Hoofdstuk  III
___________________________
legenda/ [ I ][ II ] [ III ] [ IV ] [ V ]            [terug]

 

 

261;al.1;1

  • M2a: van het front <:>>.> <w>>W>ij hebben

261;al.1;2-3

  • M2b: wat het volk peinst <,>>:> <is dat nu>>nu is> de<-n> oorlog haast gedaan <- is>

261;al.1;3

  • M2a: Ja <+,>

261;al.1;4

  • D: de<-n> radio

261;al.2;1

  • M2a: <+,> want

261;al.2;2

  • M2b: <nief>>nieuw> dingen
  • D: nieuw<+e> dingen

261;al.2;4

  • M2b: die<-n> pronte<-n> soldaat

261;al.2;6

  • M2b: hare<-n> Ingels
  • D: <hare>>haar> Ingels

261;al.2;6

  • M2a: <God-in-den-hemel>>God in den hemel> <+,> nu is ze

261;al.2;7-8

  • M2a: <+,> en wat moet ze hem toch gaan wijsmaken.
  • D: , en wat moet ze hem toch <- gaan> wijsmaken <.>>?>

261;al.2;8

  • M2b: Ze zou wel iets vinden, <- maar> nu is het <+ echter> de<-n> moment
  • D: Ze zou wel iets vinden <,>>.> <n>>N>u is het echter <de>>het> moment

261;al.2;10

  • M2b: de<-n> trap

261;al.2;10

  • M2a: open <+,> en hoe

261;al.2;11

  • M2a: Ingels <+,> wat is dat?

261;al.2;12

  • M2b: de<-n> trap

261;al.2;13

  • M2a: Och <+,> och Ingels <.>>?>

261;al.2;14

  • M2a: alle twee mijn oogen <+,> zegt hij. Ja <+,> hoe
  • D: alle twee <mijn>>zijn> oogen, zegt hij. Ja, hoe

261;al.2;15

  • D: <mijn>>zijn> oogen

261;al.2;16-17

  • M2b: deze<-n> die hem de<-n> trap ophielp.

261;al.2;17-18

  • M2a: Ja <+,> laat hem gauw terug over die gaten vallen <+,> man <+,> of ik

261;al.2;20-21

  • M2b: Een andere<-n> mensch zijn eertse werk als hij na langen tijd thuis komt is
  • D: Een andere mensch zijn eerste werk <+,> als hij na langen tijd thuis komt <+,> is

261;al.2;21-22

  • M2a: de lijsten <+,> de postuurkens

261;al.2;22-23

  • M2b: Ingels kan dat <- nu> niet.

261;al.2;24

  • M2a: <knieên>>knieën>

261-262;al.2-al.1;25-1

  • M2b: Verstaat ge er u <- nu> nog uit,

262;al.1;3

  • M2a: een stijven <+,> dooden glimlach <+,> <L>>l>ijk
  • M2b: een stijve<-n>, doode<-n> glimlach, lijk

262;al.1;4

  • M2a: <hem>>zich>

262;al.1;5

  • M2a: <gelegenheids-gezicht>>gelegenheidsgezicht>

262;al.1;5

  • M2a: Ja <+,> met een masker

262;al.1;8-9

  • M2b: God, Ingels, man, blond <+...> dat ge <->>,> dat ge... Ja <+,> zegt Ingels, ik weet wel

262;al.1;10

  • M2a: <+,> want in de wieg

262;al.1;12

  • M2a: <knieên>>knieën>

262;al.1;12-13

  • D: <Hadt>>Was> hij gezond

262;al.1;14

  • M2a: Maar nu <!>>.> Kunt ge nu tegen een blinden gaan liegen?
  • D: Maar nu. Kunt ge nu tegen een blinde<-n> gaan liegen?

262;al.1;16

  • M2a: ligt <+,> beeft.

262;al.1;18

  • M2b: de<-n> glimlach terug op het star gezicht.

262;al.1;19-20

  • M2a: onzen Albrik <+,> zegt Maria.
  • M2b: onze<-n> Albrik, zegt Maria.

262;al.1;22

  • M2a: op en neer gaat <,>>.> <W>>w>ant

262;al.1;23

  • M2a: moei<-e>lijk

262;al.2;1

  • M2b: <zien>>kijken>. Een blinde<-n> soldaat

262;al.2;3

  • M2a: Ja <+,>

262;al.2;5

  • M2a: Nocht<-h>ans

262;al.2;7

  • M2a: een stilderen mond met een groefje er rond <+.> [+X] <- en> <a>>A>ls
  • M2b: een <stilderen>>stilleren> mond met een groefje <- er> rond <.>>,>[-X] <+ en> <A>>a>ls
  • D: een stilleren mond met een groefje <+ er> <rond>>om>, en als

262;al.2;8

  • M2a: oplet <+,> speurt

262;al.3;2

  • M2b: zijn <rug>>schouders>

263;al.1;1

  • M2b: den <blinden>>Blinde>. De<-n> <blinden>>Blinde>
  • D: de<-n> Blinde. De Blinde

263;al.1;1

  • M2a: Ah <+,> goeden dag <+,>

263;al.1;2

  • M2a: Ja <+,> dat zoudt ge een<-s>
  • M2b: Ja, dat zoudt ge een<+s>

263;al.2;2

  • M2b: mijn<-e> pa

263;al.2;5

  • M2b: <- af>pakt en een witten stok in de plaats geeft <.>>,> <D>>d>at

263;al.2;7

  • M2b: den <bllinden>>Blinde>
  • D: de<-n> Blinde

263;al.2;7

  • M2a: <Savends>>'s Avends>

263;al.2;7-8

  • M2b: uw<-en> pa, Albrik <-,> en op de kinderen.

263;al.2;9-10

  • M2a: <de nieuwe gas>>deniuuwe gas>
  • M2b: <deniuuwe gas>>de nieuwe gas>
  • D: <de nieuwe gas>>De Nieuwe Gas>

263;al.2;10

  • M2a: <Sanderdaags>>'s Anderdaags>

263;al.2;11

  • M2b: <vingeren>>vingers>

263;al.2;12

  • M2a: Hoe <+,> twee,
  • M2b: Hoe <-,> twee,

263;al.2;15

  • M2a: <snoenens>>'s noenens>

263;al.2;16

  • M2a: een heel klein <stukje>>beetje>

263;al.2;18

  • M2b: alles? <+...> <O>>o>f ge moet

263;al.2;19

  • M2a: Aai zijn moeder is een dief <!>>.>
  • D: Aai <+,> zijn moeder is een dief.

263;al.2;21

  • M2a: <knieên>>knieën>

263;al.2;22-23

  • M2a: stelen <+,> is dat erg Jean? Hebde gij gestolen?
  • M2b: stelen, is dat erg Jean? <Hebde>>Hebt> gij gestolen?
  • D: stelen, is dat erg <+,> Jean? Hebt gij gestolen?

263;al.2;23-24

  • M2a: Neen, maar moest ik nu <+,> of mijn moeder per exempel stelen <+,> zou dat

263;al.2;27

  • M2a: nu ja <+,> dat is iets anders,

263;al.2;28

  • M2a: <een>>één> ding

263;al.2;30

  • M2a: <+,> dat ze opstaat

264;al.1;1

  • D: toch een misdaad <+,> Jean,

264;al.1;2

  • M2a: rolt <- hem> een sigaret <+,> en doet

264;al.1;2

  • M2b: vermijden <-,> dat hij

264;al.1;4

  • M2b: de<-n> heele<-n> aardbol

264;al.1;5-6

  • M2a: en zeggen <+:> <w>>W>eet ge nu wat? Ze hebben den wereldbol van onder ons voeten gestolen <!>>.>
  • M2b: en zeggen: Weet ge nu wat <?>>,> <Z>>z>e hebben den wereldbol van onder ons voeten gestolen.

264;al.1;8

  • M2a: besteed<-t>

264;al.1;9-10

  • M2a: Steelt u <bogot>>godomme> rijk jongen, als ge kunt.
  • M2b: Steel<-t> u godomme rijk jongen <-,> als ge kunt.
  • D: Steel u godomme rijk <+,> jongen <+,> als ge kunt.

264;al.1;11

  • M2a: een misdaad <!>>.>

264;al.1;11-12

  • M2b: en begint <den>>het> boek te vertellen <die>>dat> hij

264;al.1;12-13

  • D: een nieuwe<-n> wereld

264;al.1;13

  • M2b: geen gedacht <- zullen> hebben

264;al.1;17

  • M2b: van nu af <- aan> leeft hij in een dubbelen wereld.
  • D: van nu af leeft hij in een dubbele<-n> wereld.

264;al.1;17-18

  • M1a: Met zijn gedachten <leeft # is>

264;al.1;18-19

  • M2b: geduld heeft <van>>en> wachten <+ kan>,

264;al.1;19

  • D: de<-n> wereld

264;al.1;21-22

  • M2a: geen zonde is <,>>.> [+X] <w>>W>ant
  • M2b: geen zonde is. [-X] Want

264;al.1;23

  • M2b: <- iemand anders> iets verdoken <- af> te pakken.

264;al.2;1

  • M2a: <Savends>>'s Avends> maakt Maria haar gereed.
  • M2b: 's Avends maakt Maria <haar>>zich> gereed.

264;al.2;2

  • M2a: doen zulle Ingels <.>>!> Ja <+,> den blinden
  • M2b: doen zulle Ingels! Ja, zegt de<-n> <blinden>>BLinde>
  • D: doen <+,> zulle Ingels! Ja, zegt de Blinde

264;al.2;5

  • D: de<-n> doode<-n> lach

264;al.2;6

  • D: de<-n> blik

264;al.2;7-8

  • M2a: die ze niet verstaat en die vraagt <+:> waarom moet ge proper kousen aanhebben
  • D: die<+n> ze niet verstaat en die vraagt: waarom moet ge proper<+e> kousen <aanhebben>>aan hebben>

264;al.2;9-10

  • M2b: Lijk al de ander vragen die elkander opvolgen <lijk>>als> de paardekens
  • D: Lijk al de ander<+e> vragen die elkander opvolgen als de paardekens

264;al.3;1

  • M2a: in de school <+,> omdat

264;al.3;2

  • M2a: <+,> want <ik heb>>hij heeft>

264;al.3;3-4

  • D: bij Jean <.>>:> Ze hebben

264;al.3;4

  • M2b: <dien>>dat> boek

265;al.1;1

  • M2a: <+,> zegt Jean, want ge zijt een stommerik, houdt dat voor u.
  • D: , zegt Jean, want ge zijt een stommerik, houd<-t> dat voor u.

265;al.1;3

  • M2b: zal <- het> niemand weten dat er een nieuwen wereld
  • D: zal niemand weten dat er een nieuwe<-n> wereld

265;al.1;4

  • M2a: zeggen <+,> zoodat

265;al.2;1-2

  • M2b: Hoe moet hij nu <- gaan> uitleggen

265;al.2;4

  • M2b: dingen<-s>

265;al.3;2

  • M1b: gedachten<+is> heeft

265;al.3;2-3

  • M2a: een pop van zagemeel die een been mankeert <+,>
  • M2b: een pop<+je> van zagemeel <die>>dat> een been mankeert,

265;al.3;5-6

  • M2a: Blijf uit dat schof <+,> Marian. Marianneken laat het schof halverwegen open hangen
  • M2b: Blijf uit <dat schof>>die schuif> <+,> Marian. Marianneken laat <dat schof>> de schuif> open hangen
  • D: Blijf uit die schuif, Marian. Marianneken laat de schuif <open hangen>>openhangen>

265;al.3;7-8

  • M2a: donker<+e> oogen in een smal gezicht. Het is <presies>>precies>
  • M2b: donkere oogen in <een>>het> smal gezicht. Het is precies

265;al.3;8

  • M2b: maar nog <een beetje>>wat> fijner.

265;al.3;9

  • M2a: <presies>>precies>

265;al.3;10

  • M2a: geërfd <!>>.>

265;al.3;11-12

  • M2b: <- Noch> Elie <die daar zit>>zit daar> met een mond <die>>welke> spijtig naar beneden zakt <+;> <en naar die deur staart>>ze staart naar die deur> met den kapstok aan,
  • D: Elie zit daar <+,> met een mond welke spijtig naar beneden zakt; ze staart naar die deur met den kapstok <+ er> aan,

265;al.3;13

  • M2a: de<+n> kop
  • M2b: de<-n> kop

265;al.3;15-16

  • M2a: Maar <mijnhemel>>mijn hemel>,

265;al.3;17

  • M2a: zitten naar te zien <!>>.> Noch Jean
  • M2b: <- zitten> naar te zien. <Noch>>Ook> Jean

265;al.3;17-18

  • M2a: <knieên>>knieën>

265;al.3;18

  • D: <de>>het> venster

265;al.3;19

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

265;al.3;19

  • M2b: binnenkruipt <.>>,> <+ zegt niets.> [X] Het blijft doodstil
  • D: binnenkruipt, zegt niets. [-X] Het blijft doodstil

265;al.3;23

  • M2a: Dat hoekjen neven de schouw is <hare>>haar> kleine wereld.
  • M2b: Dat hoekje<-n> neven de schouw is haar kleine wereld.

265;al.3;23-25

  • M2b: De pop doet dodo <en>>;> er kruipt een vlieg over den muur. Ssst <+ ...> vliegje, <m>>M>ieken slaapt.
  • D: De pop doet dodo; er kruipt een vlieg over den muur <.>>:> Ssst... vliegje <, >>.> Mieken slaapt.

265;al.3;26

  • M2a: wasschen <+,> vliegsken?

266;al.1;1

  • M2a: <+,> komt Albrik seffens binnengevlogen achter Jean.
  • M2b: , komt Albrik seffens binnengevlogen <achter>>naar> Jean.

266;al.1;2-3

  • M2b: wat vies te vertellen <,>>:> de menschen
  • D: wat <vies>>vreemds> te vertellen: de menschen

266;al.1;4

  • M2a: weg is <+,> staat

266;al.1;5-6

  • M2a: ziet hij <hem>>zich> verongelijkt. En kom <+,> Marianneken <+,> zegt hij dan,

266;al.1;7

  • M2b: Mag <m>>M>ieken meegaan Albrik?
  • D: Mag Mieken meegaan <+,> Albrik?

266;al.1;9

  • M2b: aan zijn hand <.>>:> <W>>w>e gaan

266;al.1;11

  • M2a: , want ze verplaatsen <hen>>zich>
  • M2b: <-,> want ze <verplaatsen>>zetten> zich

266;al.2

  • M2a: [+X] En het is waar ook,

266;al.2;3

  • M2a: woont <+,> komt

266;al.2;8

  • M1b: werkt <+ amper> drie dagen

266;al.3;3

  • M2b: van de voorstad <-,> dan niet

266;al.3;3-4

  • M2a: Zie eens, zie eens <+,> kraait Marian,

266;al.3;8

  • D: Schiet er maar op <+,> zulle!

266;al.3;10-11

  • M2a: Ja <+,> schiet er maar op <+,> en dan vlak door iemand zijn oogen zeker <!>>.>

266;al.3;11

  • M2a: <hem>>zich>

132;al.3;13

  • M2a: Hé <+,> is dat

266;al.3;13-14

  • M2a: zijn beenen <+,> zoodat zijn <knieên>>knieën> knikken en hij draait <hem>>zich> om. Hij
  • M2b: zijn beenen, zoodat zijn knieën knikken <en>>.> <h>>H>ij draait zich om <.>>,> <H>>h>ij

266;al.3;15

  • M2a: die<+n>zelfden
  • M2b: <dienzelfden>>diezelfde>

267:al.1;2

  • M2a: <+,> want hooger geraakt hij niet. Aai <+,> zegt den grooten lummel <+,> en
  • M2b: ,want hooger geraakt hij niet. Aai, zegt de<-n> groote<-n> lummel, en

267;al.1;4-5

  • M2a: <+,> maar Albrik schreit <.>>,> <S>>s>chreit van woede <+,> schaamte en onmacht.

267;al.1;6

  • D: <Op>>Om> zijn moeder

267;al.1;7

  • D: En <op>>om> wie

267;al.1;8

  • M2b: Op den <blinden>>Blinde> misschien <!>>[: !/. [?] ]>
  • D: <Op>>Om> den Blinde misschien <[: !/. [?] ]>>.>

267;al.1;8-9

  • M2a: Kom <+,> Marianneken <+,> zegt hij al snokkende.
  • M2b: Kom, Marianneken, zegt hij al snokkend<-e>.

