
te wreken,
291;al.3;16
- M2a: Ik ben
oprecht <+,> zegt ze, ik ben slecht <.>>,>
291;al.3;16-17
- M2a: <G>>g>oed
- M2b: <goed>>het
is waar>
291;al.4;3
- M2a: Goed <+,>
zegt hij gelaten,
291;al.4;13
291;al.4;13
- D: Het eerste
<dat>>wat> ge doen wilt
291;al.4;14-15
- M2a: gebeur<d>>t>,
en het tweede wat ge wilt <+,> is
292;al.1;1
292;al.1;2
292;al.1;7
- M1a: uw hert/hart
[?] vervuld
- M2a: uw <hert/hart
[?]>>hart> vervul<d>>t>
292;al.1;7-8
- M2a: [-X]
Maar die gelatenheid, die moedeloosheid in zijn oogen <!>>.>
292;al.1;10
292;al.1;12
- D: Goed, het
is goed <+,> Marian.
292;al.1;13
292;al.1;14
292;al.1;14
- M2a: wijsmaakt
<:>>;> uwen God
- M2b: wijsmaakt;
uw<-en> God
- D: wijsmaakt
<;>>:> uw God
292;al.1;15
- M2a: [-X]
En nocht<-h>ans
292;al.1;16
292;al.1;19
- D: die<-n>
geweldige<-n> angst
292;al.1;20
- M2b: het <onaf
te wenden>>onafwendbaar>
292;al.1;24
- D: houdt gij
u bezig <+,> Marian?
292;al.1;24-25
- M2b: een koude<-n>,
een harde<-n> lach
292;al.1;28-29
- D: voor de oogen
<,>>:> en kan ik
292;al.2
- M2a: [+X]
En ze ziet rond
292;al.2;1-2
292;al.2;6
292;al.2;6
292-293;al.2-al.1;7-1
- M2b: en wat
nogal <,>>.> <h>>H>aar stappen
293;al.1;2
293;al.1;5
- M2a: het poortje<+e>n
- M2b: het poortje<-en>
293;al.1;7
293;al.1;8
- M2a: gebeur<d>>t>
daar, wat gebeur<d>>t>
293;al.1;10
293;al.1;14
- D: Goeden avend
<+,> Bernard,
293;al.1;14
293;al.1;16
293;al.1;16-17
- M2a: Ze wordt
kil, ze word<+t> onverschillig en wil voortstappen. Ja <+,>
293;al.1;20
293;al.1;21
- M2b: Ze komt,
<+ ze> staat
293;al.1;22
- M2a: ik ben
niet goed <+,> zegt ze,
293;al.1;23-24
- M2a: een nieuw
doek <+,> verf en penseelen.
293;al.1;25
- M2a: dat te<+e>der
kinderfiguurken
293;al.1;28
- D: de<-n>
angst, de<-n> huiver
293;al.1;31
- M2b: de<-n>
morgend
- D: de morgen<-d>
293;al.1;31
- M2a: [-X]
Nu zit ze daar en hij wacht.
293;al.1;31-32
- M2a: [-X]
En ze durft niet vragen <+:> schilder me zoo
293;al.1;33
- M2a: voor u
staan <+,> want
293;al.1;35-36
- M2b: haar jong<-e>
pas ontloken hart
294;al.1;1
- M2b: als ze
hier <- nu> staat
294;al.2;3
294;al.2;3
294;al.2;4
294;al.2;6
- M1b: kuischeid
<.>>,> <H>>h>et afgewende kopje
294;al.2;8
- D: <over>>voor>
veel jaren
294;al.2;11-13
- M2a: en <+
huk> huilt, want wat daar zit daar heeft hij zoolang om gebeden, daar heeft
hij uren ver, al mankende, voor geloopen,
- M2b: en <-
huk> huilt, <want>>om> wat daar zit <- daar> heeft hij
zoolang <- om> gebeden, <- daar> heeft hij uren ver <-,>
al mankende <-,> <- voor> geloopen,
- D: <+ want>
om wat daar zit heeft hij zoolang gebeden, heeft hij uren ver al mankende
geloopen,
294;al.2;13-14
- M2a: of om het,
misschien, te ontwijken <+,> hij weet het zelf niet goed meer, en daar
- M2b: of om het
<-,> misschien <-,> te ontwijken, hij weet het zelf niet goed
meer <,>>.> <e>>E>n daar
- D: <+,>
of om het misschien te ontwijken, hij weet het zelf niet goed meer. En daar
294;al.2;15
- M2a: [-X]
En ook hij durft
294;al.2;16-17
- M2b: Dan begint
hij <,>>.> <a>>A>ls een gek <+,>
294;al.2;17-18
294;al.3;1
- M2a: [+X]
Lappe, lappe,
- M2b: [-X]
Lappe, lappe,
- D: [+X]
Lappe, lappe,
294;al.3;3
- M2a: veranderen
<+,> hier een beetje
294;al.4;4
- D: <vermoorsen>>vermorsen>
294;al.4;8
294;al.4;9
294;al.4;9-10
- M2a: <+,>
dan is ze van buiten gereed <+,> behalve<-n>
295;al.1;2
- D: en <-
de> meestergasten, voor <dezen>>hen>
295;al.1;3-4
- M2a: volk dat
hem hooger acht dan ze werkelijk zijn. [-X] En de voorstadsmenschen
- M2b: volk dat
<hem>>zich> hooger acht dan ze werkelijk zijn. En de voorstadsmenschen
295;al.1;5
295;al.1;7
- M2a: En ik heb
de plans gezien <+,> zegt een andere,
295;al.1;7-8
- M2a: allemaal
villa's <presies>>precies>, met hofkens voor en boomkens in,
- D: allemaal
villa's precies, met hofkens <+ er> voor en boomkens <+ er> in,
295;al.1;11-12
- M2a: zegt er
iemand <+,> ik zal
295;al.2;7
- M2a: in het
leven <,>>.> <h>>H>un dagen
295;al.2;9
295;al.2;11-12
- M2a: met werk
<+,> werk werk,
- D: met werk,
werk <+,> werk,
295;al.2;15
- M2a: schouwken
op <.>>,> <E>>e>n gaan daar dan wonen <:>>.>
<z>>Z>ie <+,> dat heb ik
295;al.2;17
- M2a: sekonden,
nog minder <+,> op den zelfden moment
- D: se<k>>c>onden,
nog minder, op <den zelfden>>hetzelfde> moment
295;al.2;19
- D: komt iemand
buiten <+,> en ze
295;al.2;20
- M2a: Woorden
<+,> woorden <+,> woorden
295;al.2;22
295;al.2;23
- D: sterven <,>>.>
<i>>I>edereen gaat dood
296;al.1;2
- M2a: ze meenen
het niet <+,> want
296;al.1;4
- M2a: <snachts>>'s
nachts> kunt iemand hooren
- D: 's nachts
<- kunt> iemand <+ kunt> hooren
296;al.2;2
- M2a: hun zorgen
<+,> naar de triestige kaalheid
296;al.2;4
296;al.2;6
296;al.3
296;al.3;1
296;al.3;2
296;al.4;2
296;al.4;3
- D: de kerk rond
<+,> en knarsend
296;al.4;5
296;al.4;9
- M2a: vijf <-.>
<- Vijf> mannen, wat zaten die daar binnen te doen, dat was
- D: vijf mannen,
wat zaten die daar binnen te doen <,>>?> <d>>D>at
was
296;al.4;10
- M2a: een bordeel
<+,> zegt eenen die er ook komen heenloopen is.
