Woordenlijst
___________________________
legenda/ [ I ][ II ] [ III ] [ IV ] [ V ] /            [terug]

 


abat-jour (183;al.5;13):

  • lampekap;

alaamzakken (200;al.1;1):

  • alaam = gereedschap, werktuigen;


de allée (202;al.2;33 - 207;al.1;1; e.a.):

  • gangpad, overloop, ruimte van een bovenhuis waarop de trap uitkomt;


batiment (332;al.1;10 - 360;al.2;2; e.a.):

  • > fr. bâtiment : een gebouw;


bebeirt (375;al.1;24):

  • met beer bewerkt;


beir (281;al.3;2 - 297;al.1;20):

  • menselijke uitwerpselen, drek, faecaliën;


beeweg (160;al.1;2):

  • processie, bedevaart; hier: ter boete-doening, een lijdensweg;


beglariet (392;al.1;1):

  • stiekem begluren;


de bijgang (143;al.2;4 - 146;al.3;13; e.a.), bijgangsken (161;al.3;7):

  • doorloop tussen huizen of muren, nauw armoedig steegje;


boterhammen met bijval (254;al.1;5 - 308;al.3;7):

  • broodbeleg;


bijzen (214;al.3;3):

  • bengelen; biezen = onrustig zijn, ijveren;


bijzende vingers (185;al.2;7-8):

  • onrustige, ijverige vingers;


binst (153;al.2;10):

  • terwijl, ondertussen;


een bougie (150;al.1;25; e.a.), een bougieken (172;al.2;24; e.a.):

  • een kaars, kaarsje;


geen enkel spierken bougeert (155;1;18):

  • > fr. bouger: (zich) bewegen;


het blok van voor het gat slepen (419;al.2;29-30):

  • alle werk alleen doen;


ze broebelen buiten (234;al.2;17 - 244;al.3;24):

  • naar buiten drummen, dringen;


hij broebelt een taal (417;al.1;12):

  • brabbelen, onverstaanbaar spreken;


broebelkens (148;al.3;16):

  • bubbels, luchtbelletjes;


een busselkind (199;al.1;13):

  • bussel: luiers (ook zwachtel); hier: een kind in luiers;


een calotjen (148;al.1;1):

  • > fr. calot: politiemuts, kardinaals- of priestermutsje; hoofddeksel; Ned. kalot: klein mutsje of kapje;


de carré (208;al.1;6 - 210;al.1;10; e.a.):

  • blok woningen;


de cirage (211;al.2;6):

  • > fr. le cirage: het inwrijven, het boenen;


corniche (355;al.2;16):

  • > fr. corniche: daklijst, hoek van een omlijsting;


cornichen (326;al.2;8 - 383;al.2;13):

  • meervoud van corniche is in feite corniches, Boon schrijft cornichen;


een gezicht lijk een doghond (277;al.2;14/16):

  • dog = hondenras, grote kortharige honden met brede kop en staande oren; een dog van een vent: een grote zware vent;


op dompel en op sukkel zijn (280;al.1;12):

  • dompelen = sukkelen, dwalen, in moeilijke omstandigheden verkeren;


drij weken (153;al.3;8):

  • drie weken;


iemand den duivel aan doen (199;al.1;35-36 - 256;al.2;10 - 369;al.2;2):

  • treiteren, kwellen, plagen;


frak (254;al.1;22/27; e.a.):

  • > fr. frac; langpandige herenjas, jas van een kostuum, jas in het algemeen;


graveel en cement (333;al.2;11):

  • > Oudfr. gravelle: gruis; zie ook Ndl. gravel: gruis van gemalen rode dakpannen;


de gremel (146;al.2;18 - 148;al.4;6; e.a.), gremelen (168;al.1;31 - 194;al.1;2; e.a.), gremellachen (255;al.1;9 - 354;al.1;23; e.a.):

  • de grimlach, een bittere of valse lach; minachtend grimlachen, grinniken;


van krommen haas gebaren (224;al.2;4 - 241;al.1;6-7):

  • van niets gebaren, doen alsof men van niets weet, doen alsof je neus bloedt;


een huil ophalen (302;al.1;21):

