[terug]

Tekstverantwoording
[Copyright verantwoording, L.P. Boon-documentatiecentrum (Universiteit Antwerpen) en Vakgroep Nederlandse literatuur (Universiteit Gent)]

Keuze van de basisteksten

Doordat Herman Teirlinck zijn vingers niet van Menuet heeft kunnen houden, en enkele door hem onbetamelijk bevonden passages op zijn initiatief uit de tekst werden verwijderd, was het voor de bezorgers van het Verzameld werk geen lastige opdracht om een basistekst te selecteren: eigenlijk kwam alleen de door De Arbeiderspers gepubliceerde eerste druk daarvoor in aanmerking.

Zo evident als de keuze van de basistekst was voor
Menuet, zo problematisch was deze voor de overige, en in het bijzonder voor de eerste twee hier opgenomen verhalen van Boon.

Van ‘Maagpijn’ is duidelijk dat het verhaal, in de zomer van 1944, niet geconcipieerd werd als onderdeel van een groter geheel. In de brief van Les Editions Lumière van 23 maart 1946 aan Boon is er bovendien sprake van een Franse vertaling van ‘Maagpijn’. Ook al had Boon zijn novelle intussen opgenomen in
Twee spoken, een boek dat hij in zijn brief ter publica-tie aanbood, toch had hij er kennelijk geen problemen mee dat hij apart zou worden aangeboden op de Franstalige markt. Enigszins anders zit het wellicht met ‘Uitleen-bibliotheek’, al is ook in dit geval niet helemaal zeker dat de vroegste versie van de novelle, ‘Uitleenbibliotheek Boone-De Wolf’, vanaf het allereerste begin deel moest gaan uitmaken van Twee spoken. Vóór 23 maart 1946 had Boon in elk geval niet met zijn uitgever over dit project gesproken, zo kan worden afgeleid uit de inmiddels veelvuldig aangehaalde brief van Les Editions Lumière. In het verhaal zelf neemt de ik-fi-guur wel notities, maar uit niets blijkt dat deze bestemd zijn voor een soort vervolg op ‘Maagpijn’. Na de weigering door Manteau van het manuscript van Twee spoken kende Boon overigens geen aarzelingen om ‘Uitleenbibliotheek Boone-De Wolf’ afzonderlijk te publiceren. Nadat hij het vergeefs had aangeboden aan het N.V.T., werd het verhaal zoals bekend gepubliceerd in Front en vervolgens als apart boekje uitgegeven door de Gentse Leesclub Boekuil. In het typoscript van de Boekuiluitgave scheidde Boon het twee-de spook radicaal van het eerste. De in Front tussen haakjes geplaatste inleidende zin ontbrak al in eerste opzet en Boon haalde in het typoscript ook nog eens de laatste verwijzing naar ‘Maagpijn’ weg door ‘die dokter’ met balpen te veranderen in ‘de dokter’.

Ook Paul Van Keymeulen herinnert zich dat de schrijver niet moeilijk deed over het scheiden van ‘Maagpijn’ en ‘Uitleenbibliotheek Boone-De Wolf’. Namens de Antwerpse uitgeverij Het Kompas vroeg hij zijn goede kennis Boon in 1947 om een verhaal, en deze bood hem zonder er lang over na te denken een van de twee spoken aan. Toen vervolgens het betreffende typoscript net iets langer uit bleek te vallen dan geschikt was voor de beoogde reeks, schrapte Boon volgens Van Keymeulen bovendien zonder veel scrupules een passage uit de tekst. Zoals eerder opgemerkt kon hij op dat moment elke publicatie gebruiken, alleen al om financiële redenen. Maar anders dan hij in zulke gevallen doorgaans deed, uitte hij geen klacht toen hij een van zijn spoken moest kortwieken. En ook in de scheiding van ‘Maagpijn’ en ‘Uitleenbibliotheek Boone-De Wolf’ zag hij klaarblijkelijk geen graten.
Boons verregaande inschikkelijkheid ten spijt, zou Het Kompas het zo ruw ingekorte verhaal nooit publiceren. Ook later, toen hij het geld eigenlijk niet meer nodig had, liet Boon zijn twee spoken weleens solo optreden. Zo verscheen bij Meulenhoff Educatief een schooleditie van Uitleenbibliotheek, die drie drukken kende.