- D: een bordeel,
zegt <eenen>>er een> die er ook <komen heenloopen is>>
is komen heenloopen>.
296;al.4;13
296;al.4;16
296;al.4;17-18
- D: De ander<+e>
vijf zitten dicht tegen <een>>elkaar> en zwijgen.
296;al.4;18
- M2a: Kalm jongens
<+,> zegt den oudsten, dien mensch
- M2b: Kalm jongens,
zegt de<-n> oudste<-n>, die<-n> mensch
296;al.4;20
- M2a: Kalmte
mannen <+,> zegt hij,
296;al.4;20
296;al.4;23
297;al.1;2
297;al.1;3
297;al.1;3-4
- M2a: Aai <+,>
ik heb toch met den scheelen gelachen
- M2b: Aai, ik
heb toch met den <scheelen>>Scheele> gelachen
- D: Aai, ik heb
toch met den Sche<-e>le gelachen
297;al.1;5
- M2a: behalve<-n>
den scheelen
- M2b: behalve
de<-n> <scheelen>>Scheele>
- D: behalve de
Sche<-e>le
297;al.1;5
297;al.1;6
297;al.1;11-12
- M2b: den twijfel
<,>>:> ziet ge het wel, ze lachen al met den <scheelen>>
Scheele>
- D: de<-n>
twijfel: ziet ge het wel, ze lachen al met den Sche<-e>le
297;al.1;14
- M2a: een domme
<+,> zwijgende
297;al.1;16
- M2a: stoeffen
ze <,>>:> ik heb daar weer eens goed <geêeten>>geëten>,
- D: stoef<-f>en
ze: ik heb daar weer eens goed geëten,
297;al.1;22
- M2b: een serieuze<-n>
werkman
297;al.1;24
- M1b: ge kunt
er <- juist> alles mee doen,
297;al.1;25
297;al.1;28
- M2a: Maar wat
wilt ge mensch,
- D: Maar wat
wilt ge <+,> mensch,
297;al.1;29
- M2a: aangeraakt
zijn <+,> in den waterput
297;al.1;31
- D: <aankunnen>>aan
kunnen>, niet <aankunnen>>aan kunnen>
297;al.1;32
- M2a: mensch
ik <kán>>kan> het niet vergeten.
- D: mensch <+,>
ik kan het niet vergeten.
297;al.1;33-34
- M2a: zien, maar
als ze zat is <+,> peinst ze er nog meer op.
- D: zien <,>>.>
<m>>M>aar als ze zat is, peinst ze er nog meer op.
297;al.2;1
- M2a: op zijn
doode gemakken, <presies>>precies>
- D: op zijn doode
gemak<-ken>, precies
297;al.2;2
- M2a: hij <hem>>zich>
herinnert dat ouden Sus
- D: hij zich
herinnert dat oude<-n> Sus
297-298;al.2-al.1;3-1
- M2a: de deurklink
in zijn handen <,>>:> ah, hij peinsde het wel <.>>,>
<H>>h>et is dus
- D: de<+n>
deurklink in zijn handen: ah, hij peinsde het wel, het is dus
298;al.1;2
- M2b:
En wat wilt ge nu Albrik <,>>[x]> <o>>O>p
uw eer
- D: En wat wilt
ge nu <+,> Albrik <[x]>>?> Op uw eer
298;al.2
298;al.2;1-2
298;al.2;2
- D: met drie
vier woorden <+,> Jean.
298;al.2;3
- M2a: hij dient
<.>>,> <H>>h>ij tracht
298;al.2;3-4
- M2a: <doen
te>>te doen> begrijpen dat er een nieuwen wereld komt, een wereld
dien
- D: te doen begrijpen
dat er een nieuwe<-n> wereld komt, een wereld die<-n>
298;al.2;6
- M2a: [X]
[?] Ja, en hoe
- D: [-X]
Ja, en hoe
298;al.2;7
298;al.2;8
- M2a: <+,>
zoodat hun bloed
298;al.2;9-10
- M2a: <+,>
al stonden er tien mitrailleuzen in den weg? [-X] Oude Sus zijn vrouw
298;al.2;13-14
- M2a: <+,>
want ik drink uit verdriet, uit verdriet. [-X] Eigenlijk is het moei<-e>lijk
298;al.2;17
- M2a: en zeggen
<,>>:> dat is wel waar jongen,
- D: en zeggen:
dat is wel waar <+,> jongen,
298;al.2;20
- D: Ge moet serieus
zijn <+,> Jean, zegt hij,
298;al.2;21-22
- M2a: voortbouwen
<+,> steentje bij steentje,
298;al.2;22
- M1b: en gij
leest vandaag <+ in> een boek
298;al.2;23
298;al.2;24
- M2a: En gij
denkt <- ge> van een ezel een paard <kunt>>te kunnen> maken
298;al.2;25-26
- M2a: geduld
hebt zegt Jean <+,> en hij vloekt <.>>,> <W>>w>ant
hij ziet het al aankomen <:>>.> Hij heeft
- D: geduld hebt
<+,> zegt Jean, en hij vloekt. Want hij ziet het al aankomen. Hij heeft
298;al.2;26
- M2a: tegen <een>>één>
mensch geklapt en
- D: tegen één
mensch geklapt <+,> en
298;al.2;27-28
- M2a: uitgestort
<-,> tegen Albriksken, tegen zijn Albriksken <+,>
298;al.2;29
- D: een lamlendige<-n>
wereldverbeteraar, een blinde<-n> dwaas,
298;al.2;32
- M2a: <+,>
mislukten pastoor
- D: , mislukte<-n>
pastoor
298;al.2;33
- M2a: [-X]
Aai menschen
- D: Aai <+,>
menschen
298;al.2;34
- M2a: maakt toch
geen ruzie <+,> zegt ouden Sus zijn wijf
299;al.1;1
299;al.1;2
299;al.1;3
- M2a: [-X]
En heel den nacht
299;al.1;4
- D: Begrijp het
toch <+,> Jean, het is toch oorlog <+,> mensch <-, we moeten
voorzichtig te werk gaan>.