267;al.1;10

  • D: <+,> zegt Marian,

267;al.1;11

  • M2b: <forsiger>>forser>
  • D: <forser>>forscher>

267;al.1;12

  • M2b: <- steken in haar zij krijgt en> hem niet volgen kan.

267;al.1;13

  • M2a: gezegd <+,> Marian?

267;al.1;14

  • M2a: nooit meer zeggen <+,> Albrik.

267;al.1;17

  • D: <brol>>boel>

267;al.1;17-18

  • M2b: <+ dat ze> op hun manier <- dat ze> <+ ook> een kelder hebben <- ook>.

267;al.1;18-19

  • M2a: En zie eens <+,> zegt Marianneken, er komt iemand van onder gekropen.
  • M2b: En zie eens, zegt Marainneken, er komt iemand <van onder>>onderuit>gekropen.

267;al.1;19

  • M2b: Albrik <ziet>>kijkt> om,

267;al.1;20

  • D: <van onder>>onderuit>

267;al.1;20

  • M2a: zijne<+n> mond
  • M2b: zijn<-en> mond

267;al.1;21-22

  • M2a: <+,> roept Albrik.

267;al.1;22

  • M2a: ze loopt door <+,> zoo rood als vuur
  • M2b: ze loopt door, zoo rood als <vuur>>bloed>

267;al.1;24

  • M2b: <al>>reeds>

267;al.1;24

  • M2a: van alle dagen <!>>.>

267;al.1;25

  • M2b: Wat komt hij toch <- niet> allemaal tegen <!>>.>
  • D: Wat komt hij toch allemaal tegen <.>>!>

267;al.1;27

  • M2b: en <+ dat> geen enkele<-n>

267;al.1;27-28

  • M2b: Ze zullen <hen>>zich>

267;al.1;29

  • D: de<-n> nieuwe<-n> wereld

267;al.1;31-32

  • M2b: <als>>dan> Bernardeken zijn<-e> pa die dood is. [-X] Dood, is die dood?

267;al.2;1

  • M2a: <Sanderdaags>>'s Anderdaags>

267;al.2;4

  • M2a: <+,> zeggen ze,

268;al.2;1-2

  • D: de<-n> pastoor

268;al.2;2

  • M2a: <Boeikens>>Boeykens>

268;al.2;3

  • M2a: hij voelt <hem>>zich> toch al den pastoor
  • D: hij voelt zich toch al de<-n> pastoor

268;al.2;4

  • M2a: gladgeschoren gezicht <+,> en
  • D: <gladgeschoren>>glad geschoren> gezicht, en

268;al.2;5

  • M2b: de<-n> echte<-n> man

268;al.2;6

  • M2a: <+,> klapt Bernard over dezen die dood is,
  • D: , klapt Bernard over <dezen>>hem> dood is,

268;al.2;7

  • M2b: schilder<-s>gerief

268;al.2;9

  • M2a: <Boeikens>>Boeykens>

268;al.2;11

  • M2a: Neen <+,> het is dat niet <+,> zegt Bernard,

268;al.2;13

  • D: <-n>iets meer over.
  • VW: [+n]iets meer over.

268;al.2;14

  • M2a: vecht<-t>en

268;al.2;18

  • M2a: niet terug <,>>.> <h>>H>et is

268;al.2;19

  • M2a: <+,> en waar steden

268;al.2;21-22

  • M2a: En pastoor <Boeikens>>Boeykens> knikt altijd voort <+,> al stappende. Ja <+,> zoo is het <+,> zegt hij.

268;al.2;22-23

  • M2a: een <+ zeer> serieus mensch
  • D: een zeer serieus<+e> mensch

268;al.2;25

  • M2a: <habituee>>habitué>

268;al.2;29-30

  • M2a: die kruisen <+,> welke

268;al.2;30-31

  • D: <op>>aan> dingen<-s> doen denken waar een simpele<-n> niet geern aan herinner<t>>d> wordt.

268;al.2;33-34

  • M2a: <+,> want

269;al.1;1

  • M2b: eene<-n>
  • D: <eene>>iemand>

269;al.1;1-2

  • M2a: Oorlog, ah ja <+,>

269;al.1;2

  • M2b: de<-n> doode

269;al.1;3

  • M2b: de<-n> honger

269;al.2;1-2

  • M2a: tikt, een twee <+,> een twee, <tiktak>>tik tak>, <tiktak>>tik tak>.
  • D: tikt <,>>:> een twee, een twee, tik tak, tik tak.

269;al.2;3

  • M2b: Van nu af <- aan>

269;al.2;4

  • M2a: zucht<-t>en

269;al.2;6

  • D: de<-n> zolder

269;al.2;6

  • M2a: Ja <+,> <dood-stil>>doodstil>,

269;al.2;8

  • D: en zijn <+ ge>zweet

269;al.2;9-10

  • M2a: hij zit uit te rust<-t>en.
  • M2b: <hij>>die> zit uit te rusten.

269;al.2;10-11

  • M2b: <met>>waar> een wit<-ten> doek op<+staat>.

269;al.2;11

  • M2b: zware<-n> kop

269;al.2;12

  • M2a: <knieên>>knieën>

269;al.2;14

  • M2b: <- om> te beginnen schilderen.
  • D: te beginnen <+ met> schilderen.

269;al.2;17

  • M2a: niets <+,> vraagt hij.

269;al.2;18

  • D: dingen<-s>

269;al.3;1-2

  • M2b: vlak voor hem <-,> en vlak achter hem voorbij zoodat
  • D: vlak voor hem en vlak achter hem voorbij <+,> zoodat

269;al.3;2-3

  • M2b: <er>>het> niet <- meer> kan <- naar> grijpen

269;al.3;4

  • M2a: <-,> en hij sluit <hem>>zich> op

269;al.3;5-6

  • M2a: te kennen <.>>,> <E>>e>n een radeloosheid.

269;al.4;1

  • M2b: een schetsken uit <+,> een landschapken.

135;al.4;2

  • D: scheeve boomen <+,> en scheeve huizekens

269;al.4;3

  • D: en onweersvlagen <-, of onder een doodende hitte>.

269;al.5;1

  • M2a: [+X] Altijd dezelfde kromgegroeide boomkens,

269;al.5;2

  • D: <+ over hen> hebben zien <- over hen> gaan, die klein<+e> kinderen

269;al.5;3

  • D: <weten oud worden hebben>>hebben zien oud worden> <-,> en zien sterven <+,> en weer ander<+e> kinderen

269;al.5;4

  • D: altijd dezelfde <,>>.> <w>>W>ant

270;al.1;1-2

  • M2b: lijk die huizekens <+,> moet ge op den duur
  • D: <+,> lijk die huizekens, moet ge op den duur

270;al.1;4

  • M2a: met zijn kleurkens <:>>.> Is dat

270;al.1;6

  • M2a: <pleksken>>plaksken>

270;al.1;8

  • M2a: over kleur <+,> diepte en perspektief.

270;al.1;10

  • M2a: Het is schoon <+,> zeggen ze,

270;al.1;14

  • M2a: <tik-tak tik-tak>>tik tak, tik tak>

270;al.1;17

  • D: te gaan zien <-,> en verwonderd

270;al.1;18

  • M2b: niets, niemand <.>>,> <S>>s>tilte en verlatenheid.

270;al.1;22

  • M2a: sme<-e>ren

270;al.1;24-25

  • M2a: <+,> hoe grooter het besef van nooit iets te kunnen. [-X] Hij legt

270;al.1;26

  • M2a: <Boeikens>>Boeykens>

270;al.1;30

  • M2a: Pastoor <Boeikens>>Boeykens> verstaat er <hem>>zich> niet uit. Hij
  • M2b: Pastoor Boeykens verstaat er zich niet uit <.>>,> <H>>h>ij

270;al.1;32-33

  • M2a: <Boeikens>>Boeykens>

270;al.1;34

  • D: dingen<-s>

270;al.1;36

  • M2a: als E. H. <Boeikens>>Boeykens> het eindelijk gaat afstappen <+,>

271;al.1;1

  • M2b: op <- de> straat,

271;al.1;2

  • M2a: Maar God <+,> van wat leeft

271;al.1;4

  • M2a: droomen <+,> twijfel en kommer,

271;al.2;1

  • M2a: <+,> en ieder keer

271;al.2;3

  • M2b: niets <- meer> waard.

271;al.2;5-6

  • M2b: of een woord <- te> spreken, op een anderen wereld <- te> wonen of dood <-te> zijn,
  • D: of een woord spreken, op een andere<-n> wereld wonen, of dood zijn,

271;al.2;7-8

  • M2a: en <hem>>zich> op den dorpel zetten in den lommer
  • M2b: en zich op den dorpel zetten in <den>>het> lommer.

271;al.2;10

  • M2a: <een>>één> been

271;al.2;11

  • M2a: <een>>één> been
  • D: één<+e> been

271;al.2;12

  • M2a: God <.>>,> God <.>>,> <H>>h>ij staat op en moet binneloopen.
  • D: God, God, hij staat op <+,> en moet binnenloopen.

271;al.2;13-14

  • M2a: met een smak toe <,>>;> <en>>hij> kan hem toch niet wacht<-t>en van door het sleutelgat te loeren.
  • M2b: met een smak toe; <hij>>en> kan <hem>>zich> toch niet wachten <- van> door het sleutelgat te loeren.

271;al.2;15

  • M2b: die manier van stappen <.>>:> <H>>h>et is zij
  • D: die manier van stappen <:>>!> het is zij

271;al.2;17

  • D: <tezamen>>te samen> <,>>.> <h>>H>et ongebreidelde leven

271;al.2;19

  • M2b: de vrucht <daarvan>>ervan> <,>>;> dat wat het leven waardig maakt
  • D: de vrucht ervan; dat <+,> wat het leven waardig maakt

271;al.3;1

  • M2a: Tja <+,>

271;al.3;3

  • M2b: <hebben geweten>>weten>

271;al.3;4

  • M2a: had<-t> bemind.

271;al.3;5

  • M1b: te schrijven <- te schrijven>

271;al.3;7

  • M2a: <+,> dan is het wat anders. Hij sluit <hem>>zich> op

271;al.3;9

  • M2a: met zijn <doffe>>doode> wanhoop.

271;al.4;1

  • D: <den>>het> blok

272;al.1;2

  • M2a: <éen>>één> been

272;al.1;3

  • M2a: <+,> naar levend model <+,> mag zij komen?

272;al.1;4

  • M2a: Ha <+,> goed, goed.

272;al.1;17

  • M2a: die in zijn werk gelooft <+,> is kontent.

272;al.1;18

  • M2b: een soort <- van> verdoovingsmiddel.

272;al.1;19

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

272;al.1;24

  • M2a: noch ja <of>>noch> neen.

272;al.1;24

  • M2a: Bah <+,> zegt hij <+,> en hij moet voort met zijn pak,
  • M2b: Bah, zegt hij, en <hij>>ik> moet voort met <zijn>>mijn> pak,

272;al.1;25

  • M2b: en <+ dat> blijven liggen is.

272;al.1;28

  • M2b: is het <dat>>wat> hij verkoopt.

272;al.1;31

  • M2a: <+,> valt of overwint.

272;al.2;5-6

  • M2b: zijn vingers <bibberen>>beven>

273;al.1;1-2

  • D: kleedt ze <haar>>zich> en wacht ze <naar>>op> Albrik.

273;al.1;2

  • M2b: al babbelend <+,> en zij

273;al.2;2

  • M2a: <zoo ver>>zoover>

273;al.2;3

  • D: overgekrab<t>>d>

273;al.2;4

  • M2b: <den>>het> onafgewerkte<-n> doek
  • D: het onafgewerkt<-e> doek

273;al.2;5

  • M2a: <Tik-tak, tik-tak>>Tik tak, tik tak> <+,> zegt de klok,

273;al.2;6-7

  • M2b: de<-n> <donkeren>>donkerte>

273;al.2;8

  • M2a: Ja <+,>

273;al.3;1

  • M2a: moei<-e>lijker om aan uwen boterham te geraken.
  • M2b: moeilijker om aan uw<-en> boterham te geraken.

273;al.3;2

  • M2a: zal gedaan zijn <+,> want

273;al.3;5

  • M2a: plakken ze <billetten>>biljetten> uit,
  • D: plakken ze biljetten <uit>>aan>,

273;al.3;6-7

  • M2b: voor het werkvolk ook <.>>:>

273;al.4

  • M1a: [X] [?] Dat ieder burger
  • M2a: [+X] Dat ieder burger

273;al.4;1

  • M2b: en deze<-n> die
  • D: en <deze>>zij> die

273;al.4;2

  • M2a: hen moeten aanmeld<-d>en
  • M2b: <hen>>zich> moeten aanmelden

273;al.4;3

  • D: <Deze>>Zij>

273;al.4;4-5

  • M2a: <sanderdaags>>'s anderdaags>

273;al.4;6-7

  • M2a: Ja <+,> en waar werken deze
  • D: Ja, en waar werken deze<+n>

273;al.4;7

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

273;al.4;9

  • M2a: willen zien wie mij dat kan <verplichtten>>verplichte[:n!]>
  • M2b: willen <zien>>weten> wie mij dat kan verplichte[:n!]
  • D: willen weten wie mij dat kan <verplichte[:n!]>>verplichten.>

273;al.4;11

  • D: ander<+e> gendarmen.

273;al.4;12

  • D: <dezen>>hem> halen

273;al.4;13-14

  • M2a: Bon <.>>,> <G>>g>e gaat naar het front. Millemilledju <+,> zegt dien <+,> in een aanval
  • M2b: Bon, ge gaat naar het front. Millemilledju, zegt die<-n>, in een aanval
  • D: Bon, ge gaat naar het front <.>>,> Millemilledju, zegt die, in een aanval
  • VW: Bon, ge gaat naar het front [ , ]] . ] Millemilledju, zegt die, in een aanval

273;al.4;17

  • D: iemand die<+n> ge

274;al.1;2

  • M2a: den <carree>>carré>
  • M2b: de<-n> carré

274;al.1;3

  • M2a: eerst bij Maria. Uwen man heet Ingels? Ja <+,> zegt Maria,
  • M2b: eerst bij Maria <.>>:> Uw<-en> man heet Ingels? Ja, zegt Maria,

274;al.1;3-4

  • M2b: en moet ge nu <- al> blinden ook hebben

274;al.1;5-6

  • M2a: Drie <+,> en een op komst <+,> zegt ze, reeds veel stilder.
  • M2b: Drie, en een op komst, zegt ze, reeds veel <stilder>>stiller>.

274;al.1;7

  • M2b: bij Jean <- ook> binnen.

274;al.1;8-9

  • M2a: <+,> vraagt hij heel serieus, hij overbluft hen werkelijk, maar voor niet lang <+,> en
  • M2b: , vraagt hij heel serieus <,>>.> <h>>H>ij overbluft hen werkelijk, maar <voor niet>>niet voor> lang, en

274;al.1;10-11

  • M2a: Iedereen lacht en luistert <,>>:> hoort Jean eens bezig <!>>.>

274;al.1;12

  • D: <pertang>>nochtans>

274;al.1;12-13

  • M2b: <haren>>haar> kop

274;al.1;13

  • M2b: <haren>>haar> schoen

274;al.1;14

  • M1a: [X] [?] De zomer gaat voorbij,
  • M2a: [-X] De zomer gaat voorbij,
  • M2b: [+X] De zomer gaat voorbij,
  • D: [-X] De zomer gaat voorbij,

274;al.1;15

  • M2a: Alles gaat voorbij <+,> maar den oorlog niet,
  • M2b: Alles gaat voorbij, maar de<-n> oorlog niet,

274;al.1;16

  • M2a: Weer een winter <+,> zeggen ze,

274;al.2;1

  • M2a: een <toile-cireeên>>toile-ciré> doeksken
  • D: een toile-cir<+r>é doeksken

274;al.2;3

  • M2a: <+,> en wat

274;al.2;4-5

  • M2a: <éen>>één> slag en den vijand is kapot <+,> roepen ze in de<-n> radio.
  • M2b: één slag en de<-n> vijand is kapot, roepen ze in de radio.

274;al.2;5-6

  • M2a: <snoenens>>'s noenens> op den bijgang zitten <+,> twijfelen er aan.

