[terug]

Tekstverantwoording
[Copyright verantwoording, L.P. Boon-documentatiecentrum (Universiteit Antwerpen) en Vakgroep Nederlandse literatuur (Universiteit Gent)]

Keuze van de basisteksten

Voor dit Verzameld werk van Boon wordt in de regel de eerste druk van een titel als basistekst gekozen. Op het eerste gezicht was deze keuze in het onderhavige geval echter niet zo vanzelfsprekend. Zowel van ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed’ als van Mijn kleine oorlog bestaan er namelijk afwijkende versies; van de tweede tekst bestaat er zelfs een drastisch herziene uitgave.

Twee jaar nadat ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed’ voor het eerst verscheen, in De Vlaamsche Gids van juli 1946, publiceerde Boon het filmscenario opnieuw, deze keer in het communistische weekblad Front van 9 mei 1948. Een half leven verder, in 1977, werd het scenario onder de korte titel ‘De bom’ nog eens afgedrukt in H.A.M., het blad van de gelijknamige kunstenaarsbent.

In Front kreeg ‘De atoombom en het mannetje met de bolhoed’ (de buigings-n viel hier weg) nog wel de ondertitel ‘een filmscenario’ mee, maar Boon bleek enigszins van zijn originele opzet te zijn afgeweken. Weg was de opmerking dat de film bedoeld was als een ‘grootsch opgevatte jazz (zonder echter symfonisch te worden)’. Ook de omschrijving van de acht delen waar het scenario uit bestond én de dialoog die oorspronkelijk aan het eerste deel voorafging waren verdwenen.

In 1977 presenteerde Boon zijn tekst zelfs niet eens meer als een filmscenario. Ditmaal leverde hij met zijn wederom (lichtjes) aangepaste tekst – nu simpelweg ‘De bom’ geheten – een bijdrage aan het H.A.M.-themanummer ‘schrift op scène’: Boons mannetje-met-de-bolhoed verhuisde van het witte doek naar het toneelpodium.

Een manuscript van ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed’ werd niet teruggevonden. Wel is er een (ongedateerd) typoscript van de tweede versie overgeleverd, dat in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen wordt bewaard. Het bestaat uit twaalf pagina’s, die met de hand zijn genummerd van 9 tot 20. Alhoewel het typoscript dus onvolledig lijkt (ook de titelpagina bleef niet bewaard), bevat het wel de complete versie zoals die in Front is afgedrukt. Anders dan in De Vlaamsche Gids stapte Boon in deze tweede versie af van de spelling De Vries-Te Winkel, met de zeer typische buigings-n, de kenmerkende notatie van dubbele klinkers in open lettergrepen (vb. beenen) en moderniseerde hij bijvoorbeeld ook het gebruik van -sch in woorden met s-klanken (vb. Japansch). Een enkele keer duikt de oude spelling toch nog op in het typoscript. Deze ‘vergissingen’ (‘tooneel’ en ‘eenige’) werden, vermoedelijk door de schrijver zelf, met zwarte inkt gecorrigeerd.

In het typoscript van ‘De atoombom en het mannetje met de bolhoed’ worden leestekens ingevoegd en worden om de haverklap nieuwe regels begonnen. Uitspraken en (radio)stemmen zijn onderstreept. Deze versie (inclusief de zwarte correctielaag) lag aan de basis voor de in Front afgedrukte tekst. Die zag er typografisch dus heel anders uit dan ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed’. In De Vlaamsche Gids worden zinnen namelijk van elkaar gescheiden door liggende streepjes en de tekst wordt enkel onderbroken wanneer een nieuw deel begint. Die tekst is bovendien vet gezet en wordt hier en daar afgewisseld met uitspraken en (radio)stemmen in romein. Het geheel oogt als een woordenstroom. In feite werd in Front de excessieve, tegen de marges aanklotsende tekst van het oorspronkelijke filmscenario ingeruild voor een stampende, haast mechanische ritmiek.