299;al.1;5
- M2a: zoo overtuigend
<+,> dat Jean
299;al.1;6
299;al.1;7-8
- M2a: wereld
<.>>,> <Z>>z>oodat hij niet meer <wist>>west>
waar hij stond<-t>
- M2b: wereld,
zoodat hij niet meer <west>>wist> waar hij stond
299;al.1;8-9
- M2a: afwachtte
<:>>.> Hij staat daar
299;al.1;12
- D: arme<-n>
blinde<-n> Ingels
299;al.1;13-14
299;al.1;15
- M2a: den <allee>>allée>
- D: de<-n>
allée
299;al.1;16
- M2a: stapt binnen. <+ Hij> <S>>s>tapt binnen
299;al.1;17
- M2a: heel alleen
zijt <+,> kunt ge
299;al.1;19
- M2a: rondom
u <+,> geven u
299;al.1;22-23
- M2a: een altijd
hooger klimmenden donkeren brij <+ brij>
- M2b: een altijd
hooger klimmende<-n> donkere<-n> brij <- brij>
299;al.1;25
299;al.1;27-28
- M2b: zonder
beteekenis <,>>.> <i>>I>k kan pertang mijn woord doen
ergens anders, <ge kunt>>ik kan>
299;al.1;29
- M2b: hier <staat
ge>>sta ik>
299;al.2;1
- M2a: [+X]
Jean begrijp me toch
- D: [X]
Jean <+,> begrijp me toch,
299;al.2;3-4
- M2a: vermoord<-t>,
laat ons kalm blijven <- en geen zot anarchisme prediken>. [-X]
Stap het af,
300;al.1;1
- M2a: haar smalle
<+,> tengere hand
300;al.1;2
- M2a: Albrik
<+,> zegt ze,
300;al.1;4
300;al.1;6
- M2a: rond hem
<+,> den trap af
- M2b: rond hem
<-,> de<-n> trap af
- D: rond hem
<+,> de trap af
300;al.1;8
- D: de smart
van Jean <.>>:> Nu heb ik niemand meer.
300;al.2;3
- M1b: hij overtuig<d>>t> Jean, hij overtuig<d>>t> Marian, hij overtuig<d>>t>
300;al.2;4-5
- M2a: Jaja <+,>
het is juist, het is waar <.>>,> <D>>d>e wereld verandert,
300;al.2;6-7
- M2a: Zoo wordt
hij nu <.>>,> <I>>i>n Albrik zijn gedachten.
300;al.3;2-3
300;al.4;1-2
- D: iets veel
grooter<+s> voor, iets geweldig<+s>
300;al.4;7
- D: midden <van>>in>
de straat
300;al.4;9-10
- M2a: staan,
en ja, zijn we nu gewonnen <-,> of wat?
- D: staan <,>>:>
en ja, <zijn>>hebben> we nu gewonnen of wat?
300;al.4;10
- M2a: moei<-e>lijk
te zeggen, in de gazet
- D: moeilijk
te zeggen <,>>.> <i>>I>n de gazet
300;al.4;11
- D: gewonnen
<zijn>>hebben>,
301;al.1;1
- M2a: <financieêl>>financieel>
300;al.1;3
- D: de<-n>
moed der wanhoop
301;al.1;4-5
- M2a: Maar zijn
we nu gewonnen of zijn we verloren? [-X] Niemand weet het,
- D: Maar <zijn>>hebben>
we nu gewonnen of <zijn>>hebben> we verloren? Niemand weet het,
301;al.1;6-7
- D: weet eigenlijk
<- juist> waarom of waarover.
301;al.1;10
301;al.2;1
301;al.2;4
- M2a: <vóor>>vóór>
den oorlog
301;al.2;5
- M2b: binst den
oorlog? En iemand anders zegt: Ja, maar in den anderen oorlog, in dien<-en>
van veertien, dan was het heelemaal anders.
- D: binst den
<+ anderen> oorlog <-?> <- En iemand anders zegt: Ja, maar
in den anderen oorlog, in dien van veertien>, dan was het heelemaal anders.
301;al.3;2
301;al.3;3
- M2a: komt <.>>,>
<E>>e>n die weer
301;al.4;1
- M2a: Maar de
voorstad blijft, zij groeit, zij ontwikkelt <haar>>zich>.
- D: Maar de voorstad
blijft <,>>.> <z>>Z>ij groeit <-, zij ontwikkelt
zich>.
301;al.4;3
- M2a: in de kerk
zit <+,> zegt
301;al.4;5
301;al.4;5
301;al.4;6
- M2a: de centjesman<+d>
- M2b: de centjesman<-d>
301;al.4;6-7
- M2a: hij had<-t>
nog zoover niet gepeinsd, en ja <+,> <bogot>>begot> <+,>
het is waar ook <+,> zegt hij.
- D: hij had <nog
zoover>>zoover nog> niet gepeinsd, en ja, begot, het is waar ook,
zegt hij.
301;al.5;1
301;al.5;2
301;al.5;4
- M2a: thuisgekomen
<+,> en Miel,
301;al.5;5
- M2a: Ja <+,>
die ook? Ja <+,> en hij
301;al.5;7
- D: Komt gij
ook van het front <+,> mannen?
302;al.1;1-2
- D: wezenloos
<,>>:> neen <+,> wij komen uit de gevangenis <,>>.>
<e>> E>n ze frutselen
302;al.1;2-3
- M2a: vest <.>>,>
<Z>>z>e lachen
302;al.1;4-5
- M2a: niemand
herinnert <hem>>zich> ooit die drie halve gare
- D: niemand herinnert
zich ooit die drie halve gare<+n>
302;al.1;5-6
- M2a: Neen <+,>
zegt Carrie,
302;al.1;8-9
- M2a: den bak
invlogen <.>>,> <E>>e>n er nu uitkomen
302;al.1;9-10
- M2a: <omwille>>om
wille> van den oorlog die gedaan is, omwille van
302;al.1;12
- M2a: financie<ê>>e>le
schandalen
302;al.2;2
- M2a: die <hen>>zich>
hunner nog herinnert.