Uit Paul Van Keymeulens getuigenis wordt duidelijk dat Boon soms redelijk willekeurig in zijn eigen tekst ingreep. Zeker als dat door een bevriend iemand gebeurde, toonde hij zich een enkele keer ook opvallend inschikkelijk wanneer met enige kracht gesuggereerd werd dat het her en der wegsnijden van een onfatsoenlijke uitdrukking in een verhaal, of zelfs van een hele passage van ruwer allooi, het mogelijk afschrikwekkende effect van zijn werk bij de lezers kon milderen. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de redactie van de eind 1949 door Leesclub Boekuil uitgegeven editie van
Boontje’s uitleenbibliotheek. Het door Jozef Cantré fraai verluchte boekje werd exclusief gedrukt voor de leden van deze Gentse leesclub, op vierhonderd exemplaren. Boekuilvoorzitter René Ide had het goed voor met de arme schrijver en bewonderde zijn werk, maar hij vreesde vermoedelijk met recht en reden dat de kunstopvattingen van de clubleden geen gelijke tred hielden met hun doorgaans vooruitstrevende politieke en maatschappelijke ideeën. Waarschijnlijk op aangeven van Ide, maar zonder er zelf flauw over te doen, maakte Boon zijn tekst schoon, ironisch-enthousiast alles verwijderend wat aanstoot zou kunnen geven. Zo schrapte Boon een zes pagina’s lange passus over het miserabele en promiscue leven van Ma-ria De Pelsemaecker – oftewel Maria-van-den-onderrok – en over de vunzige biotoop van dit mens. Verder achtte hij het zelf bij nader inzien niet kies om de lange uiteenzetting van zijn vriend Ben op te nemen, waarin deze zich intellectueel boven de intellectuelen waande en uitvoer tegen Freud, die ‘slechts een vuile jood’ was, en ‘Dostojewski’, die ‘maar een leerling van Stendhal’ was, zodat er een, zo schreef hij Ide, ‘ “afgeslacht” verhaal’ overbleef. Zulke kwalifcaties, hoe overdreven ook, hebben de editeurs niet aangemoedigd om deze eerste, uiteindelijk toch behoorlijk gekortwiekte druk van Boontje’s uitleenbibliotheek als basistekst voor het Verzameld werk te selecteren.

Drie jaar na de Boekuiluitgave verscheen de novelle ‘Uitleenbibliotheek’ in
Twee spoken, het eerste boekje dat Boon uitgaf bij De Arbeiderspers. Er lag intussen zoveel tijd tussen deze laatste variant en de Front-editie, en de tekst had intussen zoveel, soms ingrijpende veranderingen ondergaan, dat de tijdschriftversie uit 1946 bezwaarlijk beschouwd kan worden als een voorpublicatie.

In het hiervoor beschreven schrijfproces vormen de
Front-edities van ‘Maagpijn’ en ‘Uitleen-bibliotheek’ ontegenzeggelijk een afgeronde fase. We kozen deze varianten als basistekst enerzijds om de bovenvermelde ontwikkeling in Boons schrijverschap nog beter te kunnen illustreren – het zijn de oudste overgeleverde varianten van de eerste twee spoken, en zoals we hebben gezien werden ze door Boon niet altijd met even groot respect bejegend – ; anderzijds wilden we het apocriefe derde ‘spook’, ‘Te oud voor kamperen?’, niet zonder ‘Maagpijn’ en ‘Uitleen-bibliotheek’ publiceren, vanwege het thematische en stilistische verband van de drie verhalen.

Evenals het geval is voor de eerste twee spoken, hebben we als basistekst voor de editie van ‘Te oud voor kamperen?’ gekozen voor de tijdschriftuitgave. Ook hier is sprake van een eerste, afgeronde fase in het schrijfproces. De versie in
Parool is zeker geen voorpublicatie van het verhaal in Zes Vlaamse novellen, waarin ‘Te oud voor kamperen?’ als vervanger van het door Angèle Manteau gesuggereerde ‘Maagpijn’ verscheen. Daarnaast kunnen we er niet zeker van zijn dat alle varianten uit de Nijgh & Van Ditmarversie van Boons hand zijn. Blijkens de correspondentie van de Nederlandse uitgeverij met enkele betrokken auteurs ontvingen deze wel drukproeven van hun bijdragen, maar ‘spoedshalve hebben wij de correctie aan onze corrector opgedragen en wij vertrouwen derhalve, dat U dit aan ons wilt overlaten’.

