[terug]

Variantenapparaat
Te oud voor kamperen?


Pa: Parool [= basistekst], 29 juni 1947 – 24 augustus 1947 (8 afleveringen)

D1: Zes Vlaamse novellen, Nijgh & Van Ditmar, 1952

VW: Te oud voor kamperen? en andere verhalen, De Arbeiderspers, 2005 [Verzameld werk], pp.87-119

 


p.87

Pa:

Te oud voor Kamperen?

Aan ons Jeanneke

Louis Paul Boon

D1:

te oud voor kamperen?

Een vrolijk verhaal

door louis paul boon

VW:

Te oud voor [K]]k]amperen?

Aan ons Jeanneke

Louis Paul Boon

 

p.91

D1:

op iets recht te hebben <– een ontspanning – wat?>>... een ontspanning.>

 

D1:

<wèlke>>welke> bergen

VW:

[wèlke]]wélke] bergen

[VW: Accenten die de functie hebben om woorden te benadrukken zijn veranderd in accents aigues.]

 

D1:

Of wie<+n> er ons voor de drommel enthousiast kan voor maken?

 

D1:

<lijk>>gelijk> een mossel aan haar schelp

 

D1:

een <tram>>trein> of een <trein>>tram>

 

p.92

D1:

ze gaat <graag>>grààg> ergens heen

 

D1:

<lijk>>gelijk> die voyageur-de-commerce

 

D1:

<het>>dat> gelaat van Marcel

 

D1:

nat<gezeikte>>gezijkte> [2x]

 

D1:

dat kan ik mij voorstellen< – doch>>. Doch>,

 

D1:

‘twee tenten’<-,> zegt hij<.>>?>

 

D1:

<àchter>>achter> haar gelaat

VW:

[àchter]]áchter] haar gelaat

 

D1:

<’s avonds>>s’avonds> <te>>om> acht uur

 

D1:

ge zoudt <+ gaan> onder een tent <- gaan> liggen

 

D1:

<’s anderen daags>>sanderendaags>

 

D1:

En hij haalt de duizend en één redenen aan<+,> die er tegen kamperen kunnen aangehaald worden.

 

D1:

<+ De eerste avond dat wij er eens definitief over spreken, dat is de schoonste avond... zoiets kan men mij niet afdoen. Hoe het ook zal zijn, deze avond kan niet overtroffen worden. Het wordt seffens een potten en pannen kwestie... en Jan, die niet meegaat, zegt dat hij nog een vuurtje heeft, een Prima... en daarbij, Morris heeft ook een vuurtje, en Roza ook. Alhoewel het achteraf zal blijken dat èn het vuurtje van Jan èn het vuurtje van Morris èn dat van Roza, allemaal een en hetzelfde vuurtje zijn, dat ze steeds van elkander gebruiken.

O maar ik heb óók een vuurtje! zegt Lucette een beetje naïef, en ze explikeert wat voor een spul het is, en ik herinner mij en kijk naar ons Jeanneke die het zich ook herinnert en die zich wat rechtop gaat zetten om te zeggen dat we óók zo een vuurtje hebben, het ligt op zolder, maar het is kapot. Haja, het ons is ook kapot, zegt Lucette.>

En almeteens zegt er iemand<- , midden een gesprek over Van Acker die de duivel weet wat te zoeken heeft in Portugal>: maar weet ge wat,

 

D1:

En hij <moest>>moet> niet zeggen

 

D1:

want ge hoort het op de koer<+,> op ons glazen dak<+,> roffelen <lijk>>gelijk> een trom.

 

p.93

D1:

om naar die ander<+e> Lucette te staren

 

D1:

een rugzak die <we>>wij> mogen bezigen, en ze <heeft>>geeft> een eindeloze explikatie

 

D1:

<Ja>>En ja>, almeteens heb ik een camera,

 

D1:

laten opsolferen, <9.5>>9,5> millimeter,

VW:

laten opsolferen, [9.5]]9,5] millimeter,

 

D1:

ik ben het <zelf>>zèlf> al vergeten...

 

D1:

maar Marcel knikt toch nog altijd <– en>>. En> hij die anders àlles vergeet

VW:

en hij die anders [àlles]]álles] vergeet

 

D1:

drie <+ vier> keer tegen moet zeggen: “Marcel<-,> vergeet het toch niet”...