302;al.2;3
- D: vroeger <over>>voor>
veel jaren.
302;al.2;4
302;al.2;5
- D: en herkenden
<het>>ze> niet meer.
302;al.2;6
- M2a: <nickelgeld>>niekelgeld>
- M2b: <niekelgeld>>nickelgeld>
- D: <nickelgeld>>nikkelgeld>
302;al.2;9
302;al.2;11
302;al.2;11-12
- D: in de straat,
waar <-,> lijk altijd,
302;al.2;12-13
- M2a: En ze verstaan
er <hen>>zich> niet goed uit.
302;al.2;14
302;al.2;15
302;al.2;16-17
- M2a: voort <+,>
schoon in een rijtje,
302;al.2;18
302;al.2;20
- M2a: verder
<+,> dicht tegen den muur.
302;al.2;20-21
- D: <Saargebied>>Saargebied>
302;al.2;21
- M2a: <+,>
en vlak achter hen
302;al.2;23-24
- M2a: den laatsten
van rechts <:>>,> hij staat
- D: den laatste<-n>
van rechts, hij staat
303;al.1;2
303;al.1;7
- M2a: lekker
warm <.>>,> <H>>h>eerlijk warm.
303;al.1;7-8
- M2a: ze verkneuteren
<hen>>zich>
303;al.1;8-9
- M2a: <+,>
zoo een leegen warmen wagon <+,> dat is het ware <!>>.>
- D: zoo een leege<-n>
warme<-n> wagon, dat is het ware.
303;al.1;10
- M2a: <- en>
ze fluisteren
303;al.1;13
- D: <de niewe
gas>>De Nieuwe Gas>
303;al.1;13
- D: En rap, <-
rap,> zie nu eens
303;al.1;15
- D: waar <over>>vóór>
dertig jaar
303;al.2
- M2a: [+X]
Het stekje gaat uit
303;al.2;2-3
- M2a: hoop <+,>
verlangen en droomen, of smart <+,> teleurstelling <+,> arbeid
en zorg,
303;al.2;3
303;al.2;4
- M2a: Ja <+,>
wie weet dat <!>>.>
303;al.2;5
- D: <den>>het>
donker<-en> van de spoor<wagen>>wegen>
- VW: het donker van de spoor[wegen]]wagen]
303;al.2;6
303;al.2;6
303;al.2;9
- M2a: Tja <+,>
en misschien
303;al.3;1-2
- M2a: <caoutchou-fabrieksken>>caoutchoufabrieksken>
- D: caoutchou<+c>fabrieksken
303;al.3;2-3
- M2a: caoutchou<+c>
gezien <!>>.>
- D: caoutchouc
gezien <.>>?>
303;al.3;4
- M2a: en de<+n>
eigenaar, de<+n> direkteur heeft <hem>>zich> door den kop
geschoten.
- M2b: en de<-n>
eigenaar, de<-n> direkteur heeft zich door den kop geschoten.
303;al.3;5-6
- D: <de nieuwe
gas>>de Nieuwe Gas>
303;al.3;7
303;al.3;8-9
- D: <het>>de>
fabriek<-sken>
304;al.1;1
304;al.2;3
304;al.2;4
304;al.2;5
- M2a: het regent
door <+,> en ze kruipen
304;al.2;11
304;al.4;1
- D: <Het heeft>>Er
is> oorlog geweest
304;al.4;2
304;al.4;4
- D: van <over>>voor>
jaren,
304;al.4;5-6
304;al.4;7-8
- M2a: en teekent,
<teekent, de man met>>[xxxxxx xx xxx xxx]>
- M2b: en teekent,<[xxxxxx
xx xxx xxx]>> teekent: de man met>
304;al.4;12-13
- M2a: <+,>
met hun lijntjes en hun <mik-mak>>mikmak>. Ha <+,> en hij
lacht
- M2b: , met hun
lijntjes en hun mikmak. <Ha>>Há>, en hij lacht
- D: , met hun
lijntjes en hun mikmak <.>>...> <Há>>Ha>, en
hij lacht
304;al.4;15-16
- M2a: niet ver
brengen <+,> zeggen de oude en volleerde menschen uit de teekenschool.
- D: niet ver
brengen, zeggen de oude en volleerde menschen <+,> uit de teekenschool.
304;al.4;17
- M2a: op een
geraffineerde manier <:>>.> Hij zegt niets
305;al.2;1-2
- M2a: Vaarwel
meneeren die het dan in godsnaam <wél>>wel> ver gebracht
hebt. [-X] En hij wordt teekenaar
- D: Vaarwel <+,>
meneeren <+,> die het dan in godsnaam wel ver gebracht hebt. En hij
wordt teekenaar
305;al.2;7
- M2a: <savends>>'s
avends>
305;al.3;1-2
- D: het overdekt
serpent <,>>.> <e>>E>n daar zit Carrie in,
305;al.3;6-7
- M2b: deze<-n>
- D: deze<+n>
305;al.3;7
305;al.3;9-10
305;al.3;11
305;al.3;13
305;al.3;15
- D: lollige dingen<-s>,
met plezante dingen<-s>, met dingen<-s>
305;al.4;1
- M2a: <Sanderdaags>>'s
Anderdaags>
305;al.4;4
- M2a: [-X]
Van als het nog stil is
305;al.4;5
305;al.4;5
- M2b: <haren>>haar>
boterham
305;al.4;6
- M2a: <savends>>'s
avends>
305;al.4;6
- D: de<-n>
laatste<-n> minuut
305;al.4;7
- M2b: den <blinden>>Blinde>
- D: de<-n>
Blinde
306;al.1;3
- M2b: stil<-le>,
want Ingels moest <- het> eens weten
306;al.1;4
- M2a: geweest
heeft <!>>.> [-X] Een nacht
- D: geweest <heeft>>is>.
Een nacht
306;al.1;4-5
- M2a: Een nacht
<,>>.> <e>>E>r komen veel nachten <.>>,>
<A>>a>chter iederen bangen dag
306;al.1;5
306;al.1;6
- M2a: <danseuse>>danseu[xxx]>
- M2b: <danseu[xxx]>>danseuse>
306;al.1;7
306;al.1;9
306;al.1;11
306;al.1;15
306;al.1;17
- M2a: dien man
bijvoorbeeld met zijn bolhoedje<n>>s>
- M2b: dien man
bijvoorbeeld met zijn bolhoedje<s>>n>
- D: die<-n>
man bijvoorbeeld met zijn bolhoedje<-n>
306;al.1;18-19
306;al.1;20
- M2a: en kan
er niet meer <+ naar> kijken.