Tussen de publicatie in Front en de laatste editie in H.A.M. heeft Boon ‘De atoombom en het mannetje met de bolhoed’ nog eens onder handen genomen. De erven Boon bewaren een exemplaar van de Front-uitgave waarin de schrijver aantekeningen heeft gemaakt in de eerste twee delen van de tekst. De nieuwe versie kreeg nog meer ritme, de zinnen werden korter gemaakt; de tekst werd nu erg staccato. Boon schrapte een aantal woorden, en op een enkele plaats zocht hij naar alternatieve formuleringen (‘boem’ werd ‘broem’, ‘negerinnetje’ werd ‘negermeisje’). Ook zette hij bepaalde passages in een kadertje. Voor zover bekend werd deze versie nooit gepubliceerd.

Bij de voorbereiding van de publicatie van ‘De bom’ in H.A.M. in 1977 gebruikte Boon niet de aangepaste Front-versie, maar greep hij terug naar het bovenvermelde typoscript. Met blauwe balpen bracht hij daarop een aantal extra correcties aan. Het betrof veelal kleine ingrepen. De meest opmerkelijke verandering is wel dat hij ‘negermeisje’ en ‘negerinnetje’ overal veranderde in ‘meisje’.

Het inmiddels tweemaal gecorrigeerde typoscript van ‘De atoombom en het mannetje met de bolhoed’ diende als kopij voor het H.A.M.-nummer, waarin de tekst wel erg getrouw werd overgenomen. In het typoscript onderstreepte zinnen werden niet cursief gezet, maar eveneens onderstreept, en de meest recente correcties en schrappingen (de blauwe) werden ook als correcties en schrappingen weergegeven.

De editeurs hebben ervoor gekozen om hier De Vlaamsche Gids-versie van Boons poëticaal zo belangrijke tekst op te nemen. Daarmee leert de lezer niet alleen de meest uitvoerige versie kennen, maar ook de tekst die letterlijk en figuurlijk het dichtst staat bij de met het montageprocédé experimenterende schrijver van Mijn kleine oorlog (1947) die in dit deel van het Verzameld werk wordt afgedrukt.

Zoals eerder aangegeven was de tweede druk van Mijn kleine oorlog het resultaat van een grondige revisie, bedoeld om de tekst beter af te stemmen op de Nederlandse lezer, in eerste instantie op wie zich omstreeks 1960 jong mocht noemen. Wij kiezen voor de eerste druk. Naast formele, gelden hiervoor in dit geval ook poëticale redenen. De eerste druk is niet alleen linguïstisch, maar ook poëticaal de meest gedurfde versie. Het is een scharnierboek in Boons oeuvre, dat achteraf bezien de al met al nog vrij traditionele vertelstructuur van de vroege romans verbindt met de genadeloze parodie van wat het genre desbetreffend te bieden heeft in de 1ste illegale roman van Boontje oftewel De Kapellekensbaan (1953). Ook thematisch kondigt Mijn kleine oorlog de boeken over de Kapellekensbaan aan, onder meer in de dwingende suggestie dat de bevrijding geen einde heeft gemaakt aan het (onzichtbare, structurele) geweld in de samenleving en dat met ‘Hiroshima’ de finale vernietiging van de wereld door de mens zelf een reële mogelijkheid is geworden.

Door in dit Verzameld werk te opteren voor de eerste druk willen we niet alleen Mijn kleine oorlog presenteren als een ouverture van Boons grote romandiptiek, die overigens formeel mooi aansluit bij de eerste druk van het filmscenario ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed’. We kiezen ook resoluut voor ‘ongekuist’ leesplezier. Natuurlijk staan we daarmee wel voor het probleem dat Boon zijn boek in tweede instantie uitbreidde met twee extra hoofdstukjes, die weliswaar slechts functioneel zijn in de context van de tweede druk, maar de lezer net zo min mogen worden onthouden als het stukje ‘Weerzien van Oostende’ uit Zondagspost. Daarom presenteren we deze drie teksten in twee aparte bijlagen (pp. 163-172).