Kiezen voor één variant betekent afzien van andere varianten, die soms zeer lezenswaardige passages bevatten die niet in de basistekst voorkomen. In enkele gevallen gaat dit zelfs over passages die nodig zijn voor een vlotte lectuur van het verhaal. Dergelijke storende omissies kunnen het gevolg zijn van een onhandige inkorting van Boon zelf of van zetfouten. In ‘Uitleen-bibliotheek’ is één weggevallen passage, waarschijnlijk het gevolg van een drastische inkorting, zo onmisbaar dat de editeurs een bolletje in de marge van de leestekst hebben geplaatst (p. 76) dat verwijst naar de ontbrekende passage op p. 267-268. Deze passage is wel opgenomen in alle andere versies.

Daar staat tegenover dat de door ons gekozen basisteksten een veel groter aantal interessante passages bevatten die niet in de latere drukken staan. Ze kunnen in dit
Verzameld werk zorgen voor heel wat extra leesplezier. Zo bevat de vroegste versie van ‘Maagpijn’ een stukje over de communist Schoen en zijn meisje ‘die op sterven lag’ en geen melk kreeg van de rijke boer ‘op het boerenhof’ (p. 33); het stukje gaat terug op Boons aantekeningen voor zijn ‘Bible de la Guerre’, in Boontje’s twee spoken ontbreekt het.

Een opmerkelijk aantal geschrapte passages – mogelijk is dit het werk geweest van de Nederlandse corrector – in de Nijgh & Van Ditmaruitgave van ‘Te oud voor kamperen?’ behandelt de Belgische politiek. Wellicht werd geoordeeld dat ze de tekst te sterk zouden dateren, een wel erg klassieke opvatting. Bovendien moet de lezer daardoor bijvoorbeeld de geestige passage missen over Marcel die in Brussel nog even het ‘mysterie-van-co-mische-zaken’ binnen gaat (p. 97). In de
Parool-versie ontbreken dan weer de passages over Ben en zijn zogenaamd zieke vrouw, waarover Boon aan N.V.T.- én Parool-redactiesecretaris Hubert Lampo schreef: ‘als gij de novelle voor N.V.T. in handen krijgt, “Te oud voor kamperen?”, wil dan zo goed zijn een passus te schrappen.’ En de zelfcensor voegde hier olijk aan toe: ‘Kwestie dat de Ben in kwestie er in kwestie tegen geprotesteerd heeft.’

De Ben in kwestie was de dichter Ben Cami, een goede vriend van de schrijver, die evenals zijn toenmalige verloofde Lucette De Wit erg herkenbaar optreedt in het verhaal. Cami moet het niet hebben geapprecieerd dat in ‘Te oud voor kamperen?’ gealludeerd werd op zijn in die dagen nog lang niet algemeen aanvaarde ‘voorhuwelijkse seksuele betrekkingen’ – dat was de hele ‘kwestie’.

Merkwaardig genoeg zal Boon in de Nijgh-editie van zijn kampeerverhaal de geschiedenis van Lucettes denkbeeldige kwaal en Bens niet geheel onschuldige bezoek aan de zieke in haar tent wél vertellen. Wat Boon in het manuscript van de
Parool-editie met betrekking tot de betreffende ‘kwestie’ heeft geschrapt, zal waarschijnlijk niet, of toch niet sterk hebben afgeweken van de twee volgende passages uit Zes Vlaamse novellen:

[p. 114, na ‘maar wat geeft dat nu?’]
En al vragend naar Lucette kijkend, zegt zij: ik ben een beetje ziek en blijf ook in de tent. O het zit zo ineen! en we zijn seffens de pist in langs de lange lange betonbaan [...]

[p. 116, na ‘een land vaneen te scheuren.’]
Als we in het kamp arriveren: daar loopt Ben rond, met de haren in wanorde van er in te woelen; het kampvuur is uitgedoofd, en de koffie waar we op gerekend hadden is niet gereed, Lucette is nog steeds een beetje ziek, want ze laat zich niet zien. Nieuwe kweddelen?