306;al.1;21
- D: luider <om>>en>
luider
306;al.1;23
- M2a: overstemt
<.>>,> <Z>>z>oodat
306;al.1;24-25
- M2a: <Savends>>'s
Avends> doet ze den buikendans midden schetterend lawaai <+,> en
<smorgens>>'s morgens>
- D: 's Avends
doet ze den buik<-en>dans midden schetterend lawaai, en 's morgens
306;al.1;26
- M2a: <+,>
en met een leeg hart.
306;al.1;28
- D: eender welke
stad <,>>.> <z>>Z>oodat ze
306;al.1;29
- M1a: ergens
achter een straathoek, <haar # de> voorstad te zien,
- M2a: ergens
achter een straathoek <-,> de voorstad te zien,
306;al.2;1
- D: niet meer
nieuw is < , >> -- > want
306;al.2;3-4
- D: en sterft
<.>>,> <M>>m>aar de naam die eenmaal gegeven is blijft,
- <+ --> <- en> in de
306;al.2;5
- M2a: met bakken
<- en> bakken
- D: met bakken
<+,> bakken
307;al.1;1
- M2a: de andere<+n>
- M2b: de andere<-n>
- D: de andere<+n>
307;al.1;1
307;al.1;2
- M2a: noodig
<.>>,> <Z>>z>oodat
307;al.1;3
307;al.2;1
- M2a: [+X]
<Die>>Hij> <+ heeft> een steenen kop gekregen <- heeft>,
307;al.2;3-4
- M2a: gedanst
<+,> dat men
307;al.2;4
307;al.2;5-6
307;al.2;6
- M2a: beefstuk
wil e<-e>ten
- M2b: <beefstuk>>biefstuk>
wil eten
307;al.3;3
- M2b: den <blinden>>Blinde>
307;al.3;7
307;al.3;9-10
- M2b: een bittere<-n>
strijd
307;al.3;10
- M2a: vastheeft
<+,> geeft
307;al.3;12
- M2a: worstelt
<+,> die wil
307;al.3;14
- M2a: <- om>
een niemandal
307;al.3;15
- M2a: een beetje
beginnen motregenen is <+,> trekken
- D: een beetje
beginnen <+ te> motregenen is, trekken
307;al.3;16
307;al.3;17
- M2b: een <-
roode> vlag met een doodskop,
307;al.3;18-19
- D: <lantarenschijn>>lantaarnschijn>
307;al.3;19
307;al.3;20
- M2a: hen nog
te <leep>>vlug>
- D: <hen>>hun>
nog te vlug
307;al.3;21-22
- D: afgezet <,>>.>
<d>>D>e paardenkoppen
307;al.3;23
- M2a: <hen>>[xxx]>
- M2b: <[xxx]>>hen>
307;al.3;24
307;al.3;24-25
- M2a: iets onmogelijk
<.>>,> <D>>d>e eersten
- M2b: iets onmogelijk,
de eerste<-n>
- D: iets onmogelijk<+s>,
de eerste<+n>
307;al.3;26
- M2a: <- En>
<o>>O>uden Sus
- M2b: Oude<-n>
Sus
307;al.3;27
308;al.1;1
- M2a: mijnen
man af, waar is <+ hij> nu,
- M2b: mijn<-en>
man, waar is hij nu,
308;al.1;1-2
- M2a: ik moet
dat weten <.>>;> <O>>o>uden Sus
- M2b: ik moet
dat weten; oude<-n> Sus
308;al.2;1
- M2a: Ja <+,>
en wie er nu eerst beginnen schieten is,
- D: Ja, en wie
er nu eerst beginnen <+ te> schieten is,
308;al.2;3
- M1a: <kr[xx]ken
# kraken>
308;al.2;5
308;al.2;6
- M2a: <thalven>>midden>
in de straat
308;al.2;7-8
- M2a: <+,>
een niemandsland
308;al.2;10
- M2a: er loopt
eene<+n>
- M2b: er loopt
eene<-n>
- D: er loopt
<eene>>er een>
308;al.2;11
308;al.2;11-12
- D: Een <roode
kruisauto>>roode-kruisauto> blijft staan, en <+ werpt> wat
triestig <lantarenlicht>>lantaarnlicht> <- valt> over vier
308;al.2;13
308;al.2;14
- M2a: <+,>
en twee onbekenden
308;al.3;2
308;al.3;3
- M2b: Nochtans
ligt het huis <- al binnen> verlaten,
308;al.3;4
308;al.3;7
- M2a: met bijval
tusschen <,>>.> <z>>Z>e eischen
- D: met bijval
<+ er> tusschen. Ze eischen
308;al.3;12
308;al.4;1
- M2a: [+X]
Ja <+,> dat zou het,
308;al.4;2
- D: Arm en uitgebuit volk <+,>
309;al.1;4
- D: Terwijl hij
<,>>...> terwijl hij,
309;al.1;6
309;al.1;8
309;al.1;10
- M2a: met een
zacht <k>>d>reunen tusschen,
- M2b: met een
zacht <d>>k>reunen tusschen,
- D: <+,>
met een zacht kreunen <+ er> tusschen,
309;al.1;12
309;al.1;15-16
- D: <begint
gillend>>gillend begint> te lachen,
309;al.1;16
309;al.1;17-18
- M2a: diepe <+,>
diepe gedachten
309;al.1;18
- D: <zottepraat>>zotte
praat>
309;al.1;20-21
- D: <Pour
lire aux bains>>Pour lire aux bains>
309;al.1;21
- M2a: <+,>
staat er op die omslagen <+,>
309;al.1;21-22
309;al.1;24-25
- M2a: Herinnert
ge het u <+,> vraagt hij, herinner<+t> <+ gij> u dien tijd
dat ik daar zat en onzeggelijk <afzag>>leed>,
309;al.1;26
309;al.1;27-28
- M2a: <+,>
en hij steekt zijn gelaat weg achter zijn beide handen. [-X] Hij
dwaalt
309;al.1;29
- M2a: met moeite
<+,> tranen en zorg
309;al.1;32-33
- M2a: over vijftig
<+,> zestig jaar
- D: <over>>voor>
vijftig, zestig jaar
310;al.1;5
310;al.1;6-7
- M2a: met haar
gebeuren <!>>.>
- D: met haar
gebeuren <.>>?>
310;al.1;7-8
- M2a: iets heimelijk
bang <- benauwd> en plezierig
310;al.1;10
- M2a: <tegenstrijdigheiden
# tegenstrijdigheden>
310;al.1;13
- D: geen enkele<-n>
verborgen hoek
310;al.1;13-14
310;al.1;14-15
- M2a: <- En>
<h>>H>ij ontgrendelt de deur, stap het af, zegt hij.