 

D1:

en het dan <toch>>tóch> vergeten is

 

D1:

met die dingen van <Jeanneken>>ons Jeanneke>,

 

D1:

Zodat ik zit te <bedenken>>denken> hoe we ginder zullen toekomen

 

D1:

Ben, die dan toch definitief meegaat<+,> en

 

D1:

en had zoiets <wel>>wèl> nodig

 

D1:

zegt er achteraf nog iemand<-:> <+ ‘>waarom zouden wij ons daar mee laden?<+’>

 

p.94

D1:

tut<-,> tut...

 

D1:

die van hem en van <Maurice>>Morris> en van Roza en van de hele wereld is,

 

D1:

begint <+ midden> in de vloer demonstratie te geven

 

D1:

<naphthe>>naphta>

VW:

napht[-h]e

 

D1:

dat het kleine <busje>>buisje> kan verstopt zijn

 

D1:

de typische <klein-bourgeoisie-Ma>>kleinbourgeoisie Ma>

 

D1:

net <lijk>>gelijk> de paster met Onsheer

 

p.95

D1:

op <juist>>de juist->[zetfout in D1] dezelfde toon, maar hoe zal ik ze <terughebben>>terug hebben>?

 

D1:

<Donderdag-en-acht-dagen>>Donderdag-acht-dagen>

 

D1:

Goed<-,> goed, zegt ze, en <ik ben>>als ik> nog geen tien meter van hun straatdeur verwijderd <+ben> <-,> <of ze roept me>>roept ze mij> terug:

 

D1:

zegdet <ge>>gij>? <Dan>>dan> ben ik niet thuis.

 

D1:

<imperméable>>inmpermeable>

 

p.96

D1:

en onze Jo schiet wakker, <+ ik ben wakker zulle,>

 

D1:

en ci en <ça>>ca> <+,>

 

D1:

en spoelt de koffiefilter uit<+,> want die zullen <we>>wij> nodig hebben,

 

D1:

<aspirientjes>>aspirinetjes>

 

D1:

<rugzaak>>rugzak>

VW:

[rugzaak]]rugzak]

 

D1:

die <hààr>>haar> rugzak is<,>>...> maar die onze Jo eens wat dragen zal, voor de <frimen>>frime><+,>

VW:

die [hààr]]háár] rugzak is

 

D1:

<dwars door>>dwarsdoor> haar onmogelijk-vele beslommeringen zijn niet <+ stil>te houden geratel

 

D1:

En pas hebben <we>>wij> de straatdeur achter onze rug gesloten

 

D1:

een beetje regen en wat wind is goed<.>>,> <A>>a>lhoewel...

 

D1:

ze verfrommelen een <- stuk> papier

 

D1:

ge ziet dat het niet van hen is<+,> en <+ dat> ze er geen zorg moeten voor dragen

 

D1:

de <proppensvolle>>proppendvolle> trein

 

D1:

en de reizigers er <al>>reeds> <uitspringen>>uit springen>,

 

VW:

[dàt]]dát] ogenblik

 

D1:

ofwel... <En>>en> Ben zoekt naar nóg een mogelijkheid

 

D1:

<Kom>>kom><-,> ik zal het u eens uitleggen.

 

D1:

<En alhoewel>>Alhoewel> ook dàt <werd besproken>>besproken werd><-,>

VW:

[dàt]]dát]

 

p.97

D1:

een beetje stil<+,> onder de indruk van het nieuwe,

 

D1:

met een lachende plooi rond de mond<+ , want het betekent iets plezierigs>.

 

D1:

zijn reizen met zijn <pa>>Pa>

 

D1:

en geen enkele paster zie zitten<,>>...>

 

D1:

daar zit er wel een, vlak achter <mij>>u>.

 

D1:

alhoewel <we>>wij> vijf reiszakken

 

D1:

<wie-weet-welke>>wie weet welke> problemen

 

D1:

en wat het ook <zijn mag>>mag zijn>

 

D1:

<- Marcel die ons almeteens in Brussel laat staan, dicht tegen de gare du Luxembourg, waar is Marcel, waar is Marcel? En hij is dan zijn mysterie-van-comische-zaken binnen. Hij heeft zich toch niet vergist, zeker, denkende dat hij naar Brussel gekomen is om er te werken? Doch neen, het is dan maar om er de verrekijker te ontlenen.>

En iets dat niets met de reis te maken heeft,

 

D1:

<het>>de> handvat

 

p.98

D1:

schiet <+ ook> de koord af en bonkt ze <terug>>opnieuw> neer.

