[terug]

Tekstverantwoording
[Copyright verantwoording, L.P. Boon-documentatiecentrum (Universiteit Antwerpen) en Vakgroep Nederlandse literatuur (Universiteit Gent)]

Keuze van de basistekst

Voor het Verzameld werk van Boon wordt in de regel de eerste druk gekozen als basistekst. Dit is niet altijd evident, zelfs niet voor een titel als De bende van Jan de Lichte die generaties lezers in dezelfde versie heeft geboeid. Naast de bekende knalrode uitgave in de ARBO-reeks van De Arbeiderspers uit 1957 bestaat er, zoals hiervoor al vermeld, een uitvoeriger versie die door de liberale krant Het Laatste Nieuws in 1951/1952 als feuilleton en in 1953 als bundeling is uitgegeven. Op het eerste gezicht leunt deze versie dichter aan bij het ‘volksboek met ondergrondse bedoelingen’ dat de auteur oorspronkelijk voor ogen stond. De vraag rijst dus of deze versie geen plek in het Verzameld werk verdient.

Het ‘volksboek met ondergrondse bedoelingen’, de eerste integrale versie van De bende van Jan de Lichte, is, zoals bekend, slechts ten dele overgeleverd. Elke poging om deze zonder twijfel zeer krachtige versie van de benderoman te reconstrueren, is echter tot mislukken gedoemd bij gebrek aan tekstmateriaal. Overgebleven zijn slechts tien pagina’s van het typoscript, alsmede een voorpublicatie in Nieuw Vlaams Tijdschrift (oktober 1950) en een voorpublicatie in Tijd en Mens (januari 1951). Voorts heeft Boon fragmenten uit het verloren gegane typoscript van zijn volksboek met ondergrondse bedoelingen gelicht en, nauwelijks bewerkt, gepubliceerd in achtereenvolgens Vooruit en Front, en Zomer te Ter-Muren. Dit alles zou nooit een volledig verhaal opleveren. Los daarvan is het zeer onwenselijk om een dergelijke composiettekst te maken.

Feit blijft wel dat Boon veel liever deze wijdlopige, ontsporende eer­ste versie van zijn volksboek onder een groot publiek verspreid had willen zien. Maar zoals bekend wilde de uitgeverij het boek in deze vorm niet in haar ARBO-reeks uitbrengen. Ondertussen stuurde Boon zijn tekst ook naar Het Laatste Nieuws, dat zijn verhaal, een goed jaar nadat Boon zijn boek bij de Amsterdamse uitgever had ingeleverd, van 24 november 1951 tot 3 mei 1952 publiceerde als feuilleton in afleveringen in Onze Wekelijkse Aflevering. Het gaat hier echter niet meer om het oorspronkelijke volksboek met ondergrondse bedoelingen. Ook Het Laatste Nieuws durfde dat boek niet te drukken, en dus hebben we hier eveneens met een herschrijving te maken. Een herschrijving die bovendien is gemaakt met het oog op de publicatie in feuilletonvorm en met het oog op de lezers van Het Laatste Nieuws. Seksueel expliciete passages en ‘onfatsoenlijke’ woorden verdwenen of werden bijgewerkt, de meesterlijke aanhef is herschreven en Boons eigenzinnige taaltje is ‘verstandaardnederlandst’. Alhoewel Boon grif meewerkte aan de fatsoenering van de tekst, was hij over het resultaat niet meer helemaal te spreken: ‘Jan de Lichte verschijnt nu in afleveringen. Geschreven door Louis Boon. Ik ga mij een exemplaar kopen, iedere week een aflevering aan 1,50 fr. ... en ik schrijf in de randen bij, wat ik er moeten uit weglaten heb.’

Bijna gelijktijdig met het verschijnen van de eerste aflevering in Het Laatste Nieuws besluit Boon zijn volksboek opnieuw onder handen te nemen en het om te werken tot een ‘best-seller’. Deze laatste en zeer drastische herschrijving was weliswaar een zoveelste toegeving aan ‘derden’ en een zoveelste stap weg van zijn oorspronkelijke opzet, maar het was ook de definitieve stap naar de uitgave in AP’s ARBO-reeks die hij altijd had gewild. Tegenover Joos Florquin verklaarde hij bijvoorbeeld: ‘Ik heb u al gezegd dat ik dat eerst in feuilletonstijl geschreven heb en dat ik er dan een serieus boek van heb willen maken.’ In die zin is de eerste druk van De bende van Jan de Lichte uit 1957 de eerste uitgave van het in een ongekend hoge oplage van 69.300 exemplaren verspreide volksboek waarop Boon jarenlang zijn zinnen had gezet, en die maar liefst achttien drukken beleefde. Het is dan ook deze versie die in het Verzameld werk moet worden opgenomen. Van deze versie is geen bijkomend tekstmateriaal overgeleverd. Zowel het typoscript als de drukproeven zijn verloren gegaan.