Jammer genoeg bevatten ook de tijdschriftuitgaven van de drie spookverhalen dus niet altijd alle fijne details. De volgende opmerkelijke passage uit ‘Uitleen-bibliotheek’ bijvoorbeeld, die overigens in geen enkele druk in al haar glorie is opgenomen, is ‘gekuist’. Het stukje gaat over een Zwarte die, in de
Front-versie, heel wat Russische meisjes ‘gekend’ had (p. 82). In het typoscript dat gebruikt zou worden voor de Boekuiluitgave van het verhaal had de pocherige collaborateur de meisjes ‘gepoept’, precies als in een notitie die Boon in 1944 maakte voor zijn ‘Bible de la Guerre’ en die de grondslag moet hebben gevormd van de corresponderende passage in het manuscript van de Front-editie. ‘Gepoept had’, een vulgaire Vlaamse uitdrukking voor ‘de daad’, zou in Boontje’s uitleenbibliotheek en later in Twee spoken een beetje laf worden weergegeven als ‘ge... had’.

Nog een aantal van de aldus door (zelf)censuur of onhandige inkortingen weggevallen passages in onze basisteksten willen we de lezer toch niet onthouden. Omdat we geen composiettekst hebben willen maken staan deze passages uiteraard niet in de leestekst, maar geven we hier de meest opvallende weggevallen passages.

In ‘Uitleen-bibliotheek’ is er een stuk tekst komen te vervallen aan het eind van de alinea op p. 81 in deze uitgave. In het typoscript van de Boekuiluitgave staan achter ‘blind geweest voor de Wereld’ drie puntjes en dan volgt:

het enigste dat eigenlijk met een hoofdletter zou mogen geschreven worden... hij had te veel gedichten gelezen van Albrecht Rodenbach en te weinig van Paul Van Ostayen. Maar hoe kon ik hem dat zeggen? Ik mocht er 3 dagen zitten redeneren hebben, kon ik hem daarmee bijvoorbeeld zijn zoon terugschenken die aan het Oostfront gesneuveld was? In zijn ogen was die zoon een held. En lijk hij naar het portret van die zoon zat te kijken, herinnerde ik mij dat binst de oorlog een
N.S.K.K.-er van het Oostfront was in verlof gekomen en mij gezegd had dat hij ginder veel Russische meisjes gepoept had,

Een aantal pagina’s verder is er wederom een passage weggelaten aan het eind van de alinea (p. 84, na ‘liefhebben in bed.’). De zin gaat in het typo-script als volgt verder:

– en ik had eigenlijk willen zeggen ‘poepen in bed’, maar ik heb het niet gedaan omdat ge mij zoudt verkeerd begrepen hebben, want ik wil niet gemeen zijn, ik wil u slechts de bloedende naakte waarheid onthullen dat er genoeg idioten zijn die nacht op nacht hun vrouw pijn doen, pijn doen, en dan denken... och denken... die in slaap vallen en de tranen-van-spijt van hun vrouw niet zien.

Ook ‘Te oud voor kamperen?’ is op sommige punten minder uitvoerig dan de boekvariant. Zo ontbreekt op p. 92 de vermakelijke passage over de verwarring die is ontstaan over het mee te nemen gastoestelletje, de vermaledijde Prima. In de Nijgh & Van Ditmarversie staat daar (na ‘zegt hij niet.’):

De eerste avond dat wij er eens definitief over spreken, dat is de schoonste avond... zoiets kan men mij niet afdoen. Hoe het ook zal zijn, deze avond kan niet overtroffen worden. Het wordt seffens een potten en pannen kwestie... en Jan, die niet meegaat, zegt dat hij nog een vuurtje heeft, een Prima... en daarbij, Morris heeft ook een vuurtje, en Roza ook. Alhoewel het achteraf zal blijken dat èn het vuurtje van Jan èn het vuurtje van Morris èn dat van Roza, allemaal een en hetzelfde vuurtje zijn, dat ze steeds van elkander gebruiken.
O maar ik heb óók een vuurtje! zegt Lucette een beetje naïef, en ze explikeert wat voor een spul het is, en ik herinner mij en kijk naar ons Jeanneke die het zich ook herinnert en die zich wat rechtop gaat zetten om te zeggen dat we óók zo een vuurtje hebben, het ligt op zolder, maar het is kapot. Haja, het ons is ook kapot, zegt Lucette.