274;al.2;6-7

  • M2a: Als den oorlog morgen gedaan is <+,> waarom
  • M2b: Als de<-n> oorlog morgen gedaan is, waarom

274;al.3;1

  • M2a: Jean zet <hem>>zich> een beetjen apa<-a>rt <+,> want

274;al.3;3-4

  • M2a: gingen sticht<-t>en <+,> om dat allemaal te vermijden <+,> dan hebt ge

274;al.3;5

  • M2a: <dewerk>>de werk>
  • D: <de>>het> werk

274;al.3;6

  • M2a: waar ieder<+een> tegen opziet.
  • M2b: waar iedereen tegen op<ziet>>kijkt>.

274;al.3;6-7

  • M2b: <- van> naar hun praat te luisteren.

274;al.3;7

  • M2a: <Allegelijk>>Algelijk> wil hij toch weten
  • D: Algelijk wil hij <- toch> weten

274;al.3;9

  • M2a: verpletter<d>>t>

274;al.3;10

  • M1a: den zoogezegden vijand, en met den eenen <hen>>hun> zelven.
  • M2b: de<-n> <- zoogezegden> vijand, en met den eenen hun zelven.

274;al.4;1

  • M2a: <hem>>zich>

274;al.4;2

  • M2a: <+,> wat peinst ge

275;al.1;1-2

  • M2a: en zeggen <+:> bezie dat goed, dat is nu uwen driedubbelen stommen kop <!>>.>
  • M2b: en zeggen: bezie dat goed, dat is nu uw<-en> driedubbele<-n> stomme<-n> kop.

275;al.1;2

  • D: <fret>>vreet>

275;al.1;4

  • M2b: <- gaan> klappen?

275;al.1-al.2;10-2

  • M2a: behalven eenen, een langen bleeken man die tegen den muur leunt <,>>.> [+X] <- En> <m>>M>et een verdwaasden lach op zijn gezicht luistert <+ hij> zonder iets te zeggen.
  • M2b: behalven eene<-n>, een lange<-n> bleeke<-n> man die tegen den muur leunt. [- X] Met een verdwaasden lach op zijn gezicht luistert hij zonder iets te zeggen.
  • D: behalve<-n> een<-e>, een lange bleeke man die tegen den muur leunt. [+X] Met een verdwaasden lach op zijn gezicht luistert hij zonder iets te zeggen.

275;al.2;4-5

  • M2a: Jaja <+,> en toch is het zoo <!>>.>

275;al.2;7

  • M2a: Ja, wat doet hij <haar>>daar>,

275;al.2;9

  • M2a: durft niet <!>>.>

275;al.2;10-11

  • M2a: willen lachen <+,> maar er is iets dat het hen belet.
  • D: willen lachen, maar er is iets dat het <hen>>hun> belet.

275;al.3;2

  • M2a: <+,> want den achturendag telt niet meer.
  • M2b: , want de<-n> achturendag telt niet meer.

275;al.3;2-3

  • M2b: dingen<-s> die niet meer tellen, zooveel dat
  • D: dingen die niet meer tellen, zooveel <+,> dat

275;al.3;3-4

  • M2a: Behalve<-n>

275;al.3;5

  • M2a: <+,> zegt Albrik,

275;al.3;6

  • M2a: Albrik zwijg manneken <+,> zwijg,

275;al.3;8

  • M2b: tegen wie ik mijn<-e> mond opendoe.
  • D: tegen wie<+n> ik mijn mond opendoe.

275;al.3;10

  • D: pouli<+e>

275;al.3;11

  • M2a: <hijsen>>hijschen>

275;al.3;11-12

  • M2b: een jonge<-n> tiepe met een kerthoedjen op <+,> die
  • D: een jong <tiepe>>type> met een kerthoedjen op, die

275;al.3;13

  • M2a: zijn<-e> jongen

275;al.3;13

  • D: Waar <,>>?> vraagt Albrik.

275;al.3;14

  • M2a: het is dien <!>>.>
  • M2b: het is die<-n>.

276;al.1;1

  • M2a: Neen <+,> zegt hij

276;al.1;3-4

  • M2a: Ik ga ook naar de akademie <+,> zegt hij, Bernard vroeg mij dat standvastig. Hozoo, maar
  • D: Ik ga ook naar de akademie, zegt hij, Bernard vroeg mij dat <standvastig>>steeds>. Hozoo <,>>.> <m>>M>aar

276;al.1;5

  • M2a: zoo iets niet <.>>,> <H>>h>et is

276;al.1;7

  • D: een <viezen>>rare> warboel

276;al.1;12

  • M2a: alle soorten van lollekens opvoeren <:>>.> Iemand die vrijt
  • M2b: alle soorten <- van> lollekens opvoeren. Iemand die vrijt

276;al.1;14

  • M2b: <haren>>haar> man

276;al.1;16

  • M2a: Hahaha <!>>.>

276;al.1;16-17

  • M2b: de<-n> hahaha

276;al.1;17

  • D: Hij wil <- wel>

276;al.1;22-23

  • M2a: En hij <+,> Jean, stommerik,

276;al.2;1-2

  • M2a: de fabriek, het eten, de menschen, alles <+,> alles.
  • D: <de fabriek, het eten>>het eten, de fabriek>, de menschen, alles, alles.

276;al.2;4-5

  • D: belemmer<t>>d>

276;al.3;3

  • M2b: zijn<-e> zeg, het hoog woord en
  • D: zijn zeg, het hoog woord <+,> en

276;al.3;4-5

  • M2a: den oorlog niet gedaan raakt <+,> waarom den meestergast
  • M2b: den oorlog niet gedaan raakt, waarom de<-n> meestergast
  • D: de<-n> oorlog niet gedaan raakt, waarom de meestergast

276;al.3;6

  • D: <de Nieuwe Gas>>De Nieuwe Gas>

277;al.1;1-2

  • M2a: <+,> zeggen ze,

277;al.2

  • M2a: [+X] Ze werken
  • M2b: [-X] Ze werken
  • D: [+X] Ze werken

277;al.2;3

  • M2a: waar ze staan <+,> midden de

277;al.2;5-6

  • M2b: den arbeidsdienst op voorhand verwittigt <-,> wanneer ze komen controleeren,
  • D: de<-n> arbeidsdienst op voorhand verwittigt wanneer <ze komen>>men komt> controleeren,

277;al.2;7-8

  • M2a: Hij kan <hem>>zich> <- toch> niet inhouden <+,> dat hoort ge wel.

277;al.2;11

  • M2a: Ha, het is dat <!>>.> De meester van den koer
  • D: Ha, het is dat <.>>:> De meester van de<-n> koer

277;al.2;14-15

  • M2a: Ja <+,> en als die zegt:

277;al.2;18

  • M2b: <al>>reeds>

277;al.2;19

  • M2a: <+,> zegt Jean

277;al.2;21

  • M2a: <presies>>precies>

277;al.2;22-23

  • M2a: <+,> en vijf minuten daarna

277;al.2;25

  • D: <zondaags park>>Zondagspark>

277;al.2;26

  • M2a: ah <+,> dag Elie.

277;al.2;28

  • M2b: zijn<-en> mond zien <opendoen>>openen> heeft.

277;al.3;4

  • D: een betere<-n> wereld

277;al.3;7

  • D: <letteren>>letters>

278;al.1;1

  • M2b: <Arbeiders saboteer>>Volk uit de voorstad>, vereenig u.
  • D: Volk uit de voorstad, vereenig<+t> u.

278;al.1;4-5

  • D: het oud <- oud> lied van den sukkelaar, den onmachtige<-n>

278;al.1;6

  • M2b: de<-n> twijfel

278;al.1;7

  • M2b: een halve<-n> gare<-n>

278;al.1;8

  • M2a: Dwaas <+,> die ge zijt <+,> zegt Jean

278;al.1;9-11

  • M1a: Savends heel laat, als Maria bij hen binnenkomt waar, lijk een natuurwet, weer iets aan te miszien is, dan <[x]#m>uist hij
  • M2a: <Savends>>'s Avends> heel laat, als Maria bij hen binnenkomt <+,> waar, lijk een natuurwet, weer iets aan te miszien is, dan muist hij
  • M2b: 's Avends heel laat, als Maria bij hen binnenkomt, waar <-,> lijk een natuurwet <-,> weer iets aan te miszien is, <- dan> muist hij

278;al.1;11

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

278;al.1;13

  • M2a: winnen <,>>.> <o>>O>veral valt den vijand
  • M2b: winnen. Overal valt de<-n> vijand

278;al.1;16

  • D: veel gaatjes <+ er> in.

278;al.1;17

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

278;al.1;17-18

  • M2b: oude<-n> man met een lange grijze moustache <,>>.> <h>>H>ij wenkt Jean, zijt ge
  • D: oude man met een lange grijze moustache. Hij wenkt Jean <,>>:> zijt ge

278;al.1;18-19

  • M2a: <Allée>>Allez> <+,> laat u niet onnoozel Jean, houdt u gereed <+,> want den dans gaat beginnen.
  • M2b: Allez, laat u niet onnoozel Jean, houdt u gereed, want de<-n> dans gaat beginnen.

278;al.2;3-4

  • M2a: haast pertang niet <+,> zegt ze, maar als ik een glas water drink <+,> kweek ik

278;al.2;7-8

  • M2b: pas toch op Maria, zie<-t> wat ge zegt.
  • D: pas toch op <+,> Maria, zie wat ge zegt.

278;al.2;8-9

  • M2a: Bah <+,> zegt Maria, ze verstaan dat toch niet <+,> want ze zitten te spelen.

278;al.3;1

  • M2a: [+X] Neen <+,> ze verstaan het niet,

278;al.3;1-2

  • M2a: <+,> behalve Carrie die stilaan haren ouderdom krijgt
  • M2b: , behalve Carrie die stilaan <haren>>haar> ouderdom krijgt

278;al.3;2

  • M2a: Ze gebaart <haar>>zich>

278;al.3;3

  • M2a: aan en uitkleed<-d>en
  • VW: [aan en uitkleeden]]aan- en uitkleeden]

278;al.3;4

  • D: met engelkens <+ er> op.

278;al.3;6

  • M2b: bij Molleken <.>...> Zoo ratelt ze door.
  • D: bij Molleken... <Z>>z>oo ratelt ze door.

278;al.3;7

  • M2a: Zie dat is een schoon <emblémeken>>emblemeken> zegt Carrie,
  • D: Zie <+,> dat is een schoon emblemeken <+,> zegt Carrie,

278-279;al.3-al.1;8-1

  • M2a: [X] [?] Maria moet zelf
  • D: [-X] Maria moet zelf

279;al.1;2

  • D: flauwe<-n> glimlach,

279;al.1;3

  • M2a: <+,> dat men daar

279;al.1;5

  • M2a: Aai <+,> Marian <+,> zegt ze,

279;al.1;6

  • M2b: de<-n> trap

279;al.1;7-8

  • M2a: Ingels is daar <+,> zegt ze <+,> en ze springt recht.

279;al.1;8-9

  • M2a: De blinde zet <hem>>zich>
  • M2b: De <b>>B>linde zet zich

279;al.1;9-10

  • M2a: <knieên>>knieën>

279;al.1;10

  • M2a: [-X] Dag Ingels. Dag Elie <+,> zegt hij <+,>

279;al.1;14

  • M2a: wacht<-t>en

279;al.2;1

  • M2b: <haren>>haar> raren praat

279;al.2;2

  • M2a: den hemel op aarde <+,> maar

279;al.2;4

  • M2a: <+,> zegt ze: Is het niet waar <+,> Ingels <-,> man <!>>?>

279;al.2;4

  • M2b: De <b>>B>linde

279;al.2;7-8

  • M2a: Als hij alleen is <+,> wordt het

279;al.2;10-11

  • M2b: een dikke<-n> <steen>>stee[:n, ]> en daar
  • D: een dikke <stee[:n, ]>>steen> en daar

279;al.2;12

  • M2a: <presies>>precies>

279;al.2;14

  • D: de<-n> stumper, de<-n> sukkelaar, de<-n>...

279;al.2;15

  • D: <asem>>adem>

279;al.2;16-17

  • M2a: <+,> het raamken toeslaat en haar vingeren
  • D: ,het raamken toeslaat en haar <vingeren>>vingers>

279;al.3;1-2

  • M2a: En brandt de stoof goed <+,> dan peinst hij <+:> ik ben er al dicht tegen. Gaat het vuur wat minder <+,> dan

279;al.3;4

  • M2b: <vingeren>>vingers>

279;al.3;4

  • M2a: Ja <+,> als ge

280;al.1;1

  • M2a: [-X] Nu echter

280;al.1;3

  • M2b: <hem>>zich> daar zetten

280;al.1;5

  • M2a: <+,> maar beloert den blinden
  • M2b: , maar beloert den <blinden>>Blinde>

280;al.1;6

  • M2a: welk een gevoelen dien blinden heeft <+,>
  • M2b: welk een gevoel<-en> dien blinden heeft,
  • D: welk een gevoel die<-n> blinde<-n> heeft,

280;al.1;7

  • M2b: den <blinden>>Blinde>

280;al.1;10-11

  • D: de<-n> helft

280;al.1;14-15

  • D: ge voelt er aan <+,> en ongedachts

280;al.1;16

  • D: wat het is <,>>.> <e>>E>n ja,

280;al.1;17

  • M2b: de<-n> <blinden>>Blinde>

280;al.1;18-19

  • M2a: <hem>zich> omgekeerd

280;al.1;21

  • M2a: te wachten stond<-t>.
  • D: te wachten stond <.>>?>

280;al.1;22-23

  • M2a: dat het misschien nog niets was, dat het <achwieweet>>ach, wie weet> <+,> nog mogelijk was om <tóch>>toch> te zien?
  • M2b: dat het misschien <- nog> niets was, dat het <+,> ach <-,> wie weet, nog mogelijk was om toch te zien?

280;al.1;23

  • M2b: zijn boek <+,> maar

280;al.1;24

  • M2a: Ze lachen u uit <+,> omdat

280;al.1;28

  • M2a: een lafaard <+,> een zot en een droomer?

280;al.1;30

  • M2a: en wat denkt gij er van <+,> Ingels? Ingels draait <hem>>zich>

280;al.1;32-33

  • M2a: Ja <+,> wat zou hij peinzen van den oorlog, ik was maar een simpelen soldaat,
  • D: Ja, wat zou hij peinzen <van>>over> den oorlog <,>>;> ik was maar een simpele<-n> soldaat,

280;al.1;35

  • D: <hem>>zich> te laten blind schieten,

280;al.1;36

  • D: <Zoodus>>Dus>

281;al.1;1

  • M2a: om niets <+,> zegt hij,

281;al.2;1

  • D: dingen<-s>

281;al.2;2

  • M2b: uw<-en> bril

281;al.2;3

  • D: dingen<-s>

281;al.2;4

  • M2a: <een>>één> sjat

281;al.3;1

  • M2b: Jean lacht met den <blinden>>Blinde> en de<-n> <blinden>>Blinde> lacht met Jean.

281;al.3;2

  • D: <- ge>riekt

281;al.3;5

  • M2a: Neen, neen <+,> zegt den blinden <+,> dien mensch kwelt <hem>>zich>
  • M2b: Neen, neen, zegt den blinden, die<-n> mensch kwelt zich
  • D: Neen, neen, zegt de<-n> <blinden>>Blinde>, die mensch kwelt zich

281;al.3;7

  • M1b: wat er averecht <[xxxxx xx]>>is in de> wereld.
  • D: wat er averecht<+s> is in de wereld.

281;al.3;7

  • M2a: En <daar>>dan> zal <+ er> toch
  • M2b: En <dan>>er> zal <- er> toch

281;al.3;10

  • M2a: te voldoen <+,> zoodat

281;al.3;10-11

  • M2a: Ingels <+,> waar haalt gij die <philosofie>>filosofie>, lacht Maria <+,> en ze

281;al.3;14-15

  • M2a: in de keuken <+,> en heel doodgewoon

281;al.3;15-16

  • M2a: en ze pakt <- haar> een glas kraantjeswater.

281;al.4;3-4

  • M2a: <+,> ze stond<-t> aan den stroom

281;al.4;6-7

  • M2a: bij Molleken <+,> want <er>>ze> zijn nog altijd kaarters genoeg, ondanks den <verplichtenden>>verplichten> dienst.
  • M2b: bij Molleken, want <ze>>er> zijn nog altijd kaarters genoeg, ondanks den verplichten dienst.

281;al.4;10

  • M2a: <+,> en daar kan geen <verplichtenden>>verplichten> dienst
  • D: , en daar kan geen verplichte<-n> dienst

282;al.1;1

  • M2a: alleen zit <+,> heeft

282;al.1;2

  • M2a: Als ze beu gespeeld is <+,>

282;al.1;3

  • M2b: in ieder kastje<-n>, in alle hoekskens en <schofkens>>schuifkens>.