- M2b: Hij ontgrendelt
de deur <,>>.> <s>>S>tap het af, zegt hij.
310;al.2;2
- M2a: Die zijn
er aan <+,> peinst hij,
310;al.2;3
- M2a: de roode
<kruis auto>>kruisauto>
310;al.2;6-7
- M2a: met gendarmen
<.>>,> <E>>e>n wie uit de voorstad iets op zijn geweten
heeft <+,> muist
310;al.3;2
- M2a: omvergelapt
heeft <+,> is voor den moment de vraag niet. De vraag is <+,>
- D: omvergelapt
heeft, is voor <den>>het> moment de vraag niet. De vraag is,
310;al.4;1
- M2a: [+X]
De schuldigen moet<+en> gevonden worden
310;al.4;2
310;al.4;4
310;al.4;5
- D: met <-
een> gejaagden stap.
310;al.4;6
310;al.4;6
- M2a: hij haast er <hem>>zich>
311;al.1;2
- M2a: moeten
vinden <+,> kunnen ze
311;al.1;3
311;al.1;5
- M2a: de<+n>
vierden
- M2b: de<-n>
vierde<-n>
311;al.1;6
- M2b: een vijfde<-n> <.>>:> Jean
311;al.1;7
311;al.1;8
311;al.1;8
- M2b: Neem aan
<+,> zegt hij,
311;al.1;10
- D: en surtout
<+,> hebt ge een paspoort?
311;al.1;11
- M2a: Welbedankt
zegt Albrik. <Allee>>Allez> <+,> zegt Jean,
- D: Welbedankt
<+,> zegt Albrik. Allez, zegt Jean,
311;al.1;13-14
- M1b: in zijn
bloed, vraag hem nu zijn broek, <- en> hij geeft ze alaminute,
- M2a: in zijn
bloed <,>>.> <v>>V>raag hem nu zijn broek, hij geeft
ze <alaminute>>à la minute> <-,>
311;al.1;14-15
- M2a: geschoten
<+,> geroepen en gevloekt,
311;al.1;16
311;al.1;17
311;al.1;17-18
- M2a: zou voorbij
zijn <+,> zou
311;al.1;20
- M2a: eerlijk
uitdeelen <,>>.> <m>>M>et hoevelen
311;al.1;28
311;al.1;29
311;al.1;29
- D: <Saargebied>>Saargebied>
311;al.1;30
311;al.1;32-33
- M2b: <lantarenken>>lantaarnken>
aan en een plak:
- D: lantaarnken
aan <+,> en een plak:
311;al.1;35
- M2a: met spek
<+,> boonen en patatten in.
- D: met spek,
boonen en patatten <+ er> in.
312;al.1;3
- M2a: [-X]
En daar staat Albrik
312;al.1;4
- M2a: Hij keert
<hem>>zich> om,
312;al.1;6-7
- M2b: een andere<-n>
wereld
312;al.1;7
- D: gebeuren
<-,> of neen,
312;al.1;10
- M1b: dat zij
<- toch> ook
312;al.1;16
- M2b: de<-n>
wereld dien hij zich droomt, de<-n> wereld
- D: de wereld
die<-n> hij zich droomt, de wereld
312;al.1;17-18
- M2a: den wereld
van <haár>>haar> droomen, den wereld waar <z>>h>ij
- M2b: de<-n>
wereld van haar droomen, de<-n> wereld waar <h>>z>ij
312;al.1;19
- M2b: die<-n>
wereld.
- D: die wereld
<.>>?>
312;al.2
312;al.2;1
312;al.2;2
- M2a: trekken
<hen>>zich> van
312;al.2;4-5
- D: verdeeld
<,>>:> de eene het spek,
312;al.3;2
312;al.3;3
- M2b: <+,>
en met een gebaar,
312;al.3;4
312;al.3;5-6
- M2a: drooge
lippen <+,> en telefoons rinkelen, liften dalen en <rijzen>>
stijgen>,
- D: dro<-o>ge
lippen, en telefoons rinkelen, liften dalen en stijgen,
312;al.3;7
- M2a: denken
<+,> rekenen en cijferen,
312;al.3;12
- M2a: oudemannenhuis
<.>>,> <H>>h>ij niet.
313;al.1;5-6
- M2a: terughebben
<,>>.> <h>>H>ij wil
313;al.1;8
313;al.1;10-11
- M2a: van hem
is <.>>,> <B>>b>lokken en blokken
313;al.1;12-13
- M2a: en een
cinema <+,> een ijsbaan,
313;al.1;13-14
- M2a: zijn kerk
<.>>,> <I>>i>eder zijn goesting. <- Want> <h>>H>et
kan hem niet schelen
313;al.1;15
313;al.1;15
- M2a: En daar
zijn er <- die in zijn weg staan en> die zeggen: <H>>h>ij
zal
313;al.1;16-17
- M2a: [-X]
Maar zoo zot is hij nog niet want hij weet dat er nog durven in zijn weg komen
- M2b: [-X]
Maar zoo zot is hij nog niet want hij weet dat er nog <+ menschen> durven
in zijn weg komen
- D: [-X]
Maar zoo zot is hij nog niet <+,> want hij weet dat er nog <- menschen>
durven in zijn weg komen
313;al.1;17-18
- M2a: <- En> <h>>H>ij heeft een ander bureel
313;al.1;18
- M2a: [X]
[?] Vanmiddag was hij
- D: [-X]
Vanmiddag was hij
313;al.1;19
- M1b: <ondersch[xxxxx]>>onderscheidene>
- M2a: onderscheiden<-e>
313;al.1;26
- M2a: trawanten<-
->tot in den dood <+,> staat recht
313;al.1;28
- M2a: over <A>>a>lgemeen
<N>>n>ut, <V>>v>erheffing <V>>v>an <D>>d>en
<A>>a>rbeidersstand
313;al.1;29-30
- M2a: die iets
<groots>>grootsch>, die iets eenig<+s> in de geschiedenis
zal zijn. <- Nieuwe lijnen worden getrokken, de arbeider wordt opgeheven
naar een menschwaardig bestaan.>
313;al.1;30
- M2b: wijn<roemers>>roomers>
313;al.1;32
- M2a: dien Mark
<+ zich> nog
313;al.1;32-33
- M2a: uit den
tijd van de school <.>>:> <H>>h>et baronszoontje.