De meest frappante toevoeging aan ‘Te oud voor kamperen?’ in
Zes Vlaamse novellen is echter de nieuwe ondertitel: ‘Een vrolijk verhaal’.


Constitutie van de leestekst

Omdat maar weinig lezers de hier gebundelde tijdschriftversies van Boons drie spoken ooit onder ogen hebben gekregen, zullen deze in sommige opzichten nieuw lijken. Echt nieuw zijn ze natuurlijk niet. Evenals voor onze op de eerste druk van het betreffende verhaal gebaseerde uitgave van Menuet en trouwens alle andere in dit Verzameld werk gepresenteerde teksten, hebben de editeurs uiterste terughoudendheid in acht genomen bij het ingrijpen in deze novellen. Dat betekent onder meer dat de spelling niet wordt geactualiseerd. Zelfs als er in een tekst verschillende spellingsystemen door elkaar worden gebruikt, blijft dit gehandhaafd. Er is overigens een evolutie waar te nemen in Boons gebruik van de verschillende spellingsystemen. In ‘Maagpijn’ wordt hoofdzakelijk de spelling-De Vries en Te Winkel gehanteerd, met bijvoorbeeld die typische dubbele klinkers in open lettergrepen, zoals ‘zweeren’ (terwijl ook de vorm ‘zweren’ voorkomt), ‘oogen’, ‘oogenblik’, ‘beenen’, etc., en het niet minder kenmerkende gebruik van ‘sch’ in woorden met s-klanken: ‘menschen’, ‘ondertusschen’, ‘tusschen’.

&Uitleen-bibliotheek’ is opvallend moderner qua spelling. De oude officiële spelling wordt hier afgewisseld met de spelling-Marchant.

&Te oud voor kamperen?’ en
Menuet zijn duidelijk gesteld in ‘Marchant’, maar de immer eigenzinnige Boon is wat dit betreft natuurlijk weer alles behalve consequent geweest. Oude schrijfwijzen zoals ‘marsch’ en ‘stroo’, die vooral in ‘Te oud voor kamperen?’ voorkomen, en Boons gebruikelijke inconsequenties, vaak het gevolg van zijn ostentatieve onverschilligheid inzake spellingkwesties, blijven behouden.

Een van de meest opvallende onregelmatigheden bij Boon betreft de genitiefconstructie in tijdsaanduidingen: ’s anderen daags, ’s anderendaags, sanderendaags, savonds, s’avonds, ’s avonds, s’nachts, snachts, etc. komen op een bijna anarchistische manier naast elkaar voor. Dat Boon het voorts niet zo nauw nam met de ‘correcte’ schrijfwijze van woorden blijkt uit tal van voorbeelden: ‘wenkbrouwen’ (p. 60), ‘vratten’ naast ‘wrat’ (p. 14 en p. 61) en opwrat (p. 33), ‘zijken’ (p. 182) tegenover ‘natgezeikte’ (p. 92), rhetorisch (p. 71), contakt (p. 72), etc. Ook hier wordt niet ingegrepen. Nog een andere categorie van spellingseigenaardigheden vormen de woorden waarin de invloed van het Frans zich vermoedelijk doet gelden. Zo schrijft Boon ‘rhythme’ (p. 115) en vermomt hij zichzelf als ‘Louis Paul Poë’ (p. 55), daarmee uiteraard refererend aan Edgar Allan Poe (wiens naam hij eveneens op verschillende manieren schrijft: ‘Edgar Allan Poe’ (p. 60) en ‘Edgar Poë’ (p. 54)), naar Frans gebruik met trema op de laatste e.

Aalsterse en Vlaamse vormen blijven in deze editie vanzelfsprekend eveneens bewaard. Zo staat de Oost-Vlaamse vorm ‘ik
schorste mijn hemd op’ (p.34) naast het algemeen-Nederlandse ‘Zij [...] schortte de broek op’ (p. 133), is er sprake van ‘jenevel’, een regionale variant van ‘jenever’, en komt er een aantal dialectische vervoegingen van werkwoorden voor, zoals ‘had ervaard’, ‘begraafde’ en ‘had verheft’. Uiteraard blijven ook Boons zelfgefabriceerde lexicale afwijkingen, c.q. vondsten staan, waaronder ‘rampslamp’ (p. 18) en ‘ik verfromde het eerste blad’ (p. 38).