282;al.1;6

  • M2a: De<+n> spot

282;al.1;10

  • M2b: Er is nog een <schofken>>schuifken> dat nooit <opengedaan>>ge-opend> wordt,

282;al.1;11

  • M2b: door het venster <- van>waar ze

282;al.1;12

  • D: <Saargebied>>Saargebied> <zien kan>>kan zien>.

282;al.1;12

  • M2b: <schofken>>schuifken>

282;al.2

  • M2a: [+X] Niets dan kousen,

282;al.2;2

  • M2a: de<+n> eene<+n> of de<+n> andere<+n> dag.

282;al.2;4

  • M2b: buiten het papier <- dat> over den bodem <- ligt om niets vuil te maken>.

282;al.2;9

  • M1b: een oude<-n> foto
  • M2a: een <oude>>ander> foto
  • M2b: een <- ander> foto

282;al.2;10

  • D: <over>>voor> twaalf dertein jaar,

282;al.2;11-12

  • M1b: uwen eigen pa niet meer herkent/d [?] !
  • M2a: uwen eigen pa niet meer <herkent/d [?]>>herkent> <!>>.>
  • M2b: uw<-en> eigen pa niet meer herkent.

282;al.2;12

  • M2b: dingen<-s>

282;al.2;14

  • M2b: <den>>het> trouwboek

282;al.2;15

  • M2a: Elie <+,> dochter van iemand anders, getrouwd <+,> en

282;al.2;16

  • M2a: werd<-t>

282;al.2;16

  • M2b: Die<-n> trouwboek
  • D: <Die>>Dat> trouwboek

282;al.2;17

  • D: ander<+e> papieren

282;al.2;22

  • M2a: <neven een>>neveneen>

282;al.2;23

  • M2a: hebben <+,> want ze blijven staan en zien <niet dat het>>[xxxx xxx xxx]> donker wordt.
  • M2b: hebben, want ze blijven staan en zien <[xxxx xxx xxx]> niet dat het> donker wordt.

282;al.2;25

  • M2b: een donkere<-n> hoek

282;al.2;25

  • M2a: <presies>>precies>

283;al.1;1

  • M2a: en een sigaret smoort. [-X] Marian schuurt
  • D: en een sigaret <smoort>>rookt>. Marian schuurt

283;al.1;1

  • M2b: langs de gevels <- voort> lijk een kat,

283;al.2;3-4

  • M2a: onbestemde <+,> onvoldane verlangens naar verre avendhemelen over velden waarin
  • M2b: onbestemde, onvoldane verlangens naar verre avendhemelen <+,> <over>> naar> velden waarin

283;al.3;1-2

  • M2a: en vraagt <hem>>zich> af aan wat het kind zit te denken, welke jonge en toch eeuwenoude geheimen
  • M2b: en vraagt zich af aan wat het kind zit te denken, welke <- jonge en toch> eeuwenoude geheimen

283;al.3;6-7

  • M2a: Ja <+,> het is goed Marian <+,> zegt hij.
  • D: <Ja>>Ha>, het is goed Marian, zegt hij.

283;al.3;7

  • M2a: Ze kleedt <haar>>zich> aan,

283;al.3;9-10

  • D: beter <om>>te> dragen schijnt

283;al.3;11-12

  • M2a: te verbergen. En twintig, dertig jaar later nog eens aan dat hoeksken denkt met een wonder heimwee <:>>.> Ja <+,> in dien tijd
  • M2b: te verbergen <.>>;> <E>>e>n twintig, dertig jaar nog eens aan dat hoeksken denkt met een wonder heimwee. Ja in dien tijd
  • D: te verbergen; en twintig, dertig jaar later <+ denkt hij> nog eens aan dat hoeksken <- denkt> met een wonder heimwee. Ja, in dien tijd

283;al.3;13

  • M2a: een ander lievelingshoekje <+,> waar... enzoovoort <+.>

283;al.3;14-15

  • M2a: op de<+n> gemeenschappelijke<+n> koer van den <carree>>carré>, in een hoeksken met veel zon <+,> op haren hurk <.>>,> <D>>d>e fijne beentjes
  • M2b: op de<-n> gemeenschappelijke<-n> koer van de<-n> carré, in een hoeksken met veel zon, op <haren>>haar> hurk, de fijne beentjes
  • D: op de gemeenschappelijk<-e>koer van de carré, in een hoeksken met veel zon, op haar hurk<+en>, de fijne beentjes
  • VW: op de gemeenschappelijk[+e] koer van de carré, in een hoeksken met veel zon, op haar hurken, de fijne beentjes

283;al.3;17

  • M2b: die<-n> koer

283;al.3;19-20

  • M2a: <- En> <e>>E>r hangt een wasch te droogen van in den tijd dat den plas er kwam.
  • D: Er hangt een wasch te dro<-o>gen van in den tijd dat de<-n> plas er kwam.

283;al.3;21-22

  • D: deze<-n> waar wij <+,> lompe menschen <+,> op leven,

283;al.3;23

  • M2a: bewaar<d>>t>

283;al.3;24-25

  • M2a: een purperen avendzonneken <,>>.> <h>>H>et is daar

283;al.3;25-26

  • M1b: menschen <+ denken> er nooit aan eten en ander dingens.
  • D: menschen denken er nooit aan eten en ander dingen<-s>.

283;al.3;27-28

  • M2b: over de<-n> koer zenden, <- de> witkalk

284;al.1;1

  • M2b: <- en naar het> mos dat

284;al.1;1

  • M2b: <op>>en> een afdaksken

284;al.2

  • M2a: [+X] Ja,

284;al.2;2-3

  • M2b: ziet over <- den koer> drijven.

284;al.2;3-4

  • M2a: Maria trekt haar venster open <+:> en wilt ge eens mijn wasch binnenpakken Marianneken?
  • D: Maria trekt haar venster open: en wilt ge eens mijn wasch binnenpakken <+,> Marianneken?

284;al.2;4-5

  • M2a: rekt <haar>>zich> naar de drooglijn, en met heel haar mager<+e> armkens
  • M2b: rekt zich naar de drooglijn, <- en> met heel haar magere armkens

284;al.2;6

  • M2a: Ha <+,> zegt Maria,
  • M2b: <Ha>>Och>, zegt Maria,

284;al.2;7-8

  • M2a: den loop inkrijgt <+,> kunt ge met geen paarden <tegen-houden>> tegenhouden> kind, ik heb haar al van alles beloofd,
  • M2b: den loop <- in>krijgt <-,> kunt ge met geen paarden tegenhouden kind, ik heb haar <al>>reeds> van alles beloofd,
  • D: den loop krijgt kunt ge met geen paarden tegenhouden <+,> kind, ik heb haar reeds van alles beloofd,

284;al.2;9

  • M2a: <hem>>zich>

284;al.2;11

  • M2a: <haar>>zich>

284;al.2;11

  • M2a: <savends>>'s avends>

284;al.2;12-13

  • M2a: <presies>>precies>

284;al.2;13

  • M2a: Ja <+,> het is zij,

284;al.2;14

  • M2a: van weelde en geluk. weet ge nu wat <+,> zegt ze
  • M2b: van weelde <- en geluk>. Weet ge nu wat, zegt ze

284;al.2;14-15

  • M2a: stond<-t> daar al te vrijen <!>>.>

284;al.2;15-16

  • M2a: den appel valt niet ver van den boom <+,> zegt ze <+,> en haren buik schokt, haren buik die
  • M2b: den appel valt niet ver van den boom, zegt ze, en <haren>>haar> buik schokt, <haren>>haar> buik die
  • D: de<-n> appel valt niet ver van den boom, zegt ze, en haar buik schokt, haar buik die

284;al.3;1

  • D: de<-n> wasch

284;al.3;2

  • M2a: snotneusken af, en dan staat ze rond te zien en <haar>>zich> af te vragen
  • M2b: <- snot>neusken af, en <dan staat ze>>staat dan> rond te zien en zich af te vragen

284;al.3;5-6

  • M2a: den vloer, alles <+,> alles, met vuil sjatten en <telloren>>teljoren><+,>
  • M2b: den vloer, alles <-,> alles, met vuil sjatten en teljoren,
  • D: de<-n> vloer, alles alles, met vuil<+e> sjatten en teljoren,

284;al.3;8

  • M2b: de<-n> oudste<-n> <-,> <achter>>na> Carrie <-,>

284;al.3;13

  • D: lachen <+,> Maria?

284;al.3;13

  • M2b: O <-,> gij snul,

284;al.3;15

  • M2a: en verdroom<d>>t> ge uwen schoonen kindertijd.
  • M2b: en verdroomt ge uw<-en> schoonen kindertijd.

284;al.3;16

  • M2a: en zet <haar>>zich> neer, haren <bloten>>blotten> arm
  • M2b: en zet zich neer, <haren>>haar> <blotten>>blooten> arm
  • D: en zet zich neer, haar bloote<-n> arm

285;al.1;1

  • M2b: <haren>>haar> buik

285;al.1;1-2

  • M2b: in den zwarten voorschoot <- die blinkt van versletenheid>.

285;al.1;3

  • M2a: het <haar>>zich> inbeeldt.

285;al.1;3

  • D: En <Maria>>Marian>

285;al.1;3-4

  • M2a: sjatten en <telloren>>teljoren> <+,> lepels en vorken

285;al.1;4-5

  • M2a: <+,> hoort dien stroom <+ van> woorden over haar gaan. Ze luistert ernaar en begrijpt het niet.
  • M2b: , hoort dien stroom <- van> woorden over haar gaan. <- Ze luistert ernaar en begrijpt het niet.>

285;al.1;6

  • M2a: vertel<d>>t>

285;al.1;7

  • D: Ander<+e> kinderen

285;al.1;9

  • M2a: <+,> en meest nog

285;al.1;10

  • M2b: <den>>het> trouwboek

285;al.1;11

  • M2a: <benauwd>>bang>

285;al.1;12-13

  • D: niet geern<+e> met ander<+e> kinderen speelt,

285;al.1;13-14

  • M2a: liever alleen <+,> Maria, en stel me van alles voor dat zou
  • M2b: liever alleen, Maria, en stel me <- van> alles voor <dat>>wat> zou

285;al.1;15

  • M2a: niet zijn gelijk wij. [-X] Maria schudt haren kop,
  • M2b: niet zijn < -ge>lijk wij. Maria schudt <haren>>haar> kop,

285;al.1;17

  • M2b: zoo dwaas niet <,>>.> <m>>M>aar

285;al.1;17

  • M2b: uw<-en> pa

285;al.1;19

  • M2b: <vleugelen>>vleugels>

285;al.1;20

  • M2b: naar de zon<-nen> die ondergaa<n>>t>.

285;al.1;20-21

  • M2a: <Allee>>Allez> toe Marian,
  • D: Allez toe <+,> Marian,

285;al.1;21

  • M2a: zijt toch slimmer <.>>,> <H>>h>et leven

285;al.1;23

  • M2b: geen plezier maakt <-,> zult ge

285;al.1;24

  • M2b: wat geluk heeft die <- nu> in haar leven?

285;al.1;26

  • M2a: [-X] Marian gelooft haar niet. Ze zegt dat zoo maar
  • M2b: [-X] Marian gelooft <haar>>het> niet <.>>:> <Ze>>Maria> zegt dat zoo maar

285;al.1;28

  • M2a: en den afwasch deed<-t> <+,>
  • D: en de<-n> afwasch deed,

285;al.1;29

  • D: Ik geloof u niet <+,> Maria,

285;al.1;31

  • M2a: en geen gemakken <+,> omdat

285;al.2;1

  • M2a: Ja <+,> zegt Maria, trek uwen plan,
  • M2b: Ja, zegt Maria, trek uw<-en> plan,

285;al.2;2

  • M2b: dan <hetgeen>>wat> u aanstaat,

285;al.2;2-3

  • M2b: als ge <-, lijk gij,> altijd de wereld averecht beziet <,>>.> <als>>Toen> wij klein waren
  • D: als ge altijd de wereld averecht<+s> beziet. Toen wij klein waren

285;al.2;4

  • M2b: dat ook <,>>:> we bukten ons

285;al.2;5

  • M2a: <presies>>precies> den grond waar we moesten op loopen en de aarde
  • D: precies de<-n> grond waar we moesten op loopen <+,> en de aarde

286;al.1;1

  • D: de<-n> hemel

286;al.1;2

  • D: [-X] Marian niet.

286;al.1;4

  • M2a: niets lollig in vindt <+,> kunt ge

286;al.1-al.2;5-1

  • M2a: geen ander plooi trekken en hahaha zeggen/Op een[?] [X] [?] anderen dag komen Marian en Carrie van de school.
  • M2b: geen ander plooit trekken en hahaha zeggen. [X] [?] <- Op een anderen dag komen> Marian en Carrie <+ komen> van de school.
  • D: geen ander<+e> plooi trekken en hahaha zeggen. [+X] Marian en Carrie komen van de school.

286;al.2;2

  • D: geen levende<-n> mensch

286;al.2;5-6

  • M2a: Ik kan dat niet <+,> meneer,

286;al.2;6

  • M2b: die<-n> meneer,

286;al.2;7-8

  • M2a: een simpelen <employee><employé>
  • M2b: een simpele<-n> employé

286;al.2;9

  • M2a: sluit <haar>>zich> op

286;al.2;10-11

  • M2b: <haren>>haar> man zaliger, de<-n> mensch is ook al vijftien jaar dood <+ -> waar gaat den tijd naartoe,
  • D: haar man zaliger, de mensch is ook al vijftien jaar dood - waar gaat de<-n> tijd naartoe,

286;al.2;11

  • M2a: Fons <+,> jongen <+,> het is toch wreed <+,> hé.
  • M2b: Fons <-,> jongen, het is toch wreed, hé.
  • D: Fons <+,> jongen, het is toch wreed, hé.

286;al.2;13

  • M2b: te zien <-,> of ze lacht

286;al.2;14

  • M2a: <+,> die trekken <hen>>zich>

286;al.2;19

  • M2a: peinzen moogt ge van alles, maar zeggen niets <.>>..>
  • D: peinzen moogt ge <- van> alles, maar zeggen niets <..>>...>

286;al.3;1

  • M2a: den <carree>>carré>
  • M2b: de<-n> carré

286;al.3;2

  • M2a: niemand <+,> zegt Carrie.

286;al.3;3

  • M2b: koude<-n> koffie

286;al.3;4

  • M2a: Ja <+,> zegt Marian.

286;al.3;6

  • M2b: en ze <kan>>weet> niet <van wat>>waarom> <,>>.> <o>>O>f eigenlijk

286;al.3;7-8

  • M2b: onverklaarbare <- be>geerte
  • D: onverklaarbare <+ be>geerte

286;al.3;8

  • D: De<-n> eene<-n> minuut

286;al.3;9

  • D: de<-n> andere<-n> minuut

286;al.3;10

  • M2a: <presies>>precies>

286;al.3;10

  • M2a: een <benauwend>>benauwd> gevoel

286;al.3;10-11

  • D: iets plezierig<+s> aan en tevens iets pijnlijk<+s>.

286;al.3;12

  • M2a: en ze rekt <haar>>zich> <+,> zoodat

286;al.3;13

  • M2b: <haren>>haar> kop

286-287;al.3-al.1;13-1

  • M2a: Zie eens <+,> Marian <+,> hoe mijn hart ontspant, en dan laat ze haar
  • M2b: Zie eens, Marian, hoe mijn hart ontspant <, >>.> <e>>E>n dan laat ze haar
  • D: Zie een, Marian, hoe mijn hart ontspant. En dan laat ze <haar>>zich>

287;al.1;2

  • M2a: moei<-e>lijk

287;al.1;3-4

  • M2a: <+,> en ze stellen <hen>>zich> meer voor dan het eigenlijk is.
  • M2b: , en ze stellen zich meer voor dan <het>>er> eigenlijk is.

287;al.1;6-7

  • M2a: En nochtans <,>>.> Carrie weet iets over haar, iets geweldig,
  • M2b: En nochtans. <+ weet> Carrie weet iets over haar, iets geweldig,
  • D: En nochtans <-.> weet Carrie <- weet> iets over haar, iets geweldig<+s>,

287;al.1;8

  • M2a: stelt <haar>>zich>

287;al.1;10-11

  • M2a: Ze recht <haar>>zich> ineens op het bed <,>>...> en peinst gij nooit op iets dat slecht is Marian
  • D: Ze recht zich ineens op het bed... en peinst gij nooit op iets dat slecht is Marian <+,>

287;al.1;12

  • M2b: Marian <stelt het voor>>gebaart> alsof

287;al.1;13

  • M2b: <naar toe>>heen> wil.