In het geval van De zoon van Jan de Lichte zijn er geen problemen met betrekking tot de keuze van de basistekst. Van dit boek is een verzorgd handschrift van 255 pagina’s overgeleverd, dat in grote lijnen overeenkomt met de eerste druk. Tussen dit handschrift en de eerste druk moeten nog een typoscript en drukproeven hebben gezeten die echter niet zijn overgeleverd. De eerste uitgave uit 1961, die in 66.000 exemplaren op de markt werd gebracht en elf keer is herdrukt, is hier opgenomen. In 1980 verschenen De bende en De zoon van Jan de Lichte in één band. Dit is de achtste keer dat de boeken samen verschijnen.

Constutie van de leestekst

D
e editeurs hebben ook voor dit deel van het Verzameld werk de grootst mogelijke terughoudendheid betracht. Zoals gebruikelijk werden uitsluitend evidente zet- en schrijffouten gecorrigeerd. Boontjes eigenaardigheden bleven behouden. Dat geldt in dit geval niet alleen voor zijn gebruikelijke afwijkingen van de algemene norm, maar ook voor de enkele licht bevreemdende sporen van de experimentele eerste versie die er nog te vinden zijn. Zo wordt de lezer niet alleen aangesproken maar krijgt hij op p. 82 ook zelf het woord, om daarna nooit meer als vertellende instantie terug te keren. Ook de opmerkelijke tegenstrijdigheden tussen De bende en De zoon van Jan de Lichte bleven bewaard. Marieke Bleecker, die in de eerste roman stierf, behoudt dus haar prominente rol in het tweede boek, en ook de kogel die Tincke in De bende nog in zijn rug kreeg, blijft in De zoon in zijn dijbeen zitten. Voorts blijven ook de soms functionele, soms grappige en soms wat onhandige anachronismen staan en mogen de armen de in die periode nog zeer dure rijst kapot koken om er pap van te kunnen maken (p. 125), worden profiteurs van de bezetting met een typisch twintigste-eeuws woord ‘oorlogswoekeraars’ genoemd (p. 85) en kunnen de bendeleden zich in veiligheid brengen door hun zeer vroege, van een munitiemagazijn voorziene pistolen ‘leeg te schieten’ (p. 207).

Naast lexicale eigenaardigheden, zoals bijvoorbeeld ‘tegenglarieën’ (p. 72), ‘een hittige [in de betekenis van vurige] blik’ (p. 72), ‘buitengoed’ (p. 76), ‘bestweten’ (p. 101) ‘een stapele gek’ (p. 108), ‘onkennelijk’ [in de betekenis van onherkenbaar] (p. 113), ‘vieselijke poten’ (p. 157), ‘overkafza­ken’ (p. 239), ‘een kotjehuis’ (p. 261), ‘lichtelaaie’ (p. 287) en ‘vernachten’ (p. 290) en woordspelletjes zoals ‘betrappeld en versmeurd’ (p. 47), komen er in de boeken over Jan de Lichte ook enkele vreemde uitdrukkingen voor: ‘een haartje naar zijn vaartje’ (p. 27), ‘naar de wind gaan’ (p. 46), ‘er kraait geen haan over’ (p. 139), ‘tussen vier ogen spreken’ (p. 157), ‘dat bewaarheidt zich’ (p. 177), ‘iemand aanhitsen’ (p. 185), ‘uit de mazen van het net ontglippen’ (p. 223), ‘de eigen boontjes soppen’ (p. 235), ‘iemand te voet vallen’ (p. 296) en ‘zich uitroosteren aan het laaiende vuur’ (p. 234).

Nadat Boon zijn volksboek had klaargestoomd voor de ARBO-reeks, hadden de toenmalige Nederlandse correctoren blijkbaar geen problemen met merkwaardige zinsconstructies als ‘nog een weinig al mokkend’ (p. 27), ‘in dit zijn mogelijk laatste uur’ (p. 120), en ‘met datgene wat als liefde staat bekend’ (p. 339). Ook des schrijvers ‘Vlaamse’ en archaïsche taalg­bruik konden ze wel smaken: ‘opentlijke gevechten’ (p. 55), ‘een hele eind’ (p. 176), ‘ander katten te geselen’ (p. 39), ‘een doosje poer’ (p. 87), ‘een half kwartuur’ (p. 128), ‘verwezentlijken’ (p. 320), en ‘ze waren weest kijken’ (p. 351).