Eveneens typerend voor Boontjes ‘chaotische’ of ‘anarchistische’ stijl is zijn provocerend-onverschillige houding inzake de schrijfwijze van eigennamen en plaatsnamen. Zo spelt hij ‘Cesanne’ (p. 40) bijvoorbeeld, ook in zijn kritieken en brieven, regelmatig fout. Over de correcte schrijfwijze van ‘Nietzsche’ verkeerde hij blijkbaar in onzekerheid, aangezien hij ook in manuscripten deze naam de ene keer juist en de andere keer verkeerd schrijft. Dit geldt eveneens voor de manier waarop hij Russische na-men uit de toenmalige politieke actualiteit weergeeft. Zo verwijst Roksofski, waarvan sprake is in ‘Uitleen-bibliotheek’, natuurlijk naar maarschalk Konstantin Rokkosowski. Ook zulke soms verregaande slordigheden, die het in de meest extreme gevallen zelfs moeilijk maken om te reconstrueren aan wie of wat wordt gerefereerd, hebben we uit respect voor de oorspronkelijke tekst behouden. Natuurlijk gaat het in sommige gevallen ook om meer dan zomaar slordigheid en het epateren van de literaire schoolmeesters, dan speelt Boon een frivool spel met klanken. Zo maakt hij van de Valerius De Sadeleerstraat de Salerius De Vadeleerstraat. Overigens is lang niet altijd duidelijk waar en wanneer het bewuste spel verglijdt in
je-m’en-foutisme en vice versa. Dat is Boon ten voeten uit.

Des Boons is verder de merkwaardige – vaak ook inconsequente – manier van samenstellen, aaneenschrijven en afbreken van woorden, waaraan hier evenmin wordt geraakt. De zelfverklaarde anarchist en volksschrijver schreef bijvoorbeeld ‘bezighield’ (p. 11), maar ook ‘bezig hield’ (p. 17), en voerde een nogal onorthodox koppelstreepjesbeleid: ‘oorlogs-stof’ (p. 51) en ‘cow-boy-verhalen’ (p. 84).

Ook aan de ‘correcte’ plaatsing van accenten en trema’s besteedde Boon niet veel aandacht. Zo ontbreekt het trema in ‘orientatie’ (p. 104), maar schrijft hij wel ‘België’ (p. 114), en komt in de novelle ‘Maagpijn’ zowel de schrijfwijze ‘Viérez’ als ‘Vieréz’ voor om een en dezelfde arts aan te duiden. Daarnaast komen ook ‘ci en ça’ (p. 96) en ‘ci en ca’ voor (p. 105).

Overeenkomstig onze editieprincipes hebben we tenslotte niet geraakt aan zogenaamd ‘foutieve’ uitdrukkingen en op het eerste gezicht ‘manke’, vaak aan de taal in de straat ontleende zinswendingen. Enkele voorbeelden hiervan: ‘Ik trachtte mij tevergeefs de dagen te herinneren dat wij samen soldaat waren en
aan zooiets onnozels als een ziekte en aan hospitaal niet dachten’ (p. 27); ‘Of dat hij integendeel het type was van de ultramoderne meeloper, die over allen en nog wat moet kunnen babbelen’ (p. 59) [onze cursivering]. Ook vanuit historisch oogpunt incorrecte zinnen zoals ‘A bas le roi III’ (p.116), waar het eigenlijk ‘A bas le roi Léopold III’ had moeten zijn, zijn in deze editie bewaard gebleven. In één geval zagen de editeurs zich zelfs genoodzaakt een zin die op zich geen betekenisvol verband heeft ongecorrigeerd te laten staan: ‘en dat hij wat spottend lachen stukken van men-sen denkt te kosten’ (p. 175). Elke ingreep zou hier onverantwoord zijn ge-weest, omdat door het ontbreken van relevant tekstmateriaal niet met zekerheid te reconstrueren is wat hier oorspronkelijk heeft gestaan, hoogstens kan men vermoeden dat hier sprake is van een weggevallen passage.

