|
Tonijn p. 55 TSa: <TONIJN>>tonijn> [- gecentreerd]
D1: <tonijn>>TONIJN> [+ gecentreerd]
D2: <TONIJN>>Tonijn> [- gecentreerd]
TSa: <I>>i>k kwam doorheen de <N>>n>aarstigheidstraat naar huis
D1: <i>>I>k kwam doorheen de naarstigheidstraat naar huis
D1a: Ik <kwam doorheen>>keerde langs> de naarstigheidstraat <naar huis>>huiswaarts>
D2: Ik keerde langs de <n>>N>aarstigheidstraat huiswaarts
D1a: weer<-al>
TSa: dien winderigen hoek gestaan hebben om mijn paspoort te vragen, niet dat ik niet in orde was <- ,> verre van daar,
D1a: die<-n> winderigen hoek <gestaan hebben>>hebben gestaan> om mijn <paspoort >>papieren> te vragen <,>>.> <n>>N>iet dat ik niet in orde was <+ ,> verre van daar,
D2: die winderige<-n> hoek hebben gestaan om mijn papieren <te vragen>>na te kijken>. Niet dat ik niet in orde was, verre van daar,
TSa: <- ,> ik zou weer niet hebben kunnen eten
D1a: <+ ,> ik zou weer niet hebben kunnen eten
D2: , ik zou weer niet <- hebben> kunnen eten
TSa: de <N>>n>aarstigheidstraat
D2: de <n>>N>aarstigheidstraat
TSa: <V>>v>ieze
D1a: <v>>V>ieze
D2: in <haar deur>>het deurgat> staan,
TSa: <A>>a>lfred <- ,> die
D1a: <a>>A>lfred <+ ,> die
TSa: hing "dat er weeral geen melk was <- ,> en jamaar wat ze dan haar jongen voeren moest, op een <tikkeneiken>>tikken-eiken> <had hij>>hebben ze> ook al geen recht meer" en ze keek woest naar mij <- ,>
D1a: hing <+ :> "dat er weeral geen melk was <+ ,> en <- jamaar> wat ze dan haar jongen voeren moest, op een <tikken-eiken>>eitje> hebben ze ook al geen recht meer" <+ .> <e>>E>n ze keek woest naar mij <+ ,>
D2: hing: <- "> dat er weeral geen melk was <- ,> en wat ze dan haar jongen voeren moest, op een eitje hebben ze ook al geen recht meer <- ">. En ze keek woest naar mij,
TSa: <A>>a>lfred
D2: <a>>A>lfred
TSa: het een of ander terug, iets over de <D>>d>uitschers, en dat ze nog liever een <G>> g>rijze zag dan een <Z>>z>warte, wat peinst gij er van?
D1a: het een of ander terug, iets over de duitschers, en dat ze nog liever een grijze zag dan een zwarte <- , wat peinst gij er van?>
D2: <- het> een of ander terug, iets over de <duitschers>>Duitsers> < , >> : > <- en> dat ze <+ dan> nog liever een grijze zag dan een zwarte <+ .>
TSa: dat was tot mij <- ,> om mijn mond open te breken <- ,> want ze verdacht mij er van een <D>>d>uitschgezinde te zijn
D1a: dat was tot mij <+ ,> om mijn mond open te breken <+ ,> want ze verdacht mij er van een duitschgezinde te zijn
D2: dat was tot mij, <- om mijn mond open te breken,> want ze verdacht mij <er van>>ervan> een <duitsch>>Duits>gezinde te zijn
TSa: daar in <de>>die> buurt mijn mond hield als het over den oorlog ging.
D2: <- daar> in <die>>de> buurt mijn mond hield als het over de<-n> oorlog ging.
TSa: <V>>v>ieze vaagde er aan, ze dacht aan haar jongen die ten onder kwam<+en><- ,>
D1a: <v>>V>ieze <vaagde er aan>>kon het niets schelen>, ze dacht <+ alleen maar> aan haar jongen die ten onder <kwamen>>gingen>
D2: Vieze kon het niets schelen, ze dacht alleen maar aan haar jongen die ten onder <gingen>>kwamen>
D1a: wil ik... [+X] Doch
TSa: <Vieze's zoon>>de zoon van vieze> <- ,> samen met mijn <jongen>>zoon> <- ,> kwamen van achter den hoek met hun armen opengespreid <- ,> lijk de vleugels van een vliegmachine.
D1a: de zoon van <v>>V>ieze <+ ,> samen met mijn zoon <+ ,> kwamen van achter de<-n> hoek met <hun>>de> armen opengespreid <lijk>>als> de vleugels van een vlieg<machine>>[xxxx]>.
D2: de zoon van Vieze, samen met mijn zoon, kwamen van achter de hoek met de armen opengespreid als de vleugels van een <vlieg[xxxx]>>vlieger>.
