[terug]

Verantwoording variantenapparaat
Eens op een mooie avond
door Charlotte Cailliau

Als basistekst is het typoscript (M5) van Eens op een mooie avond gekozen dat, net zoals de overige handschriften die een (gedeeltelijke) weergave van de tekst bevatten, in het AMVC-Letterenhuis bewaard wordt. Dit typoscript, het gaat hier overigens om een doorslag, is het laatste in een rij van vijf bronnen die samen de tot nog toe achterhaalde overlevering van Eens op een mooie avond vormen. Elke documentaire bron kreeg naargelang de aard het bijbehorende sigle mee (zie Mathijsen 2003: 285). Hoewel geen enkele bron door Boon gedateerd is, valt aan de hand van de varianten toch een nauwkeurig, maar duidelijk onvolledig stemma op te stellen.

Dat toont zich meteen al in de vroegste bron (M1) die ongeveer de helft, de tweede helft meerbepaald, van ‘Eens, op een mooie avond’ [1] bevat. Dit manuscript is duidelijk een ruw ontwerp dat niet alleen onmiddellijke correcties maar ook een aantal correctielagen bevat die aantonen dat de auteur in verschillende fasen aan de tekst heeft gewerkt. [2] De eerste helft van ‘Eens, op een mooie avond’ bevindt zich dan weer in een tweede handschrift (M2) dat naar alle waarschijnlijkheid kan worden opgevat als de netversie van de verloren gegane bladen uit M1. Het is in ieder geval bijzonder opvallend dat M1 precies daar begint waar M2 eindigt. De twee handschriften die dan volgen (M3 en M4) bevatten, net zoals het typoscript (M5) elk wel een volledige versie van ‘Eens, op een mooie avond’. ‘Eens, op een minder mooie avond’ komt enkel voor in M3, M4 en M5. Om het apparaat zo eenduidig mogelijk te houden, geef ik de variante lezingen tussen de verschillende bronnen per deel (respectievelijk ‘Eens, op een minder mooie avond’ en ‘Eens, op een mooie avond’) weer, waarbij ik ‘Eens, op een mooie avond’ nog eens opgesplitst heb volgens het voorkomen van de tekst in M1 en M2 (zie supra). Bovendien begin ik met het apparaat van ‘Eens, op een minder mooie avond’ omdat dat deel in de basistekst het eerste komt. Per apparaat worden de precieze bronnen van dat specifieke tekstdeel onder het kopje ‘Overlevering’ nog eens aangegeven.

Eens op een mooie avond is duidelijk een tekst waar Boon veel aan gesleuteld heeft. Zoals al vermeld, bevat M2 diverse correctielagen, maar ook M1 en M3 zijn duidelijk niet in één keer op papier beland. M4 is een veel nettere versie die bestaat uit de tekst en één correctielaag. Ook het typoscript heeft Boon nog eenmaal geredigeerd. Deze correcties binnen één handschrift worden niet opgenomen in onderstaande variantenapparaten, omdat ze niet bijdragen aan het verduidelijken van de tekstconstitutie. Bovendien zou dat de nu al uitgebreide apparaten gecompliceerd en ondoorzichtig gemaakt hebben.

Bij aanvang van dit project is er geopteerd voor een exclusief gelemmatiseerd apparaat dat bovendien negatief en regressief is (terminologie in navolging van Mathijsen 2003: 310). De afwijkingen worden afzonderlijk en geïsoleerd van de leestekst weergegeven. De verwijzing vindt plaats via pagina- en regelnummering. Het is een negatief apparaat omdat enkel de afwijkingen ten opzichte van de leestekst worden weergegeven, eventueel begeleid door een steunwoord om de variant exact te kunnen plaatsen. Telkens wordt hierbij vertrokken vanuit de leestekst en teruggewerkt naar vroegere versies.