287;al.1;15

  • M2b: den mond <van vol>>vol van>,

287;al.1;17

  • M2b: dingen<-s>

287;al.1;17

  • M2a: <Snachts>>'s Nachts>

287;al.1;19

  • M2a: geen donkeren hoek met een <lantaren>>lantaarn>
  • D: geen donkere<-n> hoek met een lantaarn

287;al.1;21

  • M2a: en met blommen smijten, ik zie dat <- af> van achter een haag <+.> [+X] <- en dan> <vinden ze>>Ze vinden> me daar, ze hebben kompassie
  • M2b: en met blommen smijten <-, ik zie dat van achter een haag>. [X] Ze vinden me daar, <ze>>en> hebben kompassie
  • D: en met blommen smijten. [-X] Ze vinden me daar, en hebben kompassie

287;al.1;24

  • D: in het bed <,>>:> maar

287;al.1;25

  • M2a: een droom <!>>.>

287;al.1;27

  • M2a: misschien, stel u voor <+,> Carrie <+,> dat
  • M2b: misschien <,>>.> <s>>S>tel u voor <-,> Carrie, dat
  • D: misschien. Stel u voor <+,> Carrie, dat

287;al.1;28

  • M2a: haren <pa>>pap>
  • M2b: <haren>>haar> pa<-p>

287;al.1;29-30

  • D: ander<+e> planeten

287;al.1;31

  • D: zooiets gelooven <+,> Marian?

287;al.1;31

  • M2b: iemand wonen <,>>.> <e>>E>n daarbij,
  • D: iemand wonen <.>>?> En daarbij,

287;al.1;34

  • M2a: <+,> zegt ze rap, ik heb het gezien.
  • M2b: , zegt ze rap <-, ik heb het gezien>.

287;al.1;35

  • M2a: geen <+ groote> troebelen

288;al.1;1

  • D: dingen<-s>

288;al.1;1

  • M2a: zonde<+n>
  • M2b: zonde<-n>

288;al.1;2-3

  • M2a: ze smijt <haar>>zich> om

288;al.1;4-5

  • M2a: deze hier nu, droomt van <ikweetnietwat>>ikweetniet wat> <.>>,> <E>> e>n die zijn goed,
  • M2b: deze hier nu <-,> droomt van ikweetniet wat, en die zijn goed,

288;al.1;6

  • M2a: anders <!>>.>
  • D: anders <.>>!>

288;al.2;3

  • M2a: <+,> hoe klaarder

288;al.2;4

  • M2a: weggedraaid <+,> vertelt ze

288;al.2;8

  • M2a: <+,> en ze voelt iets

288;al.2;10

  • M2b: voor <,>>.> <w>>W>ant het is ook angst <-,> om het vreemde schouwspel,

288;al.2;15

  • M2a: Neen <+,> voor u is dat geen erg <+,> omdat ge

288;al.2;16

  • M2b: <huilt>>zegt> ze

288;al.2;19

  • M2a: Ja <+,> ziet ge,

288;al.2;20

  • M2a: [-X] En ze komt

288;al.2;23

  • M2a: schreid<-d>e

288;al.2;24

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

288;al.2;26

  • M2b: <den>>het> trouwboek

288;al.2;28-29

  • M2a: een aardige <+,> verwijt ze haar zelven, een prul <+,>

288;al.2;30

  • M2b: weet <.>>,> <E>>e>n ge vertelt

288;al.2;30-31

  • D: dingen<-s> die ge in uw droomen ziet, dingen<-s>

289;al.1;1

  • M2a: ze stelt <haar>>zich>

289;al.1;3

  • M2a: komen er tranen <+,> uit ieder oog <een>>één>,

289;al.1;4

  • M2a: <presies>>precies>

289;al.1;5

  • M2a: Niemand is lijk ik <+,> snikt ze.

289;al.2;4-5

  • M2a: en het minste dat ik peins <+,> weet hij.
  • M2b: en het minste dat ik peins <-,> weet hij.
  • D: <+,> en het minste dat ik peins weet hij.

289;al.2;7

  • M2a: <knieên>>knieën>

289;al.3

  • M2a: [+X] En ze begint

289;al.3;1-2

  • M2a: alles op zijn plaats te zetten <+,> en het stof af te doen <.>>,> <T>>t>en-minste
  • M2b: alles op zijn plaats te zetten <-, en het stof af te doen>, tenminste

289;al.3;2-3

  • M1b: slinger<d>>t>

289;al.3;4

  • D: de kas<+t>

289;al.3;5

  • M2a: voort <,>>.> <a>>A>h hier is het.

289;al.3;10-11

  • M2b: <haren>>haar> voorschoot

289;al.3;11-12

  • M2a: rozenkrans <,>>:> Heer verlos mij van de slechte begeerten <+,> verlos mij

289;al.3;13

  • M2b: den <blinden>>Blinde>

289;al.3;14

  • M2a: vooruit <+,> alsof daar

289;al.3;16

  • M2b: <haren>>haar> kop
  • D: haar <kop>>hoofd>

289;al.3;19

  • M2a: het gebeur<d>>t>

289;al.3;20

  • M2a: is <+,> en ge moogt

289;al.3;21

  • M2a: Ze stelt <haar>>zich> weer van alles voor
  • M2b: Ze stelt zich weer <- van> alles voor

289;al.3;22

  • M2a: Neen <+,> neen,

289;al.3;24

  • M2a: En ik ga eens buiten <+,> zegt ze

289;al.3;25

  • M2b: <haren>>haar> rug

290;al.1;1-2

  • M2a: <+,> zegt ze tegen den blinden:
  • M2b: , zegt ze tegen den <blinden>>Blinde>:

290;al.1;3

  • M2b: nog zelf <- gaan> aan een man vragen,

290;al.1;3-4

  • M2a: Ja <+,> antwoordt den blinden,
  • M2b: Ja, antwoordt de<-n> <blinden>>Blinde>,

290;al.2;1-2

  • D: geen enkele<-n> pastoor

290;al.2;3

  • M2a: <Boeikens>>Boeykens>

290;al.2;3-4

  • M2a: gladgeschoren <triestig>>griezelig> gezicht

290;al.2;6

  • M2a: Gaat in vrede <+,> zegt hij <+,> en hij slaat een kruis.

290;al.2;7

  • D: dingen<-s>

290;al.2;7-8

  • M2a: <Sanderdaags>>'s Anderdaags> gaat ze te communie <+,>

290;al.2;9

  • M2a: aan doen <:>>,> een vreemde dwang

290;al.2;10

  • D: dingen<-s>

290;al.2;11

  • M2a: <+,> zal er dan bloed in mijnen mond komen?
  • M2b: , zal er dan bloed in mijn<-en> mond komen?

290;al.2;12

  • M2b: een nevengedachte <,>>:> zooiets

290;al.2;13-14

  • M2a: Ik mag niet <+,> zegt ze. Ge durft niet <+,> zegt iemand anders,

290;al.2;16

  • M2b: <haren>>haar> stoel, en <haren>>haar> kop

290;al.2;18

  • M2a: gebeur<d>>t>, dan verdrinkt ze <haar>>zich>,

290;al.2;20

  • M2b: <haren>>haar> pa

290;al.2;22

  • M2b: <haren>>haar> pa

290;al.2;23-24

  • M2b: dingen<-s> die <haren>>haar> pa

290;al.2;24

  • D: <bedreven>>gedreven>

290;al.2;24

  • M2a: Ze stelt <haar>>zich> weer van alles voor,
  • M2b: Ze stelt zich weer <- van> alles voor,

290;al.2;26

  • M2a: Halt <+,> zegt ze, halt,

290;al.2;27-28

  • M2a: dien blauwen sjaal niet koopen, dien schoone<-n>, blauw met geel streepkens die
  • M2b: dien blauwen sjaal niet koopen, die schoone, blauw met geel streepkens <die>>welke>
  • D: die<-n> blauwe<-n> sjaal niet koopen, die schoone <+,> blauw<+e> <+,> met <geel>>gele> streepkens welke

290;al.2;30

  • M2a: Zoo gaat ze naar huis <+,> meer beslast

290;al.2;31

  • M2b: de<-n> koer

290;al.2;33

  • M2a: <- En> <z>>Z>e wacht.

290-291;al.2-al.1;33-1

  • M2a: keert <haar>>zich> <+ om>,

291;al.1;2

  • D: de<-n> zwaarste<-n> last

291;al.2;1

  • M2a: [+X] Niet deugen

291;al.2;2

  • M2a: die niet deug<d>>t> <+,> dat is nog veel erger.

291;al.3;5

  • D: <bedenkend>>nadenkend>

291;al.3;5

  • M2a: [-X] Ze komt de ander straat in,
  • D: [-X] Ze komt de ander<+e> straat in,

291;al.3;6

  • D: <- deze> die ze schuwt

291;al.3;11

  • M2a: Ziet ge het <!>>.>

291;al.3;12

  • D: het fijn<+e>

291;al.3;13

  • M2a: ze laat <haar>>zich> onnoozel.
  • D: ze <laat>>houdt> zich onnoozel.

291;al.3;14

  • D: een reden <waarmee>>waarom>

291;al.3;14-15

  • D: om <haar>>zich> te wreken,

291;al.3;16

  • M2a: Ik ben oprecht <+,> zegt ze, ik ben slecht <.>>,>

291;al.3;16-17

  • M2a: <G>>g>oed
  • M2b: <goed>>het is waar>

291;al.4;3

  • M2a: Goed <+,> zegt hij gelaten,

291;al.4;13

  • M2a: gebeur<d>>t>

291;al.4;13

  • D: Het eerste <dat>>wat> ge doen wilt

291;al.4;14-15

  • M2a: gebeur<d>>t>, en het tweede wat ge wilt <+,> is

292;al.1;1

  • D: de<+n> dood

292;al.1;2

  • M2a: ten laatste<-n>

292;al.1;7

  • M1a: uw hert/hart [?] vervuld
  • M2a: uw <hert/hart [?]>>hart> vervul<d>>t>

292;al.1;7-8

  • M2a: [-X] Maar die gelatenheid, die moedeloosheid in zijn oogen <!>>.>

292;al.1;10

  • M2a: <wil-loos>>willoos>

292;al.1;12

  • D: Goed, het is goed <+,> Marian.

292;al.1;13

  • D: iets treurig<+s>

292;al.1;14

  • D: een wilde<-n>

292;al.1;14

  • M2a: wijsmaakt <:>>;> uwen God
  • M2b: wijsmaakt; uw<-en> God
  • D: wijsmaakt <;>>:> uw God

292;al.1;15

  • M2a: [-X] En nocht<-h>ans

292;al.1;16

  • M2a: <+,> want

292;al.1;19

  • D: die<-n> geweldige<-n> angst

292;al.1;20

  • M2b: het <onaf te wenden>>onafwendbaar>

292;al.1;24

  • D: houdt gij u bezig <+,> Marian?

292;al.1;24-25

  • M2b: een koude<-n>, een harde<-n> lach

292;al.1;28-29

  • D: voor de oogen <,>>:> en kan ik

292;al.2

  • M2a: [+X] En ze ziet rond

292;al.2;1-2

  • M2a: die antwoord<+t>

292;al.2;6

  • M2b: <een>>den> honger

292;al.2;6

  • M2a: <presies>>precies>

292-293;al.2-al.1;7-1

  • M2b: en wat nogal <,>>.> <h>>H>aar stappen

293;al.1;2

  • D: de<-n> schemer

293;al.1;5

  • M2a: het poortje<+e>n
  • M2b: het poortje<-en>

293;al.1;7

  • M2b: het poortje<-n>

293;al.1;8

  • M2a: gebeur<d>>t> daar, wat gebeur<d>>t>

293;al.1;10

  • M2a: [-X] Zoo is ze

293;al.1;14

  • D: Goeden avend <+,> Bernard,

293;al.1;14

  • M2a: Ja <+,>

293;al.1;16

  • M2a: sluit <hem>>zich>

293;al.1;16-17

  • M2a: Ze wordt kil, ze word<+t> onverschillig en wil voortstappen. Ja <+,>

293;al.1;20

  • D: de<-n> mensch

293;al.1;21

  • M2b: Ze komt, <+ ze> staat

293;al.1;22

  • M2a: ik ben niet goed <+,> zegt ze,

293;al.1;23-24

  • M2a: een nieuw doek <+,> verf en penseelen.

293;al.1;25

  • M2a: dat te<+e>der kinderfiguurken

293;al.1;28

  • D: de<-n> angst, de<-n> huiver

293;al.1;31

  • M2b: de<-n> morgend
  • D: de morgen<-d>

293;al.1;31

  • M2a: [-X] Nu zit ze daar en hij wacht.

293;al.1;31-32

  • M2a: [-X] En ze durft niet vragen <+:> schilder me zoo

293;al.1;33

  • M2a: voor u staan <+,> want

293;al.1;35-36

  • M2b: haar jong<-e> pas ontloken hart

294;al.1;1

  • M2b: als ze hier <- nu> staat

294;al.2;3

  • M2a: <tollen>>hollen>

294;al.2;3

  • M2b: dingen<-s>

294;al.2;4

  • D: de<+n> pols

294;al.2;6

  • M1b: kuischeid <.>>,> <H>>h>et afgewende kopje

294;al.2;8

  • D: <over>>voor> veel jaren

294;al.2;11-13

  • M2a: en <+ huk> huilt, want wat daar zit daar heeft hij zoolang om gebeden, daar heeft hij uren ver, al mankende, voor geloopen,
  • M2b: en <- huk> huilt, <want>>om> wat daar zit <- daar> heeft hij zoolang <- om> gebeden, <- daar> heeft hij uren ver <-,> al mankende <-,> <- voor> geloopen,
  • D: <+ want> om wat daar zit heeft hij zoolang gebeden, heeft hij uren ver al mankende geloopen,

294;al.2;13-14

  • M2a: of om het, misschien, te ontwijken <+,> hij weet het zelf niet goed meer, en daar
  • M2b: of om het <-,> misschien <-,> te ontwijken, hij weet het zelf niet goed meer <,>>.> <e>>E>n daar
  • D: <+,> of om het misschien te ontwijken, hij weet het zelf niet goed meer. En daar

294;al.2;15

  • M2a: [-X] En ook hij durft

294;al.2;16-17

  • M2b: Dan begint hij <,>>.> <a>>A>ls een gek <+,>

294;al.2;17-18

  • M2b: <den>>het> doek

294;al.3;1

  • M2a: [+X] Lappe, lappe,
  • M2b: [-X] Lappe, lappe,
  • D: [+X] Lappe, lappe,

294;al.3;3

  • M2a: veranderen <+,> hier een beetje

294;al.4;4

  • D: <vermoorsen>>vermorsen>

294;al.4;8

  • M2a: behalve<-n>

294;al.4;9

  • D: de<-n> koperen bol

294;al.4;9-10

  • M2a: <+,> dan is ze van buiten gereed <+,> behalve<-n>

295;al.1;2

  • D: en <- de> meestergasten, voor <dezen>>hen>

295;al.1;3-4

  • M2a: volk dat hem hooger acht dan ze werkelijk zijn. [-X] En de voorstadsmenschen
  • M2b: volk dat <hem>>zich> hooger acht dan ze werkelijk zijn. En de voorstadsmenschen

295;al.1;5

  • D: <dezen>>zij>

295;al.1;7

  • M2a: En ik heb de plans gezien <+,> zegt een andere,

295;al.1;7-8

  • M2a: allemaal villa's <presies>>precies>, met hofkens voor en boomkens in,
  • D: allemaal villa's precies, met hofkens <+ er> voor en boomkens <+ er> in,

295;al.1;11-12

  • M2a: zegt er iemand <+,> ik zal

295;al.2;7

  • M2a: in het leven <,>>.> <h>>H>un dagen

295;al.2;9

  • M2a: <vóor>>voor>

295;al.2;11-12

  • M2a: met werk <+,> werk werk,
  • D: met werk, werk <+,> werk,

295;al.2;15

  • M2a: schouwken op <.>>,> <E>>e>n gaan daar dan wonen <:>>.> <z>>Z>ie <+,> dat heb ik

295;al.2;17

  • M2a: sekonden, nog minder <+,> op den zelfden moment
  • D: se<k>>c>onden, nog minder, op <den zelfden>>hetzelfde> moment

295;al.2;19

  • D: komt iemand buiten <+,> en ze

295;al.2;20

  • M2a: Woorden <+,> woorden <+,> woorden

295;al.2;22

  • D: de<+n> dood

295;al.2;23

  • D: sterven <,>>.> <i>>I>edereen gaat dood

296;al.1;2

  • M2a: ze meenen het niet <+,> want

296;al.1;4

  • M2a: <snachts>>'s nachts> kunt iemand hooren
  • D: 's nachts <- kunt> iemand <+ kunt> hooren

296;al.2;2

  • M2a: hun zorgen <+,> naar de triestige kaalheid

296;al.2;4

  • D: verloren <is>>heeft>

296;al.2;6

  • D: de<-n> slaap

296;al.3

  • M2a: [+X] Zij houden

296;al.3;1

  • D: de<-n> slaap

296;al.3;2

  • M2a: de<+n> dood

296;al.4;2

  • M2a: steken <+,> komt

296;al.4;3

  • D: de kerk rond <+,> en knarsend

296;al.4;5

  • D: <moto's>>motors>

296;al.4;9

  • M2a: vijf <-.> <- Vijf> mannen, wat zaten die daar binnen te doen, dat was
  • D: vijf mannen, wat zaten die daar binnen te doen <,>>?> <d>>D>at was

296;al.4;10

  • M2a: een bordeel <+,> zegt eenen die er ook komen heenloopen is.
  • D: een bordeel, zegt <eenen>>er een> die er ook <komen heenloopen is>> is komen heenloopen>.