  • een schreeuw, een kort gehuil dat van diep komt, een diepe snik;


een heimelijke Judas (148;al.4;18):

  • een valsaard, een verraderlijk mens (zie bijbelse figuur Judas: verrader van Jezus); pestkop, treiteraar;


iemand judassen (256;al.1;6 - 369;al.2;1-2):

  • treiteren, plagen, kwellen (zie ook judassen: iemand de duivel aandoen);


judasserig (199;al.1;35):

  • treiterachtig;


ieverans (149;al.3;8), ievers (151;al.2;5 - 153;al.3;4; e.a.):

  • ergens;


nievers (208;al.1;14 - 252;al.1;1; e.a.):

  • nergens


kabas (375;al.1;14 - 389;al.2;35; e.a.):

  • boodschappenmand of -tas;
  • Maar binst de speeltijd hebben ze op Mieleken gekabast in het pissijn tot hij er blauw van zag (255;al.1;3-4): kabassen = alg. arm in arm gaan, syn. insteken; hier: een pak rammel geven, in elkaar slaan.


een kadee (302;al.2;20):

  • groot in zijn soort, flink uit de kluiten gewassen, een vent, een kerel, een snaak, een kluchtig persoon;


kapotgetorte (339;al.1;16):

  • getorte > fr. torturer: verdraaien, martelen (zie terten: stappen), hier: kapotgetrapte;


iemand een kartats geven (205;al.1;7):

  • iemand een pak rammel geven;


een koddeken (sigaret) (166;al.5;3 - 202;al.2;26):

  • een kodde: het laatste stukje of eindje; koddeken: dialectisch verkleinwoord; een sigarettenpeukje, een eindje sigaret;


de koningin der weide (147;al.3;18-19):

  • weide = made, dus: het madeliefje;


een kerthoedjen (275;al.3;12/15 - 325;al.1;7/11; e.a.):

  • kert = keep, kerf, insnijding; hier: een hoed met een kerf, een gleufhoed;


sleuren en krochen (211;al.1;4):

  • kreunen;


lanterfanten (240;al.1;5):

  • zijn tijd verbeuzelen, leeglopen, straatslijpen;


de latrine (145;al.1;13 - 276;al.3;1; e.a.):

  • w.c., toiletgelegenheid, in bivak of kampement, meestal enigszins geïmproviseerd, of zo dat men zich enigszins moet behelpen;


de(n) loekenbeer (249;al.2;4/18/20):

  • loeken = kijken; hier: een schertsende, dreigende figuur; ook lieve loekenbeer (115;al.1;19);


een malheur (178;al.2;27 - 179, al.1,11; e.a.), malheuren (251;al.2;5 - 277;al.2;4; e.a.):

  • ongeluk, narigheid, gebreken;


malheureus (164;al.1;24-25):

  • ongelukkig;


mansarde (226;al.1;3/6 - 233;al.3;1; e.a.), mansardeken (325;al.1;16):

  • zolderkamertje;


marbels (146;al.3;5/6 - 152;al.1;4/8):

  • knikkers;


marteléglas (304;al.2;8 - 312;al.1;2-3; e.a.):

  • > fr. martelé: gehamerd; hier: gehamerd glas;


roode menie (191;al.1;9):

  • oranjerode verfstof, vermiljoen;


neven (146;al.3;14 - 147;al.3;7):

  • naast;


paletot (236;al.2;5 - 335;al.3;16), paltoken (166;al.2;2 - 421;al.3;11):

  • paletot: korte overjas, korte mantel; paletootje (verkl.);


een pardessus (199;al.1;22 - 203;al.1;14):

  • > fr. pardessus: (let.) een overgooier, een overjas;


pateetjes (242;al.2;17), pateeken(s) (217;al.3;6 - 242;al.2;3; e.a.):

  • gebakje, taartje;


iemand een pater bewerken (365;al.2;4-5):

  • iemand een loer draaien, zie ook: iemand een pater schilderen;


pertang (187;al.1;7 - 208,al.2,10; e.a.):

  • nochtans, toch, echter, evenwel;


een piepenhol (191;al.1;16 - 378;al.1;36):