Om een lang verhaal kort te maken: in deze editie van het
Verzameld werk worden uitsluitend evidente schrijf- en zetfouten gecorrigeerd; daarbij hebben de tekstbezorgers alleen gebruikgemaakt van andere versies dan de basistekst om de weinige ingrepen aan een extra controle te onderwerpen. Op geen enkele wijze is er rekening gehouden met die andere tekstversies.

Ook het soms afwijkende en naar de huidige smaak niet altijd even efficiënte gebruik van interpunctietekens in de basistekst bleef gehandhaafd; slechts een enkele keer is, om de leesbaarheid te bevorderen, een interpunctieteken toegevoegd of weggehaald. Het gebruik van aanhalingstekens werd gemoderniseerd en geüniformeerd: dubbele aanhalingstekens zijn vervangen door enkele. Accenten die de functie hebben om woorden te benadrukken zijn waar nodig veranderd in accents aigues. Titels van bestaande boeken, tijdschriften, en films werden door ons gecursiveerd; voorlopige titels of fictieve titels zijn, evenals titels van schilderijen, tussen enkele aanhalingstekens geplaatst.

De alinea-indeling van de basisteksten wordt overgenomen. Maar de opdeling in afleveringen van de verhalen die in
Front en Parool zijn gepubliceerd, wordt hier ongedaan gemaakt. Dit betekent dat er hier en daar door ons diende te worden ingegrepen in de tekst omdat de feuilletons soms zo plots werden afgebroken dat er in de daaropvolgende aflevering in Front en Parool een deel van een zin moest worden herhaald of er een hoofdletter werd geplaatst terwijl het verhaal midden in een zin werd hervat. De twee-de aflevering van ‘Maagpijn’ (Front, d.d. 11 augustus 1946) bijvoorbeeld eindigde abrupt met de volgende passage: ‘en misschien om eens voor mijn eigen zotte verstrooiing een koord in de’. In de volgende aflevering (d.d. 18 augustus 1946) werd de draad gewoon opgepakt, maar deze basistekst opende daardoor, midden in de zin, met een hoofdletter: ‘Lucht te werpen en die daar te laten hangen’ (p. 19).

Een aantal
Front-afleveringen van ‘Uitleen-bibliotheek’ werd door de auteur op zijn eigen humoristische wijze kort ingeleid, waarbij is samengevat wat voorafging. Ook deze stukjes willen we de lezer van het Verzameld werk niet onthouden.

Boven de aflevering van 4 mei 1947 stond:
Dit verhaal behandelt een personage dat in de ik-vorm vertelt hoe het op de gedachte kwam een uitleen-bibliotheek te beginnen. Na het vóór en tegen te hebben besproken met zijn vrouw, wordt de mening van een zekere Frans Waeterman gevraagd.

De afleveringen van 11 mei en 18 mei 1947 werden als volgt ingeleid:
Dit verhaal behandelt een personage dat in de ik-vorm vertelt hoe het op de gedachte kwam een uitleen-bibliotheek te beginnen. Na het vóór en tegen te hebben besproken met zijn vrouw, zal Marcel, een vriend, voor een handelsregisternummer zorgen.


Ingrepen

De o
nderstaande lijst geeft alle door de tekstbezorgers uitgevoerde ingrepen in de basisteksten weer. Het gaat hier met andere woorden om de correctie van evidente schrijf- en zetfouten of om ingrepen die door ons absoluut noodzakelijk werden geacht ten behoeve van de leesbaarheid van de tekst. Deze aanduidingen moeten als volgt gelezen worden: [zetfout]]ingreep]. Het complete variantenapparaat is te raadplegen op www.booncentrum.be/verzameldwerk.

Maagpijn
p. 11:
[zal]]zat] ergens in mijn maagstreek
p. 11:
[bezigheid]]bezighield]
p. 13: zij is kwaad op iemand die eet, [vroet]]vreet] zegt ze.
p. 13: nooit meer worden
[dat]]dan] wat hij was
p. 15:
[kij]]hij] kwam niet maar deed vragen
p. 15: Ha dat
[+ kan] ik gelooven
p. 16:
[Vierés]]Vieréz]
p. 17: en zijn medicamenten [uit]]niet] nemen
p. 22:
[apendicitis]]appendicitis]
p. 23: een soort [weerzien]]weerzin] tegen alle menschen
p.33: en van als men
[mijn]]mij] zag
p. 34: en hoorde haar de trap
[dwellen]]dweilen]
p. 36: Ik begon [+mij] te kwellen
p. 37: wat er dan
[me]]met] mij was
p. 38:
[ontstuimig]]onstuimig]
p. 39: dan schudde hij het hoofd [asof]]alsof] ik daar mis was
p. 40:
[et]]en] ik bleef liggen