 

D1:

en rollen al zijn klodden over de vloer van het station. <- En ik ben benieuwd hoe het gaat aflopen, maar ik mag van de anderen niet blijven staat[zetfout in Pa], tut-tut ge zijt hier niet op reportage. Beroepsmisvorming?>

VW:

En ik ben benieuwd hoe het gaat aflopen, maar ik mag van de anderen niet blijven [staat]]staan], tut-tut ge zijt hier niet op reportage. Beroepsmisvorming?

 

D1:

De <een>>ene> kijkt de ander aan

 

D1:

op zijn <hurken>>kurken> zetten [zetfout in D1]

 

D1:

dat hij <er ons>>ons er> integendeel uitgooit

 

D1:

en kamperen <we>>wij> hier naast de spoorbaan.

 

p.99

D1:

Kijk<-,> hier is het een mooi plekje<-,>

 

D1:

chambre<-s> pour voyageurs

 

D1:

We moeten er drie uur wachten naar verbinding<-,> en gaan Malroie eens bezoeken<+,> alhoewel ik weet dat er niets te <bezoeken>>zoeken> valt.

 

D1:

Daar lopen ze <vóór>>voor> mij

 

D1:

Hij ratelt <lijk>>gelijk> een koffiemolen

 

D1:

Ik kan geen enkele opname doen of hij kijkt om<,>>:> altijd staat er zijn verbaasd gezicht op.

 

D1:

Maar ik moet ergens de knop aangeraakt hebben<-,> want de koffiemolen begint te ratelen

 

D1:

en even ondertussen kijkt <de>>die> jonge broer

 

D1:

Pathé-<b>>B>aby

 

D1:

dat was <de>>onze> langste opname.

 

p.100

D1:

Pathé-<b>>B>aby

 

D1:

kunnen aanbrengen<-.> <En>>en> Ben vraagt: hoe zouden <we>>wij> deze opname <- dan>  noemen?

 

D1:

want niemand weet dat het <van een broek is>>zakje uit een oude broek is gemaakt>.

 

D1:

maar ik kan er <- ook> niet mee lachen

 

D1:

Drie uur wachten op een dorp dat geen dorp is<-,>

 

D1:

dat Lucette een alpin draagt<,>>:> hoe staat dat daar <- nu> op uw kop?

 

D1:

dat ze hier feitelijk <naar>>op> een trein zit te wachten

 

D1:

het station zonder station<-,> en tevens zonder trein. Och<-,> ja...

 

D1:

En dan komen <we>>wij> maar om negen uur toe in het laatste dorp van de wereld, en moeten <we>>wij> nog een half uur te voet, voorbij dat dorp, en moeten <we>>wij> ons tenten opslaan en stro<-o> zoeken

 

D1:

Maar als ik <hen>>hun> later er wat over vragen wil

 

p.101

D1:

het station<+s>pleintje

 

D1:

<,>>...> een taxi<,>>...>

 

VW:

Daar [stààt]]stáát] een taxi, zegt hij.

 

D1:

Ik ga er heen en vraag <- aan de taxi-man>

 

D1:

het station<+s>pleintje

 

D1:

En hoe dat allemaal in <het>>dat> kleine auto<-o>tje gekregen?

 

D1:

De taxi rijdt<+,>

 

D1:

want het zou er in de weg hangen<,>>...>

 

D1:

en hij wil ons wijsmaken<-,>

 

D1:

seffens blijkt <- het> dat hij

 

D1:

<Tcheko-Slovakije>>Tcheko-Slovakye>

 

p.102

D1:

hij is een wereldburger en ik ben een klein manneke. <- O Pierard? dat is een internationale liftjongen, zegt hij. Jawel, en hij is een internationale grand-seigneur, een echte, een man die gaat en komt, en wat te zeggen heeft.>

 

D1:

Bonjour<-,> zegt hij, en hij slaat de uitgestoken hand <lijk>>gelijk> een kapmes naar u uit.

 

D1:

om ons een plekje te wijzen<-,> waar we mogen kamperen,

 

D1:

<est-ce que vous avez>>est-ce-que vous-avez>

 

D1:

Er zijn veel <chose-la’s>>chos-la’s> in mijn Frans. De boeren hebben echter geen <chose-la>>chos-la> [zetfout in D1] , en <ten slotte>>tenslotte> na veel parlesanten<+,>

 

p.103

D1:

het <v>>V>on Rundstedt-offensief

 

D1:

hebben ze <tóch>>toch> een beetje

 

D1:

Daaraan ziet <men>>ge>

 

D1:

er iets anders bijkomt dat nog niet in orde is<:>>,> want pas zet ik mij schrap

 

D1:

het <zonneke>>zonnetje>[2x]

 

p.104

D1:

dan hebben <we>>wij> een overzicht

 

D1:

heb zien opendraaien<-,>

 

D1:

het is misschien een Prima<-,> zegt hij.