In het onderstaande apparaat zijn de editeursingrepen in de basistekst in kleur weergegeven. Een overzicht van de ingrepen vindt de gebruiker samen met de leestekst in het betreffende boekdeel van het Verzameld werk (p.960). Naast de editeursingrepen die per locus worden beschreven, zijn er ook een aantal stilzwijgende ingrepen doorgevoerd, die geldig zijn voor alle drie de onderstaande apparaten. Dat zijn:
  - In de leestekst worden de dubbele aanhalingstekens uit de basistekst enkele
  - Tussen een woord en een dubbele punt staat in de leestekst geen spatie
Verder wordt in deze editie elke variante lezing tussen de verschillende documentaire bronnen (waarbij weliswaar enkel gefocust wordt op de laatste correctielaag per bron) weergegeven.

Zoals Mathijsen ook aangeeft in haar boek Naar de letter zijn gelemmatiseerde apparaten vooral geschikt ‘voor edities van werken met weinig verschillen tussen de versies en met ongecompliceerde varianten’ (Mathijsen 2003: 311). In dit geval gaat het zeker om ongecompliceerde varianten aangezien enkel de laatste correctielaag in ogenschouw werd genomen. De versies M5, M4, M3 en M2 zijn dan ook zonder uitzondering ingevoerd in het vooraf bepaalde type apparaat. M1 liet zich echter niet zo eenvoudig in een gelemmatiseerd apparaat onderbrengen omdat het aantal varianten ten opzichte van M3 te talrijk waren. Dit zou onvermijdelijk in een oneindig ingewikkeld lemma-apparaat geresulteerd hebben. Hier kon enkel een combinatie van verschillende systemen – het gaat het in het bijzonder om de combinatie van een gelemmatiseerd apparaat en een paralleldruk – werkelijk soelaas brengen (zie ook Mathijsen 2003: 321). Concreet wil dat zeggen dat het derde apparaat in lemma’s de variante lezingen weergeeft tussen M5, M4 en M3. Ongeveer per alinea wordt dan het overeenkomstige stuk tekst uit M1 gereproduceerd en op de juiste plek tussen de lemma’s geplaatst. Op die manier kan de gebruiker van deze apparaten de passages uit M1 naast de leestekst leggen, die zich in het boekdeel van het Verzameld werk bevindt, en die met elkaar vergelijken. Daarom wordt er via opnieuw pagina-aanduiding en regelnummers per stukje uit M1 ook meteen gerefereerd naar die leestekst (M5). Bovendien staan de variante lezingen in M4 en M3 ten opzichte van die leestekst direct boven de tekst uit M1 en maken ze zo een reconstructie van de gehele genese mogelijk. M1 is overigens integraal getranscribeerd en in het apparaat opgenomen. De drie naar rechts wijzende vishaken (>>>) wijzen erop dat de paragraaf aansluit op de volgende paragraaf die in paralleldruk is weergegeven. Natuurlijk zijn er tussen M3 en M1 ook passages die minder variante lezingen bevatten en die dus evengoed in het lemma-apparaat konden worden ondergebracht. Niettemin is ervoor geopteerd om per deel één consistente werkwijze te volgen die ook het gebruik van het betreffende apparaat vergemakkelijkt. Bovendien werpt deze manier van weergeven een interessante blik op de werkwijze van Boon tijdens het schrijven en corrigeren van zijn teksten. De gebruiker ziet immers, zonder dat hij zelf hoeft te reconstrueren, hoe de eerste versie van ‘Eens, op een mooie avond’ eruitzag en hoe die is geëvolueerd naar de versie uit het typoscript.

Bibliografie
Mathijsen, M., Naar de letter. Handboek editiewetenschap. Den Haag: Constantijn Huygens Instituut, 2003³.    

[1] Eens op een mooie avond bestaat eigenlijk uit twee delen (zie ook verder in de verantwoording). Als de volledige tekst met zijn twee delen wordt bedoeld, staat de titel cursief. Wordt er echter verwezen naar één deel in het bijzonder dan staat die titel tussen enkele aanhalingstekens.
[2] Op de verschillende correctielagen ga ik verder niet in. Zoals later in de verantwoording zal blijken, heb ik me bij elke bron enkel op de laatste correctielaag geconcentreerd.

[terug]