abat-jour (183;al.5;13):
alaamzakken (200;al.1;1):
- alaam = gereedschap, werktuigen;
de allée (202;al.2;33 - 207;al.1;1; e.a.):
- gangpad, overloop, ruimte van een bovenhuis waarop de trap uitkomt;
batiment (332;al.1;10 - 360;al.2;2; e.a.):
- > fr. bâtiment : een gebouw;
bebeirt (375;al.1;24):
beir (281;al.3;2 - 297;al.1;20):
- menselijke uitwerpselen, drek, faecaliën;
beeweg (160;al.1;2):
- processie, bedevaart; hier: ter boete-doening, een lijdensweg;
beglariet (392;al.1;1):
de bijgang (143;al.2;4 - 146;al.3;13; e.a.), bijgangsken (161;al.3;7):
- doorloop tussen huizen of muren, nauw armoedig steegje;
boterhammen met bijval (254;al.1;5 - 308;al.3;7):
bijzen (214;al.3;3):
- bengelen; biezen = onrustig zijn, ijveren;
bijzende vingers (185;al.2;7-8):
- onrustige, ijverige vingers;
binst (153;al.2;10):
een bougie (150;al.1;25; e.a.), een bougieken (172;al.2;24; e.a.):
geen enkel spierken bougeert (155;1;18):
- > fr. bouger: (zich) bewegen;
het blok van voor het gat slepen (419;al.2;29-30):
ze broebelen buiten (234;al.2;17 - 244;al.3;24):
- naar buiten drummen, dringen;
hij broebelt een taal (417;al.1;12):
- brabbelen, onverstaanbaar spreken;
broebelkens (148;al.3;16):
een busselkind (199;al.1;13):
- bussel: luiers (ook zwachtel); hier: een kind in luiers;
een calotjen (148;al.1;1):
- > fr. calot: politiemuts, kardinaals- of priestermutsje; hoofddeksel; Ned. kalot: klein mutsje of kapje;
de carré (208;al.1;6 - 210;al.1;10; e.a.):
de cirage (211;al.2;6):
- > fr. le cirage: het inwrijven, het boenen;
corniche (355;al.2;16):
- > fr. corniche: daklijst, hoek van een omlijsting;
cornichen (326;al.2;8 - 383;al.2;13):
- meervoud van corniche is in feite corniches, Boon schrijft cornichen;
een gezicht lijk een doghond (277;al.2;14/16):
- dog = hondenras, grote kortharige honden met brede kop en staande oren; een dog van een vent: een grote zware vent;
op dompel en op sukkel zijn (280;al.1;12):
- dompelen = sukkelen, dwalen, in moeilijke omstandigheden verkeren;
drij weken (153;al.3;8):
iemand den duivel aan doen (199;al.1;35-36 - 256;al.2;10 - 369;al.2;2):
- treiteren, kwellen, plagen;
frak (254;al.1;22/27; e.a.):
- > fr. frac; langpandige herenjas, jas van een kostuum, jas in het algemeen;
graveel en cement (333;al.2;11):
- > Oudfr. gravelle: gruis; zie ook Ndl. gravel: gruis van gemalen rode dakpannen;
de gremel (146;al.2;18 - 148;al.4;6; e.a.), gremelen (168;al.1;31 - 194;al.1;2; e.a.), gremellachen (255;al.1;9 - 354;al.1;23; e.a.):
- de grimlach, een bittere of valse lach; minachtend grimlachen, grinniken;
van krommen haas gebaren (224;al.2;4 - 241;al.1;6-7):
- van niets gebaren, doen alsof men van niets weet, doen alsof je neus bloedt;
een huil ophalen (302;al.1;21):
- een schreeuw, een kort gehuil dat van diep komt, een diepe snik;
een heimelijke Judas (148;al.4;18):
- een valsaard, een verraderlijk mens (zie bijbelse figuur Judas: verrader van Jezus); pestkop, treiteraar;
iemand judassen (256;al.1;6 - 369;al.2;1-2):
- treiteren, plagen, kwellen (zie ook judassen: iemand de duivel aandoen);
judasserig (199;al.1;35):
ieverans (149;al.3;8), ievers (151;al.2;5 - 153;al.3;4; e.a.):
nievers (208;al.1;14 - 252;al.1;1; e.a.):
kabas (375;al.1;14 - 389;al.2;35; e.a.):
- boodschappenmand of -tas;
- Maar binst de speeltijd hebben ze op Mieleken gekabast in het pissijn tot hij er blauw van zag (255;al.1;3-4): kabassen = alg. arm in arm gaan, syn. insteken; hier: een pak rammel geven, in elkaar slaan.