Uitleen-bibliotheek
p.52: loontje komt
[op]]om] zijn boontje,
p.54:
Der Zufall und das Schicksal[-l] van Von Scholz
p.55: en ze haast
[+t]e zich
p.55: mij
[gegven]]gegeven] had
p.57: hij ging er
[meer]]mee] naar de kermis
p. 57: [op]]op-] en afreden
p.57:
[antoworde]]antwoordde]
p.58: En begreep [is]]ik]
p.60: [als]]al] ons ruiten zijn uit,
p.60: Wij
[sliepen]]liepen] boven
p.61: opgebrand
[-j]e eindjes
p.64: alsof Johan Rilke
[-s] en ik
p. 67: [tegenlaakte]]tegenslaakte]
p.69: uit schrik dat hij zich
[+zal] in gang zetten.
p.69:
[Lherbuch]]Lehrbuch]
p.71: want hij [at]]zat] in het ministerie
p.71: vertellingen waren zo
[verbijsterd]]verbijsterend]
p.73: Of zooals Morris [regt]]zegt]...
p.73: een punt
[et]]en] dat punt was de mens
p.73: politieke geschriften
[aangelaten]]nagelaten]
p.75: ik [mote]]moet] hun dat afleren.
p.75: vóór de
[boog]]boeg] gehad,
p.75: dat ik mij vergist
[-t]e
p.75:
[pootlood]]potlood] in de hand
p.76:
[heettte]]heette]
p.76: maar daar is het geen Salerius De Vade[-r]leerstraat meer
p.76: hoe
[zij]]hij] zich laten inschrijven had,
p.77: de
[twede]]tweede] maal
p.79: lijk met die dichter die mij
[voorsteld]]voorstelde]
p.81: gestampt [et]]en] gezegd hadden
p.82:
[he maangekeken]]hem aangekeken]
p.83: nu durft hij die andere [nier]]niet] meer brengen,
p.83: Van kinderen kunt
[ze]]ge] zoiets verdragen,
p.83: en het
[dat]]dan] te lezen
p.83:
[geniepikheid]]geniepigheid]
p.84: de [zak]]zaak] zit hier
p.84:
[broek]]breuk]
p.84: blinkende oogen [e neen]]en een] lachsken

Te oud voor kamperen?
p.87: Te oud voor
[K]]k]amperen?
p.94: napht
[-h]e
p.96:
[rugzaak]]rugzak]
p.98: ik mag van de anderen niet blijven [staat]]staan],
p.104: aan de rand
[von]]van] het bos
p.105:
[Janneke]]Jeanneke] en ik;

Menuet
p.127:
[lente]]lente-] of zomerweer
p.135: die de zuiverheid [nastreef
]]nastreefde] [krantenband]
p.143: [doorkruisd]]doorkruist]
p.143: en hoe intenser ik er om [gebeden]]geleden] heb
p.146: bal
[+l]onnetjes [2x] [krantenband]
p.158: als [-als] het opgaan van de zon
p.160: tot
[ik]]in] mijn geslachtsorganen kroop
p.176: naaktdansers en
[danseressen]]-danseressen] [krantenband]
p.182: [een]]en] stomweg schopt ze alles in de war
p.187:
[onthoofde]]onthoofdde] [krantenband]
p.193: op heel andere wijze naar [+haar] kijkt
p.196: gelijk
[in]]ik] hier sta
p.201: met hun
[woorden]]moorden] of hun krankzinnigheden
p.203: French-
[cacan]]cancan] [krantenband]
p.205 hij [danse]]danste] niet of dronk niet
p.216: Tot ik eindelijk
[ontdekt]]ontdek]
p.220: ik dwong mij te [beraden]]bladeren] in de knipsels die hij samenbracht
p.221: ik heb immer gedacht dat
[+het] er niet zozeer op aankomt

[terug]