D1a: <die jongen>>het zoontje>
TSa: <V>>v>ieze zijn bommen liet vallen op de openbare schuilplaats die vol water stond en waar <toch>>tòch> geen mensch zou willen inkruipen, terwijl deed mijn jongen de sirene gaan. <E>>e>n hij
D1: vieze zijn bommen liet vallen op de openbare schuilplaats die vol water stond en waar tòch geen mensch zou willen inkruipen, terwijl deed mijn jongen de sirene gaan. <e>>E>n hij
D1a: <v>>V>ieze <- zijn> bommen liet vallen op de openbare schuilplaats <+ -> die vol water stond en waar tòch geen mensch zou willen inkruipen, <+ - > terwijl <deed>> bootste> mijn <jongen>>zoon> de sirene <gaan>>na>. En hij
D2: Vieze bommen liet vallen op de openbare schuilplaats - die vol water stond en waar <tòch>>tóch> geen mens<-ch> zou willen inkruipen - terwijl bootste mijn zoon<+tje> de sirene na. <- En> <h>>H>ij
TSa: een deur of <twee>>2> open en staken de menschen hun luisterende ooren <+ naar> buiten. <Me-moe>>m m moe> <- ,> zei <V>>v>ieze's jongen die
D1: een deur of 2 open en staken de menschen hun luisterende ooren naar buiten. <m>>M> m moe zei vieze's jongen die
D1a: een deur of <2>>twee> open en staken de menschen hun luisterende ooren naar buiten. M m moe zei <vieze's jongen>>het zoontje van Vieze dat> die
D2: een deur of twee open en staken de mens<-ch>en hun luisterende o<-o>ren naar buiten. M m moe zei het zoontje van Vieze <+ ,> dat <- die>
TSa: <ve-van>>v van> den achternoen een kroes <- , te-tonijn,> wij krijgen t t tonijn.
D1a: <v van>>d...de>[?] de achternoen een kroes <+ ,> wij krijgen t t tonijn.
D2: <d... de[?] de achternoen>>d d deze nanoen> een kroes, <wij>>we> krijgen t t tonijn.
TSa: <Toen>>en met haar stofvod in haar hand> lachte de vrouw van <A>>a>lfred <- , met haar stofvod in de hand,> tot ze pijn kreeg <.>>,> <I>>i>k pakte mijn jongen bij de hand en ging <- ,><zelf>>zèlf> lachend naar huis.
D1: <e>>E>n met haar stofvod in haar hand lachte de vrouw van alfred tot ze pijn kreeg, ik pakte mijn jongen bij de hand en ging zèlf lachend naar huis.
D1a: En met haar stofvod in <haar>>de> hand lachte de vrouw van <a>>A>lfred tot ze pijn kreeg <,>>.> <i>>I>k pakte mijn <jongen>>zoontje> bij de hand en ging zèlf lachend naar huis.
D2: En met haar stofvod in de hand lachte de vrouw van Alfred tot ze pijn kreeg. Ik <pakte>> greep> mijn zoontje bij de hand en ging <zèlf>>zelf> lachend naar huis.
p.56 TSa: ook hij zei <- «> pa <- ,> van den achternoen is het tonijn <- »>.
D1a: ook hij zei <+ :> pa <+ ,> van <den achternoen>>den nanoen> is <+ krijgen we> <- het> tonijn <+ op school>.
D2: ook hij zei: pa, <van den>>deze> nanoen <- is> krijgen we tonijn op school.
TSa: <- ,> zei ik, ge moet niet luisteren naar dien jongen van <V>>v>ieze <- ,>
D1a: zei ik, ge moet <- niet luisteren naar> die<-n> jongen van <v>>V>ieze <+ niet nabootsen> <+ ,>
D2: <+ , > <zei>>verbeterde> ik, ge moet <die>>de> jongen van Vieze niet nabootsen,
TSa: weer tonijn <.>>,> <E>>e>n ook
TSa: <- ,> zei ze <- ,> k k konijn. <O>>o> heel de buurt trok in den nanoen
D1: zei ze k k konijn. <o>>O> heel de buurt trok in den nanoen
D1a: <+ ,> zei ze <+ ,> k k konijn. [+X] O heel de buurt trok in de<-n> nanoen
TSa: <V>>v>ieze
D1a: <v>>V>ieze
TSa: een <- groote> witte kom <.>>:> <M>>m>et dat ik naar <D>> d>uitschland niet wil gaan werken <- ,>
D1a: een witte kom: met dat ik <naar>>in> duitschland niet wil <- gaan> werken <+ ,>
D2: een witte kom: met dat ik in <duitschland>>Duitsland> niet wil werken,
TSa: in dien zin stak van alles, dat hij honger had <- ,>
D1a: in die<-n> zin stak van alles, dat hij honger had
D2: in <die zin>>dat zinnetje> stak van alles, dat hij honger had
TSa: te zeggen <- ,> <V>>v>ieze
D1a: te zeggen <+ ,> <v>>V>ieze
TSa: gewerkt <- ,> noch in <D>>d>uitschland noch in <B>>b>elgië,
D1a: gewerkt <+ ,> noch in duitschland noch in belgië,
D2: gewerkt, noch in <duitschland>>Duitsland> noch in <b>>B>elgië,
TSa: wel waarschijnlijk nooit doen <- ,>
D1a: wel waarschijnlijk nooit doen <+ ,>
D2: <- wel> waarschijnlijk <+ wel> nooit doen,
TSa: <M>>m>aar wat hij nu bij de boeren <->>(> die meestal <D>>d>uitschgezind waren <- ,> zei hij <->>)> ophaalde,
D1: <m>>M>aar wat hij nu bij de boeren (die meestal duitschgezind waren zei hij) ophaalde,
D1a: Maar wat hij nu bij de boeren (die meestal duitschgezind waren <+ ,> zei hij) ophaalde,
D2: <Maar>>Doch> wat hij nu bij de boeren (die meestal <duitschgezind>>Duitsge-zind> waren, zei hij) ophaalde,
TSa: nooit konijn <- ,> zei hij
D1a: nooit konijn <+ ,> zei hij
D2: nooit <+ eens> konijn, zei hij
TSa: dezen <+ arm> en dan weer onder den anderen arm stekend.