een kadee (302;al.2;20):
- groot in zijn soort, flink uit de kluiten gewassen, een vent, een kerel, een snaak, een kluchtig persoon;
kapotgetorte (339;al.1;16):
- getorte > fr. torturer: verdraaien, martelen (zie terten: stappen), hier: kapotgetrapte;
iemand een kartats geven (205;al.1;7):
- iemand een pak rammel geven;
een koddeken (sigaret) (166;al.5;3 - 202;al.2;26):
- een kodde: het laatste stukje of eindje; koddeken: dialectisch verkleinwoord; een sigarettenpeukje, een eindje sigaret;
de koningin der weide (147;al.3;18-19):
- weide = made, dus: het madeliefje;
een kerthoedjen (275;al.3;12/15 - 325;al.1;7/11; e.a.):
- kert = keep, kerf, insnijding; hier: een hoed met een kerf, een gleufhoed;
sleuren en krochen (211;al.1;4):
lanterfanten (240;al.1;5):
- zijn tijd verbeuzelen, leeglopen, straatslijpen;
de latrine (145;al.1;13 - 276;al.3;1; e.a.):
- w.c., toiletgelegenheid, in bivak of kampement, meestal enigszins geïmproviseerd, of zo dat men zich enigszins moet behelpen;
de(n) loekenbeer (249;al.2;4/18/20):
- loeken = kijken; hier: een schertsende, dreigende figuur; ook lieve loekenbeer (115;al.1;19);
een malheur (178;al.2;27 - 179, al.1,11; e.a.), malheuren (251;al.2;5 - 277;al.2;4; e.a.):
- ongeluk, narigheid, gebreken;
malheureus (164;al.1;24-25):
mansarde (226;al.1;3/6 - 233;al.3;1; e.a.), mansardeken (325;al.1;16):
marbels (146;al.3;5/6 - 152;al.1;4/8):
marteléglas (304;al.2;8 - 312;al.1;2-3; e.a.):
- > fr. martelé: gehamerd; hier: gehamerd glas;
roode menie (191;al.1;9):
- oranjerode verfstof, vermiljoen;
neven (146;al.3;14 - 147;al.3;7):
paletot (236;al.2;5 - 335;al.3;16), paltoken (166;al.2;2 - 421;al.3;11):
- paletot: korte overjas, korte mantel; paletootje (verkl.);
een pardessus (199;al.1;22 - 203;al.1;14):
- > fr. pardessus: (let.) een overgooier, een overjas;
pateetjes (242;al.2;17), pateeken(s) (217;al.3;6 - 242;al.2;3; e.a.):
iemand een pater bewerken (365;al.2;4-5):
- iemand een loer draaien, zie ook: iemand een pater schilderen;
pertang (187;al.1;7 - 208,al.2,10; e.a.):
- nochtans, toch, echter, evenwel;
een piepenhol (191;al.1;16 - 378;al.1;36):
- piepen: stil weggaan, vluchten, piepklein: heel klein; hier: een klein plekje om in weg te vluchten;
een ander piepenhol zoeken om in te wonen en te slapen (235;al.2;6-7):
- piepen: slapen (volkstaal), hier: een kleine plek om stilletjes in weg te kruipen en te slapen;
pisbloemen (147;al.3;19):
- pissebloemen, paardebloemen;
een pitslichteken (421;al.1;6-7):
- een 'knijpkat' = een handdynamo, zaklantaarn met een door de hand in beweging gebrachte dynamo; hier: een zaklamp;
plaksken(s) (157;al.1;15 - 158;al.2;3 - 304;al.3;3):
- (volkstaal) bord, houten plank; ook: 'een plaksken kleur' (270;al.1;6) = een vlekje
zoo zwart als een poerduivelken (249;al.2;12):
- schertsend; poer = poeder, hij heeft het poer niet uitgevonden: het buskruit (poer geven = driftig te keer gaan, iemand van katoen geven);
op haar poot spelen (409;al.3;2):
- heftig tekeer gaan, van zich laten horen;
een porei en een selder (227;al.1;14):
een poulie (275;al.3;10):
- > fr. poulie: een katrol, een riemschijf, een snaarschijf, idem Ndl. 'poelie';
prossen (193;al.4;12 - 281;al.3;4):
- ruw mee omgaan, prutsen, knoeien, slecht werken;
rammeiden (214;al.3;24):
een root (143;al.1;4 - 143;al.2;7; e.a.):
een slets (153;al.3;5):
speekelen (195;al.2;9 - 197;al.2;5; e.a.):
speldebeziën (176;al.2;3):
- 'beziën' dialectisch meervoud van 'bes'; hier: een bessensoort;
staminee (160;al.1;4 - 234;al.2;25) stamineetafel(ken) (220;al.3;6 - 234;al.2;31 - 365;al.1;11):
- staminee > fr. estaminet = kroeg, café, bierhuis;
de tempeesten (230;al.1;11); tempeesten (ww.) (341;al.2;33):
- (veroudouderd) stormweer; de begeerte tempeest lijk een hel: stormen, razen, tieren;
(de) teppen (151;al.1;10 - 236;al.2;11):
- scheldwoord, schertsend, de zot (synoniem);
terten (150;al.2;4 - 321;al.1;5; e.a.):
tikkeneiken (301;al.1;8):
toekken (170;al.4;4):
- slaan (volkstaal: iemand toekken geven);
een toile-cirré doeksken (274;al.2;1):
- > fr. toile-cirée: wasdoek; fr. toile: katoen, linnen; hier: een katoenen of linnen wasdoek; ook een toile-ciré kabas (399;al.1;7-8): een katoenen tas; verschillende spelling!
troebelen (229;al.3;4 - 287,al.1,35; e.a.), troebels (247;al.3;5):
- moeilijkheden, problemen, beroering;
tuifelen: noodwoningen die men van oud materiaal aaneen tuifelt (266;al.2;2-3):
- aaneen tuifelen: bij elkaar sprokkelen en bijeen timmeren;
uffra (180;al.7;1 - 188;al.2;10; e.a.):
l
ijk een musch bij haar vijg (326;al.2;1-2):
- vijg = koeienvla; er niet bij weg te slaan;
van wijmen en fijne koordekens (148;al.2;2-3):
- wilgetenen, dunne en taaie lootjes van wilgebomen;
een wijmen zetel (402;al.4;7 - 405;al.1;37 - 409;al.3;1):
- een tenen zetel: van tenen, van dun rijshout gemaakt;
zerpe reuken (339;al.1;9-10):
- zure, scherpe, wrange reuken;
een zijp (180;al,1;4):
- wetering, waterweg, sloot, goot;
|