<Eija>>Tja> <+,> die zit er ook.
313;al.1;33-34
- M2a: Hij stribbelt
tegen, er <+ er> krabbelt
- M2b: Hij stribbelt
tegen <,>>.> <e>>E>r <- er> krabbelt
- D: Hij stribbelt
tegen <.>>,> <E>>e>r krabbelt
313;al.1;35
313;al.1;35
- M2a: zijn heel<+e>
leven.
314;al.1;2-3
- M2a: het volk
mort meneeren <!>>.>
- D: het volk
mort <+,> meneeren.
314;al.1;4-5
- M2b: zoo mort
het volk <,>>.> <g>>G>eef het al wat het begeert <,>>...>
het mort,
- D: zoo mort
het volk <.>>,> <G>>g>eef het al wat het begeert <...>>:>
het mort,
314;al.1;8
314;al.2;1
- M2a: [+X]
Hij zal het u zeggen <+,> want hij weet
- D: [X]
Hij zal het u zeggen <-,> want hij weet
314;al.2;3
- M2b: dat hij,
hij Mark <+,> het werk zal doen
314;al.2;5
- M2a: van <een>>den>
mensch?
314;al.2;7
314;al.2;9
314;al.2;12
- D: een schoon<+e>
begrafenis
3141;al.2;13
- M2a: Indrukwekkend
<-, indrukwekkend>.
314;al.2;14
- M2a: Hij zet
<hem>>zich> neer
314;al.2;15
314;al.2;16
- M2a: juichen
hem toe <,>>.> <d>>D>aar zit hij,
314;al.2;17
314;al.2;20
- M2b: die ze
<+ uit>betalen
- D: die <ze
uitbetalen>>men uitbetaalt>
314;al.2;21
- M1b: onmiddel<+l>ijk
moet stort<-t>en
314;al.2;23
- M2a: naar huis,
<- naar huis,> naar het oude <moeê>>moeë> huis.
314;al.2;24
- M2a: zit hij
daar <:>>.> Macht, grootheid, voltooing
- D: zit hij daar.
Macht, grootheid, voltooi<+i>ng
314;al.2;26-27
- M2b: de<-n>
andere<-n> rommel
314;al.2;27-28
314;al.2;28
- M2b: onze grootsche
plannen <+,> <en>>onze> onmetelijke fortuinen
- D: onze grootsche
plannen <-,> <onze>>en> onmetelijke fortuinen
315;al.1;2
- M2b: Over anderen
dag komt de<-n> doktoor
- D: <Over>>Om
den> anderen dag komt de doktoor
315;al.1;3
- M2b: <haren>>haar>
kop
- D: haar <kop>>hoofd>
315;al.1;4-5
- M1b: trekt <hem>>zich>
dat aan.
315;al.1;7
- M2b: Behalve
Maria <-,> die
315;al.1;10
- M2b: zwe<-e>ren
zijn in uw<-en> kop?
315;al.1;11
- M2a: uitgeteerd
is <+,> hangt
- M2b: uitgeteerd
is <-,> hangt
- D: uitgeteerd
is <+,> hangt
315;al.1;12
- M2a: <+,>
zegt Maria. Ons Carrie
- D: , zegt Maria
<.>>,> <O>>o>ns Carrie
315;al.1;14
- M2b: de<-n>
trap opkomen en dan zeg ik <,>>:> ze is daar.
315;al.1;14
315;al.1;17-18
- M2a: [-X]
Het is <presies>>precies> of ze mijn kop afzagen <+,> zegt
Elie <+,> als ze
315;al.1;18
315;al.1;22
315;al.1;24
- M2b: van zulk
een groote<-n> schoone<-n>
- D: <- van>
zulk een groote schoone
315;al.1;25
- M2b: En ze twijfelt
<,>>:>
315;al.1;27
- D: [-X]
Marian koestert haar droomen
315;al.1;27-28
315;al.1;28
- M2a: Nauw steekt
het niet <+,> want
315;al.1;29
- M2a: <snoenens>>'s
noenens>
315;al.1;30-31
- M1b: gereed:
witloof. En wiltloof moet een beetje aanbrand<-d>en
- M2a: gereed:
witloof <.>>,> <E>>e>n witloof moet een beetje aanbranden
315;al.1;33
315;al.2
316;al.1;1
316;al.1;2
- M2b: en trek<-t>
uw<-en> plan.
316;al.1;3
- M2b: de<-n>
eerste<-n> keer
- D: de<+n>
eerste<+n> keer
316;al.1;4-5
- M2a: toch nog
niet zat zijn <.>>!>
- D: toch <-
nog> niet zat zijn <!>>.>
316;al.1;5
- M2b: wat hebben
we <van den>>dezen> noen?
316;al.1;7
- M2a: <+,>
zegt hij. Ja <+,> zoo eet ik het liefst zegt Marian
- D: , zegt hij.
Ja, zoo eet ik het liefst <+,> zegt Marian
316;al.1;10
- M2a: [-X]
Ik moet er niet van hebben <+,> zegt Jean,
316;al.1;11
316;al.1;11-12
- M1b: <op>>in>
haar voorhoofd
316;al.1;12
316;al.1;14
- M2a: <telloren>>teljoren>
316;al.1;15
- M2a: niets meer
hebben <+,> moeder?