 

D1:

<uren>>Uren> bij... dingen,

 

D1:

aan de rand <von>>van> het bos [zetfout in Parool]

VW:

aan de rand [von]]van] het bos

 

D1:

twee stappen van <onze tenten>>ons kamp> verwijderd

 

D1:

dat het een lust is <–>>...> in de <natte- maar opklarende-regenavond>>natte – maar opklarende – regenavond>.

 

D1:

het Muize<-n>gat [2x]

 

D1:

<orientatie>>oriëntatie>

 

p.105

D1:

de <ene>>een> heeft hoofdpijn

 

D1:

in de <provisoir-geplaatste>>provisoir geplaatste> tent

 

D1:

<Janneke>>Jeanneke> en ik;

VW:

[Janneke]]Jeanneke] en ik;

 

D1:

onze kweddelen en <+ onze> levensproblemen

 

D1:

er al in gelukt is <+ om> de eerbaarheid te redden

 

D1:

Veel beter dan <me>>mij>

 

D1:

doorheen de bossen springt<+,>

 

D1:

een w.c. kunnen graven<+,> en de eerbaarheid met een vlammend zwaard uit onze gemeenschap <verjagen>>verjaagd>.[zetfout in D1?]

 

D1:

om te kijken of het <niet>>nergens> doorregent

 

D1:

Gister<-en>avond

 

D1:

en om twee uur zullen <we>>wij> soep hebben

 

p.106

D1:

ontdekken de anderen in het dorp de ‘Kleine Winkel’<-,>

 

D1:

‘nooit of nooit zal men mij later tot kamperen kunnen <bewegen>>brengen><’...>>...’>

 

D1:

<zohaast>>zo haast> wij hem nodig hebben

 

p.107

D1:

het Muize<-n>gat

 

D1:

de <steil>>stijl>opgaande heuvelen [zetfout in D1]

 

D1:

<mitraillettes>>mitraillete’s>

 

D1:

en stukken van moto’s<+,>zelfs

 

D1:

en dan komen <we>>wij> aan de bron

 

D1:

<mitraillettes>>mitraillete’s>

 

D1:

ja<+,> <de>>die> bron vind ik niet meer. En <ten slotte>>tenslotte> moeten <we>>wij> terugkeren<+,>

 

p.108

D1:

in ganze<-n>pas langs een <+ zeer> smal voetpad

 

D1:

en onze Jo<-,> die <het>>dat> de eerste <maal>>keer> hoort,

 

D1:

titel die <- ik> later <tóch>>toch> veranderen zal

 

D1:

verscheidene kilometer<-s> in de ronde

 

D1:

<,>>;> of duidt men vreemden de weg aan

 

D1:

maar er <+ ook> nog geen gebenedijd woord

 

D1:

maakt <+ zich> de lippen rood

 

D1:

Daarna gaan wij op <marsch>>march> doorheen de wildernis<-,>

 

D1:

wast zich, poedert zich<-,> en kuist de schoenen,

 

D1:

En Ben<-,>

 

D1:

dat <zo iets>>zoiets> bovengehaald wordt

 

D1:

een hele rij <Prima-flessen>>Primaflessen>

 

D1:

dat we <zo iets>>zoiets> bovenhalen

 

p.109

D1:

naast <een>>de> doodskop

 

D1:

omdat men <zo iets>>zoiets> van mijn vrouw zegt

 

D1:

heb ik zelf dat portret in de een of andere novelle <getekend>>beschreven>?

 

D1:

verstaanbaar <heeft gemaakt>>gemaakt heeft>,

 

D1:

spreek maar <Vlóms>>Vloms> zulle

 

D1:

‘Zeer eigenaardig’<-,> zegt hij daarna hoofdschuddend.

 

D1:

En Nico kijkt hem <+ zeer> verontwaardigd in de rug en zegt<-:> ‘<Wie>>wie> mag dat nou zijn<?’>>’?>

 

D1:

het <v>>V>on Rundstedt-offensief

 

D1:

de wereld <te>>van> Verder-dan-ver

 

p.110

D1:

<- te> midden <- van> de wereld van Niemandsland

 

D1:

<,>>;> want zij is nog steeds gebroken.