D2: deze<-n> arm en dan weer onder de<-n> andere<-n> arm stekend.
TSa: <- ,> met hun kroes voor zich uitgestoken, en ja <- ,> het was wel degelijk tonijn <- ,> t t tonijn.
D2: met hun kroes voor zich uitgestoken <- ,> en ja het was wel degelijk tonijn t t tonijn.
TSa: en zei <- : > het <zijn>>is dan> godomme nog <vischkens>>b=visch> die ik niet mag.
D1a: en zei het is dan godomme nog <visch>>een soort vis> die ik niet <mag>>lust>.
D2: en zei <+ , > het is dan godomme nog een soort vis die ik niet lust.
ZP: [tekstdeel ontbreekt]
TSa: [romein, volgende pagina]
TSb: [handschrift zetter:] geen nwe bldz.
D1: [cursief]
D1: [1 witregel]
D2: [2 witregels]
D1a: niemand die kan gelooven dat ik <+ ,> die een romanschrijver ben, vervuld van edele gevoeens, geen vaderland wil hebben
D1b: <- niemand die kan gelooven dat ik, die een romanschrijver ben, vervuld van edele gevoelens, geen vaderland wil hebben>
D1a: LAK AAN EEN VADERLAND AL IS HEEL DE WERELD NU BELGISCHGEZIND [X] ik ben maar een mensch
D2: <LAK AAN EEN VADERLAND AL IS HEEL DE WERELD NU BELGISCHGEZIND>> LAK AAN EEN VADERLANDal is heel de wereld nu belgischgezind><+ .> [- X] <i>> I>k ben maar een mens<-ch>
D1a: de <stoof>>kachel>,
D2: de o<-o>gen
D1a: <den nombril du monde>>de navel van de wereld> voelt maar een mensch onder de menschen,
D2: de navel van de wereld voelt maar een mens<-ch> onder de mens<-ch>en,
D1a: MENSCHEN liefheeft en niet de VADERLANDEN
D2: <MENSCHEN>>MENSCHEN> liefheeft en niet de <VADERLANDEN>>VADERLANDEN> <+ .>
D1a: en <ik schijt op>>verder heb ik niets te maken met> adrianus schoonevorm, pseudoniem van andré gatlikker,
D2: <e>>E>n verder heb ik niets te maken met <adrianus schoonevorm>>Adrianus Schonevorm>, pseudoniem van <andré gatlikker>>André Gatlikker>,
D1a: <peins eens>>denk eens aan> - en er over piekert of SCHRIJVEN wel het juiste woord is, zou het niet BAREN
D2: denk eens aan - en er over piekert <+ , > of <SCHRIJVEN>>schrijven> wel het juiste woord is, zou het niet <BAREN>>baren>
D1a: <- en literatuur zwelgt en kakt en pist> - en al
p. 56-57 D1a: verder zal gaan met <met gedichten te schrijven>>met verzen baren> <+ ,> over de maan en over zijn eenzaamheid en over <onslievevrouwken>>God> - en ondertusschen
D2: verder zal gaan met verzen baren, over de maan en over zijn eenzaamheid en over God - en ondertuss<-ch>en
D1a: van de joodsche en communistische schrijvers die <zouden omvergeschoten moeten worden>> men zou moeten neer [?] neerschieten>
D1b: van de joodsche en communistische schrijvers die men zou moeten <- neer[?]> neerschieten>
D2: van <+ al> <de>>die> joods<-ch>e en communistische schrijvers die men zou moeten neerschieten <+.>
|
||