296;al.4;13

  • M2a: stond<-t>

296;al.4;16

  • M2a: wacht<-t>en

296;al.4;17-18

  • D: De ander<+e> vijf zitten dicht tegen <een>>elkaar> en zwijgen.

296;al.4;18

  • M2a: Kalm jongens <+,> zegt den oudsten, dien mensch
  • M2b: Kalm jongens, zegt de<-n> oudste<-n>, die<-n> mensch

296;al.4;20

  • M2a: Kalmte mannen <+,> zegt hij,

296;al.4;20

  • D: den jongste<-n>

296;al.4;23

  • D: oude<-n> Sus

297;al.1;2

  • M2a: zucht<-t>en

297;al.1;3

  • D: een<-en> zot

297;al.1;3-4

  • M2a: Aai <+,> ik heb toch met den scheelen gelachen
  • M2b: Aai, ik heb toch met den <scheelen>>Scheele> gelachen
  • D: Aai, ik heb toch met den Sche<-e>le gelachen

297;al.1;5

  • M2a: behalve<-n> den scheelen
  • M2b: behalve de<-n> <scheelen>>Scheele>
  • D: behalve de Sche<-e>le

297;al.1;5

  • D: <hen>>hun>

297;al.1;6

  • M2a: behalve<-n>

297;al.1;11-12

  • M2b: den twijfel <,>>:> ziet ge het wel, ze lachen al met den <scheelen>> Scheele>
  • D: de<-n> twijfel: ziet ge het wel, ze lachen al met den Sche<-e>le

297;al.1;14

  • M2a: een domme <+,> zwijgende

297;al.1;16

  • M2a: stoeffen ze <,>>:> ik heb daar weer eens goed <geêeten>>geëten>,
  • D: stoef<-f>en ze: ik heb daar weer eens goed geëten,

297;al.1;22

  • M2b: een serieuze<-n> werkman

297;al.1;24

  • M1b: ge kunt er <- juist> alles mee doen,

297;al.1;25

  • M2b: uw<-en> mond

297;al.1;28

  • M2a: Maar wat wilt ge mensch,
  • D: Maar wat wilt ge <+,> mensch,

297;al.1;29

  • M2a: aangeraakt zijn <+,> in den waterput

297;al.1;31

  • D: <aankunnen>>aan kunnen>, niet <aankunnen>>aan kunnen>

297;al.1;32

  • M2a: mensch ik <kán>>kan> het niet vergeten.
  • D: mensch <+,> ik kan het niet vergeten.

297;al.1;33-34

  • M2a: zien, maar als ze zat is <+,> peinst ze er nog meer op.
  • D: zien <,>>.> <m>>M>aar als ze zat is, peinst ze er nog meer op.

297;al.2;1

  • M2a: op zijn doode gemakken, <presies>>precies>
  • D: op zijn doode gemak<-ken>, precies

297;al.2;2

  • M2a: hij <hem>>zich> herinnert dat ouden Sus
  • D: hij zich herinnert dat oude<-n> Sus

297-298;al.2-al.1;3-1

  • M2a: de deurklink in zijn handen <,>>:> ah, hij peinsde het wel <.>>,> <H>>h>et is dus
  • D: de<+n> deurklink in zijn handen: ah, hij peinsde het wel, het is dus

298;al.1;2

  • M2b: En wat wilt ge nu Albrik <,>>[x]> <o>>O>p uw eer
  • D: En wat wilt ge nu <+,> Albrik <[x]>>?> Op uw eer

298;al.2

  • M2a: [+X] Tja, Albrik

298;al.2;1-2

  • D: <nagelen>>nagels>

298;al.2;2

  • D: met drie vier woorden <+,> Jean.

298;al.2;3

  • M2a: hij dient <.>>,> <H>>h>ij tracht

298;al.2;3-4

  • M2a: <doen te>>te doen> begrijpen dat er een nieuwen wereld komt, een wereld dien
  • D: te doen begrijpen dat er een nieuwe<-n> wereld komt, een wereld die<-n>

298;al.2;6

  • M2a: [X] [?] Ja, en hoe
  • D: [-X] Ja, en hoe

298;al.2;7

  • M2a: stommerik<-k>en

298;al.2;8

  • M2a: <+,> zoodat hun bloed

298;al.2;9-10

  • M2a: <+,> al stonden er tien mitrailleuzen in den weg? [-X] Oude Sus zijn vrouw

298;al.2;13-14

  • M2a: <+,> want ik drink uit verdriet, uit verdriet. [-X] Eigenlijk is het moei<-e>lijk

298;al.2;17

  • M2a: en zeggen <,>>:> dat is wel waar jongen,
  • D: en zeggen: dat is wel waar <+,> jongen,

298;al.2;20

  • D: Ge moet serieus zijn <+,> Jean, zegt hij,

298;al.2;21-22

  • M2a: voortbouwen <+,> steentje bij steentje,

298;al.2;22

  • M1b: en gij leest vandaag <+ in> een boek

298;al.2;23

  • D: die<-n> wereld

298;al.2;24

  • M2a: En gij denkt <- ge> van een ezel een paard <kunt>>te kunnen> maken

298;al.2;25-26

  • M2a: geduld hebt zegt Jean <+,> en hij vloekt <.>>,> <W>>w>ant hij ziet het al aankomen <:>>.> Hij heeft
  • D: geduld hebt <+,> zegt Jean, en hij vloekt. Want hij ziet het al aankomen. Hij heeft

298;al.2;26

  • M2a: tegen <een>>één> mensch geklapt en
  • D: tegen één mensch geklapt <+,> en

298;al.2;27-28

  • M2a: uitgestort <-,> tegen Albriksken, tegen zijn Albriksken <+,>

298;al.2;29

  • D: een lamlendige<-n> wereldverbeteraar, een blinde<-n> dwaas,

298;al.2;32

  • M2a: <+,> mislukten pastoor
  • D: , mislukte<-n> pastoor

298;al.2;33

  • M2a: [-X] Aai menschen
  • D: Aai <+,> menschen

298;al.2;34

  • M2a: maakt toch geen ruzie <+,> zegt ouden Sus zijn wijf

299;al.1;1

  • D: <nagelen>>nagels>

299;al.1;2

  • M2a: groots<+ch>

299;al.1;3

  • M2a: [-X] En heel den nacht

299;al.1;4

  • D: Begrijp het toch <+,> Jean, het is toch oorlog <+,> mensch <-, we moeten voorzichtig te werk gaan>.

299;al.1;5

  • M2a: zoo overtuigend <+,> dat Jean

299;al.1;6

  • D: die<-n> reus

299;al.1;7-8

  • M2a: wereld <.>>,> <Z>>z>oodat hij niet meer <wist>>west> waar hij stond<-t>
  • M2b: wereld, zoodat hij niet meer <west>>wist> waar hij stond

299;al.1;8-9

  • M2a: afwachtte <:>>.> Hij staat daar

299;al.1;12

  • D: arme<-n> blinde<-n> Ingels

299;al.1;13-14

  • D: wenkbr<o>>a>uwen

299;al.1;15

  • M2a: den <allee>>allée>
  • D: de<-n> allée

299;al.1;16

  • M2a: stapt binnen. <+ Hij> <S>>s>tapt binnen

299;al.1;17

  • M2a: heel alleen zijt <+,> kunt ge

299;al.1;19

  • M2a: rondom u <+,> geven u

299;al.1;22-23

  • M2a: een altijd hooger klimmenden donkeren brij <+ brij>
  • M2b: een altijd hooger klimmende<-n> donkere<-n> brij <- brij>

299;al.1;25

  • M2a: [-X] Hij ziet Jean

299;al.1;27-28

  • M2b: zonder beteekenis <,>>.> <i>>I>k kan pertang mijn woord doen ergens anders, <ge kunt>>ik kan>

299;al.1;29

  • M2b: hier <staat ge>>sta ik>

299;al.2;1

  • M2a: [+X] Jean begrijp me toch
  • D: [X] Jean <+,> begrijp me toch,

299;al.2;3-4

  • M2a: vermoord<-t>, laat ons kalm blijven <- en geen zot anarchisme prediken>. [-X] Stap het af,

300;al.1;1

  • M2a: haar smalle <+,> tengere hand

300;al.1;2

  • M2a: Albrik <+,> zegt ze,

300;al.1;4

  • D: de<-n> afgrond

300;al.1;6

  • M2a: rond hem <+,> den trap af
  • M2b: rond hem <-,> de<-n> trap af
  • D: rond hem <+,> de trap af

300;al.1;8

  • D: de smart van Jean <.>>:> Nu heb ik niemand meer.

300;al.2;3

  • M1b: hij overtuig<d>>t> Jean, hij overtuig<d>>t> Marian, hij overtuig<d>>t>

300;al.2;4-5

  • M2a: Jaja <+,> het is juist, het is waar <.>>,> <D>>d>e wereld verandert,

300;al.2;6-7

  • M2a: Zoo wordt hij nu <.>>,> <I>>i>n Albrik zijn gedachten.

300;al.3;2-3

  • M2a: inwijd<-d>en

300;al.4;1-2

  • D: iets veel grooter<+s> voor, iets geweldig<+s>

300;al.4;7

  • D: midden <van>>in> de straat

300;al.4;9-10

  • M2a: staan, en ja, zijn we nu gewonnen <-,> of wat?
  • D: staan <,>>:> en ja, <zijn>>hebben> we nu gewonnen of wat?

300;al.4;10

  • M2a: moei<-e>lijk te zeggen, in de gazet
  • D: moeilijk te zeggen <,>>.> <i>>I>n de gazet

300;al.4;11

  • D: gewonnen <zijn>>hebben>,

301;al.1;1

  • M2a: <financieêl>>financieel>

300;al.1;3

  • D: de<-n> moed der wanhoop

301;al.1;4-5

  • M2a: Maar zijn we nu gewonnen of zijn we verloren? [-X] Niemand weet het,
  • D: Maar <zijn>>hebben> we nu gewonnen of <zijn>>hebben> we verloren? Niemand weet het,

301;al.1;6-7

  • D: weet eigenlijk <- juist> waarom of waarover.

301;al.1;10

  • D: <vingeren>>vingers>

301;al.2;1

  • D: de<-n> oorlog

301;al.2;4

  • M2a: <vóor>>vóór> den oorlog

301;al.2;5

  • M2b: binst den oorlog? En iemand anders zegt: Ja, maar in den anderen oorlog, in dien<-en> van veertien, dan was het heelemaal anders.
  • D: binst den <+ anderen> oorlog <-?> <- En iemand anders zegt: Ja, maar in den anderen oorlog, in dien van veertien>, dan was het heelemaal anders.

301;al.3;2

  • D: de<-n> kinkhoest

301;al.3;3

  • M2a: komt <.>>,> <E>>e>n die weer

301;al.4;1

  • M2a: Maar de voorstad blijft, zij groeit, zij ontwikkelt <haar>>zich>.
  • D: Maar de voorstad blijft <,>>.> <z>>Z>ij groeit <-, zij ontwikkelt zich>.

301;al.4;3

  • M2a: in de kerk zit <+,> zegt

301;al.4;5

  • M2a: scheid<-d>en

301;al.4;5

  • D: de<-n> oorlog

301;al.4;6

  • M2a: de centjesman<+d>
  • M2b: de centjesman<-d>

301;al.4;6-7

  • M2a: hij had<-t> nog zoover niet gepeinsd, en ja <+,> <bogot>>begot> <+,> het is waar ook <+,> zegt hij.
  • D: hij had <nog zoover>>zoover nog> niet gepeinsd, en ja, begot, het is waar ook, zegt hij.

301;al.5;1

  • D: <Deze>>De man> die

301;al.5;2

  • D: En <deze>>hij> die

301;al.5;4

  • M2a: thuisgekomen <+,> en Miel,

301;al.5;5

  • M2a: Ja <+,> die ook? Ja <+,> en hij

301;al.5;7

  • D: Komt gij ook van het front <+,> mannen?

302;al.1;1-2

  • D: wezenloos <,>>:> neen <+,> wij komen uit de gevangenis <,>>.> <e>> E>n ze frutselen

302;al.1;2-3

  • M2a: vest <.>>,> <Z>>z>e lachen

302;al.1;4-5

  • M2a: niemand herinnert <hem>>zich> ooit die drie halve gare
  • D: niemand herinnert zich ooit die drie halve gare<+n>

302;al.1;5-6

  • M2a: Neen <+,> zegt Carrie,

302;al.1;8-9

  • M2a: den bak invlogen <.>>,> <E>>e>n er nu uitkomen

302;al.1;9-10

  • M2a: <omwille>>om wille> van den oorlog die gedaan is, omwille van

302;al.1;12

  • M2a: financie<ê>>e>le schandalen

302;al.2;2

  • M2a: die <hen>>zich> hunner nog herinnert.

302;al.2;3

  • D: vroeger <over>>voor> veel jaren.

302;al.2;4

  • D: oud<+e>

302;al.2;5

  • D: en herkenden <het>>ze> niet meer.

302;al.2;6

  • M2a: <nickelgeld>>niekelgeld>
  • M2b: <niekelgeld>>nickelgeld>
  • D: <nickelgeld>>nikkelgeld>

302;al.2;9

  • D: En de laatste<-n>

302;al.2;11

  • D: morgen<-d>

302;al.2;11-12

  • D: in de straat, waar <-,> lijk altijd,

302;al.2;12-13

  • M2a: En ze verstaan er <hen>>zich> niet goed uit.

302;al.2;14

  • M2a: stre<-e>pen

302;al.2;15

  • D: de<-n> minuut

302;al.2;16-17

  • M2a: voort <+,> schoon in een rijtje,

302;al.2;18

  • D: <- van> waaruit

302;al.2;20

  • M2a: verder <+,> dicht tegen den muur.

302;al.2;20-21

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

302;al.2;21

  • M2a: <+,> en vlak achter hen

302;al.2;23-24

  • M2a: den laatsten van rechts <:>>,> hij staat
  • D: den laatste<-n> van rechts, hij staat

303;al.1;2

  • M2b: vest<-eken>

303;al.1;7

  • M2a: lekker warm <.>>,> <H>>h>eerlijk warm.

303;al.1;7-8

  • M2a: ze verkneuteren <hen>>zich>

303;al.1;8-9

  • M2a: <+,> zoo een leegen warmen wagon <+,> dat is het ware <!>>.>
  • D: zoo een leege<-n> warme<-n> wagon, dat is het ware.