 

D1:

Behalve als <ze>>zij> voorbij is<,>>;>

 

D1:

Ben en Marcel zullen hout zoeken<,>>.> <d>>D>och Ben

 

D1:

onder hun beide<-n>

 

D1:

een <mutsaard>>mutserd>

 

D1:

Zij gooien hier een deel weg<-,>

 

D1:

hun <- beide> schouders

 

D1:

<-,> en vinden ze <begot>>bogot>

 

D1:

en alhoewel men <- tevens> ziet dat <Marcel en Ben>>Ben en Marcel> lastig zijn op ons allemaal

 

D1:

met de armen onder het hoofd<-,>

 

p.111

D1:

En pas heb ik <kabbelen>>‘kabbelen’> neergeschreven

 

D1:

of Ben komt uit de <- andere> tent en zegt een beetje ironisch<-:>

 

D1:

‘<H>>h>et kabbelen van de beek’

 

D1:

dat het eigenlijk ‘babbelen’ zou moeten zijn<:>>;>

 

D1:

naar <ons>>onze> tenten toekomt

 

D1:

dat gij daar <+ nog> in <uw>>de> tent wakker ligt, zodat ik dan zeg<-:> ‘<H>>h>oor die toch eens babbelen!’

 

D1:

<+,> <om>>eerstens om er> koel te blijven,

 

D1:

al dat <verrassing-bier>>verrassingsbier>

 

D1:

En ik<+,> kom de prairie op,

 

D1:

zodat we dus <allemaal>>allen> elkander verrast hebben?

<- Op het kerkhof van Verder-dan-ver hangt de Lachende Christus – een ijzeren beeld dat aan de mond verroest is en u daardoor van op het kruis met een spottende grijns hangt aan te staren. Maar ratelt mijn koffiemolen van een camera, ook Marcel heeft een fototoestel waarmee hij knipt en knipt: en ik al filmend langs hier en hij al knippend langs daar, staan we plots allebei voor de lachende Christus, en bederft de een het beeld van de ander.>

 

p.112

D1:

zeer <ongelofelijk>>ongelooflijk> vlug

 

D1:

neemt hij terug <hetzelfde>>het zelfde> beeld

 

D1:

zegt hij ietwat wanhopig<+:> ‘ik geloof dat ik de eerste <keer>>maal> <wat>>iets> vergeten was<’.>>.’>

 

D1:

Tot mij<-,> die blijf zitten, moegedub<d>>t>[zetfout in D1] over alles en nog wat.

 

D1:

om de drie<-,> vier jaar

 

D1:

rechtdoor<-,> die geweldige heuvel op, en dan <dwars door>>dwarsdoor> het woud.

 

D1:

ergens<-,> we weten niet juist waar.

 

D1:

zeer prachtig, <- zoals bij Marie-Louise in Praag – en hoe was het in Praag, Marie-Louise? O, zeer prachtig> – <Maar>>maar zeer ver, en onze Jo vraagt

 

D1:

<-,> zegt hij<-,> <zelf>>zèlf> ietwat twijfelend.

 

D1:

Want ze zijn zeer vriendelijk<-,> die mensen. Op een ferme<-,> waar de moeder mank <gaat>>is>,

 

D1:

het niet <te nat of te koud>>te koud of te nat> gingen hebben.

 

D1:

Oui<-,> <m>>M>essieurs,

 

p.113

D1:

en opgeschreven wat we <+in>kopen

 

D1:

<V>>v>erdubbel de som en deel door <elf>>13>, zegt Ben die <wel is waar>>weliswaar> geen slecht dichter is,

 

D1:

dat we <- dan> evengoed

 

D1:

En nog iets dat in 6 ½ moet <gedeeld>>verdeeld> worden: de <prentenbriefkaarten>>prent-briefkaarten>

 

D1:

En ik lees zo een <kaartje>>kaart> van ons Jeanneke en peins: godomme<-,>

 

D1:

ons <Jeanneken’s>>Jeanneke’s> woorden

 

p.114

D1:

kwestie <met>>van> een handdoek

 

D1:

die <weeral>>weer al> een beeld in het klein zijn van wat het leven in het groot is

 

D1:

<o,>>O> dat zit in het zwart kabasje

 

D1:

het Muize<-n>gat

 

D1:

<Het>>het> zit in het zwart kabasje.

 

D1:

En dan, we gaan <op marsch>>een march doen>, Lucette wil haar schoenen kuis<+s>en

 

D1:

De blink? <Die>>die> zit in het zwart kabasje

 

D1:

en vindt <er hem>>hem er> werkelijk.