  • piepen: stil weggaan, vluchten, piepklein: heel klein; hier: een klein plekje om in weg te vluchten;


een ander piepenhol zoeken om in te wonen en te slapen (235;al.2;6-7):

  • piepen: slapen (volkstaal), hier: een kleine plek om stilletjes in weg te kruipen en te slapen;


pisbloemen (147;al.3;19):

  • pissebloemen, paardebloemen;


een pitslichteken (421;al.1;6-7):

  • een 'knijpkat' = een handdynamo, zaklantaarn met een door de hand in beweging gebrachte dynamo; hier: een zaklamp;


plaksken(s) (157;al.1;15 - 158;al.2;3 - 304;al.3;3):

  • (volkstaal) bord, houten plank; ook: 'een plaksken kleur' (270;al.1;6) = een vlekje


zoo zwart als een poerduivelken (249;al.2;12):

  • schertsend; poer = poeder, hij heeft het poer niet uitgevonden: het buskruit (poer geven = driftig te keer gaan, iemand van katoen geven);


op haar poot spelen (409;al.3;2):

  • heftig tekeer gaan, van zich laten horen;


een porei en een selder (227;al.1;14):

  • een prei;


een poulie (275;al.3;10):

  • > fr. poulie: een katrol, een riemschijf, een snaarschijf, idem Ndl. 'poelie';


prossen (193;al.4;12 - 281;al.3;4):

  • ruw mee omgaan, prutsen, knoeien, slecht werken;


rammeiden (214;al.3;24):

  • rammeien: beuken;


een root (143;al.1;4 - 143;al.2;7; e.a.):

  • een rij;


een slets (153;al.3;5):

  • slof, pantoffel;


speekelen (195;al.2;9 - 197;al.2;5; e.a.):

  • spuwen, speken;


speldebeziën (176;al.2;3):

  • 'beziën' dialectisch meervoud van 'bes'; hier: een bessensoort;


staminee (160;al.1;4 - 234;al.2;25) stamineetafel(ken) (220;al.3;6 - 234;al.2;31 - 365;al.1;11):

  • staminee > fr. estaminet = kroeg, café, bierhuis;


de tempeesten (230;al.1;11); tempeesten (ww.) (341;al.2;33):

  • (veroudouderd) stormweer; de begeerte tempeest lijk een hel: stormen, razen, tieren;


(de) teppen (151;al.1;10 - 236;al.2;11):

  • scheldwoord, schertsend, de zot (synoniem);


terten (150;al.2;4 - 321;al.1;5; e.a.):

  • stappen;


tikkeneiken (301;al.1;8):

  • (volkstaal) een eitje;


toekken (170;al.4;4):

  • slaan (volkstaal: iemand toekken geven);


een toile-cirré doeksken (274;al.2;1):

  • > fr. toile-cirée: wasdoek; fr. toile: katoen, linnen; hier: een katoenen of linnen wasdoek; ook een toile-ciré kabas (399;al.1;7-8): een katoenen tas; verschillende spelling!


troebelen (229;al.3;4 - 287,al.1,35; e.a.), troebels (247;al.3;5):

  • moeilijkheden, problemen, beroering;


tuifelen: noodwoningen die men van oud materiaal aaneen tuifelt (266;al.2;2-3):

  • aaneen tuifelen: bij elkaar sprokkelen en bijeen timmeren;


uffra (180;al.7;1 - 188;al.2;10; e.a.):

  • (volkstaal) juffrouw;

l
ijk een musch bij haar vijg (326;al.2;1-2):

  • vijg = koeienvla; er niet bij weg te slaan;


van wijmen en fijne koordekens (148;al.2;2-3):

  • wilgetenen, dunne en taaie lootjes van wilgebomen;


een wijmen zetel (402;al.4;7 - 405;al.1;37 - 409;al.3;1):

  • een tenen zetel: van tenen, van dun rijshout gemaakt;


zerpe reuken (339;al.1;9-10):

  • zure, scherpe, wrange reuken;


een zijp (180;al,1;4):

  • wetering, waterweg, sloot, goot;