Zelfs als men niet de tweede druk van Mijn kleine oorlog als basistekst kiest, is de keuze voor de eerste druk niet evident. Boon heeft later namelijk in niet mis te verstane bewoordingen laten blijken dat zijn boek verkeerd gedrukt was. Men zou in de verleiding kunnen komen om dan maar het enige bewaard gebleven typoscript van Mijn kleine oorlog als basistekst te kiezen. Dat levert echter onoverkomelijke praktische problemen op. Hoe zou je het typoscript immers ‘juist’ moeten interpreteren?

Het typoscript van Mijn kleine oorlog bevindt zich in de collectie van de Universiteit Antwerpen. Het bestaat uit 101 bladen op A4-formaat die aan één kant zijn gebruikt en, op het laatste blad na, doorlopend zijn genummerd van 2 tot 101. Volgens Jeanneke Boon heeft haar man dit typoscript eigenhandig getikt. Hij blijkt hierbij erg zorgvuldig te werk te zijn gegaan – er zijn nauwelijks fouten, doorhalingen of verbeteringen. De eerste twee pagina’s bevatten het voorwoord van Willem Elsschot, dan volgt de tekst zelf.

Naast een handvol correcties in zwarte inkt, hoogstwaarschijnlijk door Boon zelf aangebracht, bevat het typoscript van Mijn kleine oorlog aantekeningen in potlood van vermoedelijk twee personen. Deze notities hebben voornamelijk betrekking op de pagina-indeling, het hoofdlettergebruik en de cursivering. De cursieve fragmenten uit de eerste druk werden door Boon telkens op een nieuw blad getypt. Links ervan is met rode inkt een verticale streep getrokken, waarschijnlijk door de zetter of drukker, om het cursief te markeren. Met dezelfde fijne zwarte pen waarmee de weinige correcties in het typoscript werden aangebracht, zijn ook de woorden geschreven waar de eerste druk op uitloopt: ‘TOT ZIJ EEN GEWETEN KRIJGEN’.

De eerste druk van Mijn kleine oorlog telt 116 pagina’s en werd blijkens het colofon verzorgd door drukkerij Erasmus te Ledeberg. De tekst werd gezet in de Veronese en gedrukt op 70-gramspapier van lage kwaliteit, krantenpapier haast. Alle exemplaren van Mijn kleine oorlog zijn ingenaaid. Boon was allerminst tevreden. Aan Burssens zou hij schrijven dat Mijn kleine oorlog ‘door de schuld van een of andere idioot is misdrukt’. Zo telde de gedrukte tekst opvallend meer punten dan het typoscript. Ook bleven eigennamen en namen van steden in het boek weliswaar met een kleine letter gespeld, maar in de in romein gezette stukjes en in de cursieve fragmenten was door de zetter na een punt telkens een hoofdletter ingelast. Het zwaarste tilde Boon echter aan de manier waarop die fragmenten in het boek terecht gekomen waren: ‘de cursieve tekst mocht niet steeds aan een verhaaltje zijn vastgeknoopt, maar moest, in deze verscheidenheid van lettertype, een doorlopende tekst hebben gevormd.’ Vermoedelijk stond Boon een montage voor ogen van in diverse lettertypen en corpsen gezette tekstdelen. En wellicht hadden ook de titels van wat nu ten onrechte afzonderlijke hoofdstukjes lijken, onder moeten gaan in een kunstmatige plas, een zee, een chaos van woorden. Maar zeker is dat niet en hoe Mijn kleine oorlog er volgens Boon precies had moeten uitzien, wordt toch niet helemaal duidelijk. Pogingen om op grond van het typoscript de zogenaamde auteurstekst te reconstrueren zijn dan ook gedoemd te mislukken.