Dat de Nederlandse spelling- en grammaticaregels de volksschrijver niet in hoge mate boeiden, blijkt onder meer uit zijn onverschillige gebruik van lidwoorden (‘dat ketelmuziek’ (p. 111, 167), ‘de overschot’ (p. 197), ‘het strop dat’ (p. 221), ‘de rechte eind’ (p. 293), ‘de waarom’ (p. 208)), het foutief aan en van elkaar schrijven van woorden (‘die naar de Franse overheid toemoet’ (p. 32), ‘vanhier’ (p. 61), ‘telaat’ (p. 72), ‘verweg’ (p. 179), ‘je welste’ (p. 240), ‘zo wel’ (p. 333)) en foutieve werkwoordsvervoegingen (‘gevouwd’ (p. 35) en ‘verbergden’ (p. 141)). Verder leverde ook de tussen-n afwijkende en binnen het boek inconsistente schrijfwijzen op. Zowel ‘olijvenogen’ (p. 132, 171) als ‘olijveogen’ (p. 133, 153) komt voor. Daarnaast leverde Boon nog nieuwe verrassende bijdragen aan de Nederlandse taal met een enkele contaminatie als ‘hij sluit de deur zorgvuldig achter zich dicht’ (p. 33) en de lachwekkende overspannen samentrekking: ‘Hij komt met uitgestoken hand op de cipier toe, en schudt deze hartelijk.’ (p. 137)

In geen geval hebben de editeurs schoolmeesterachtig ingegrepen. Wel werd een enkele vergissing van Boon rechtgezet, daar waar ze de logica van het verhaal in de weg stond. Op twee plaatsen situeert hij het verhaal namelijk in 1749, terwijl de bende al in 1748 werd ontbonden. Ook het foutief en daardoor verwarrend gespelde woord ‘eunuuk’ werd op twee plaatsen vervangen door de oorspronkelijke schrijfwijze uit het handschrift ‘eunuk’. Voorts is het gebruik van interpunctietekens gemoderniseerd en geüniformeerd. Citaten worden tussen enkele aanhalingstekens geplaatst; citaten en aanhalingen binnen een citaat worden tussen dubbele aanhalingstekens geplaatst. De alinea-indeling van de basisteksten wordt overgenomen en slechts daar waar nodig aangepast.

De onderstaande lijst geeft alle door de tekstbezorgers uitgevoerde in­grepen in de basisteksten weer. Het gaat hier met andere woorden om de correctie van evidente schrijf- en zetfouten of om ingrepen die door ons absoluut noodzakelijk werden geacht ten behoeve van de leesbaarheid van de tekst. Deze aanduidingen moeten als volgt gelezen worden: [zetfout]]ingreep].

De bende van Jan de Lichte
p. 26:
[spirite]]spirit]
p. 41: [doortrapste]]doortraptste]
p. 46: [verwijnt]]verdwijnt]
p. 62: [hoovaardig]]hovaardig]
p. 87, 119: [Adriaan]]Adriaen]
p. 99: de [Jonker]]jonker]
p. 117: [hebbben]]hebben] gespeeld
p. 123: [hoererde]]hoereerde]
p. 160: we zijn in [1749]]1748]
p. 167: ten jare [1749]]1748]
p. 198: [laatste – avondmaal]]laatste-avondmaal]

De zoon van Jan de Lichte
p. 242 : want de [roepging]]roep ging] over het land
p. 247: op een lopen [zetten]]zette]
p. 254: [georganiseeerde]]georganiseerde] wereld
p. 255: de [vestste]]vetste] kluiven
p. 264: stank [en en]]en] een slechte naam
p. 265: waar we [ermaar]]er maar] op losleefden
p. 288: [de]]die] er was uitgedeeld geweest
p. 303, 330: [eunuuk]]eunuk]
p. 306: [houtskoop]]houtskool]
p. 311: [een]]en] uiteindelijk bleef Cottenier staan
p. 316: [Ze]]We] liepen allen tussen het kruid door
p. 317: [Ze]]We] konden het bijna niet geloven
p. 323: [in]]een] beroep gedaan op
p. 338: de Zot van [Worteghen]]Worteghem]
p. 338: [dilligentie]]diligentie]
p. 341: [onpraktsich]]onpraktisch]
p. 344: [nachtgelegenheiden]]nachtgelegenheden]
p. 359: hoe hij ook [zij]]zijn] best deed
p. 370: [onverbiddellijk]]onverbiddelijk]
p. 370: [mijn]]haar] voeten


[terug]