303;al.1;10

  • M2a: <- en> ze fluisteren

303;al.1;13

  • D: <de niewe gas>>De Nieuwe Gas>

303;al.1;13

  • D: En rap, <- rap,> zie nu eens

303;al.1;15

  • D: waar <over>>vóór> dertig jaar

303;al.2

  • M2a: [+X] Het stekje gaat uit

303;al.2;2-3

  • M2a: hoop <+,> verlangen en droomen, of smart <+,> teleurstelling <+,> arbeid en zorg,

303;al.2;3

  • D: dingen<-s>

303;al.2;4

  • M2a: Ja <+,> wie weet dat <!>>.>

303;al.2;5

  • D: <den>>het> donker<-en> van de spoor<wagen>>wegen>
  • VW: het donker van de spoor[wegen]]wagen]

303;al.2;6

  • D: dingen<-s>

303;al.2;6

  • M2a: lang <+,> lang

303;al.2;9

  • M2a: Tja <+,> en misschien

303;al.3;1-2

  • M2a: <caoutchou-fabrieksken>>caoutchoufabrieksken>
  • D: caoutchou<+c>fabrieksken

303;al.3;2-3

  • M2a: caoutchou<+c> gezien <!>>.>
  • D: caoutchouc gezien <.>>?>

303;al.3;4

  • M2a: en de<+n> eigenaar, de<+n> direkteur heeft <hem>>zich> door den kop geschoten.
  • M2b: en de<-n> eigenaar, de<-n> direkteur heeft zich door den kop geschoten.

303;al.3;5-6

  • D: <de nieuwe gas>>de Nieuwe Gas>

303;al.3;7

  • M2a: den <D>>d>uivel

303;al.3;8-9

  • D: <het>>de> fabriek<-sken>

304;al.1;1

  • D: <den>>het> moment

304;al.2;3

  • D: <den>>het> moment

304;al.2;4

  • M2a: al<+s> de drie

304;al.2;5

  • M2a: het regent door <+,> en ze kruipen

304;al.2;11

  • D: <+,> en nog, en nog,

304;al.4;1

  • D: <Het heeft>>Er is> oorlog geweest

304;al.4;2

  • M2a: aanbrand<-d>en

304;al.4;4

  • D: van <over>>voor> jaren,

304;al.4;5-6

  • D: iets nieuw<+s>

304;al.4;7-8

  • M2a: en teekent, <teekent, de man met>>[xxxxxx xx xxx xxx]>
  • M2b: en teekent,<[xxxxxx xx xxx xxx]>> teekent: de man met>

304;al.4;12-13

  • M2a: <+,> met hun lijntjes en hun <mik-mak>>mikmak>. Ha <+,> en hij lacht
  • M2b: , met hun lijntjes en hun mikmak. <Ha>>Há>, en hij lacht
  • D: , met hun lijntjes en hun mikmak <.>>...> <Há>>Ha>, en hij lacht

304;al.4;15-16

  • M2a: niet ver brengen <+,> zeggen de oude en volleerde menschen uit de teekenschool.
  • D: niet ver brengen, zeggen de oude en volleerde menschen <+,> uit de teekenschool.

304;al.4;17

  • M2a: op een geraffineerde manier <:>>.> Hij zegt niets

305;al.2;1-2

  • M2a: Vaarwel meneeren die het dan in godsnaam <wél>>wel> ver gebracht hebt. [-X] En hij wordt teekenaar
  • D: Vaarwel <+,> meneeren <+,> die het dan in godsnaam wel ver gebracht hebt. En hij wordt teekenaar

305;al.2;7

  • M2a: <savends>>'s avends>

305;al.3;1-2

  • D: het overdekt serpent <,>>.> <e>>E>n daar zit Carrie in,

305;al.3;6-7

  • M2b: deze<-n>
  • D: deze<+n>

305;al.3;7

  • M2a: <- en> afgesloten

305;al.3;9-10

  • M2b: <haren>>haar> lach

305;al.3;11

  • M2b: <haren>>haar> knie

305;al.3;13

  • M2a: stond<-t>

305;al.3;15

  • D: lollige dingen<-s>, met plezante dingen<-s>, met dingen<-s>

305;al.4;1

  • M2a: <Sanderdaags>>'s Anderdaags>

305;al.4;4

  • M2a: [-X] Van als het nog stil is

305;al.4;5

  • M2a: en ja <+,> ze staan

305;al.4;5

  • M2b: <haren>>haar> boterham

305;al.4;6

  • M2a: <savends>>'s avends>

305;al.4;6

  • D: de<-n> laatste<-n> minuut

305;al.4;7

  • M2b: den <blinden>>Blinde>
  • D: de<-n> Blinde

306;al.1;3

  • M2b: stil<-le>, want Ingels moest <- het> eens weten

306;al.1;4

  • M2a: geweest heeft <!>>.> [-X] Een nacht
  • D: geweest <heeft>>is>. Een nacht

306;al.1;4-5

  • M2a: Een nacht <,>>.> <e>>E>r komen veel nachten <.>>,> <A>>a>chter iederen bangen dag

306;al.1;5

  • D: bange<-n> nacht

306;al.1;6

  • M2a: <danseuse>>danseu[xxx]>
  • M2b: <danseu[xxx]>>danseuse>

306;al.1;7

  • D: ander<+e> vrouwen

306;al.1;9

  • D: den buik<-en>dans

306;al.1;11

  • D: <- ge>riekt

306;al.1;15

  • M2a: slinger<d>>t>

306;al.1;17

  • M2a: dien man bijvoorbeeld met zijn bolhoedje<n>>s>
  • M2b: dien man bijvoorbeeld met zijn bolhoedje<s>>n>
  • D: die<-n> man bijvoorbeeld met zijn bolhoedje<-n>

306;al.1;18-19

  • D: de<-n> honger

306;al.1;20

  • M2a: en kan er niet meer <+ naar> kijken.

306;al.1;21

  • D: luider <om>>en> luider

306;al.1;23

  • M2a: overstemt <.>>,> <Z>>z>oodat

306;al.1;24-25

  • M2a: <Savends>>'s Avends> doet ze den buikendans midden schetterend lawaai <+,> en <smorgens>>'s morgens>
  • D: 's Avends doet ze den buik<-en>dans midden schetterend lawaai, en 's morgens

306;al.1;26

  • M2a: <+,> en met een leeg hart.

306;al.1;28

  • D: eender welke stad <,>>.> <z>>Z>oodat ze

306;al.1;29

  • M1a: ergens achter een straathoek, <haar # de> voorstad te zien,
  • M2a: ergens achter een straathoek <-,> de voorstad te zien,

306;al.2;1

  • D: niet meer nieuw is < , >> -- > want

306;al.2;3-4

  • D: en sterft <.>>,> <M>>m>aar de naam die eenmaal gegeven is blijft,
  • <+ --> <- en> in de

306;al.2;5

  • M2a: met bakken <- en> bakken
  • D: met bakken <+,> bakken

307;al.1;1

  • M2a: de andere<+n>
  • M2b: de andere<-n>
  • D: de andere<+n>

307;al.1;1

  • M2a: vecht<-t>en

307;al.1;2

  • M2a: noodig <.>>,> <Z>>z>oodat

307;al.1;3

  • M2a: behalve<-n> hij

307;al.2;1

  • M2a: [+X] <Die>>Hij> <+ heeft> een steenen kop gekregen <- heeft>,

307;al.2;3-4

  • M2a: gedanst <+,> dat men

307;al.2;4

  • M2a: gewo<-o>ne

307;al.2;5-6

  • D: de<-n> oorlog

307;al.2;6

  • M2a: beefstuk wil e<-e>ten
  • M2b: <beefstuk>>biefstuk> wil eten

307;al.3;3

  • M2b: den <blinden>>Blinde>

307;al.3;7

  • D: van <dezen>>hen>

307;al.3;9-10

  • M2b: een bittere<-n> strijd

307;al.3;10

  • M2a: vastheeft <+,> geeft

307;al.3;12

  • M2a: worstelt <+,> die wil

307;al.3;14

  • M2a: <- om> een niemandal

307;al.3;15

  • M2a: een beetje beginnen motregenen is <+,> trekken
  • D: een beetje beginnen <+ te> motregenen is, trekken

307;al.3;16

  • M2a: <hen>>zich>

307;al.3;17

  • M2b: een <- roode> vlag met een doodskop,

307;al.3;18-19

  • D: <lantarenschijn>>lantaarnschijn>

307;al.3;19

  • D: <deze>>zij> die

307;al.3;20

  • M2a: hen nog te <leep>>vlug>
  • D: <hen>>hun> nog te vlug

307;al.3;21-22

  • D: afgezet <,>>.> <d>>D>e paardenkoppen

307;al.3;23

  • M2a: <hen>>[xxx]>
  • M2b: <[xxx]>>hen>

307;al.3;24

  • M2a: achteruit<!>>.>

307;al.3;24-25

  • M2a: iets onmogelijk <.>>,> <D>>d>e eersten
  • M2b: iets onmogelijk, de eerste<-n>
  • D: iets onmogelijk<+s>, de eerste<+n>

307;al.3;26

  • M2a: <- En> <o>>O>uden Sus
  • M2b: Oude<-n> Sus

307;al.3;27

  • M2b: <haren>>haar> man

308;al.1;1

  • M2a: mijnen man af, waar is <+ hij> nu,
  • M2b: mijn<-en> man, waar is hij nu,

308;al.1;1-2

  • M2a: ik moet dat weten <.>>;> <O>>o>uden Sus
  • M2b: ik moet dat weten; oude<-n> Sus

308;al.2;1

  • M2a: Ja <+,> en wie er nu eerst beginnen schieten is,
  • D: Ja, en wie er nu eerst beginnen <+ te> schieten is,

308;al.2;3

  • M1a: <kr[xx]ken # kraken>

308;al.2;5

  • D: een schoon<+e> sport

308;al.2;6

  • M2a: <thalven>>midden> in de straat

308;al.2;7-8

  • M2a: <+,> een niemandsland

308;al.2;10

  • M2a: er loopt eene<+n>
  • M2b: er loopt eene<-n>
  • D: er loopt <eene>>er een>

308;al.2;11

  • M2b: <k>>c>ouragie

308;al.2;11-12

  • D: Een <roode kruisauto>>roode-kruisauto> blijft staan, en <+ werpt> wat triestig <lantarenlicht>>lantaarnlicht> <- valt> over vier

308;al.2;13

  • D: oude<-n> Sus

308;al.2;14

  • M2a: <+,> en twee onbekenden

308;al.3;2

  • D: in den donker<-en>

308;al.3;3

  • M2b: Nochtans ligt het huis <- al binnen> verlaten,

308;al.3;4

  • D: en <- zoo> stil

308;al.3;7

  • M2a: met bijval tusschen <,>>.> <z>>Z>e eischen
  • D: met bijval <+ er> tusschen. Ze eischen

308;al.3;12

  • M1b: brand<-d>en

308;al.4;1

  • M2a: [+X] Ja <+,> dat zou het,

308;al.4;2

  • D: Arm en uitgebuit volk <+,>

309;al.1;4

  • D: Terwijl hij <,>>...> terwijl hij,

309;al.1;6

  • M2a: <- En> <e>>E>r zakt

309;al.1;8

  • M2a: [-X] En dan

309;al.1;10

  • M2a: met een zacht <k>>d>reunen tusschen,
  • M2b: met een zacht <d>>k>reunen tusschen,
  • D: <+,> met een zacht kreunen <+ er> tusschen,

309;al.1;12

  • M2a: Hilda <+,> die

309;al.1;15-16

  • D: <begint gillend>>gillend begint> te lachen,

309;al.1;16

  • M2a: [-X] Al wat

309;al.1;17-18

  • M2a: diepe <+,> diepe gedachten

309;al.1;18

  • D: <zottepraat>>zotte praat>

309;al.1;20-21

  • D: <Pour lire aux bains>>Pour lire aux bains>

309;al.1;21

  • M2a: <+,> staat er op die omslagen <+,>

309;al.1;21-22

  • D: <vingeren>>vingers>

309;al.1;24-25

  • M2a: Herinnert ge het u <+,> vraagt hij, herinner<+t> <+ gij> u dien tijd dat ik daar zat en onzeggelijk <afzag>>leed>,

309;al.1;26

  • D: vermoordde <.>>?>

309;al.1;27-28

  • M2a: <+,> en hij steekt zijn gelaat weg achter zijn beide handen. [-X] Hij dwaalt

309;al.1;29

  • M2a: met moeite <+,> tranen en zorg

309;al.1;32-33

  • M2a: over vijftig <+,> zestig jaar
  • D: <over>>voor> vijftig, zestig jaar

310;al.1;5

  • D: mo<-o>rsen

310;al.1;6-7

  • M2a: met haar gebeuren <!>>.>
  • D: met haar gebeuren <.>>?>

310;al.1;7-8

  • M2a: iets heimelijk bang <- benauwd> en plezierig

310;al.1;10

  • M2a: <tegenstrijdigheiden # tegenstrijdigheden>

310;al.1;13

  • D: geen enkele<-n> verborgen hoek

310;al.1;13-14

  • D: <misterie>>mysterie>

310;al.1;14-15

  • M2a: <- En> <h>>H>ij ontgrendelt de deur, stap het af, zegt hij.
  • M2b: Hij ontgrendelt de deur <,>>.> <s>>S>tap het af, zegt hij.

310;al.2;2

  • M2a: Die zijn er aan <+,> peinst hij,

310;al.2;3

  • M2a: de roode <kruis auto>>kruisauto>

310;al.2;6-7

  • M2a: met gendarmen <.>>,> <E>>e>n wie uit de voorstad iets op zijn geweten heeft <+,> muist

310;al.3;2

  • M2a: omvergelapt heeft <+,> is voor den moment de vraag niet. De vraag is <+,>
  • D: omvergelapt heeft, is voor <den>>het> moment de vraag niet. De vraag is,

310;al.4;1

  • M2a: [+X] De schuldigen moet<+en> gevonden worden

310;al.4;2

  • M1b: tast<-t>en

310;al.4;4

  • M2a: Ja <+,> en waarom

310;al.4;5

  • D: met <- een> gejaagden stap.

310;al.4;6

  • D: <hen>>zich>

310;al.4;6

  • M2a: hij haast er <hem>>zich>

311;al.1;2

  • M2a: moeten vinden <+,> kunnen ze

311;al.1;3

  • D: een achterdeur<-ken>

311;al.1;5

  • M2a: de<+n> vierden
  • M2b: de<-n> vierde<-n>

311;al.1;6

  • M2b: een vijfde<-n> <.>>:> Jean

311;al.1;7

  • D: <- en> waar hij

311;al.1;8

  • M2b: den andere<-n>

311;al.1;8

  • M2b: Neem aan <+,> zegt hij,

311;al.1;10

  • D: en surtout <+,> hebt ge een paspoort?

311;al.1;11

  • M2a: Welbedankt zegt Albrik. <Allee>>Allez> <+,> zegt Jean,
  • D: Welbedankt <+,> zegt Albrik. Allez, zegt Jean,

311;al.1;13-14

  • M1b: in zijn bloed, vraag hem nu zijn broek, <- en> hij geeft ze alaminute,
  • M2a: in zijn bloed <,>>.> <v>>V>raag hem nu zijn broek, hij geeft ze <alaminute>>à la minute> <-,>

311;al.1;14-15

  • M2a: geschoten <+,> geroepen en gevloekt,

311;al.1;16

  • M2a: <v>>w>rijft

311;al.1;17

  • M1b: moord<-d>en

311;al.1;17-18

  • M2a: zou voorbij zijn <+,> zou

311;al.1;20

  • M2a: eerlijk uitdeelen <,>>.> <m>>M>et hoevelen

311;al.1;28

  • M1b: gebeur<d>>t>

311;al.1;29

  • M2a: <w>>W>aal

311;al.1;29

  • D: <Saargebied>>Saargebied>

311;al.1;30

  • M2a: <w>>W>aal

311;al.1;32-33

  • M2b: <lantarenken>>lantaarnken> aan en een plak:
  • D: lantaarnken aan <+,> en een plak:

311;al.1;35

  • M2a: met spek <+,> boonen en patatten in.
  • D: met spek, boonen en patatten <+ er> in.

312;al.1;3

  • M2a: [-X] En daar staat Albrik

312;al.1;4

  • M2a: Hij keert <hem>>zich> om,

312;al.1;6-7

  • M2b: een andere<-n> wereld

312;al.1;7

  • D: gebeuren <-,> of neen,

312;al.1;10

  • M1b: dat zij <- toch> ook

312;al.1;16

  • M2b: de<-n> wereld dien hij zich droomt, de<-n> wereld
  • D: de wereld die<-n> hij zich droomt, de wereld

312;al.1;17-18

  • M2a: den wereld van <haár>>haar> droomen, den wereld waar <z>>h>ij
  • M2b: de<-n> wereld van haar droomen, de<-n> wereld waar <h>>z>ij

312;al.1;19

  • M2b: die<-n> wereld.
  • D: die wereld <.>>?>

312;al.2

  • M2a: [+X] De eene ziet

312;al.2;1

  • D: de<+n> andere

312;al.2;2

  • M2a: trekken <hen>>zich> van

312;al.2;4-5

  • D: verdeeld <,>>:> de eene het spek,

312;al.3;2

  • M2a: <+,> want hij

312;al.3;3

  • M2b: <+,> en met een gebaar,

312;al.3;4

  • M1b: verander<d>>t>

312;al.3;5-6

  • M2a: drooge lippen <+,> en telefoons rinkelen, liften dalen en <rijzen>> stijgen>,
  • D: dro<-o>ge lippen, en telefoons rinkelen, liften dalen en stijgen,

312;al.3;7

  • M2a: denken <+,> rekenen en cijferen,

312;al.3;12

  • M2a: oudemannenhuis <.>>,> <H>>h>ij niet.