Constitutie van de leestekst

De editeurs hebben bij de constitutie van de leestekst de grootst mogelijke terughoudendheid nagestreefd. Boons spelling werd niet geactualiseerd en evenmin werd geraakt aan het bewust-normafwijkende idioom van de schrijver. Staat Boon in zijn gehele oeuvre bekend als een tegendraadse schrijver, in Mijn kleine oorlog lijkt de afwijking van de norm wel tot norm verheven. Om die reden is er met extra veel zorg gekeken naar de mogelijke ingrepen en is er besloten om voor dit deel af te wijken van de basisregel dat titels van zelfstandige publicaties worden gecursiveerd. Boon gooit in zijn montageroman alles op een grote hoop. Landen, plaatsnamen, eigennamen en titels, alles wordt zonder plichtplegingen en hoofdletters gepresenteerd. Het zou dan tegen de geest van het boek indruisen om bijvoorbeeld ‘vooruit’, de naam van de socialistische krant, te markeren door de titel te cursiveren. Deze bedenking geldt niet voor de inleiding van Elsschot, waar de basisregel wel werd toegepast. Ook in ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed’ worden titels niet gecursiveerd. In dit filmscenario komen geen cursieven voor en wordt de typografie aangewend om verschillende ‘tekstsoorten’ te markeren. Het invoegen van cursieve tekst zou een door Boon niet geïntendeerde derde tekstsoort suggereren.

Voorts zijn grammaticaal wonderlijke zinnen behouden, zoals: ‘en al ruziemakend zij allebei op het trottoir en het paard al hinkend en al stervend op de kassei komen zij [...]’ (p. 59); incongruente voornaamwoorden als: ‘andere’ (p. 84) en ‘verscheidene’ (p. 90) blijven staan, evenals de Booniaanse spelling van woorden als: ‘gramofoon’ (p. 11), ‘zijkenden regen’ (p. 109). Zoals gezegd worden de hoofdletters in plaatsnamen niet ingevoegd en wordt de afwijkende spelling niet gecorrigeerd: ‘warchau’ (p. 32), ‘veldtwezelt’ (p. 38) en ‘merxplas’ (p. 79). Voorts werden uit respect voor Boons aversie van homogeen taalgebruik onder andere de volgende inconsequenties gehandhaafd: ‘belgie, knieen, geeischt, geinterviewd’ tegenover ‘belgië, opgeëischt, knieën, italië, sympathieën’, ‘turlelut’ versus ‘turletut’, ‘litteraire prijs’ tegenover ‘literatuur’, ‘luie hoek’ tegenover ‘luien hoek’. Ook de afwijkende schrijfwijze van de eigennaam ‘Lubka’ (‘Lubka’, ‘Lübka’ en ‘Lûbka’), ‘mickie mouse’, en Elsschots schrijfwijze van ‘Dostoïewski’ en die van Boon, ‘Dostojewski’, bleven bewaard, evenals het zeer inconsequente gebruik van accenten. Uiteindelijk hebben de tekstbezorgers zich beperkt tot het verbeteren van een, vrij gering aantal, evidente zet-en drukfouten met betrekking tot spelling, interpunctie en typografie. Het gebruik van aanhalingstekens werd gemoderniseerd en geüniformeerd: dubbele aanhalingstekens zijn vervangen door enkele. Twee, vier of meer puntjes worden vervangen door het beletselteken. Accenten die de functie hebben om woorden te benadrukken zijn waar nodig veranderd in accents aigus. In Mijn kleine oorlog wordt op pagina 41 het punt na ‘in den hof al de porij uitgetrokken’ geschrapt, omdat de cursieve passages elders nooit worden afgesloten door een punt. Op pagina 79 wordt een haakje ingelast om de passage tussen haakjes af te sluiten.

De onderstaande lijst geeft alle door de tekstbezorgers uitgevoerde ingrepen in de basisteksten weer. Deze aanduidingen moeten als volgt gelezen worden: [zetfout]]ingreep]. Het complete variantenapparaat is te raadplegen op www.lpbooncentrum.be/verzameldwerk, waar ook een lijst met woordverklaringen te vinden is.

De atoombom en het mannetje met den bolhoed

p. 16: [tot]]to] be, or not to be
p. 20: de [bolheid]]bolhoed] met beide handen op de ooren drukkend
p. 20: [ijveren]]ijzeren] staven

Mijn kleine oorlog

p. 41: in den hof al de porij uitgetrokken[- .]
p. 79: insteken en wat zal men van het gouvernement krijgen? [+)]
p. 93: meneer de swaem[-e]

[terug]