 

D1:

Of lag<,>>;> want de Duitsers zijn met het <v>>V>on Rundstedt-offensief tot hier geraakt,

 

D1:

gelijk in de Bijbel <+ – > toen Jozua de zon deed stilstaan

 

D1:

<+ En al vragend naar Lucette kijkend, zegt zij: ik ben een beetje ziek en blijf ook in de tent. O het zit zo ineen!> <En>>en> we zijn seffens de pist in langs de lange lange betonbaan<-,>

 

D1:

de gecamo<u>>e>fleerde Duitse tanks

 

D1:

met geallieerde sterren overschilderd <–>>,> en waar de bomen staan

 

D1:

We marcheren <dwars door>>dwarsdoor> het woud,

 

D1:

moeten <doorheengaan>>doorheen gaan>

 

p.115

D1:

En dan moeten <we>>wij> door een woud met kaarsrechte <bomen>>beuken>,

 

D1:

mannen met beslijkte botten <- –> die aan de wederopbouw werken

 

D1:

en aan de <niet-opgezwollen>>niet opgezwollen> kant van zijn gelaat zie ik<-,> half en half,

 

D1:

die een beetje onwennig en verloren liepen<-,> in deze kapotgeschoten dorpen,

 

D1:

de schommel ging <heel>>zeer> hoog,

 

D1:

wit-ro<s>>z>e billen [2x]

 

D1:

r<-h>ythme

 

D1:

de <op- en neergaande>>op en neer gaande> schommel

 

D1:

en de ene Duitser zei<-:> ‘ik geloof dat zij geen broek draagt’<-,> en de tweede Duitser zei ‘zij draagt wel een broek<+,> maar het is een zeer kleine’<-,> en de derde Duitser zei ‘het is een zeer klein <broekje>>broekJE>’.

 

p.116

D1:

waar <+ er> in de druilende regen

 

VW:

maar de wind komt van [dààr]]dáár]

 

D1:

het Muize<-n>gat

 

D1:

met een bank om er te gaan <zitten>>opzitten>.

 

D1:

En op de muren is <+ er> met krijt geschreven

 

D1:

j’aime mon <Ivan>>ivan>. En ‘<A>>a> bas le roi iii – leve de <K>>k>oning’.

 

D1 :

en veel Vlamingen die er <voor>>vóór> zijn.

 

D1:

<+ Als we in het kamp arriveren: daar loopt Ben rond, met de haren in wanorde van er in te woelen; het kampvuur is uitgedoofd, en de koffie waar we op gerekend hadden is niet gereed, Lucette is nog steeds een beetje ziek, want ze laat zich niet zien. Nieuwe kweddelen?>

Doch, het is Zondag

 

D1:

Maar we mogen niet binnen<-,> want we <zijn>>hebben> ’s morgens niet naar de mis geweest.

 

p.117

D1:

en morgen zullen wij terug in de wereld <der>>van> complexen zijn.

 

D1:

en een avondmar<-s>ch, straks stelt hij ook nog een nachtmar<-s>ch voor. <Bij zover>>Bijzover> dat ik onze Jo <- moet> in de tent <+ moet> houden

 

D1:

en leg mij naast de ingang <+ van de tent>

 

D1:

de <steil>>stijl>opgaande heuvelen [zetfout in D1]

 

VW:

[àlles]]álles] willen doen

 

D1:

<en>>En> ik ga er dadelijk heen om hen te verwittigen dat er nog <+ overal> mijnen <+ liggen> in het water <- liggen>.

 

D1:

<-;>‘dààr’<-,> zeg ik,

VW:

[-;][‘dààr’]]‘dáár’], zeg ik

 

D1:

en <zit ik>>ik zit> weer in de eenzaamheid van mijn ontginning,

 

D1:

een mens zou de bomen <omverlopen>>omver lopen>

 

p.118

D1:

zodat er ene in de havermoutpap komt te zitten<,>>.> [+ nieuwe alinea] ‘<o>>O><+,> het is niets<+,>’ zegt hij

 

D1:

<-,> en die ik dan ook weer dadelijk vergeet

 

D1:

en hij heeft reeds veel boeken<-,> zegt hij,

 

p.119

D1:

met <onze>>ons> potten en pannen

 

D1:

een werkman staat naast mij op het platform <die>>en> vraagt of wij uit Duitsland komen

 

D1:

En de lachende Christus hangt <+ er> aan de muur, óók zonder hoofd.

 

D1:

<- einde.>

VW:

[-einde.]


[terug]