313;al.1;5-6

  • M2a: terughebben <,>>.> <h>>H>ij wil

313;al.1;8

  • D: <- dat> moet terug

313;al.1;10-11

  • M2a: van hem is <.>>,> <B>>b>lokken en blokken

313;al.1;12-13

  • M2a: en een cinema <+,> een ijsbaan,

313;al.1;13-14

  • M2a: zijn kerk <.>>,> <I>>i>eder zijn goesting. <- Want> <h>>H>et kan hem niet schelen

313;al.1;15

  • M2b: de<-n> grootste<-n>

313;al.1;15

  • M2a: En daar zijn er <- die in zijn weg staan en> die zeggen: <H>>h>ij zal

313;al.1;16-17

  • M2a: [-X] Maar zoo zot is hij nog niet want hij weet dat er nog durven in zijn weg komen
  • M2b: [-X] Maar zoo zot is hij nog niet want hij weet dat er nog <+ menschen> durven in zijn weg komen
  • D: [-X] Maar zoo zot is hij nog niet <+,> want hij weet dat er nog <- menschen> durven in zijn weg komen

313;al.1;17-18

  • M2a: <- En> <h>>H>ij heeft een ander bureel

313;al.1;18

  • M2a: [X] [?] Vanmiddag was hij
  • D: [-X] Vanmiddag was hij

313;al.1;19

  • M1b: <ondersch[xxxxx]>>onderscheidene>
  • M2a: onderscheiden<-e>

313;al.1;26

  • M2a: trawanten<- ->tot in den dood <+,> staat recht

313;al.1;28

  • M2a: over <A>>a>lgemeen <N>>n>ut, <V>>v>erheffing <V>>v>an <D>>d>en <A>>a>rbeidersstand

313;al.1;29-30

  • M2a: die iets <groots>>grootsch>, die iets eenig<+s> in de geschiedenis zal zijn. <- Nieuwe lijnen worden getrokken, de arbeider wordt opgeheven naar een menschwaardig bestaan.>

313;al.1;30

  • M2b: wijn<roemers>>roomers>

313;al.1;32

  • M2a: dien Mark <+ zich> nog

313;al.1;32-33

  • M2a: uit den tijd van de school <.>>:> <H>>h>et baronszoontje. <Eija>>Tja> <+,> die zit er ook.

313;al.1;33-34

  • M2a: Hij stribbelt tegen, er <+ er> krabbelt
  • M2b: Hij stribbelt tegen <,>>.> <e>>E>r <- er> krabbelt
  • D: Hij stribbelt tegen <.>>,> <E>>e>r krabbelt

313;al.1;35

  • M2b: die<-n> baron

313;al.1;35

  • M2a: zijn heel<+e> leven.

314;al.1;2-3

  • M2a: het volk mort meneeren <!>>.>
  • D: het volk mort <+,> meneeren.

314;al.1;4-5

  • M2b: zoo mort het volk <,>>.> <g>>G>eef het al wat het begeert <,>>...> het mort,
  • D: zoo mort het volk <.>>,> <G>>g>eef het al wat het begeert <...>>:> het mort,

314;al.1;8

  • M2a: <nóg>>nog> meer?

314;al.2;1

  • M2a: [+X] Hij zal het u zeggen <+,> want hij weet
  • D: [X] Hij zal het u zeggen <-,> want hij weet

314;al.2;3

  • M2b: dat hij, hij Mark <+,> het werk zal doen

314;al.2;5

  • M2a: van <een>>den> mensch?

314;al.2;7

  • D: <Mais>>Maar> soit,

314;al.2;9

  • M2a: het tragi<-e>sche

314;al.2;12

  • D: een schoon<+e> begrafenis

3141;al.2;13

  • M2a: Indrukwekkend <-, indrukwekkend>.

314;al.2;14

  • M2a: Hij zet <hem>>zich> neer

314;al.2;15

  • M2a: de naamlo<+o>zen

314;al.2;16

  • M2a: juichen hem toe <,>>.> <d>>D>aar zit hij,

314;al.2;17

  • M1b: heeft geleid<-t>

314;al.2;20

  • M2b: die ze <+ uit>betalen
  • D: die <ze uitbetalen>>men uitbetaalt>

314;al.2;21

  • M1b: onmiddel<+l>ijk moet stort<-t>en

314;al.2;23

  • M2a: naar huis, <- naar huis,> naar het oude <moeê>>moeë> huis.

314;al.2;24

  • M2a: zit hij daar <:>>.> Macht, grootheid, voltooing
  • D: zit hij daar. Macht, grootheid, voltooi<+i>ng

314;al.2;26-27

  • M2b: de<-n> andere<-n> rommel

314;al.2;27-28

  • M2a: in het niet<-s>,

314;al.2;28

  • M2b: onze grootsche plannen <+,> <en>>onze> onmetelijke fortuinen
  • D: onze grootsche plannen <-,> <onze>>en> onmetelijke fortuinen

315;al.1;2

  • M2b: Over anderen dag komt de<-n> doktoor
  • D: <Over>>Om den> anderen dag komt de doktoor

315;al.1;3

  • M2b: <haren>>haar> kop
  • D: haar <kop>>hoofd>

315;al.1;4-5

  • M1b: trekt <hem>>zich> dat aan.

315;al.1;7

  • M2b: Behalve Maria <-,> die

315;al.1;10

  • M2b: zwe<-e>ren zijn in uw<-en> kop?

315;al.1;11

  • M2a: uitgeteerd is <+,> hangt
  • M2b: uitgeteerd is <-,> hangt
  • D: uitgeteerd is <+,> hangt

315;al.1;12

  • M2a: <+,> zegt Maria. Ons Carrie
  • D: , zegt Maria <.>>,> <O>>o>ns Carrie

315;al.1;14

  • M2b: de<-n> trap opkomen en dan zeg ik <,>>:> ze is daar.

315;al.1;14

  • M2b: onze<-n> Ingels

315;al.1;17-18

  • M2a: [-X] Het is <presies>>precies> of ze mijn kop afzagen <+,> zegt Elie <+,> als ze

315;al.1;18

  • M2b: <haren>>haar> mond

315;al.1;22

  • D: dingen<-s>

315;al.1;24

  • M2b: van zulk een groote<-n> schoone<-n>
  • D: <- van> zulk een groote schoone

315;al.1;25

  • M2b: En ze twijfelt <,>>:>

315;al.1;27

  • D: [-X] Marian koestert haar droomen

315;al.1;27-28

  • M1b: aanbrand<-d>en

315;al.1;28

  • M2a: Nauw steekt het niet <+,> want

315;al.1;29

  • M2a: <snoenens>>'s noenens>

315;al.1;30-31

  • M1b: gereed: witloof. En wiltloof moet een beetje aanbrand<-d>en
  • M2a: gereed: witloof <.>>,> <E>>e>n witloof moet een beetje aanbranden

315;al.1;33

  • D: [-X] Maria blijft

315;al.2

  • M2a: [+X] Moet ge niet

316;al.1;1

  • D: allemaal <.>>?>

316;al.1;2

  • M2b: en trek<-t> uw<-en> plan.

316;al.1;3

  • M2b: de<-n> eerste<-n> keer
  • D: de<+n> eerste<+n> keer

316;al.1;4-5

  • M2a: toch nog niet zat zijn <.>>!>
  • D: toch <- nog> niet zat zijn <!>>.>

316;al.1;5

  • M2b: wat hebben we <van den>>dezen> noen?

316;al.1;7

  • M2a: <+,> zegt hij. Ja <+,> zoo eet ik het liefst zegt Marian
  • D: , zegt hij. Ja, zoo eet ik het liefst <+,> zegt Marian

316;al.1;10

  • M2a: [-X] Ik moet er niet van hebben <+,> zegt Jean,

316;al.1;11

  • M2b: mijn pa<-a>rt

316;al.1;11-12

  • M1b: <op>>in> haar voorhoofd

316;al.1;12

  • M2a: ah <+,> het was dat

316;al.1;14

  • M2a: <telloren>>teljoren>

316;al.1;15

  • M2a: niets meer hebben <+,> moeder?

316;al.1;16

  • M2b: <- wel> waarschijnlijk
  • D: <+ wel> waarschijnlijk

316;al.1;18

  • M2b: niemand die zegt <+:> het leven dit

316;al.1;19-20

  • M2a: de<+n> dood, de<+n> zwijgzame<+n> stille<+n> dood, de rust en de vergetelheid. <- En> <h>>H>et gehamer
  • M2b: den dood, den zwijzamen stillen dood, de rust en de vergetelheid <.>>;> <+ en> <H>>h>et gehamer
  • D: den zwijgzamen stillen dood, de rust en de vergetelheid; <- en> het gehamer

316;al.1;21

  • M2a: <- En> <s>>S>oms

316;al.1;22

  • D: een mierennest is <die>>dat>

316;al.1;26-27

  • M2a: langs de houten barakken waar Sander gewoond <+,> geleefd en gedronken heeft
  • M2b: <- langs> de houten barakken waar Sander gewoond, geleefd en gedronken heeft

316;al.1;29

  • M2a: op haar moeder <+,>

316;al.2;3-4

  • M1b: en zoo vol <spinneko[xxxx]>>spinnekopnetten>
  • D: <+,> en zoo vol spinnekopnetten

316;al.2;4-5

  • M2a: het fabriek in, waar niemand <+,> niemand,
  • M2b: <het>>de> fabriek in, waar niemand, niemand,

316;al.2;6

  • M2a: Hé <+,> roept ze <+,> om toch

317;al.1;1

  • M2b: de<-n> roep

317;al.1;2

  • M2a: hé <.>>,> <N>>n>et of ginder

317;al.1;3

  • D: een ander<-e> Marian

317;al.1;5

  • M2a: Stilte <+,> stilte.

317;al.1;8

  • M2a: en waar, als ge aan een hoek komt <+,> plots
  • D: en waar <+ ge>, als ge aan een hoek komt, plots

317;al.1;9

  • M2a: <- En> <e>>E>r komt

317;al.1;9

  • M2a: haren rug kruipen <+,> alsof
  • M2b: <haren>>haar> rug kruipen, alsof

317;al.1;10

  • M2a: Ze keert <haar>>zich>

317;al.1;10-11

  • M2b: een effen hooge<-n> muur

317;al.1;11-12

  • M2b: <haren>>haar> rug

317;al.1;14

  • D: <- gaat> uit te voorschijn <+ gaat> komen.

317;al.1;14

  • M2a: <- En> <e>>E>en rat

317;al.1;15

  • M2a: om er zeker van te zijn dat <het een>>heteen> rat geweest is.
  • M2b: om <- er> zeker <- van> te zijn dat heteen rat geweest is.
  • D: om zeker te zijn dat <heteen>>het een> rat geweest is.

317;al.1;15-16

  • M2a: Ze laat een angstigen schreeuw <+ hooren>

317;al.1;17

  • M2a: <waardoorheen>>waar doorheen>

317;al.1;20-21

  • M1b: En achter haren rug blijft dat wa<[x]>>t> in die deur za<[x]>>t>
  • M2a: <- En> <a>>A>chter haren rug blijft dat wat in die deur zat
  • M2b: Achter <haren>>haar> rug blijft <dat>>dát> <+,> wat in die deur zat <+,>
  • D: Achter haar rug blijft <dát>>dat>, wat in die deur zat,

317;al.1;22

  • M2b: van dien gang, <- om er van af te zijn,> en daar is het
  • D: van die<-n> gang, en daar is het

317;al.1;23

  • M2a: <- Van> <e>>E>rgens uit een deur

317;al.1;25

  • M2a: [-X] Haar beenen knikken

317;al.1;26

  • M2b: <haren>>haar> mond

317;al.2;1

  • M2a: [+X] Op dat zolderken

317;al.2;1

  • M2b: de middenste<-n> lijk een ouden God
  • D: de midde<n>>l>ste lijk een oude<-n> God

317;al.2;3

  • M2a: zonder klank of <rietme>>rythme> in.
  • D: zonder klank of <rythme>>rhythme> <+ er> in.

317;al.2;3-4

  • M2a: <- En> <d>>D>e twee anderen

317;al.2;5-6

  • M2a: naar den hemel geheven <+,> stappen ze voort in den steeds zelfden kring,
  • M2b: naar den hemel geheven <-,> stappen ze voort <+,> in den steeds zelfden kring,
  • D: naar den hemel geheven stappen ze voort <-,> in <den steeds zelfden>>steeds denzelfden> kring,

317;al.2;8

  • M2a: [-X] Mijn hemel <+,> wat beteekent dat?

318;al.1;2

  • M2b: een serieuze<-n> mensch uit de voorstad <hem>>zich> misloopen

318;al.1;3

  • M2a: caoutchou<+c>fabrieksken binnenkomen <.>>,> <W>>w>at

318;al.1;4

  • D: <neergetuimeld>>neer getuimeld>

318;al.1;5

  • M2a: der hel <.>>,> <E>>e>n hij

318;al.1;6-7

  • M1b: in een hemel is <?>>,> met haar

318;al.1;8-9

  • M1b: Ze houdt <haar>>zich> aan den deurpost vast en wankelt, het wordt geel en donkerrood voor haar oogen, de deurpost
  • M2a: Ze houdt zich aan de<-n> deurpost vast en wankelt, het wordt geel en donkerrood voor haar oogen, de deurpost
  • M2b: Ze houdt zich aan de<+n> deurpost vast en wankelt <,>>.> <h>>H>et wordt geel en donkerrood voor haar oogen <,>>.> <d>>D>e deurpost
  • D: Ze houdt zich aan den deurpost vast en wankelt <.>>,> <H>>h>et wordt geel en donkerroood voor haar oogen. De deurpost

318;al.1;9-10

  • M2b: en zwelt <,>>.> <d>>D>e drie

318;al.1;11

  • M2b: gestalten <,>>.> <z>>Z>e worden

318;al.1;12

  • M2b: klettert kapot <+.> <e>>E>n ze valt neer <.>>,> <D>>d>e handen

318;al.1;14

  • M2b: tegen de gekalkten muur <,>>.> <u>>U>it een
  • D: tegen de gekalkten muur <.>>;> <U>>u>it een

318;al.2;1

  • D: Marian <+,> wat is er?

318;al.2;2-3

  • M2a: <asemt>>ademt> diep en zwaar, en ge zijt toch niet dood <+,> vraagt hij stil, hij steekt
  • M2b: ademt diep en zwaar, en ge zijt toch niet dood, vraagt hij stil <,>>.> <h>>H>ij steekt
  • D: ademt diep en zwaar <,>>.> <- en> <g>>G>e zijt toch niet dood, vraagt hij stil <.>>,> <H>>h>ij steekt

318;al.2;3

  • M2b: <zijn>>een> hand

318;al.2;3-4

  • M2a: naar dat lieve <- lieve> en hielig<+e> gelaat.

318;al.2;4

  • M2a: haar oogen opent <.>>:> <W>>w>aar ben ik
  • D: haar oogen opent <:>>,> waar ben ik

318;al.2;5

  • M1b: en haar <alles>>zich> op slag herinnert,
  • M2a: en haar zich <+ alles> op slag herinnert,
  • M2b: en <- haar> zich alles op slag herinnert,

318;al.2;8

  • M2a: Niets <+,> zegt ze, en ze maakt <haar>>zich> los.

318;al.2;9

  • M2a: niet kijken <+,> want stel u <- eens> voor
  • D: niet kijken <,>>.> <w>>W>ant stel u voor

318;al.2;10

  • M2a: gewo<-o>ne menschenoogen blijken te zijn <+,> waarin

318;al.2;11-12

  • M2b: van <haren>>haar> droomwereld te vinden is <.>>!> [-X] En ze gaat weg, teer en fijn <.>>...>
  • D: van haar droomwereld te vinden is! <+...> En ze gaat weg, teer en fijn...


    [terug]