316;al.1;16
- M2b: <- wel>
waarschijnlijk
- D: <+ wel>
waarschijnlijk
316;al.1;18
- M2b: niemand
die zegt <+:> het leven dit
316;al.1;19-20
- M2a: de<+n>
dood, de<+n> zwijgzame<+n> stille<+n> dood, de rust en de
vergetelheid. <- En> <h>>H>et gehamer
- M2b: den dood,
den zwijzamen stillen dood, de rust en de vergetelheid <.>>;>
<+ en> <H>>h>et gehamer
- D: den zwijgzamen
stillen dood, de rust en de vergetelheid; <- en> het gehamer
316;al.1;21
316;al.1;22
- D: een mierennest
is <die>>dat>
316;al.1;26-27
- M2a: langs de
houten barakken waar Sander gewoond <+,> geleefd en gedronken heeft
- M2b: <- langs>
de houten barakken waar Sander gewoond, geleefd en gedronken heeft
316;al.1;29
316;al.2;3-4
- M1b: en zoo
vol <spinneko[xxxx]>>spinnekopnetten>
- D: <+,>
en zoo vol spinnekopnetten
316;al.2;4-5
- M2a: het fabriek
in, waar niemand <+,> niemand,
- M2b: <het>>de>
fabriek in, waar niemand, niemand,
316;al.2;6
- M2a: Hé
<+,> roept ze <+,> om toch
317;al.1;1
317;al.1;2
- M2a: hé
<.>>,> <N>>n>et of ginder
317;al.1;3
317;al.1;5
317;al.1;8
- M2a: en waar,
als ge aan een hoek komt <+,> plots
- D: en waar <+
ge>, als ge aan een hoek komt, plots
317;al.1;9
317;al.1;9
- M2a: haren rug
kruipen <+,> alsof
- M2b: <haren>>haar>
rug kruipen, alsof
317;al.1;10
- M2a: Ze keert
<haar>>zich>
317;al.1;10-11
- M2b: een effen
hooge<-n> muur
317;al.1;11-12
317;al.1;14
- D: <- gaat>
uit te voorschijn <+ gaat> komen.
317;al.1;14
317;al.1;15
- M2a: om er zeker
van te zijn dat <het een>>heteen> rat geweest is.
- M2b: om <-
er> zeker <- van> te zijn dat heteen rat geweest is.
- D: om zeker
te zijn dat <heteen>>het een> rat geweest is.
317;al.1;15-16
- M2a: Ze laat
een angstigen schreeuw <+ hooren>
317;al.1;17
- M2a: <waardoorheen>>waar
doorheen>
317;al.1;20-21
- M1b: En achter
haren rug blijft dat wa<[x]>>t> in die deur za<[x]>>t>
- M2a: <- En>
<a>>A>chter haren rug blijft dat wat in die deur zat
- M2b: Achter
<haren>>haar> rug blijft <dat>>dát> <+,>
wat in die deur zat <+,>
- D: Achter haar
rug blijft <dát>>dat>, wat in die deur zat,
317;al.1;22
- M2b: van dien
gang, <- om er van af te zijn,> en daar is het
- D: van die<-n>
gang, en daar is het
317;al.1;23
- M2a: <- Van>
<e>>E>rgens uit een deur
317;al.1;25
- M2a: [-X]
Haar beenen knikken
317;al.1;26
317;al.2;1
- M2a: [+X]
Op dat zolderken
317;al.2;1
- M2b: de middenste<-n>
lijk een ouden God
- D: de midde<n>>l>ste
lijk een oude<-n> God
317;al.2;3
- M2a: zonder
klank of <rietme>>rythme> in.
- D: zonder klank
of <rythme>>rhythme> <+ er> in.
317;al.2;3-4
- M2a: <- En>
<d>>D>e twee anderen
317;al.2;5-6
- M2a: naar den
hemel geheven <+,> stappen ze voort in den steeds zelfden kring,
- M2b: naar den
hemel geheven <-,> stappen ze voort <+,> in den steeds zelfden
kring,
- D: naar den
hemel geheven stappen ze voort <-,> in <den steeds zelfden>>steeds
denzelfden> kring,
317;al.2;8
- M2a: [-X]
Mijn hemel <+,> wat beteekent dat?
318;al.1;2
- M2b: een serieuze<-n>
mensch uit de voorstad <hem>>zich> misloopen
318;al.1;3
- M2a: caoutchou<+c>fabrieksken
binnenkomen <.>>,> <W>>w>at
318;al.1;4
- D: <neergetuimeld>>neer
getuimeld>
318;al.1;5
- M2a: der hel
<.>>,> <E>>e>n hij
318;al.1;6-7
- M1b: in een
hemel is <?>>,> met haar
318;al.1;8-9
- M1b: Ze houdt
<haar>>zich> aan den deurpost vast en wankelt, het wordt geel
en donkerrood voor haar oogen, de deurpost
- M2a: Ze houdt
zich aan de<-n> deurpost vast en wankelt, het wordt geel en donkerrood
voor haar oogen, de deurpost
- M2b: Ze houdt
zich aan de<+n> deurpost vast en wankelt <,>>.> <h>>H>et
wordt geel en donkerrood voor haar oogen <,>>.> <d>>D>e
deurpost
- D: Ze houdt
zich aan den deurpost vast en wankelt <.>>,> <H>>h>et
wordt geel en donkerroood voor haar oogen. De deurpost
318;al.1;9-10
- M2b: en zwelt
<,>>.> <d>>D>e drie
318;al.1;11
- M2b: gestalten
<,>>.> <z>>Z>e worden
318;al.1;12
- M2b: klettert
kapot <+.> <e>>E>n ze valt neer <.>>,> <D>>d>e
handen
318;al.1;14
- M2b: tegen de
gekalkten muur <,>>.> <u>>U>it een
- D: tegen de
gekalkten muur <.>>;> <U>>u>it een
318;al.2;1
- D: Marian <+,>
wat is er?
318;al.2;2-3
- M2a: <asemt>>ademt>
diep en zwaar, en ge zijt toch niet dood <+,> vraagt hij stil, hij steekt
- M2b: ademt diep
en zwaar, en ge zijt toch niet dood, vraagt hij stil <,>>.> <h>>H>ij
steekt
- D: ademt diep
en zwaar <,>>.> <- en> <g>>G>e zijt toch niet
dood, vraagt hij stil <.>>,> <H>>h>ij steekt
318;al.2;3
318;al.2;3-4
- M2a: naar dat
lieve <- lieve> en hielig<+e> gelaat.
318;al.2;4
- M2a: haar oogen
opent <.>>:> <W>>w>aar ben ik
- D: haar oogen
opent <:>>,> waar ben ik
318;al.2;5
- M1b: en haar
<alles>>zich> op slag herinnert,
- M2a: en haar
zich <+ alles> op slag herinnert,
- M2b: en <-
haar> zich alles op slag herinnert,
318;al.2;8
- M2a: Niets <+,>
zegt ze, en ze maakt <haar>>zich> los.
318;al.2;9
- M2a: niet kijken
<+,> want stel u <- eens> voor
- D: niet kijken
<,>>.> <w>>W>ant stel u voor
318;al.2;10
- M2a: gewo<-o>ne
menschenoogen blijken te zijn <+,> waarin
318;al.2;11-12
- M2b: van <haren>>haar>
droomwereld te vinden is <.>>!> [-X] En ze gaat weg,
teer en fijn <.>>...>
- D: van haar
droomwereld te vinden is! <+...> En ze gaat weg, teer en fijn...
[terug]
|